INLEIDING TOT DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.
Reading edition
Wie kent niet de namen van Tristan en Isolde? Bij wien roepen zij niet een min of meer volledig beeld in het geheugen van de droeve geschiedenis dier beide gelieven? Of men zich hunne lotgevallen herinnert uit Wagners muzikaal-psychologisch drama, uit het Fransche prozagedicht van Joseph Bédier of uit de schoone verzen van Swinburne’s “Tristram of Lyonesse”, een ieder kent het verhaal van hartstocht en weemoed, dat door alle eeuwen heen de dichters en schrijvers heeft weten te bezielen.
Wanneer men de sage in haren oorspronkelijken vorm leest, zooals zij in de volgende bladzijden is weergegeven, schijnt het, of het verhaal weinig of niets uitstaande heeft met den kring der Arthur-legenden. Immers, het tooneel der handeling ligt geheel buiten het hof van dien vorst, geen der ridders van de Tafelronde wordt ook zelfs maar genoemd en alleen koning Arthur zelve speelt eene, overigens zeer bijkomstige, rol in het drama. De reden, waarom de sage ondanks dit alles, toch gerekend mag worden te behooren tot den Arthur-cyclus, is hierin gelegen, dat zij de levens- en lijdensgeschiedenis geeft van een held, wiens naam in de Arthur-verhalen veelvuldig voorkomt en wiens lotgevallen daarin steeds eng verbonden zijn met die der andere Arthur-ridders. In de latere werken, die aan de verheerlijking van Tristan gewijd zijn, zien wij zelfs, dat zijne avontuurlijke tochten in gezelschap van andere Arthur-ridders en de rivaliteit tusschen hem en Lanceloet de belangstelling van den schrijver meer hebben bezig gehouden dan het verhaal van zijn noodlottigen hartstocht voor koningin Isolde. In het zoogenaamde Fransche tijdperk van den Arthur-cyclus, toen Chrétien de Troies zijne gedichten schreef en de groote proza-romans ontstonden, werd Tristan geheel beschouwd als behoorende tot de ridders der Ronde Tafel en in bovengenoemde werken wedijvert hij dan ook met Walewein en Lanceloet in daden van moed en ridderlijkheid. Wel dient opgemerkt, dat Tristan in al deze verhalen slechts als gast aan het hof van koning Arthur verkeert. Hij is daar niet thuis, zooals de andere ridders, maar vertoeft er slechts voor korteren of langeren tijd, om deel te nemen aan een steekspel of rust te vinden na een zwaren krijgstocht. Toch is hij geen vreemdeling, wiens naam men eerst op een hoogeren ontwikkelingstrap van de Arthur-sagen met dien van den beroemden vorst verbonden heeft om dezen meerderen luister bij te zetten. Zooals wij zien zullen, wordt hij daarentegen reeds in de oudste overleveringen gerangschikt onder de volgelingen van koning Arthur.
Uit dit alles blijkt wel, dat er een alleszins gegronde reden bestaat, om de sage van Tristan en Isolde te rangschikken onder de in dit boek voorkomende verhalen. Terstond verrijzen nu twee vragen: wat is de oorsprong van deze beroemde legende en hoe is het te verklaren, dat zij, meer dan alle andere sagen uit het grijze verleden, de harten der menschen heeft weten te boeien met eene blijvende bekoring?
Laat ons voorloopig trachten, de eerste dier beide te beantwoorden. De vraag, waar wij de bakermat moeten zoeken van de Tristan-sage, heeft vele pennen in beweging gebracht. Verschillende theorieën zijn daarover opgeworpen, men heeft ze aangenomen, bestreden en na eenigen tijd zijn ze verworpen om plaats te maken voor nieuwe denkbeelden. Vele zijn de artikelen, die geschreven zijn, om de waarheid der verschillende zienswijzen aan te toonen of te weerleggen en eene lijst van de namen der geleerden, die ze hebben samengesteld, zou eene aanzienlijke ruimte beslaan. Het is hier niet de plaats, om in bizonderheden op dit alles in te gaan; een ieder, die belang stelt in het vraagstuk van den oorsprong der Tristan-sage behoef ik slechts te verwijzen naar de verschillende jaargangen van de tijdschriften: “Romania”, “Revue de Paris” en “Zeitschrift für Romanische Philologie”, om hem ruimschoots gelegenheid te geven, zich met de verschillende meeningen daaromtrent vertrouwd te maken. Toch dienen enkele namen hier genoemd te worden, vóór alles die van Gaston Paris, den beroemden Keltoloog, die in de April-aflevering van de “Revue de Paris” voor het jaar 1894, een schitterend geschreven betoog hield voor den Keltischen oorsprong der Tristan-sage. Volgens hem moeten wij de eerste sporen van het verhaal zoeken onder de oudste Keltische poëzie, waar ons reeds verteld wordt van een liefdesdrank met noodlottige gevolgen. Om dit bestaande gegeven zouden zich dan, volgens Gaston Paris, episodische verhalen hebben gevormd, die door de rondreizende zangers van Wallis en Bretagne gezongen werden met begeleiding van de harp. Deze liederen, de bekende “lais bretons”, werden gewijzigd en verspreid door Fransche zangers, tot ze eindelijk in handen vielen van dichters, die ze omwerkten tot een samenhangend geheel. Zoodoende ontstonden de eerste Tristan-romans, waarvan, zooals we zullen zien, fragmenten zijn overgebleven.
Welke zijn nu de Keltische, welke de Fransche bestanddeelen in de sage, zooals die door de eeuwen heen tot ons gekomen is? In zijne meening hieromtrent wijkt Bédier, en met hem andere geleerden, zooals Golther en Ferdinand Lot, af van de inzichten van Gaston Paris. Één voor één bestrijdt Bédier de vele voorbeelden, die zijn leermeester aanvoerde, om den Keltischen oorsprong der sage te bewijzen, tot er slechts enkele overblijven, welke door hem werkelijk als zoodanig worden erkend. De wijze, waarop hij dit doet en de houding, die hij daarbij tegenover de denkbeelden van zijn geliefden meester aanneemt, spreekt van eerbiedig ontzag voor de fijn gevoelde opvattingen van diens betoog, welken hij echter meer dichterlijke schoonheid dan volkomen betrouwbaarheid toekent.
Volgens Bédier betreffen de Keltische bestanddeelen slechts den uiterlijken vorm der sage. Wat deze aan dichterlijke waarde en innerlijke schoonheid bezit, ligt echter in den zielestrijd der beide gelieven, die zich eensdeels gebonden voelen door de wetten en gebruiken van de samenleving, waarin zij leven, anderdeels, door hunnen hartstocht gedreven, die wetten steeds met voeten treden. Daar nu volgens Bédier de huwelijksband onder de Kelten zeer los was, wat hij bewijst door eene aanhaling uit de wetten van koning Howel den Goeden, moet datgene, wat de sage hare grootste bekoring gaf, eraan toegevoegd zijn in Frankrijk, in eene christelijke samenleving en door iemand met een fijn-besnaard, dichterlijk gemoed. In een volgend hoofdstuk van zijne studie toont Bédier aan, dat, dank zij de verschillende critische uitgaven der oude Tristan-gedichten, de theorie, dat de “lais bretons” de grondstof voor deze gedichten zouden hebben geleverd, meer en meer op den achtergrond wordt gedrongen. Uit eene vergelijking der bestaande gedichten blijkt het verband, dat tusschen deze onderling bestaat en daardoor wordt hunne schijnbare zelfstandigheid aanmerkelijk verminderd. Ten slotte komt de schrijver tot de gevolgtrekking, dat aan al die oude gedichten één enkel, verloren geraakt gedicht ten grondslag moet liggen, dat in het begin der 12e eeuw door een man van genie vervaardigd werd. Ook hierin, zien wij, is hij het oneens met Gaston Paris, die de “lais bretons” als bron voor de Fransche gedichten beschouwde.
Bovenstaande theorie van Bédier, die op heldere wijze door Professor van Hamel is uiteengezet in zijn Gidsartikel, getiteld: “Middeleeuwsche Tristan-romans” (Gids, 1905, 477–516), wordt in hoofdtrekken door vele andere geleerden gedeeld. Zoo pleit ook W. Golther in zijne studie: “Tristan und Isolde in den Dichtungen des Mittelalters und der neueren Zeit” (Leipzig, Hirzel, 1907) voor de stelling, dat de verschillende fragmenten der eerste Tristan-romans terug te brengen zijn tot één oorspronkelijk werk, waar ze alle op berusten.
In de laatste jaren zijn de denkbeelden van Bédier en Golther van verschillende zijden aangevallen. Onder de velen, die over dit onderwerp geschreven hebben, noemen wij slechts M. J. Loth, die in zijne “Contributions à l’étude des Romans de la Table Ronde” (Paris, Champion 1912) met kracht Bédiers bewering bestrijdt, als zouden de huwelijkswetten bij de Kelten weinig bindend zijn geweest. Integendeel, zoo zegt de schrijver, trouwbreuk werd bij hen als een ernstig vergrijp beschouwd en ook zeer streng gestraft. Bovendien tracht hij aan te toonen, dat de Tristan-legende stamt uit Cornwallis; hij verwerpt den Pictischen oorsprong van den naam Tristan, welken hij phonetisch onverklaarbaar acht. Ook de andere eigennamen, die in de sage voorkomen, zoomede het feit, dat men in de bestaande gedichten eene mengeling van Keltische, Angelsaksische en Fransche namen aantreft, bevestigen volgens hem de waarheid zijner stelling. Ten slotte zij hier nog vermeld het werk van Miss G. Schoepperle: “Tristan and Isolt, a Study of the source of the romance”, 2 vol., Frankfort en Londen, 1913. In dit lijvige boekdeel komt de schrijfster tot eene slotsom, die het midden schijnt te houden tusschen de theorieën van Gaston Paris en die van Bédier.
In tegenstelling met den laatste kent zij groote waarde toe aan de Keltische elementen in de sage, welke volgens haar veel talrijker zijn dan Bédier meent. Om te bewijzen, dat zij werkelijk aanspraak kunnen maken op den naam van Keltisch, toetst zij ze aan de oud-Iersche handschriften, welke aanmerkelijk ouder en daardoor betrouwbaarder zijn dan die uit Wallis en Cornwallis, welke bijna alle Franschen invloed vertoonen. De schrijfster vindt dan vele punten van overeenstemming tusschen de feiten, vermeld in de Tristan-sage en die, welke zij in de oud-Iersche handschriften beschreven ziet.
Zij komt dan tot de gevolgtrekking, dat de Tristan-legende ontstaan is in de Keltische letterkunde, maar dat zij in de gedaante, waarin zij in de gedichten tot ons is gekomen, beschouwd moet worden als eene zuiver Fransche schepping.
Welke zijn nu die gedichten?
Het oudste, bestaande gedicht over de Tristan-sage is dat van een Normandisch schrijver, Béroul genaamd, en dagteekent ongeveer uit het jaar 1165. Zijn werk bleef onvoltooid, maar werd tegen het einde der 12e eeuw van een slot voorzien door een dichter, wiens naam onbekend is gebleven. Van Béroul’s werk is een fragment van ongeveer 3000 regels bewaard gebleven; dit werd de bron voor de eerste bewerking der sage in Duitschland. Hiermede wordt bedoeld het werk van Eilhart von Oberge, een vazal van Hendrik den Leeuw, hertog van Brunswijk, die zijn gedicht geschreven moet hebben tusschen 1190 en 1213.
1e. eene Noorsche proza-vertaling, geschreven in het jaar 1226 door een zekeren broeder Robert, op verzoek van koning Haakon V van Denemarken (1217–1263). In tegenstelling met de andere navolgingen van het Fransche gedicht is deze vertaling een volledig geheel en geeft ons daardoor het meest getrouwe beeld van den oorspronkelijken tekst.
3e. Als derde groote navolging van het Fransche werk dient genoemd het Middel-Engelsche gedicht: “Sir Tristrem”, dat geschreven werd in het Noorden van Engeland tegen het einde der 13e eeuw. Het werd voor de eerste maal uitgegeven in 1804 door niemand minder dan Sir Walter Scott. Hij gaf het den voormelden naam, verdeelde het in drie afdeelingen, voegde het ontbrekende slot er aan toe, geschreven in dezelfde versmaat als het overige gedeelte—en verklaarde ten slotte, dat de schrijver ervan was: Thomas van Ercildoune, ook wel genoemd Thomas de Rijmer. Deze verklaring is later meermalen in twijfel getrokken en thans neemt men algemeen aan, dat de schrijver onbekend gebleven is en dat de naam Thomas, die tot drie maal toe in het gedicht voorkomt, betrekking heeft op den Franschen schrijver.
De beide overige navolgingen zijn van minder belang dan de drie bovengenoemde.
Eene vergelijking tusschen de gedichten van Béroul en Thomas zou buiten het bestek dezer inleiding gaan, toch dient hier met een enkel woord vermeld, dat zij een geheel verschillenden geest ademen. Bérouls opvatting van het gegeven is eenvoudiger, primitiever dan die van Thomas. De eerste gevoelt eene behoefte om de beide gelieven te beschermen tegen de beschuldigingen, waaraan hunne zondige liefde hen blootstelt. Daarom laat hij den noodlottigen invloed van den liefdesdrank slechts vier jaren duren; nadien, ontslagen van den bovennatuurlijken dwang, die op hen werd uitgeoefend, krijgen zij beiden berouw over wat zij gedaan hebben en beginnen een nieuw leven.
In het werk van Thomas daarentegen vinden we geen spoor van eenige poging tot verontschuldiging der beide hoofdpersonen. Zijn gedicht is eene verheerlijking der liefde, de liefdesdrank is het zinnebeeld van haar goddelijk recht. Ook spreekt er uit dit dichtwerk een geest van beschaving en hoofschen sier, die geheel ontbreekt in den eenvoudigen verhaaltrant van Béroul. Al wat ruw en onbeholpen was in de oude sage heeft Thomas zorgvuldig eruit verwijderd en de dichter verdiept zich met wellust in de spitsvondige woordspelingen en nauwkeurige gevoelsontledingen, welke zoo kenschetsend zijn voor den tijd, waarin hij schreef. Dat daardoor het verhaal dikwijls iets van zijn roerenden eenvoud en innige bekoring inboet, is licht te begrijpen, al staat daartegenover, dat het wint aan duidelijkheid en waarschijnlijkheid van gegeven.
Daarnaast staat de groote Fransche proza-roman: “Tristan”. Hier wordt alle aandacht van den lezer gevraagd voor den wedijver tusschen Lanceloet en Tristan en voor een verward relaas van de avonturen dezer beide helden, waarin de meest aandachtige lezer meermalen den draad van het verhaal dreigt te verliezen.
De karakters der hoofdpersonen, vooral dat van koning Mark, hebben in den proza-Tristan eene merkbare verandering ondergaan. Isolde’s echtgenoot wordt erin beschreven als een booze tiran, die zich door lafhartig bedrog en slinksche streken den haat en verachting van zijne onderdanen op den hals haalt. Ook onze held wordt er eenigszins anders in voorgesteld, hij is niet zoo standvastig in zijne liefde voor Isolde als in de andere werken, de vijandschap tusschen hem en zijn oom ontstaat gedeeltelijk uit hun beider wedijver om de gunsten van de schoone vrouw van Heer Segwarides. Door deze veranderingen verliest de liefde tusschen Tristan en Isolde veel van hare noodlottige schoonheid, maar zij bekleedt ook niet langer eene eerste plaats in het verhaal, Tristans heldendaden en krijgsavonturen hebben haar daarvan verdreven. In den proza-roman missen we ook de ontroerende beschrijving van Tristans dood. Zijn einde vindt hier plaats onder geheel andere omstandigheden dan in het oude verhaal; hij wordt door koning Mark in den rug gedood, terwijl hij op de harp zit te spelen voor koningin Isolde.
Onder de Middel-Engelsche gedichten is “Sir Tristrem” vreemd genoeg het eenige, dat aan de lotgevallen van onzen held gewijd is, alleen beslaat het verslag van zijne lotgevallen een belangrijk deel van de “Morte d’Arthur” van Thomas Malory, die zijne wedergave van de legende ontleent aan den Franschen prozaroman. Hij verhaalt echter slechts de helft van het verhaal, dan breekt hij den draad plotseling af om zich te verdiepen in de geschiedenis van den Graal. Eenige hoofdstukken verder vinden wij dan terloops het treurig einde van den held in een paar regels vermeld.
Het zou onmogelijk zijn, eene volledige opsomming te geven van alles, wat er in de afgeloopen eeuw over deze sage geschreven is, daarom noemen wij hier slechts een enkele onder de velen, die haar tot het onderwerp hunner scheppingen hebben gemaakt.
In Duitschland verschenen in de 19e eeuw niet minder dan drie vertalingen van Gottfried von Straszburg’s meesterwerk. De schrijvers hiervan zijn Karl Simrock, Hermann Kurz en Wilhelm Herz; vooral deze laatste moet geprezen worden om de meesterlijke wijze, waarop hij zich van zijne taak heeft gekweten. Ook dient hier melding gemaakt van eene Engelsche prozavertaling van Gottfrieds werk, van de hand van Jessie Weston, welke bij David Nutt, Londen, in eene zeer aantrekkelijke uitgave is verschenen. De groote belangstelling, die men in de afgeloopen eeuw in Duitschland voor de Tristan-sage voelde, kwam op edele wijze tot uiting in Richard Wagner’s muziekdrama: “Tristan und Isolde”, waarvan de eerste opvoering in 1859 plaats vond. Met een te bewonderen inzicht heeft de dichter-componist drie episodes uit het oude verhaal gekozen en is erin geslaagd om ons in drie akten niet slechts de uiterlijke feiten van eene noodlottige liefdesgeschiedenis voor oogen te voeren, maar ons tevens een blik te doen slaan in den strijd en de aandoeningen van eene menschelijke ziel, die tot in haar diepste wezen geroerd wordt door de macht van eene allesoverheerschende liefde. Het nauwe verband tusschen die liefde en den dood kan beschouwd worden als het “Leitmotif” van deze kunst schepping. Als Isolde stervend neerzinkt op het doode lichaam van haren geliefde en hare ziel uitstort in een laatste lied van hartstochtelijke liefde, voelen wij, dat dit het hoogtepunt is van de handeling, waar al het gebeuren van den aanvang af op gericht is geweest.
In de Engelsche letterkunde vinden wij in de 19e eeuw de geschiedenis van Tristan en Isolde terug onder Tennyson’s Koningsidyllen. De wijze, waarop hij het schoone gegeven behandelt, doet den smaak en het letterkundig gevoel van den dichter geen eer aan. Hij gebruikt de legende om aan te toonen tot welk een toestand van verval en verdorvenheid het hof van koning Arthur is afgedaald en daarom beschrijft hij de liefde tusschen Tristan en Isolde als eene van die zondige verhoudingen, waartoe het slechte voorbeeld van Lanceloet en Ginevra aanleiding had gegeven. Dat hij het noodig heeft gevonden om daartoe eene der schoonste en teederste liefdesgeschiedenissen, die de wereld ooit gekend heeft, te verminken en te bederven, wekt niet alleen onze verbazing, maar ook onze verontwaardiging op.
Twee andere Engelsche dichters hebben in de afgeloopen eeuw de liefde van Tristan en Isolde bezongen: Matthew Arnold in zijn gedicht: “Tristram and Iseult” en Algernon Charles Swinburne in “Tristram of Lyonnesse”. Onder hun bijna overeenstemmende titels vertoonen deze beide gedichten groote verschilpunten, die te verklaren zijn uit den verschillenden aanleg der beide dichters. Arnold’s gedicht is slechts een fragment; het beschrijft de laatste levensdagen van den held in zijn eenzaam slot aan de kust van Bretagne, de komst van Isolde van Ierland, het sterven der beiden en het eenzaam achterblijven der jonge weduwe: Isolde van Bretagne. Zijne opvatting van het oude verhaal wijkt af van die, welke algemeen door de dichters gehuldigd is. Arnold’s strenge opvatting van ’s menschen zedelijke plichten maakt het hem onmogelijk om deelneming te gevoelen voor het lijden en de smart der beide gelieven, zijne sympathie is geheel aan de zijde der andere Isolde, die hij beschrijft als eene zachte, teedere vrouw en eene liefhebbende moeder voor hare twee kinderen. Arnold’s pessimistische levensbeschouwing draagt er toe bij, dat hij ons niet den tijd voor oogen voert, toen de liefde het leven van Tristan en Isolde ondanks al hunne moeilijkheden tot iets schoons en heerlijks maakte, maar veeleer hun treurig einde toont als een bewijs, waartoe de mensch gedreven wordt, die zijne lusten en begeerten den vrijen teugel laat.
Geheel verschillend van opvatting is Swinburne’s “Tristram of Lyonesse”. Het gedicht bestaat uit negen zangen, voorafgegaan door eene inleiding, eveneens in dichtmaat, welke ons eene verheerlijking der liefde geeft.
Het gegeven is er een, dat bij uitstek geschikt is om door dezen dichter bezongen te worden. Met wellust stort hij er al den gloed en kleurenrijkdom van zijn woordenschat, de verrassende schoonheid zijner beeldspraak op uit. Het gedicht begint met Tristan’s reis van Ierland naar Cornwallis; van wat er daarvóór is geschied hooren wij niets, al de belangstelling van den lezer wordt samengetrokken op de liefdesgeschiedenis van den held. In regels van groote schoonheid beschrijft hij de gevoelens der verschillende hoofdpersonen en door alle gebeurtenissen heen voelen wij hoe de invloed van den noodlottigen liefdesdrank hen voortdrijft door een leven van lijden en smart naar een ontijdigen dood, uiting van Swinburne’s fatalisme. Door het gansche gedicht klinkt als een achtergrond voor den zielestrijd der beide gelieven het ruischen der machtige zee, die de dichter boven alles liefhad. Dat hij dit motief telkens en telkens weer in zijn werk bezigt, is niet meer dan natuurlijk, want de zee speelt eene groote rol in het drama van Tristan en Isolde. Daarom is het zeer goed gezien van Swinburne, dat hij hen ten slotte laat rusten in den schoot der golven, grootscher en waardiger rustplaats zouden wij ons moeilijk kunnen voorstellen.
Het boek bevat eene voorrede van Gaston Paris, waarin de belangstellende lezer eene uiteenzetting vindt van de wijze, waarop het werk tot stand is gekomen. Naar die inleiding verwijzen wij ook diegenen, die een antwoord verlangen op onze tweede vraag, waarom deze legende, meer dan alle andere verhalen uit vervlogen tijden, de bewondering der menschen telkens weder opnieuw voor zich heeft weten te winnen. Wie zou hare zaak waardiger en schooner weten te bepleiten dan de man, die zich zoo zeer beijverd heeft om haar aan de vergetelheid te ontrukken en de belangstelling zijner tijdgenooten voor haar wakker te maken?
In de volgende bladzijden wordt de Tristan-sage in hoofdzaak weergegeven, zooals zij in de gedichten van Thomas en diens navolgers te vinden is.
De beschrijving, hoe Tristan, als nar vermomd, na zijn huwelijk naar Tintagel terugkeert, om Isolde nog eenmaal te zien, is eene toevoeging uit andere bron; dit feit wordt slechts vermeld in twee episodische gedichten, in het werk van Eilhart von Oberge en in den proza-roman.

”—les gestes et les cuntes de tuz les reis de tuz les cuntes qui orent esté en Bretaingne.”