REGISTER.
Reading edition

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | U | V | W | Y | Z
A.
Agavin met de Roode Haren, drost van Koning Gumurun, wenscht prinses Isolde te huwen, 246–257.
Agravaine, derde zoon van Koning Lot en Koningin Morgawse, 326; 330; 416; 494–496.
Aliers, Graaf, bedreigt het slot van eene jonkvrouw, 157; wordt door Iwein verslagen, 159, 160.
Amfortas, de Graalkoning, zijne geschiedenis, 483–484; 491; 493.
Androcles, sage van Androcles en den leeuw, 130.
Arimathea, Jozef van, brenger van den Graal naar Engeland, 117; 119; 454–455.
Arnold, Matthew, schrijver van “Tristram and Iseult”, 193.
Arthur, Koning, Arthur’s Komst: zijne geboorte, jeugd, troonsbestijging en huwelijk, 1–26; viert met zijne ridders het Kerstfeest te Camelot, 39–41; ontvangt aldaar den Groenen Ridder, 42–47; geeft een afscheidsfeest voor Walewein, 50; hoort het verslag van diens avonturen, 90; verbant Balin van het hof, 100; ontvangt de zwaardjonkvrouw aan zijn hof, 101–104; staat de Meervrouwe te woord, 105, 106; zendt Balin opnieuw in ballingschap, 107; strijdt tegen Koning Nero, 112, 113; houdt hof te Cardiff, 133; verneemt de avonturen van Colgrevance, 141; besluit hem te wreken, 141; komt met zijn leger bij de bron, 151; is gast op het slot van Iwein, 153; spreekt recht in de zaak van twee twistende zusters, 172; is getuige bij de vuurproef van Isolde, 292–294; hoort naar de wenschen van Gareth, 329–332; luistert naar de klachten van Lynette, 335–337; neemt Gareth op onder de ridders der Tafel Ronde, 349; gaat met zijne ridders op jacht naar het witte hert, 358, 359; kent Enide den schoonheidsprijs toe, 374; roept zijne ridders bijeen voor een steekspel te Camelot, 411; begeeft zich daarheen, 414; ontvangt Parcival aan zijn hof, 468–470; begeeft zich op weg om den Rooden Ridder te zoeken, 486–487; Arthur’s Dood: verneemt de ontrouw zijner gemalin, wil zich op Lanceloet wreken, wordt door Modred verraden, sneuvelt en wordt weggevoerd naar het eiland Avalon, 494–512.
Astolat, Graaf Bernard van, vader van Elaine, ontvangt Lanceloet op zijn slot, 418–424; krijgt een bezoek van Walewein, 430–433; zijne droefheid over den dood van Elaine, 445.
Aue, Hartmann von, schrijver van “Iwein” en “Erec”, 130; 350; 351; 353: 355.
Avalon, de Vrouwe van, 94; zendt de zwaardjonkvrouw naar het hof, 101; 108; voert Arthur mede naar haar rijk, 509.
B.
Balan, zie: de Sage van Balin en Balan, 92–124.
Balin, zie: de Sage van Balin en Balan, 92–124.
Bédier, Joseph, bewerker van het Tristan-gedicht van Thomas, 180, 182–186; schrijver van “Le Roman de Tristan et Iseut”, 194.
Bedivere, volgeling van Koning Arthur, 505; krijgt bevel om het zwaard Excalibur in het meer te werpen, 507–508; trekt zich uit de wereld terug, 509.
Belinus, god der duisternis uit de Keltische mythologie, 95.
Bel Repair, slot van Condwiramur, 473–477.
Benwick, het vaderland van Lanceloet, 499; 501.
Berenton, Tooverbron van, 129.
Bernlak de Hautdesert, 35; maakt zich aan Walewein bekend, 86; geeft hem den groenen gordel ten geschenke, 88; neemt afscheid, 89.
Béroul, schrijver van het oudste bestaande gedicht over de Tristan-sage, 28; 186–190.
Birch Hirschfeld, A., schrijver van “Die Sage vom Gral”, 452; 453.
Blanchefleur, zuster van Koning Mark, hare jeugd, 200–202; vat liefde op voor Rivalin, 202–205; bekent hem hare liefde, 208; volgt hem naar zijn land, 211; brengt een zoon ter wereld en sterft, 212; haar broeder verneemt het geheim van haar huwelijk, 227.
Borodine, Myrrha, schrijfster van: “La Femme dans l’ Oeuvre de Chrétien de Troyes”, 355.
Borron, Robert de, schrijver van “Merlin”, VII, 96; 453.
Bors, brengt Lanceloet eene wonde toe, 428, 433; gaat naar Camelot om hem te zoeken, 434; vindt hem, 436; onderscheidt zich op het steekspel van Allerheiligen, 438; valt in een tweekamp tegen Walewein, 500.
Bran, god van het licht uit de Keltische mythologie, 95.
Brandigan, de Burcht, eigendom van Koning Evrain, 396; verblijf van Erec op B. 397–403.
Brangwaine, dienstmaagd van Isolde, 249, 250; krijgt van de koningin een liefdesdrank in bewaring, 258; jammert over het verkeerde gebruik daarvan, 261, 262; belooft Isolde om hare plaats in te nemen, 263, 264; geeft hare meesteres raad, 267, 269; maakt het Tristan en Isolde mogelijk om met elkander te spreken, 270; bewerkstelligt voor hen een laatste samenzijn, 295, 296; troost hare meesteres, 309, 311, 312; vergezelt Isolde naar Bretagne, 318; deelt Koning Mark de waarheid omtrent den liefdesdrank mede, 322.
Brastias, volgeling van Gorlois, 5.
Bréri (= Bledhericus), sagenverteller uit Wales, 187; 455.
Brink, ten, schrijver van een Duitsch werk over Engelsche letterkunde, 31.
Broceliande, het tooverwoud van, 129; 467.
C.
Cadroc van Tabriol, wordt door Erec uit de handen der reuzen bevrijd, 389.
Calogrenant, 129.
Cambrensis, Giraldus, geschiedschrijver uit Wales, X; 187; 455.
Camelot, de stad, 16; de tocht van Ginevra naar C., 19–23; het Kerstfeest te C., 39–47; 49; 53; Walewein’s terugreis naar C., 88, 89; Balin te C., 99, 100; Launceor van Ierland te C., 107; Koning Nero trekt op naar C., 112; Gareth gaat naar C., 326–329; zijn diensttijd aldaar, 334, 335; het tournooi te C., 408, 411, 427–429; Elaine komt te C., 435; Bors komt te C., 436.
Canterbury, de aartsbisschop van, 10.
Caradoc, neef van koning Arthur, 31.
Cardiff, de stad, Arthur houdt hof te C., 133; 140; 403.
Cardigan, de stad, Koning Arthur houdt hof te C., 358; Erec en Enide komen te C., 373.
Carnant, woonplaats van Koning Lac, 375
Caxton, William, drukker van Malory’s werk, 96.
Cervantes, 191.
Champagne, Gravin Marie van, begunstigster van Chrétien de Troies, 127; 189; 406.
Clamides, Koning, dingt naar de hand van Condwiramur, 473–476.
Colgrevance, de avonturen van C., 133, 134; Iwein besluit hem te wreken, 140, 141.
Condwiramur, echtgenoote van Parcival, 455; wordt door Parcival uit den nood gered, 473–476; huwelijk, 476; moet afscheid nemen van P., 477; brengt hem den Graal, 493.
Corbin, het slot, Lanceloet strijdt op het slot C. tegen een draak, 421.
D.
Dimilioc, slot van, eigendom van Gorlois, 4.
Dinas van Lidan, vriend van Tristan, 290; 297.
Dublin, de stad, 236, 237, 238; 243; 244; 248; 250.
Dubricius, Aartsbisschop van Camelot, zegent het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra, 23.
E.
Ector, wordt door Merlijn aangewezen als pleegvader over Arthur, 6; begeeft zich met zijne zonen naar het steekspel te Londen, 11; ontsluiert het geheim van Arthur’s geboorte, 12, 13.
Elaine, de jonkvrouw van Astolat, zie: de Sage van Lanceloet en Elaine, 404–449.
Enide, geliefde van Erec, zie: de Sage van Erec en Enide, 350–403.
Ephese, de weduwe van, 129.
Erec, zoon van Koning Lac: zie: de Sage van Erec en Enide, 350–403.
Eschenbach, Wolfram von, schrijver van het Middel-Hoogduitsche gedicht: “Parzival”, 453, 454, 455, 460.
Eufemia, Koningin, van Denemarken, 351.
Evans, Dr. Sebastian, vertaler van “Perceval le Gallois”, 454.
Evrain, Koning, ontvangt Erec op zijn slot en wijst hem het avontuur: “De Vreugde van het Hof”, 396–403.
Excalibur, zwaard van Koning Arthur, wordt den koning gegeven, 14, 15, 16; 105; Arthur geeft Bedivere bevel om het in het meer te werpen, 507–508.
F.
Foerster, Prof. Wendelin, bewerker van eene critische uitgave van Chrétien’s werken, 125; 131; 350; 352; 354; 355: 459; 460.
Freiburg, Heinrich von, voltooier van den “Tristan” van Gottfried von Straszburg, 188.
G.
Gaheris, vierde zoon van Koning Lot en Koningin Morgawse, 326; 330; 496.
Gaimar, Geoffrey, schrijver van eene verloren geraakte vertaling van de “Historia” van Monmouth, XIII.
Galahad, als held van de Graal-sage, 454–457.
Galoain, Graaf, Erec en Enide in het gebied van Graaf G., 382–386.
Gamuret, vader van Parcival, 461–462.
Gareth, jongste zoon van Koning Lot en Koningin Morgawse, zie: de Sage van Heer Gareth, 324–349.
Garlon, bedrijver van verschillende wandaden, 114; 116–118.
Gerbert, 452.
Gilain, Hertog, geeft Tristan het hondje Petitcrû ten geschenke, 297, 298.
Gildas, schrijver van het oudste werk over Britsche geschiedenis, X, 96.
Ginevra, Koningin, Arthur geeft zijn plan te kennen om haar te huwen, 15–18; zendt Lanceloet om haar te halen, 18; de reis van G. en Lanceloet naar Camelot, 19–23; het huwelijk met Arthur wordt voltrokken, 24; 29; Kerstfeest te Camelot, 40; ontsteltenis over den Groenen Ridder, 47; 58; 87; luistert naar het verhaal van Colgrevance, 134; 140; 192; vraagt verlof haar echtgenoot op de jacht te mogen vergezellen, 359: volgt den jachtstoet in gezelschap van Prins Erec, 360–362; voorziet Enide van de haar passende kleederen, 374; geschiedenis van hare verhouding tot Lanceloet, 406–408; is niet in staat haar gemaal naar Camelot te vergezellen, 412, 413; spoort Lanceloet aan om den koning daarheen te volgen, 415; hare woede over Lanceloet’s vermeende ontrouw, 434, 438, 443; vraagt Lanceloet om vergeving voor haar wantrouwen, 448; Arthur ontdekt het geheim harer verhouding tot Lanceloet, 494–496; wordt door Lanceloet van den brandstapel gered, 496; wordt door den paus met haar gemaal verzoend, 499; neemt de wijk voor Modred in de vesting Londen, 501; trekt zich terug in het klooster van Almesbury, 510; neemt afscheid van Lanceloet, 511–512.
Golther, Wilhelm, schrijver van artikelen en studies over de Arthur-sagen, 184; 185; 352; 459–460.
Gorlois, Hertog van Cornwallis, komt op het Paaschfeest aan het hof, 2, 3; wordt door den koning achtervolgd, 4, 5; sneuvelt, 6.
Gouvernail, leermeester van Tristan, 213; 215; 217; 228; volgt zijn jongen meester naar Ierland, 235; helpt hem bij zijne vlucht met Isolde, 278, 280; brengt het hondje Petitcrû bij Isolde, 298; volgt Tristan naar Bretagne, 299; sterft, 314.
Graal, de Heilige, 116; 119; 191; zie: de Sage van Parcival en den Heiligen Graal, 450–493.
Gringalet, strijdros van Walewein, 50–54; 79.
Guest, Lady Charlotte, schrijfster van eene Engelsche vertaling van den “Mabinogion”, X; XI; 131; 351.
Guivret le Petit, Erec’s ontmoeting met G. le P., 387, 388; G. valt Erec in het woud aan, 395; verpleegt hem op zijn kasteel, 396; vergezelt hem naar het hof, 396–403.
Gumurun, Koning van Ierland, vader van Isolde, 246; 248; 250; 255; 256; 257; 288.
Gurnemanz, Parcival op het slot van Heer G., 471–472.
H.
Haakon V van Denemarken, 187.
Hamel, Prof. A. G. van, schrijver van artikelen en studies over de Arthur-sagen, 185.
Harpijn, de Reus, wordt door Iwein gedood, 166, 167.
Hastings, slag bij, 183.
Hendrik de Leeuw, Hertog van Brunswijk, 187.
Herz, Wilhelm, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg, 191.
Herzeleide, moeder van Parcival, 461–466.
Howel, Koning, de Goede, 185.
Hulbert, J. R., schrijver van eene studie over Walewein, 34–36.
Husdan, hond van Tristan, wordt door hem aan Isolde ten geschenke gegeven, 295; herkent zijn meester, 312.
I.
Igerna, echtgenoote van Gorlois, komt aan het hof 2, 3; neemt de wijk in het slot Tintagel, wordt de gemalin van Koning Uther, 5, 6, 9.
Isolde, Koningin van Ierland, geneest Tristan van zijne wonden 237–239; verpleegt hem voor de tweede maal 249, 250.
Isolde van Ierland, geliefde van Tristan, 29; zie: de Sage van Tristan en Isolde, 180–323.
Isolde met de Blanke Handen (=van Bretagne) 188; 193; kennismaking en huwelijk met Tristan, 300–305; verpleegt haar gewonden echtgenoot, 314, 315; hoort van zijne liefde voor Isolde van Ierland, 316; wreekt zich op haren echtgenoot, 319–321,
Ither, daagt een der ridders van de Tafel Ronde uit, 468; strijdt tegen Parcival, 470.
Iwein, de Leeuwenridder, 41; zie: de Sage van den Leeuwenridder, 125–179.
J.
Jeschute, wordt in haar tent gekust door Parcival, 467; wordt door haar echtgenoot gehoond, 482; Parcival dwingt hem om zich met J. te verzoenen, 485.
Jonckbloet, Dr. W. J. A., bewerker van den Middel-Nederlandschen “Lanceloet”, 406.
K.
Kaherdin, broeder van Isolde van Bretagne, 299; wordt bevriend met Tristan, 300–303; gaat voor hem naar Cornwallis om Isolde te halen, 314–320.
Kariol, ridder van Koning Mark, 306; 309.
Key, zoon van Arthur’s pleegvader, 10, 11; seneschalk van Koning Arthur, beproeft de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; spot met Heer Colgrevance, 134; hoont Iwein, 140, 151; wordt door hem verslagen 152; gedraagt zich zeer onheusch jegens Gareth 332–335; wordt door hem verslagen, 339; strijdt tegen Parcival, 487.
Kièvre, Le, schrijver van een verloren gegaan gedicht over de Tristan-sage, 190.
Kingrun, maarschalk van Koning Clamides, 473; wordt door Parcival verslagen, 475–476.
Kittredge, George, Lyman, schrijver van eene studie over Walewein, 33, 34; over het ontstaan der Arthur-sagen, 458–459.
Kölbing, E., schrijver van eene studie over de “Erex-saga”, 351.
Kundri, de Graalbode, hare verschijning aan het hof, 487.
Kurz, Hermann, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg, 191.
Kyot, of Guiot, Provençaalsch dichter, 453.
L.
Lac, Koning, vader van Erec, 360; 367; 375; 376; 378; 395.
Lamorak, probeert de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 103; zoon van Pellinore, 105; L.’s hulp ingeroepen door Lyonors, 336.
Lanceloet, gaat Ginevra halen, 18–22; 29; 33; 41; tracht de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; 181; 190; 192; berispt Heer Key, 333; slaat Gareth tot ridder, 339; 340; Sage van Lanceloet en Elaine, 404–440. L.’s verhouding tot de Graal-sage, 456–457; Arthur ontdekt het geheim zijner verhouding tot Ginevra, 494–496; L. redt Ginevra van den brandstapel, 496; wordt door den koning vervolgd en in een zijner kasteelen belegerd, 499–501; strijdt tegen Walewein, 500; neemt afscheid van Ginevra en trekt zich uit de wereld terug, 510–512.
Laudine, 129; droefheid over haar gesneuvelden echtgenoot, 146–149; huwelijk met Iwein, 150; ontvangt Koning Arthur op haar slot, 152; afscheid van Iwein, 154; zendt hem zijn ring terug, 155; Iwein’s verlangen naar L., 156; 162; L. verstoot hare dienares, Luned, 164; is tegenwoordig bij Luned’s terechtstelling, 168; dankt den Leeuwenridder voor zijne hulp, 169; laat hem weer vertrekken, 170; 172; angst over de verdediging der tooverbron, 175, 176; roept de hulp van den Leeuwenridder in, 177; verzoent zich met Iwein, 178, 179.
Launceor van Ierland, 94; wil Balin straffen voor zijn optreden tegen den koning, 107–111.
Lavaine, jongste broeder van Elaine, 418; vergezelt Lanceloet naar Camelot, 422–427; neemt deel aan het steekspel, 427–429; brengt Elaine bij het ziekbed van Lanceloet, 435; vergezelt Lanceloet naar het hof, 443.
Layamon, schrijver van het Middel-Engelsche gedicht: “Brut”, XIV; 96; 404; 409.
Leodogran, Koning van Cameliard, wordt door Arthur gesteund in zijn strijd tegen de heidenen, 15; geeft zijne dochter Ginevra ten huwelijk aan Arthur, 16–19; biedt Arthur de Tafel Ronde ten geschenke, 23.
Liasse, dochtertje van Heer Gurnemanz, 472.
Limors, Graaf van, voert Enide mede naar zijn slot, 391; wordt door Erec gedood, 392.
Lionel, jongere broeder van Bors, valt in een tweekamp tegen Walewein, 500.
Liones, naam van Lyonors in de “Morte d’Arthur”, 325.
Loke, Dr. Marie, vertaalster van Bédier’s “Roman de Tristan et Iseut,” 194.
Londen, de stad, 10, 11; het steekspel van Allerheiligen te, 438; het lijk van Elaine komt in een bootje aandrijven voor het paleis te, 446; Ginevra neemt de wijk in L., 501.
Longinus, wondde Christus met eene speer in de zijde, 119.
Lot, Koning der Orcadische eilanden, echtgenoot van Morgawse, 27, 41; vader van Walewein, 174; zijn huwelijksleven, 324–327; 347.
Lot, Ferdinand, schrijver van artikelen en studies over de Arthur-sagen, 183; 184; 187; 355; 375; 458.
Loth, M. J. schrijver van artikelen en studies over de Arthur-sagen, 185.
Lucanus, volgeling van Koning Arthur, 505; sterft aan zijne verwondingen, 507.
Lucius, Keizer van Rome, eischt schatting van Koning Arthur, 27.
Luned, dienares van Laudine, 131; redt Iwein van den dood, 143; verbergt hem in haar kamer, 144, 145; brengt zijn huwelijk met Laudine tot stand, 146–149; komt hem zijne ontrouw verwijten, 155, 158; wordt valschelijk beschuldigd en door Iwein van den brandstapel gered, 164, 165, 168; belooft zijne voorspraak te zijn, 170; 172; bewerkt zijne verzoening met Laudine, 176–178.
Lynette, komt Arthur’s hulp inroepen voor hare zuster, 336; hoont Gareth om zijne vermeende lage afkomst, 342–347; vraagt hem om vergeving, 348.
Lyonors, de klacht van Vrouwe, 336; Gareth nadert het kasteel van, 343, 344; hare verschijning voor het venster, 347; haar huwelijk met Gareth, 349.
M.
Mabonagrain, de geschiedenis van M., 401, 402.
Maccallum, M. W., schrijver van een werk over de Arthur-sage, XV; XVI.
Madden, Sir Frederick, eerste bewerker van het Middel-Engelsche gedicht: “Sir Tristrem”, 31.
Maerlant, Jacob van, bewerker van Middel-Nederlandsche Arthur-romans, VII, VIII.
Maisières, Paiens de, schrijver van “La Mule sanz Frain”, 31.
Malmesbury, William of, schrijver van pseudo-historische kroniek, 27; 96.
Malory, Thomas, schrijver van “Morte d’Arthur”, XVII; 96; 97; 191; 324; 325; 408–410; 454; 458.
Manessier, 452.
Map, Walter, schrijver van den prozaroman “Lancelot”, 408; van “La Quête del St. Graal”, 454; zijn invloed op de Arthur-sagen, 457–458.
Mark, Koning van Cornwallis, 183; 184; 190; 191; ontvangt Rivalin van Ermonie op zijn slot Tintagel, 196–200; trekt uit tegen zijne vijanden, 205; 206; Tristan komt aan het hof van koning M., 220–226; M. verneemt het geheim van Tristan’s geboorte, 226–228; weigert de Iersche schatting te betalen, 230; 231; besluit tot een huwelijk 240–243; begroet zijne bruid, 263; zijn huwelijk met Isolde van Ierland, 264–265; zijn groeiende achterdocht, 265–276; veroordeelt Tristan en Isolde tot den vuurdood, 276–280; gaat op jacht naar het woud van Morois, 284–286; neemt Isolde weer als zijn vrouw aan, 288–291; laat Isolde de vuurproef ondergaan, 292–295; ontdekt de beide gelieven in den paleistuin, 296; Tristan komt, als nar vermomd, aan zijn hof, 309–313; M. volgt zijne gemalin naar Bretagne, 322–323.
Meervrouwe, de, komt aan het hof, 105.
Melot, handlanger van Meriadoc, 269; verzint eene list om de schuld der koningin te bewijzen, 271–274; helpt den koning om hare schuld te ontdekken, 276; 291.
Meriadoc, bespiedt Tristan en Isolde, 265–269; vat liefde op voor Isolde, 291; haalt den koning over om haar de vuurproef te doen ondergaan, 292.
Merlijn, de toovenaar, brengt de verbintenis tusschen Uther en Igerna tot stand, 4–7; voorspelt de komst van Arthur, 10–15; waarschuwt den koning voor een huwelijk met Ginevra, 15–17; voorspelling over het lot van Balin, 108–113; 119; meldt den dood der beide broeders aan Koning Arthur, 124; het einde van M., 501.
Modred, als minnaar van Ginevra, 29; M.’s ouders, 326, 327; M. aan het hof, 330; als minnaar der koningin, 407, 408; 416; klaagt Ginevra aan bij haar echtgenoot, 494–495; maakt zich meester van Arthur’s rijk, 500; trekt met zijne troepen tegen den koning, 501–505; wordt door Arthur gedood, 506.
Monmouth, Geoffrey of, schrijver van “Historia Regum Brittanniae”, XII; 27; 95.
Montsalvasch, de Graalburcht, 477; Parcival op den Graalburcht, 478–481; zijn tweede bezoek aan M., 492–493.
Morgan, Hertog, leenheer van Rivalin, 196; erkent diens onafhankelijkheid, 197; dringt binnen in Rivalin’s graafschap, 209–213; wordt door Tristan gedood, 228.
Morgan le Fay, toovenares, hare wraakneming op de ridders der Tafel Ronde, 35, 36, 86, 87; geeft eene wonderzalf ten geschenke, 157.
Morgawse, gemalin van Koning Lot, moeder van Walewein, 27; moeder van Gareth, 324; haar huwelijksleven, 326, 327; staat Gareth toe om naar Camelot te gaan, 328; schrijft aan Koning Arthur, wie haar zoon is, 349.
Morholt, komt schatting opeischen van Koning Mark en wordt door Tristan verslagen, 229–233; 235; 238; 241; 244; 252; 257; 273; 314.
Morois, woud van, schuilplaats voor Tristan en Isolde, 280; de koning begeeft zich op jacht daarheen, 284; Tristan en Isolde keeren uit het woud terug, 289; 322.
Morris, Richard, bewerker van eene uitgave van “Sir Tristrem”, 31.
Mountbeliard, Perin de, slachtoffer van Garlon, 114; 115.
N.
Nennius, oud-Britsch geschiedschrijver, IX; 96.
Nero, Koning, trekt op tegen Koning Arthur, 112; 113.
Newburgh, William of, Middel-Engelsch kroniekschrijver, XII.
Nutt, Alfred, schrijver van “Studies in the Legend of the Holy Grail”, 451; 453; 458–459.
Nutt, David, uitgever, 324.
O.
Oberge, Eilhart von, eerste bewerker der Tristan-sage in Duitschland, 187; 195.
Orgeluse, geliefde van Amfortas, 483.
Orilus, jaloersche echtgenoot van Jeschute, 467; 482; verzoent zich met Jeschute, 485.
Othmer, Karl, schrijver van een dissertatie over de Erec-sage, 352.
P.
Parcival, 28; 105; 116; 325; de Sage van Parcival en den Heiligen Graal, 450–493.
Paris, Gaston, 34; 131; theorie over het ontstaan der Tristan-legende, 182; 184; 185; 186; 187; 194; over den oorsprong der verhalen uit den “Mabinogion”, 352; over het “Verliegen” van den ridder, 353; 355; 357; over de trilogie van Borron, 453; over Bledhericus, 455; over het ontstaan der Arthur-sagen, 458–459.
Pellam, Koning, 94; Balin’s avontuur aan zijn hof, 116–119.
Pellinore, Koning, vader van Parcival en Lamorak, 105.
Penevric, het slot van Guivret le Petit, 395; 396.
Penning en Vostaert, dichters van den roman van Walewein, VII.
Petitcrû, het tooverhondje, 297, 302.
Philipot, Emmanuel, schrijver van eene studie over de Erec-sage, 357.
Potvin, uitgever van “Perlesvaus”, 454.
Pucci, Antonio, schrijver van “Dà un exempli”, 32.
R.
Rhys, Sir John, schrijver van “Studies in the Arthurian Legend”, XI; 95.
Rience van Wallis, Koning, trekt Arthur’s rijk binnen, 101, 107; wordt door Balin en Balan verslagen en naar het hof van Arthur gebracht, 110–112.
Riol, vazal van den graaf van Bretagne, 299; belegert zijn leenheer, 300; wordt door Tristan gedood, 302.
Rivalin van Ermonie, vader van Tristan, begeeft zich naar het hof van Koning Mark, 196–200; vat liefde op voor Blanchefleur, 204–209; neemt haar mede naar zijn land, 210, 211; valt in den strijd, 212; Koning Mark verneemt dat R. de vader van Tristan was, 226–228.
Robert, Broeder, vervaardiger van eene Noorsche proza-bewerking der Tristan-sage, 187.
Rohand, neemt het bestuur over Rivalin’s graafschap op zich, 197; wordt pleegvader over Tristan, 212–217; gaat zijn pleegzoon zoeken en vindt hem te Tintagel, 224–226; deelt den koning het geheim van Tristan’s geboorte mede, 227, 228.
S.
Schoepperle, G., schrijfster van eene studie over de Tristan-sage, 186.
Schofield, over het onstaan der Arthur-sagen, 458–459.
Scott, Sir Walter, eerste bewerker van “Sir Tristrem”, 188.
Segramore, bijgenaamd de Begeerige, 133.
Segwarides, 190.
Sigune, een der Graaljonkvrouwen, deelt Parcival den oorsprong van den Graal mede, 481–485.
Simroch, Karl, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg, 191.
Straszburg, Gottfried von, dichter van het Middel-Hoogduitsche gedicht: “Tristan”, 187; 188; 191.
Swinburne, Algernon, Charles, schrijver van “A Tale of Balen” 97; “Tristram of Lyonesse”, 180; 193; 194.
Sommer, Dr. H. Oskar, bewerker van een critische uitgave van de “Morte d’Arthur”, 324.
T.
Tafel Ronde, de, wordt Arthur ten geschenke gegeven, 19; plechtige inwijding, 23–25; 32; 35; de Groene Ridder daagt de ridders der T. R. uit, 44; 57; 65; 71; 87; 91; 102; 180; 181; 341; Gareth tot de T. R. toegelaten, 349.
Tantris de Speelman (= Tristan), 236; 249; 250; 252.
Tennyson, Alfred, XVII; 29; 96; 192; 325; 352; 353; 407; 410; 458.
Thomas (genaamd: van Brittannië), Normandisch dichter uit de 12e eeuw, schrijver van een der eerste Fransche Tristan-gedichten, 182; 187–190; 195; over de bron van zijn werk, 455.
Thomas van Ercildoune, vermoedelijk schrijver van “Sir Tristrem”, 188.
Tintagel, de burcht, eigendom van Gorlois, 4–6; verblijfplaats van Koning Mark van Cornwallis, 195; 198; 201: 202; 206; 209; 220; 224; 227; 229; 231; 234; 239; 270; 273; 274; 287; 290; 295; 299; 304; 306; 316; 317; 318; 323.
Torre, oudste broeder van Elaine, 418; 431; 444.
Trevizent, de kluizenaar, brengt Parcival tot inkeer, 490–492.
Tristan, 28; 29; poogt de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; de Sage van Tristan en Isolde, 180–323.
Troies, Chrétien de, Fransch hofdichter uit de 12e eeuw, schrijver van gedichten over de Arthur-sage, V; XIV; 28; 31; 33; 125–131; 181; 189; 190; 350–352; 353; 375; 404–406; 452; 458; 460.
Türheim, Ulrich von, voltooier van den “Tristan” van Gottfried von Straszburg, 188.
Türlin, Heinrich von dem, schrijver van “Diu Crône”, 31.
U.
Ulfius, vriend van Koning Arthur, 5.
Uriens, koning van Wallis, vader van Iwein, 133; 148; 157.
Uther Pendragon, vader van Arthur, vat liefde op voor Igerna 2–5; neemt haar ten huwelijk, 6; sterft, 9; 19; 141.
V.
Vance, de Vrouwe van, geliefde van Koning Rience, 111.
Velthem, Lodewijk van, verzamelaar van een aantal Middel-Nederlandsche Arthur-Sagen, VII.
Viviane, de booze fee, lokt Merlijn in hare rotswoning, 501.
Vostaert, zie: Penning.
W.
Wace, schrijver van het Normandische gedicht: “Le Roman du Brut”, XIII; 28; 96; 129.
Wagner, Richard, 180; 192.
Walewein, zie: de Sage van W. en den Groenen Ridder, 27–91; probeert de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; verwijt Key zijn lasterpraat over Iwein, 151; blijdschap over de ontmoeting met Iwein, 152; haalt hem over naar het hof terug te keeren, 153; benarde toestand van W.’s zwager, 164, 166; strijdt voor de rechten van eene jonkvrouw, 171–173; herkent zijn tegenstander, 174; 181; 326; 330; wijst den koning op het gevaar van den schoonheidsprijs, 358; als minnaar der koningin, 407; W.’s ongunstige rol in “Le Morte Arthur”, 410; gaat na het steekspel te Camelot zoeken naar den ridder met de roode mouw, 429; komt in het kasteel Astolat, 430; herkent het schild van Lanceloet, 432; brengt aan het hof verslag uit over zijn tocht, 433; onderscheidt zich op het steekspel van Allerheiligen, 438; als held van de Graal-sage, 454–455; brengt Parcival aan Arthur’s hof, 487–488; besluit den dood zijner broeders op Lanceloet te wreken, 496; strijdt tegen Lanceloet, 500; valt in den strijd, 501.
Wauchien de Denain, 452; 455.
Weston, Jessie, schrijfster van “The Legend of Sir Gawain”, 31; v. Engelsche prozavertaling van Gottfried von Straszburg’s “Tristan”, 192; van “The Legend of Sir Lancelot du Lac”, 405–407; van “The Legend of Sir Perceval”, 452; 453; 455; 460.
Willem de Veroveraar, Hertog van Normandië, 183; 458.
Winchester, de stad, 2; 275.
Windsor, de stad, 37.
Y.
Yder, wordt door Erec op het steekspel van den Sperwer verslagen, 371.
Z.
Zatzikhoven, Ulrich von, schrijver van het Middel-Hoogduitsche gedicht: “Lanzelet”, 405.
Zimmer, Prof. Heinrich, schrijver van een artikel over de eigennamen in de Arthur-Sagen, 183; 352; 357; 375.
Zwaardjonkvrouw, de, 94; komt aan het hof, 101.