DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER.
Reading edition
....“this es the knight with the liown, that es halden of so grete renown.”
(“Ywain and Gawain”, Middel-Engelsch gedicht uit de 14e eeuw).


Hoe heer Colgrevance aan het hof verslag uitbrengt van wat hem op zijne reizen overkomen is. Eens gebeurde het, dat koning Arthur zijne ridders had uitgenoodigd tot een groot feest in zijn slot te Cardiff. Uit alle streken des lands waren de hooge gasten met hun gevolg komen aanrijden, want de feesten aan het hof van koning Arthur waren wijd en zijd beroemd om hun gullen overvloed en ongedwongen, vroolijke stemming. Na het gastmaal, dat aangericht was in de groote slotzaal, verspreidden de aanwezigen zich in de aangrenzende vertrekken en in de tuinen om het paleis. De koning en koningin begaven zich intusschen naar hunne eigen vertrekken om enkele oogenblikken rust te nemen, alvorens zich opnieuw in het feestgewoel te mengen. Enkelen onder ’s konings vertrouwde ridders betrokken de wacht voor zijne vertrekken. Onder hen waren Segramore, bijgenaamd de Begeerige, Colgrevance, Key, de seneschalk en Iwein, de zoon van koning Uriens van Wallis. Om den tijd te korten, verzochten de ridders Heer Colgrevance, die eenige dagen tevoren na eene lange afwezigheid aan het hof was teruggekeerd, om hun de avonturen te vertellen, welke hem op zijn tocht overkomen waren. Na eenige overreding stemde Colgrevance er in toe zulks te doen, maar juist toen hij met zijn verhaal beginnen wilde, ging de deur van het vertrek des konings geruischloos open en verscheen koningin Ginevra op den drempel. Colgrevance was de eenige der ridders, die haar bemerkte; terstond verhief hij zich uit zijne zittende houding en groette zijne vorstin eerbiedig. De anderen volgden dra zijn voorbeeld, maar Key, wiens booze, ijverzuchtige natuur het niet kon verkroppen, dat Colgrevance hem vóór was geweest in het verschuldigde eerbetoon, sprak spottend tot de koningin: “Edele Vrouwe! gij komt juist intijds om het verslag te hooren van de avonturen, die Colgrevance op zijne reis beleefd heeft. Wij kunnen er zeker van zijn, dat hij ons wondere verhalen zal doen van zijne heldendaden en wapenfeiten!”
Colgevrance beet zich op de lippen, om zijne ergernis over deze hoonende woorden niet te uiten, maar toen allen hem verwachtend aanzagen, wendde hij zich tot koningin Ginevra en zeide op kalmen toon: “Vergun mij, schoone Vorstinne, dat ik mijn verhaal uitstel tot een volgend keer, want ik vrees dat, hetgeen ik te vertellen heb, u weinig belang zal inboezemen. Het zijn geen heldendaden, die ik ga vermelden en Heer Key vergist zich, wanneer hij denkt, dat het verslag van wat mij is overkomen, strekken moet om mijn aanzien aan het hof te vergrooten!” De koningin, wier nieuwsgierigheid geprikkeld werd door deze toespelingen, gaf den spreker vriendelijk ten antwoord: “Wat ik u bidden mag, let niet op de woorden van Heer Key; wij allen weten immers, dat zijne woorden vaak boozer schijnen, dan zij werkelijk bedoeld zijn en wat uw verhaal betreft, zoo verzoek ik u, ons dat niet te onthouden. Indien uwe ontmoetingen tijdens uwe rondzwervingen u geen roem en glorie gebracht hebben, valt het dubbel in u te prijzen, wanneer gij ze ons niettemin mededeelt. Het strekt een ridder tot eer, wanneer hij openlijk erkennen durft, dat hij overwonnen is!” Met eene eerbiedige hoofdbuiging dankte Colgrevance zijne vorstin voor haar welwillende woorden en sprak toen als volgt: “Indien het uw wil is, Hooge Vrouwe, en ook de uwe, mijne vrienden, zoo zal ik u naar waarheid vertellen, wat mij overkomen is. Gelijk gij allen weet, heb ik van mijne prilste jeugd af een drang in mij gevoeld, om vreemde landen en streken te bezoeken. Toen ik een man was geworden, voelde ik dien lust steeds sterker in mij oprijzen en weldra werden de grenzen van mijns vaders graafschap mij te eng en besloot ik de wijde wereld in te trekken op jacht naar avontuur. Zoo vroeg ik eenigen tijd geleden den koning verlof om een tocht te mogen ondernemen naar verre streken. Koning Arthur gaf mij genadiglijk zijne toestemming en op een schoonen najaarsmorgen verliet ik mijn vaderlijk kasteel, waar mijne moeder mij met betraande oogen omhelsde en mijn vader mij zijne beste zegewenschen op mijne reis medegaf.
Ik zou u vervelen, wanneer ik u al de avonturen moest melden, welke ik op mijne zwerftochten beleefde; ik wil u slechts dit zeggen, dat ik vreemde landstreken bezocht, waar de wetten en gebruiken geheel verschillen van de onze. Ik streed onder vreemde vorsten, indien het mij toescheen, dat zij het recht aan hunne zijde hadden, en wanneer het mij gelukte in den strijd eenigen roem te behalen, dan kende ik de verdienste daarvan toe aan mijn koning, die mij steeds op het pad der dapperheid was voorgegaan. Zoo verliep de winter en toen de lente kwam, maakte ik mij gereed om naar mijn land terug te keeren, want mijn hart begon te verlangen naar mijne vrienden en stamgenooten. Het was op mijne terugreis naar het hof, dat ik het avontuur beleefde, waarover ik u wilde vertellen. Ik had reeds verscheidene dagen gereden, zonder een menschelijk wezen te ontmoeten, toen ik tegen den avond in eene smalle vallei kwam. Links en rechts van mij verhieven zich hooge heuvels, dwars door het dal stroomde eene rivier en langs den oever daarvan liep een smal pad met boomen beplant. Het scheen mij toe een veel bereden weg te zijn en daaruit afleidende, dat hij wellicht naar de eene of andere woning voerde, waar ik den nacht zou kunnen doorbrengen, besloot ik hem te volgen. En inderdaad zag ik spoedig de muren van een kasteel door de boomen schemeren. Op de brug stond een ridder met een valk op de hand; hij beantwoordde mijn groet op vriendelijke wijze en was mij bij het afstijgen behulpzaam. Daarop noodigde hij mij uit, hem te volgen. Het slotplein lag geheel verlaten, nergens trof mijn oog een spoor van menschelijk leven, maar toen mijn gastheer driemaal op een schild had geslagen, dat naast de poort hing, verscheen als bij tooverslag een leger van knechten en volgelingen uit de deuren van het kasteel. Uit het bonte gewemel van mannelijke en vrouwelijke bedienden in hunne kleurige livreien, trad eene bevallige jonkvrouw op mij toe, nam mij bij de hand en leidde mij het slot binnen. Zij bracht mij naar een ruim en luchtig vertrek, waar ik gelegenheid vond mij te ontdoen van het stof en vuil, waarmede ik door den langen rit bedekt was. Eigenhandig bracht de jonkvrouw mij water om mij te wasschen in een sierlijk bewerkte kom, daarbij doeken van het fijnste linnen en ten slotte legde zij een volledig stel kleederen, uit de kostbaarste stoffen vervaardigd, voor mij neer. Toen ik geheel gereed was, kwam zij om mij te halen en geleidde mij naar de slotzaal, waar een rijk voorziene disch stond gespreid. De ridder, dien ik op de brug had gevonden en die de heer van het kasteel bleek te zijn, heette mij met eenige hoffelijke woorden welkom en noodigde mij uit plaats te nemen. Na afloop van den maaltijd verzocht hij mij om, indien het niet onbescheiden was zulks te vragen, hem mede te deelen, vanwaar ik kwam en wat het doel was van mijn tocht. Toen hij nu hoorde, dat ik op reis was gegaan uit zucht naar avontuur, staarde hij eenige oogenblikken peinzend voor zich uit en sprak eindelijk: “Heer ridder, indien gij belust zijt op vreemde avonturen, zoo zou ik er u een aan de hand kunnen doen, dat moeilijker te volbrengen is dan één dergene, die u tot nu toe op uwen weg zijn overkomen. Ik aarzel evenwel, om het u te zeggen, want gij zijt jong en wellicht onervaren en er is nog nooit een ridder geweest, die de onderneming, waarop ik doel, tot een goed einde heeft gebracht.” Gij begrijpt, mijne vrienden, dat deze woorden voldoende waren om het vuur van mijn ondernemingsgeest, dat door het naderend weerzien van mijne vrienden en bloedverwanten een weinig verkoeld was, tot nieuwen gloed aan te wakkeren en ik smeekte mijn gastheer dringend, om zich nader te verklaren. Daarop zeide hij, dat het niet in zijne macht lag, om mij den juisten aard van het avontuur te omschrijven, maar, indien ik er meer van weten wilde, moest ik mij naar een naburig bosch begeven, waar ik verdere aanwijzingen omtrent datgene, wat er van mij geëischt werd, zou vinden.
Met deze eenigszins vage aanduidingen moest ik mij tevreden stellen en den volgenden morgen vroeg verliet ik het gastvrij slot en sloeg den weg in, dien mijn gastheer mij aanwees. Vóór mijn vertrek moest ik hem echter beloven dat, indien ik heelhuids van de gevaarlijke onderneming, die mij wachtte, terug zou komen, ik hem persoonlijk verslag zou komen uitbrengen van mijn wedervaren.
Het pad, dat ik was ingeslagen, voerde mij al spoedig naar een dicht woud en toen ik eenigen tijd tusschen het geboomte had voortgereden, scheen er licht door de stammen en kwam ik weldra op eene open plaats. Wie beschrijft mijne ontzetting, toen ik zag, dat alle wilde dieren van het woud: leeuwen, tijgers en nog vele andere diersoorten, zich in grooten getale op die plaats verzameld hadden. In hun midden, op eene kleine verhevenheid zat een man en één blik op hem vervulde mij met nog meer ontzetting dan het gezicht der wilde dieren. Zijne gestalte was reusachtig van omvang, zijne haren hingen tot op zijn gordel, waarin een zware knots stak. Zijne wenkbrauwen waren dicht en stekelig, zijne tanden geleken op die van een wolf. Zijn rug was gebogen, zoodat zijn hoofd bijna op zijn borst hing en met zijne boosaardige oogen keek hij mij uitdagend aan. Toen de wilde dieren mij bemerkten, begonnen zij vervaarlijk te brullen, maar op eene handbeweging van den reus, verstomde dit en met een klagelijk gehuil vielen alle dieren hem ten voet. De reus verhief zich daarop moeizaam van zijn zetel en vroeg mij met donderende stem, wie ik was en waarheen ik ging. Ik vertelde hem toen, hoe men mij naar het woud had gezonden om nadere aanwijzingen te ontvangen omtrent een avontuur, dat in de nabijheid op mij wachtte. Tevens vroeg ik hem, wie hij was en waarom hij daar omringd zat door de dieren van het woud. Hij gaf mij ten antwoord, dat hij hun aller heer en meester was, dat zij hem moesten gehoorzamen en dienen en dat hij eene onbeperkte macht over hen bezat. Daarna gebood hij mij een zeker pad te volgen, dat mij op eene vlakte brengen zou. Op die vlakte zou ik eene bron vinden met een steen er naast. Wanneer ik een avontuur zocht, moest ik water uit die bron op den steen sprenkelen, de rest zou dan van zelf wel volgen. Hij waarschuwde mij echter, mij vooraf goed te bedenken, want nog nooit had hij een ridder levend van die plek zien wederkeeren. Ondanks zijne vermaningen sloeg ik zonder eenige aarzeling het aangeduide pad in en weldra stond ik aan den rand van eene onafzienbare vlakte.
Eenige schreden voor mij uit ontdekte ik de bron, waar de reus over gesproken had. Zij bevond zich onder een boom, welks dicht gebladerte een heerlijken schaduw bood aan den voorbijganger. Naast de bron lag een groote platte steen en aan een der laagste takken van den boom hing een gouden schotel aan een langen ketting. Het water in de bron was helder als kristal en borrelde met een zacht klaterend geluid omhoog. Vol gespannen verwachting schepte ik met behulp van den schotel eenig water uit de bron en sprenkelde toen met de hand enkele druppels op den steen. De uitwerking was vreeselijk. De zon werd met een dicht floers overtrokken, zware wolken pakten zich samen aan den hemel, en ontlastten zich weldra in een vreeselijk onweder. Aan alle kanten zag ik den bliksem flitsen en het doffe gerommel van den donder vervulde de lucht. Daarbij viel er een zware regen van hagelsteenen, zoo groot als duiveneieren, op mij neer. Met moeite wist ik mijn paard te bedwingen, dat sloeg en steigerde van schrik. Toen ik het eenigszins tot kalmte had gebracht, legde ik mijn schild over zijn rug en poogde zooveel ik kon, er ons beiden mee te beschermen tegen de woedende elementen. Gelukkig duurde de bui niet lang; weldra brak de zon door de wolken, de hagelregen werd minder dicht en het onweer trok af. Toen ik echter opzag uit mijne bukkende houding, bemerkte ik, dat de boom, waaronder ik geschuild had, geheel ontbladerd was. Een oogenblik daarna streek een vlucht vogels op de kale takken neer en hun lieflijk gezang vervulde mij met nieuwen moed. Spoedig zou ik dien noodig hebben, want in de verte naderde een ridder te paard, wiens houding en gebaren mij deden vermoeden, dat er opnieuw gevaar voor mij dreigde. Toen hij naderbij was gekomen, daagde hij mij uit tot een tweegevecht, na mij ervan beschuldigd te hebben, dat door mijn toedoen zijne landerijen verwoest waren en zijn veestapel gedood was. De ridder droeg eene wapenrusting van zwart gepolijst staal, zijn strijdros was bedekt met een zwart kleed en van dezelfde kleur was ook de wuivende vederbos op zijn helm. Zonder een antwoord van mij af te wachten, reed hij met gevelden lans op mij in en bracht mij zulk een geweldigen stoot toe, dat ik uit het zadel werd geworpen. Alvorens ik tijd had, om mij op te richten, stak de vreemdeling de punt van zijn lans door de teugels van mijn paard en voerde het aldus met zich mee, zonder zelfs eene poging aan te wenden om mij gevangen te nemen of althans te ontwapenen. Er bleef mij niets anders over dan langs denzelfden weg terug te keeren, dien ik gekomen was, maar wie zal mijn gevoel van schaamte en vernedering beschrijven, toen ik opnieuw voorbij de open plaats in het bosch kwam, waar de reus verblijf hield en diens spottende woorden moest aanhooren! In vertwijfeling rende ik het boschpad af, tot ik mij plotseling de belofte herinnerde, die ik aan mijn vriendelijken gastheer gedaan had. Ik besloot na eenige aarzeling,—want ik zag er tegen op, om het verhaal van mijne smadelijke nederlaag aan anderen mede te deelen—opnieuw een beroep te doen op zijne gastvrijheid, vóórdat ik mijne reis vervolgde. Het was reeds tegen den nacht, toen ik het kasteel bereikte, maar ik werd er ondanks het late uur met dezelfde welwillendheid ontvangen als bij mijn eerste bezoek. Allen betuigden mij hunne vreugde over het feit, dat ik gezond en wel tot hen was teruggekeerd en zij slaagden erin, het onteerende gevoel, dat mijne ontmoeting bij mij had achtergelaten, door hunne hartelijke ontvangst eenigermate te verzachten. Den volgenden morgen vond ik bij mijn vertrek een edel strijdros op het plein voor het kasteel, en mijn gastheer verzocht mij met eenige vriendelijke woorden, dit als een geschenk van hem te willen aannemen. Kort daarop bereikte ik Cardiff en daarmede is mijn verhaal ten einde. Gelijk gij ziet, strekt het mij niet tot eer!”

Hoe Iwein besluit om zijn vriend te wreken en hoe hij in stilte van het hof vertrekt. Nadat hij deze laatste woorden op half schertsenden, half bitteren toon gesproken had, zweeg Colgrevance stil. Alle aanwezigen hadden in gespannen aandacht naar hem geluisterd, vooral Iwein, wiens warme genegenheid voor den spreker, die bovendien een eigen neef van hem was, hem het verhaal van zijne avonturen dubbel belangwekkend deed voorkomen. Toen Colgrevance dan ook ophield met spreken, barstte Iwein los met den uitroep: “Gij deedt wel, waarde neef, met ons te vermelden, wat u overkomen is en ik zweer u bij onze vriendschap, dat ik den smaad, u aangedaan, zal wreken!” Nauwelijks had hij deze woorden gezegd, of opnieuw kwam Key tusschenbeide. “Hoort gij het allen goed?” riep hij uit. “Iwein zal zijn vriend wreken, maar zeggen en doen is twee, bedenk dat wel, edele heer!” Ten tweeden male mengde koningin Ginevra zich in het gesprek en sprak tot Key: “Gij moest u schamen, om zulke woorden te zeggen tegen een dapper ridder als Heer Iwein! Gij weet immers even goed als wij allen, dat het niet in zijn aard ligt om groote woorden te spreken, zonder dat het hem ernst daarbij is!” en zich tot Iwein wendend, voegde zij er vriendelijk aan toe: “Wij allen hopen en vertrouwen, dat gij in de onderneming, die gij op u denkt te nemen, slagen zult. Onze beste wenschen zullen u op uw gevaarvollen tocht vergezellen!”
Intusschen was ook koning Arthur uit zijne vertrekken te voorschijn getreden en had zich bij de groep gevoegd en nu verzocht hij de koningin, hem omtrent het onderwerp van gesprek in te lichten. Toen hij het gebeurde vernomen had, verklaarde ook hij Heer Colgrevance te zullen wreken.
Bij de heilige nagedachtenis van mijn Vader, den grooten Uther Pendragon,” sprak hij plechtig, “zweer ik u, dat ik over twee weken, op den vooravond van het St. Jansfeest, uit zal trekken, om dien overmoedigen vreemdeling te toonen, dat hij niet ongestraft een ridder van Arthurs hof kan beleedigen. Allen, die mij op dien tocht willen vergezellen, geef ik gaarne daartoe mijne toestemming!” Iwein gevoelde bij die woorden wel eenige teleurstelling; het ware hem immers veel liever geweest, indien hij alleen had uit mogen gaan, om zijn neef en vriend in zijne eer te herstellen en nu zou het nog kunnen zijn, dat een ander die taak van hem overnam. Heimelijk besloot hij daarom, den koning vóór te zijn en toen des avonds het feest opnieuw in vollen gang was, wist hij onbemerkt weg te sluipen naar den stal, waar hij zijn schildknaap opdroeg, zijn paard te zadelen. In alle stilte maakte hij zich verder gereed voor de reis en nog vóór het feestgedruisch in de zalen van het paleis verstomd was, had hij door eene zijpoort het slot verlaten. Zonder veel moeite vond hij het rivierdal, waar het kasteel van den gastvrijen ridder zich bevond en van dat oogenblik af waren zijne ondervindingen dezelfde als die van Colgrevance. Ook hem werd de weg naar het bosch gewezen, waar hij den reus nog steeds vond tronen, temidden der wilde dieren. Zijne aanwijzingen volgend bereikte hij de bron, waar, toen hij den steen met water bevochtigde, de verschijnselen zich herhaalden, waarvan zijn vriend hem verteld had. Een onweer verduisterde het uitspansel, de hagel kletterde neer op het land, de bliksem lichtte om hem heen, maar een oogenblik later werd de lucht ook weer blauw en zonnig en zongen de vogels hun jubellied in de kale takken van den boom. Kort daarop zag Iwein de gedaante van den zwarten ridder in de verte verschijnen en op zijne korte uitdaging volgde het tweegevecht. Na een verwoeden strijd, die eenige uren duurde, slaagde Iwein er in, zijn vijand in het hart te treffen. Doodelijk gewond wist deze met zijne laatste krachten zijn paard te doen keeren en alsof het trouwe dier begreep, wat er van hem verlangd werd, droeg het zijn meester in gestrekten draf huiswaarts. Iwein volgde hem op den voet en zoo bereikten beiden een statig slot, dat de woonplaats bleek te zijn van den zwarten ridder. De laatste, die zich nauwelijks meer in het zadel overeind kon houden, verdween juist door de valpoort, toen Iwein door de steenen buitenpoort de brug over de slotgracht opreed. Schielijks gaf hij zijn paard de sporen om zijn onbekenden tegenstander in te halen, toen plotseling met een luiden slag de beide poorten dicht vielen en hem als een rat in den val tusschen zich in sloten. Goede raad was duur, hij kon vóór, noch achteruit en daarbij begreep hij, dat de dienaren van den zwarten ridder, zoodra zij den toestand bemerkten, waarin hun meester zich bevond, het kasteel zouden verlaten om diens moordenaar te zoeken. Hij wist maar al te goed, wat dan zijn lot zou zijn en er bleef hem dus niets anders over, dan den naderenden dood kalm en onverschrokken af te wachten.
Hoe groot was zijne verbazing, toen hij opeens eene zachte stem hoorde, die van gene zijde der valpoort scheen te komen en die tot hem zeide: “Schoone ridder! nooit waart gij in grooter gevaar dan op den dag van heden. Weet wel, dat gij den heer van dit slot een stoot hebt toegebracht, die hem het leven kosten zal. Mijne meesteres weent en jammert, alsof haar hart zal breken en hare ridders en volgelingen zweren bij alle heiligen, dat zij zijnen dood zullen wreken. Wanneer zij u hier vinden, vrees ik voor uw leven. Er is slechts één, die u helpen kan, en dat ben ik.” Iwein, die in verbazing naar deze woorden geluisterd had, ontwaarde door de tralies van de valpoort vóór hem, de gestalte van eene bevallige jonkvrouw in een lang slepend kleed. Zij opende een deurtje in de poort en trad op hem toe, daarop ging zij voort met spreken: “Ik zie wel, dat gij mij niet herkent en toch heb ik u vroeger aan het hof van koning Arthur ontmoet. Het gebeurde eenige jaren geleden, dat ik derwaarts werd gezonden om eene boodschap van mijne meesteres aan den koning over te brengen. Toenmaals was ik nog dwaas en onverstandig, zooals men dat in zijne jonge jaren pleegt te zijn en onder de hovelingen waren er velen, die misbruik maakten van mijne jeugd en onwetendheid. Gij echter, Heer Iwein, waart van al de ridders de eenige, die mij steeds hoffelijk en voorkomend bejegende en daarom wil ik u nu redden uit het gevaar, dat u dreigt. Gij ziet dezen ring? Welnu, hij heeft de macht u onzichtbaar te maken, evenals in den herfst de nevel met zijne dichte sluiers de boomen van het woud aan het menschelijk oog onttrekt. Wanneer gij dus de dienaren van het kasteel hoort naderen, steek dan fluks dien ring aan uw vinger en gij zijt veilig. Ik zal op het slotplein op u wachten. Wanneer uwe vervolgers vertrokken zijn, moet gij naar mij toekomen en uwe hand op mijn schouder leggen, want ook voor mij zult gij onzichtbaar zijn. Ik zal u dan verder helpen, zooveel in mijn vermogen is.”
Ten zeerste getroffen door dit vriendelijk hulpbetoon, nam Iwein den ring van de jonkvrouw aan, die daarop verdween zooals zij gekomen was. Spoedig daarop hoorde onze held verwarde kreten uit het slot tot zich doordringen, die naderbij schenen te komen en het duurde niet lang of de valpoort werd op ruwe wijze geopend om een leger van ridders en lansknechten door te laten. Iwein had zich echter op hunne komst voorbereid en den ring van Luned, zooals de jonkvrouw zeide te heeten, aan den vinger gestoken. Bij gevolg stormden zijne vijanden hem in woeste vaart voorbij, zonder hem te bemerken en waren weldra door de hoofdpoort verdwenen. Toen trad Iwein het slotplein op, waar hij Luned op zich vond wachten.

Hoe Iwein getuige is van de plechtige begrafenis van den slotheer en hoe hij in liefde ontbrandt voor diens schoone Weduwe. Luned gebood hem haar te volgen en bracht hem door een doolhof van gangen naar een achthoekig torenvertrek, dat uitzag op het plein vóór het kasteel. In een der hoeken stond een bed, welks dekkleed, vervaardigd van zijden damast, afhing tot op den grond, en waarop eenige met goud bestikte kussens lagen. Luned noodigde haren gast uit zich ter ruste te leggen en daar Iwein uitgeput was door den strijd en den langen rit, gaf hij gaarne gevolg aan haar verzoek. Toen hij eenigen tijd gesluimerd had, werd hij opgeschrikt door een luid gezang en zich tot Luned wendend, die in een hoek van het vertrek bezig was een maaltijd voor haren gast te bereiden, vroeg hij: “Wat beduidt het luide gezang, dat ik hoor?” Luned antwoordde: “Het zijn de liederen der geestelijken, die mijnen heer het laatste oliesel toedienen.” Iwein sliep opnieuw in, maar na korten tijd wekten de geluiden, die uit het kasteel oprezen, hem ten tweeden male uit zijne droomen. Weer zeide hij tot Luned: “Wat beduidt al dat gejammer en geklaag?” en Luned antwoordde: “Het zijn de treurzangen en het geween der slotbewoners om mijnen heer, die gestorven is.” Toen Iwein de spijzen had genuttigd, die Luned voor hem bereid had, begaf hij zich opnieuw ter ruste en ontwaakte eerst vroeg in den morgen uit een diepen, verkwikkenden slaap, Toen hij luisterend het hoofd ophief, troffen opnieuw klanken zijn oor en hij sprak tot Luned, die nog steeds de wacht bij het venster hield: “Wat beduidt het rumoer op het slotplein?” “Heer”, sprak zij, “het zijn de klaagzangen bij het lijk van mijnen heer, dat naar de kerk gedragen wordt.”
Iwein sprong op van zijne legerstede en ging aan het venster staan, om te zien, wat daar beneden geschiedde. Toen hij zich voorover boog, om beter te kunnen zien, trof zijn oog een schouwspel dat hem diep ontroerde.
In groote plechtigheid werd het lijk van den slotheer naar de kapel gedragen. Aan beide zijden van den af te leggen weg stonden zijne getrouwen geschaard, die in eerbiedig gebogen houding en met ontbloot hoofd den treurigen stoet aan zich lieten voorbijgaan. Voorop ging met langzamen tred de huiskapelaan in zijn slepend overkleed, die in de opgeheven handen een gouden kruis droeg, dat schitterde in de morgenzon. Achter hem liepen eenige andere geestelijken, die hem bij den lijkdienst behulpzaam zouden zijn, en daarna volgde het lijk op een baar, gedragen door de vier oudste volgelingen van den dooden ridder, lieden, die in den dienst van zijn huis vergrijsd waren. Het lichaam rustte op een schild en werd voorafgegaan door twee koorknapen, die zilveren wierookvaten in de hand droegen, waaruit blauwe wolken opstegen en de lucht met hunnen zoeten geur vervulden. Achter de lijkdragers gingen twee ridders, waarvan de één de lans en de ander den helm van hunnen meester droeg. Daarachter liep met wankele schreden en aan weerszijden ondersteund door eene dienares, eene wonderschoone vrouw, de weduwe van den overledene en één enkele blik op haar gelaat deed in het hart van Iwein een gevoel ontwaken, dat hij nog nooit gekend had. Als geboeid volgden zijne oogen de gebogen gestalte, die een toonbeeld was van diepe, troostelooze smart. Haar prachtige gouden haren vielen los en wanordelijk om haar heen, haar schoone oogen waren rood en gezwollen door het weenen, haar blanke handen had zij tot bloedens toe gewrongen. Toch voelde Iwein bij het zien van die door smart verteerde gedaante, wat hij tot dusver voor geen enkele vrouw, hoe schoon zij ook wezen mocht, gevoeld had en zijn hart kende maar één wensch meer: die vrouw de zijne te mogen noemen. Zich tot zijne gezellin keerend, vroeg hij met bevende stem: “Zeg mij, Luned, wie is die schoone vrouw, die ginds achter het lijk van uwen meester gaat?”
“Helaas! arme vrouw!” sprak Luned, “dat is mijne meesteres, die half waanzinnig van smart is over den dood van haren geliefden echtgenoot. Zij is niet alleen de schoonste, maar ook de edelste en verstandigste vrouwe ter wereld en God zende haar troost in haar smartelijk verlies!”
“De hemel gave, dat ik nooit geboren was, om deze smartelijke tijding van u te vernemen”, sprak Iwein, “want deze vrouw is het, die ik boven alles bemin!” “Indien dit werkelijk zoo is”, antwoordde Luned, “dan zal ik uw voorspraak zijn bij mijne meesteres. Blijf gij hier en wacht, tot ik terugkom”.
Hierop verliet zij het vertrek en een oogenblik later zag Iwein, die in droef gepeins verzonken aan het venster bleef staan, haar de binnenplaats oversteken en door een der deuren van het hoofdgebouw verdwijnen. In de vertrekken van hare meesteres gekomen, bleef Luned wachten tot deze uit de kapel was teruggekeerd. Toen verzocht zij om een onderhoud met haar, wat haar gereedelijk werd toegestaan, daar zij tot de meest vertrouwde dienaressen van Laudine, dit was de naam der slotvrouwe, behoorde. Luned vond hare meesteres uitgestrekt op eene rustbank, het hoofd in de armen verborgen, ten prooi aan de diepste wanhoop.
“Waarom weent gij zoo, Vrouwe?” vroeg Luned op zachten toon. Driftig hief Laudine het hoofd omhoog en zeide, met door tranen verstikte stem: “Hoe kunt gij mij zoo iets vragen? Weet gij dan niet, dat gij hier de rampzaligste vrouw ter wereld voor u ziet? Zijt gij dan doof en blind geworden, dat gij niet gehoord en gezien hebt, hoe mijn echtgenoot, de dapperste en edelste ridder, die op Gods wijde wereld te vinden was, door een sluwen moordenaar gedood is? En vraagt gij mij dan nog, waarom ik ween? Ik had andere taal uit uw mond verwacht en reeds bevreemdde het mij, dat gij niet eerder tot mij waart gekomen, om mij uwe deelneming te betuigen in mijn onherstelbaar verlies!” “Onherstelbaar?” hervatte Luned op den zelfden zachten toon. “God geve, dat dit niet zoo zij, want wie zal in de toekomst uwe landen en eigendommen verdedigen, wanneer gij blijft treuren over iets, dat nu eenmaal gebeurd is? Mijn meester was een edel man en moedig in den strijd, maar de wereld kent nog dapperder en sterker ridders dan hij!” “Ik gebied u te zwijgen!” riep Laudine haar met fonkelende oogen toe. “Nooit zag ik in mijn leven een ridder, die uwen heer in moed en behendigheid overtrof en het past u allerminst om hem aldus te belasteren, nu hij niet meer in ons midden is!” “En de ridder dan, die hem versloeg?” hervatte Luned, “gij zult toch niet willen ontkennen dat hij sterker moet geweest zijn dan uw echtgenoot! Wat baat het u, om te treuren over den doode? Wanneer straks koning Arthur met zijne ridders aan de bron komt en hij niemand vindt om hem te weerstaan, zal hij uwe bezittingen verbeurd verklaren, omdat gij niet in staat zijt, ze te verdedigen. Daarom moet gij zoo schielijk mogelijk uitzien naar een ridder, die de plaats van uw gestorven echtgenoot in zal nemen”. “Ga weg uit mijne nabijheid, hartelooze vrouw!” riep Laudine “en kom mij nooit meer onder de oogen! Liever verloor ik al mijne have en goed, dan dat ik zulk eene trouwbreuk pleegde aan de herinnering van hem, die mij boven alles dierbaar was!” “Het zij zoo”, antwoordde Luned, “wat ik zeide, was voor uw eigen bestwil, maar gelijk meestal het geval is: onbaatzuchtige raad vindt zelden een goed gehoor”. Met deze woorden verwijderde zij zich langzaam in de richting der deur, maar alvorens zij deze bereikte, riep Laudine, die zich de vele diensten herinnerde, welke Luned haar reeds bewezen had, haar terug en zeide: “Ga niet zoo heen! Ik weet het, uwe bedoeling is goed, maar gij moet toch inzien, dat het onmogelijk voor mij is, uwen raad op te volgen? Waar zou ik een ridder vinden, die mij en de mijnen zou willen beschermen en verdedigen?” “Laat dat maar aan mij over”, riep Luned op verheugden toon uit, “ik zelve zal naar het hof van koning Arthur rijden en den edelsten en machtigsten ridder aldaar zal ik verzoeken, om u te helpen. Vertrouw op mij; ik zal niet zonder hem terugkeeren!” Half ongeloovig zag hare meesteres haar aan. “En indien gij eens te laat mocht komen”, sprak zij, “wat moet ik dan beginnen, die hier alleen en zonder bescherming achterblijf?” “Dat zal niet gebeuren”, stelde Luned haar gerust. “Binnen drie dagen kan ik van mijne reis teruggekeerd zijn en vóór dien tijd kan het leger van koning Arthur onmogelijk de bron bereikt hebben. Wees gerust, alles zal in orde komen!” Dienzelfden avond maakte Luned zich met veel vertoon van haast voor haren tocht gereed; in werkelijkheid echter hield zij zich drie dagen achtereen verscholen in hare torenkamer en op den avond van den derden dag begaf zij zich opnieuw, ditmaal echter in gezelschap van Iwein, naar de vertrekken harer meesteres. Zij verzocht hem in de gang op haar te wachten en trad alleen de kamer van Laudine binnen. Deze liep haar in angstige spanning tegemoet, greep haar bij den arm en sprak: “Welnu, wat brengt gij voor nieuws?” “Goed nieuws breng ik u, edele vrouwe!” antwoordde Luned, “want den dappersten held aan Arthurs hof heb ik bereid gevonden om u bij te staan en voor uwe belangen te strijden!” “Wie is dat dan? zeg het mij, vlug! opdat ik uit de vreeselijke spanning dezer laatste drie dagen bevrijd worde!” “Het is Iwein, edele vrouwe! de zoon van koning Uriens van Wallis, een der hoogst aangezetenen van Arthurs ridderschap!” “Wanneer komt hij?” “Vrouwe, hij is reeds hier en wacht met ongeduld het oogenblik af, waarop gij hem wilt ontvangen!” “Laat hem binnenkomen!” Daarop ging Luned naar de deur, opende die en verzocht Iwein om binnen te treden. Aarzelend en met neergeslagen oogen trad deze de kamer binnen, waar hij voor ’t eerst zijne geliefde zou ontmoeten. Een zekere schroom belette hem, de oogen naar haar op te slaan; hij kon het denkbeeld niet van zich afzetten, dat hij, zij het ook in een eerlijken strijd, haar echtgenoot gedood had en de gestalte van den zwarten ridder scheen zich tusschen hem en de vrouw, die hij liefhad, te plaatsen. Daarbij hinderde het hem, dat Laudine van dit alles niets afwist en hij zoodoende onder een valschen schijn zijn doel zou bereiken.
Laudine daarentegen vestigde hare oogen in gretige afwachting op den naderenden ridder en toen zij Iwein zag, werd zij onwillekeurig getroffen door zijn schoon en krachtig voorkomen. Hij was gekleed in een engsluitend karmozijnrood buis, om het midden droeg hij een breeden gordel, bezet met edelgesteenten en van zijne schouders golfde een wijde mantel van goudkleurig brocaat. De baret met de lange, wuivende veer hield hij in de rechterhand, de linker rustte op het gevest van zijn zwaard.
Toen hij voor den zetel van Laudine was genaderd, boog de ridder zich diep ter aarde en waagde het daarna eindelijk, de oogen tot haar op te slaan. Nog steeds echter sprak hij geen woord, totdat Luned, die door zijn zwijgen ongeduldig werd en voor het welslagen van haar plan begon te vreezen, hem toeriep: “Maar spreek dan toch, Heer! nooit tevoren zag ik een ridder, die in de tegenwoordigheid eener schoone vrouwe zoo goed het stilzwijgen kon bewaren! Zeg haar het geheim van uw hart en laat haar beslissen over uw lot!”
Daarop begon Iwein te spreken. Hij viel op de knieën voor Laudine neer en zeide met zachte, doch vaste stem: “Schoone Vrouwe, uw dienares heeft gelijk met zich te verbazen over mijn stilzwijgen, maar mijn hart is zóó vol, van alles wat ik u te zeggen heb, dat ik niet recht weet, waarmede te beginnen. Laat mij dan vóór alle dingen aan u bekennen, dat ik het ben geweest, die uw echtgenoot den doodsteek toebracht!” Bij het hooren van deze woorden deinsde Laudine achteruit, alsof zij door een vergiftig dier gestoken werd, maar uit den blik, dien Iwein naar haar opsloeg sprak zooveel eerbiedige bewondering en eerlijk zelfvertrouwen, dat zij besloot haar oordeel op te schorten, tot zij meer omtrent zijne geschiedenis wist en met eene enkele handbeweging beduidde zij hem, om verder te gaan.
“Oordeel niet te hard over mij, wat ik u bidden mag”, vervolgde Iwein, “ik streed met hem in een eerlijk tweegevecht, waartoe hij mij uitdaagde en ware de strijdkans hem gunstig geweest, dan zou hij misschien een volgend maal gevallen zijn. Daarom, smeek ik u, wees niet vertoornd op mij, maar aanvaard mijne diensten, die ik u aanbied!”
“Zoudt gij dan werkelijk bereid zijn, om voor mij te strijden en mijne eigendommen te verdedigen tegen de aanvallen, die er tegen ondernomen zullen worden?” vroeg Laudine. “Waarom zoudt gij zulks doen? Het is eene zware taak, die gij op uwe schouders neemt, bedenk dat wel, en niemand dwingt er u toe!” “Daarin vergist gij u”, gaf Iwein ten antwoord, “er is eene macht op aarde, sterker dan het gezag van koningen en keizers. Zij regeert over armen en rijken, over den vorst evengoed als over den bedelaar en haar gezag is onverbiddelijk als de dood. Deze macht is de liefde en zij is het, die mij aanspoort om u te dienen, want één ding moet ik u zeggen, al zou het mij mijn leven kosten: ik bemin u met geheel mijne ziel en mijn hoogste wensch op aarde is: u de mijne te mogen noemen!”
Laudine had met stijgende ontroering naar zijne woorden geluisterd en toen hij ophield met spreken en nog steeds geknield voor haar bleef liggen, stak zij hem beide handen toe en zeide blozend: “Het zou ondankbaar van mij zijn, indien ik uw vriendelijk aanbod beantwoordde met u te laten dooden en bovendien onverstandig ook, want waar zou ik een anderen ridder vinden, die mij op zulk eene onbaatzuchtige wijze wilde helpen? Neen, blijf liever voor mij leven en indien het u gelukkig maakt, kan ons huwelijk binnen korten tijd voltrokken worden.”
Dienzelfden avond riep Laudine hare edelen en volgelingen bijeen, om hunne goedkeuring over haar besluit te vernemen. Toen zij hoorden, dat Iwein, een prins van den bloede en een dapper ridder, om de hand van hunne meesteres was komen dingen en de gelofte had afgelegd, dat hij de bron zou verdedigen tegen alle aanvallen, gaven zij volgaarne hunne toestemming tot het huwelijk.
Dit werd dienzelfden avond nog voltrokken en in de zalen, die eenige dagen tevoren getuigen waren geweest van den rouw en de droefenis om den gestorven meester, heerschten nu vreugde en feestgejoel om de komst van den nieuwen heer. De bruiloftsfeesten werden in alle pracht en praal gevierd en duurden verscheidene weken. Het was eene bonte aaneenschakeling van feestgelagen, ridderspelen en vroolijke samenkomsten in de zalen en parken van het prachtige kasteel en elke dag bracht nieuwe gelegenheid voor Iwein om zich bij zijne nieuwe vrienden gezien en bemind te maken. Plotseling evenwel kwam de tijding, dat het leger van koning Arthur bij de bron was aangekomen, en onmiddellijk nadat hij het bericht ontvangen had, maakte Iwein zich op ten strijde.
Zijne afwezigheid had inmiddels aan het hof groote verbazing en ontsteltenis gewekt. Wel dachten velen, dat hij, zooals inderdaad het geval bleek te zijn, vooruit was gegaan om zich de wraakneming voor zijn vriend niet te laten ontnemen, maar toen zij bij aankomst aan de bron geen spoor van hem ontdekten, begonnen zij aan de juistheid dier veronderstelling te twijfelen. “Ziet gij nu wel”, sprak Key triomfantelijk, “dat ik gelijk had, toen ik zeide, dat zeggen en doen twee zijn! Waarschijnlijk is Iwein in ’t geheel niet op deze plek geweest en was het slechts grootspraak van hem, toen hij zwoer, zijn neef te zullen wreken!” Maar Walewein voegde hem verontwaardigd toe: “Schaamt gij u niet, booze lasteraar, om zulke dingen te zeggen! De toekomst zal ons nog leeren, wat er van Iwein geworden is, maar dat zijne woorden slechts holle snoeverij bevatten, kan ik niet gelooven.” Intusschen was koning Arthur afgestegen en schepte met behulp van den schotel een weinig water uit de bron, waarmede hij den steen bevochtigde. Onmiddellijk daarop barstte het onweer los en toen de lucht weer klaar en onbewolkt was geworden, zagen de verbaasde ridders eene zwarte figuur te paard naderen. Niemand herkende daarin Iwein en Key smeekte den koning om hem ’t eerst tegen den vreemdeling te laten strijden, wat hem werd toegestaan. Toen Iwein zag, wie zijn tegenstander zou zijn, zette hij zich met een gevoel van voldoening vaster in het zadel, drukte zijne sporen dieper in de flanken van zijn strijdros en reed met gevelde lans op Key toe. Deze laatste moest weldra in den strijd het onderspit delven en het duurde niet lang of Iwein wist hem met een krachtigen lansstoot uit het zadel te lichten. Daarop nam hij Key’s paard bij de teugels, geleidde het naar den koning en overhandigde hem de leidsels met de woorden: “Sire, neem gij dit paard, dat ik in den strijd veroverd heb en behoud het als eene herinnering aan hem, die geen anderen wensch koestert dan uw dienaar en trouwe onderdaan te mogen zijn.”
“Ik wil uwe gift gaarne aannemen,” sprak de vorst, “doch slechts op ééne voorwaarde: dat gij mij zegt, wie gij zijt.”
Als eenig antwoord sloeg Iwein het vizier van zijn helm omhoog en met een kreet van vreugde herkenden de ridders hunnen vriend. Vooral Walewein toonde groote blijdschap over deze ontmoeting en bracht op zegevierenden toon Key de voorbarigheid van zijne voorspellingen onder het oog, zich verheugend over de schitterende wijze, waarop Iwein deze gelogenstraft had. De laatste vertelde inmiddels aan den koning en een breede kring van aandachtige toehoorders het verhaal van zijne avonturen en eindigde met zijn vorst te verzoeken hem met zijne ridders te volgen naar zijn kasteel en aldaar zijn gast te zijn. Volgaarne namen alle aanwezigen deze uitnoodiging aan en weldra reed een schitterende stoet de ophaalbrug van het slot over. Op het voorplein wachtte Laudine, omgeven door hare dienaressen, de hooge gasten op, van wier komst zij door een boodschapper verwittigd was. Toen zij den gouden draak op den helm des konings herkende, liep zij op hem toe en bukte zich eerbiedig, om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn, maar de vorst wees met hoffelijk gebaar haar hulp van de hand, steeg af en kuste haar op beide wangen. Groot was de vreugde van Laudine, toen zij haren echtgenoot ongedeerd terugzag en met luide welkomstkreten werd onze held door zijne ridders en onderhoorigen begroet.

Hoe Iwein met zijne vroegere vrienden aan het hof terugkeert en hoe hij langzamerhand zijne jonge vrouw vergeet. Nu brak er een tijd van blijdschap en jolijt aan. Ter eere van koning Arthur werden op het kasteel schitterende feesten gegeven, waartoe de gansche ridderschap uit den omtrek met hunne dames uitgenoodigd werden. Elken avond weergalmden de zalen van het luide gejoel der feestende gasten, de tafels schenen gebukt te gaan onder den last van kostelijke spijzen, de wijn vloeide bij stroomen en eerst laat in den nacht werden de lichten in het slot gedoofd. Toen dit leven van pret maken eenige weken geduurd had, begon de koning van heengaan te spreken, daar ernstiger plichten aan het hof hem wachtten. Ondanks de gastvrije uitnoodiging van Iwein om nog eenigen tijd onder zijn dak te vertoeven, werd de dag van vertrek spoedig bepaald. Er heerschte eene koortsachtige drukte in het kasteel om alles voor de reis gereed te maken, in de stallen draafden de stalknechts heen en weer tusschen de stampende rossen, op het voorplein waren de smeden bezig de wapenen der vertrekkende ridders na te zien, in de keukens stonden de koks met hoogrood gelaat voor de groote ovens om voor den mondvoorraad te zorgen, die den reizigers zou worden meegegeven.
Temidden van al die drukte kwam Walewein bij zijn gastheer en vroeg hem om zich op den dag van vertrek bij het gevolg des konings te voegen en zijne vrienden naar het hof te vergezellen, waar hem nieuwe roem en hulde wachtten. “Laat het niet van u gezegd kunnen worden”, sprak hij dringend tot zijn vriend, “dat gij na uw huwelijk uwen tijd slechts doorbrengt in dienst uwer schoone vrouw. Hij, die terwille eener jonkvrouw zijn roem en eer vergeet, is hare liefde niet waard en zij zelve zou er u ten slotte een verwijt van maken. Ga daarom met ons mee en tracht nieuwe lauweren te verwerven in den dienst van uw vorst!”
Iwein had aandachtig naar de woorden van zijn vriend geluisterd en besloot zijn raad op te volgen, hoe veel het hem ook kostte om zijne vrouw reeds nu te verlaten. Daarom begaf hij zich naar Laudine en vroeg haar verlof om voor eenigen tijd heen te gaan. Aanvankelijk wilde zij niets van zijn plan weten, maar toen hij haar in zijne armen nam en haar onder de innigste liefdesbetuigingen smeekte, zijn verzoek in te willigen, daar het hun beider eer betrof, stemde zij er ten slotte in toe, hem voor een jaar aan den koning af te staan. Zij bezwoer hem echter om, wanneer die termijn verstreken zou zijn, tot haar weder te keeren. “Wanneer gij uwe belofte niet gestand doet”, sprak zij ernstig, “is uwe liefde slechts spel en hartstocht geweest! Gij behoeft dan nimmer hier terug te keeren, want mijn geloof en vertrouwen hebt gij dan voor altijd verloren.”
Iwein zwoer haar bij alles wat hem dierbaar was, dat hij woord zou houden en spoedig daarna verliet hij het kasteel in het gevolg van den koning.
In de eerste maanden van zijne afwezigheid werd hij dikwijls gekweld door het verlangen naar zijne jonge vrouw, maar gaandeweg drongen de bonte tafereelen van het hofleven het beeld van Laudine op den achtergrond. Na den tijd van feesten en genietingen boden de avontuurlijke tochten en gevaarvolle ondernemingen hem een nieuwen prikkel, die hem aanzette tot steeds grooter onversaagdheid. Hij onderging de bekoring van het gezelschap zijner vrienden als iemand, die na lange afwezigheid in het land zijner vaderen terugkeert en toch was het slechts luttele maanden geleden, dat hij uit was getrokken om de wonderbron te zoeken.
Zoo verstreken de maanden; de herinneringen aan zijne liefste werden steeds flauwer en flauwer, en de gestalte van Laudine vertoonde zich slechts af en toe in vage omtrekken voor het oog zijner verbeelding. Toen nu de tijd naderde, dat hij tot zijne vrouw zou wederkeeren, gebeurde het, dat de koning een groot steekspel uitschreef en in de toebereidselen daarvoor, die al zijn tijd in beslag namen, vergat Iwein geheel en al zijne belofte. Eenige weken later, toen het steekspel reeds aan den gang was en men des avonds bijeen zat om Iwein, den held van dien dag, te huldigen, trad plotseling Luned de feestzaal binnen, neeg eerbiedig voor den zetel des konings en zeide: “Sire, wees gegroet! en ook gij, edele ridders, die hier aanwezig zijt, allen behalve Iwein, de trouwelooze, die het hart mijner meesteres gebroken heeft. Valsch en bedriegelijk waren de schoone woorden, waarmede hij haar van zijne liefde sprak en nadat hij haar door listige vleitaal overreed had, de zijne te worden, trok hij heen en liet haar achter in een toestand, die nog treuriger is dan het lot eener weduwe. Hij, die zoo handelt, is niet waard, ridder genoemd te worden. God straffe hem voor zijne trouweloosheid.”
Na deze woorden gesproken te hebben, trad zij op Iwein toe, trok hem den ring, dien Laudine hem als afscheidsgeschenk gegeven had van den vinger en verliet het kasteel.
Iwein bleef achter in een staat van groote verslagenheid. De verwijten, welke Luned hem had toegeslingerd, waren als scherpe pijlen doorgedrongen tot in ’t diepst van zijne ziel en deden zijn hart bloeden van schaamte en berouw. Voor zijne oogen herrees klaar en duidelijk het beeld van Laudine, zooals zij bij het afscheid in zijne armen had gelegen, het schoone gelaat nat van tranen, de oogen smeekend en vol liefde op hem gericht en hij hoorde weer de trillende tonen harer stem, die hem bad, tot haar terug te keeren.
En hij, in den roes van roem en eerzucht had haar vergeefs naar hem doen uitzien. In zijn overspannen geestestoestand riep hij zich voor oogen, hoe zij keer op keer den toren van het slot beklommen moest hebben, om naar hem uit te zien en hoe zij dan telken male teleurgesteld de trappen was afgedaald om in de eenzaamheid harer vertrekken zijne trouweloosheid te beweenen! Nu was alles voorbij! Hij herinnerde zich hare afscheidswoorden en begreep dat hij nooit den moed zou hebben om een poging tot verzoening te wagen. Neen, nooit meer zou hij die oogen vol innige teederheid op zich voelen rusten, nooit meer zou hij dien schoonen mond kussen of die glanzende haren streelen. Voorbij! voorbij! en dat alles door eigen schuld! Als een getemd dier liep Iwein heen en weer op eene eenzame plek achter in den slottuin, met zijne gebalde vuisten sloeg hij zich tegen het hoofd en slechts stamelende klanken kwamen over zijne lippen. Wat zijne vrienden ook zeiden, het hielp niets, hij wilde naar geen rede luisteren en weigerde hardnekkig alle voedsel.
Toen deze toestand eenige dagen geduurd had, gebeurde het ’s morgens, dat een bode van den koning hem tevergeefs zocht in zijne vertrekken, ook in de nabijheid van het kasteel was hij nergens te vinden.
De wanhoop over het verloren geluk had zijn verstand verbijsterd en als een waanzinnige zwierf hij rond in de bosschen. Zijne kleederen scheurde hij aan takken en doornen, zijne haren hingen hem verwilderd om het hoofd en een lange baard golfde hem weldra op de borst. Eens op een dag ontmoette een houthakker hem, maar toen de man hem zag, ontstelde hij zóó van Iwein’s verwilderd en woest voorkomen, dat hij pijl en boog, die hij in de hand had, wegwierp en het hazenpad koos. Met behulp van deze wapenen doodde Iwein nu en dan een stuk wild, waarvan hij het vleesch rauw en in groote stukken verslond. Verder voedde hij zich met wortelen en wilde vruchten en leschte zijn dorst met bronwater. De dagen en weken verliepen, zonder dat hij er zich van bewust was; nog steeds was zijn brein vervuld van verhitte koortsphantasieën, nog steeds stamelden zijne lippen den naam van Laudine. Soms, wanneer de smart en wroeging hem te machtig werden, sloeg hij als een razende om zich heen, zoodat de vogels onder verschrikt gekrijsch wegvlogen uit de naburige boomen en struiken. Na zoo’n aanval viel hij meestal neer op het mos in een toestand van halve verdooving. Zoo lag hij eens op een dag onder de schaduw van een grooten eik, toen de stilte van het bosch verbroken werd door helder opklinkende stemmen en het getrappel van paardenhoeven. Weldra verschenen om de kromming van het boschpad drie vrouwengestalten te paard. Het waren drie adellijke dames, de eigenaresse van een naburig kasteel, tot wier gebied het bosch behoorde, waarin Iwein op zijne zwerftochten was verdwaald geraakt, en twee harer dienaressen. Toen zij voorbij den boom kwamen en een menschelijke gedaante ontwaarden, die daar als levenloos op den grond lag uitgestrekt, hielden zij nieuwsgierig hare rossen in en de burchtvrouwe beval één harer gezellinnen om af te stijgen en de zaak nader te onderzoeken. Op de teenen sloop de jonkvrouw naderbij, want het uiterlijk van den vreemdeling boezemde haar niet veel vertrouwen in. Toen zij echter dicht aan den slapende genaderd was, en hem in het gelaat had gezien, boog zij zich met een uitroep van verrassing over hem heen, streek hem de lange haren uit het gezicht en keerde zich toen tot hare meesteres met den uitroep: “Wie denkt gij, dat hier ligt? Het is Heer Iwein, de zoon van koning Uriens van Wallis, één der dapperste ridders van Arthurs hof. Ik herken hem aan het litteeken boven den linkerslaap, dat hij in een tournooi, waar ook ik bij tegenwoordig was, heeft opgedaan.
Maar wat ziet hij er vreeselijk uit! Zijn kleeren hangen hem als lompen om het lijf, zijn gelaat en handen zijn vol schrammen en geheel bebloed, wat kan er met hem gebeurd zijn? Helaas! dat wij hem zoo moeten vinden! Ik zeg u, indien hij gezond was, zou geen ridder ter wereld u beter van dienst kunnen zijn in den komenden strijd tegen den valschen graaf Aliers dan hij, die hier ligt!”
Hare meesteres keek peinzend eenige oogenblikken voor zich uit en riep toen plotseling met blijde stem: “Ik heb het gevonden! Ga gij vlug met mij mede, mijn slot is immers slechts enkele mijlen hier vandaan en daar zal ik u eene kostbare zalf geven, waarmede gij den ongelukkige genezen kunt. Die zalf werd mij ten geschenke gegeven door de toovenares Morgan Le Fay en zij bezit de tooverkracht om genezing te brengen voor alle ziekten en kwalen, zoowel lichamelijke als geestelijke”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Spoorslags reden de drie jonkvrouwen naar het naburig kasteel, waar de slotvrouwe hare dienares de vaas met de genezing brengende zalf overhandigde. “Wees er zuinig mee”, sprak zij, “en breng mij, wat er na gebruik overblijft, zorgvuldig terug”. Daarna beval zij haar een stel kleederen en wapenen, zooals die aan Iwein’s rang en stand pasten, mede te nemen, benevens een fraai rijpaard. Van dit alles voorzien, begaf de jonkvrouw zich opnieuw naar het bosch, waar zij Iwein nog in dezelfde houding vond liggen. Voorzichtig legde zij de kleederen naast hem op den grond, bond het paard met de teugels aan den boom vast, knielde toen bij den slapenden ridder neer en wreef zijn hoofd en lichaam in met de welriekende zalf. Daarop sloop zij voorzichtig heen, steeg te paard en wachtte op eenigen afstand den loop der verdere gebeurtenissen af.
Met een diepen zucht ontwaakte Iwein uit zijn bewusteloozen toestand. Toen hij de oogen opsloeg en om zich heen zag, gevoelde hij terstond, dat er iets met hem was voorgevallen. Het scheen hem toe, of er een drukkende band van zijne hersenen was weggenomen, en hij nu weer in staat was om helder te denken. Geen verwarde droombeelden trokken langer in bonte rij voor het oog zijner verbeelding voorbij, hij zag het groene woud om zich heen, hij hoorde het gekweel der vogels in de dicht bebladerde takken boven zijn hoofd en voor ’t eerst bezag hij zichzelven met een gevoel van schrik en afschuw. Daar viel zijn oog op de nieuwe uitrusting, welke voor hem gereed lag en op het ongeduldig stampende strijdros. Als in een droom ontdeed hij zich van de havelooze lompen, waarin hij gekleed was, en trok de fraaie kleeren aan, wier fijne, zachte stoffen hem bij de eerste aanraking vreemd aandeden. Daarna steeg hij te paard en toen hij den voet in den stijgbeugel stak en den rug van het dier onder zich gevoelde, trokken de laatste nevelen in zijn brein op om het licht der herinnering vrijen doortocht te verleenen. Alles stond hem nu weer helder voor den geest, zijn leven aan het hof, het bezoek van Luned, haar woorden van smaad—maar van wat daarna geschied was, had hij slechts eene verwarde herinnering, als van een benauwden koortsdroom. Hij vroeg zich af, hoe hij zoo plotseling genezen kon zijn en wie de kleederen en het paard aan hem gezonden kon hebben. Terwijl hij aarzelde, welke richting hij uit zou rijden, ontwaarde hij tusschen de struiken de jonkvrouw te paard en weldra vernam hij van haar, hoe zijne redding zich had toegedragen. Gaarne voldeed hij aan haar verzoek om haar te volgen naar het kasteel harer meesteres en aldaar aangekomen, bedankte hij de burchtvrouwe in warme bewoordingen voor wat zij voor hem gedaan had. Hij eindigde met haar zijne diensten aan te bieden, indien zij haar van nut konden zijn. “Dat is helaas maar al te zeer het geval”, sprak zijne schoone gastvrouw zuchtend; “want mijne bezittingen worden bedreigd door een boozen graaf, en wat vermag ik, zwakke vrouw, tegen hem en zijne ridders?” “Welnu dan”, antwoordde Iwein, “sta mij toe, dat ik den strijd tegen uw vijand aanbind en zoo God wil, zal ik u uit zijnen dwang bevrijden”. Dit aanbod bleek te rechter tijd gedaan te zijn, want reeds den volgenden morgen meldden de torenwachters den aantocht van een groot leger, dat weldra zijne tenten rondom het kasteel opsloeg en alles voor eene belegering in gereedheid bracht. Den ganschen dag heerschte er groote bedrijvigheid in het vijandelijke kamp, maar Iwein wachtte bedaard zijne kans af en eerst toen de avond viel en de geluiden die uit de legerplaats van graaf Aliers opstegen, allengs verstomden achtte hij het oogenblik gekomen om zijn slag te wagen. In alle stilte wapende hij zich en gebood een tiental aanhoorigen van het kasteel om hetzelfde te doen. Daarop gaf hij bevel de ophaalbrug neer te laten en onder het aanheffen van een luiden strijdkreet draafde hij met zijne volgelingen de hoofdpoort van het kasteel uit. Alles wat hun in den weg kwam, werd terneergeveld en hun uitval was zóó onstuimig en tevens zóó verrassend, dat de dienaren van den graaf, die in de vallende duisternis het ware getal hunner aanvallers niet naar juistheid konden schatten, in aller ijl het hazenpad kozen. Links en rechts om zich heen slaand, baande Iwein zich een weg door den verwarden drom van strijdende en vluchtende knechten en bevond zich weldra tegenover den graaf, die in aller haast te paard was gestegen om zijne manschappen te verzamelen.
Met een behendigen zwaardstoot sloeg Iwein hem de strijdspeer uit de hand en toen hij aldus zijn vijand in zijne macht had, dwong hij Aliers voor hem uit te rijden in de richting van het kasteel. Zoo bracht hij hem het slotplein op, waar de burchtvrouwe met haar gevolg in angstige spanning den afloop van den strijd verbeidde, en deed hem neerknielen voor haren zetel. De strijd was nu natuurlijk beslist. Graaf Aliers moest plechtig beloven de bezittingen van Iwein’s gastvrouw met rust te laten en de helft zijner landgoederen als losprijs aan haar af te staan. Eerst toen kreeg hij zijne vrijheid terug en mocht naar zijn graafschap wederkeeren, terwijl in het kasteel de heugelijke afloop van den strijd met blijden jubel werd gevierd. Den volgenden morgen kwam de Vrouwe van het slot tot Iwein en sprak: “Edele Heer! hoe kan ik u ooit genoeg danken voor wat gij voor mij en de mijnen gedaan hebt. Zonder uw hulp stond ik thans arm en van have en goed beroofd in de wereld, maar gij hebt mij gered uit de handen van dien booswicht. Daarom kom ik tot u om u te vragen welke belooning ik u geven kan voor uw menschlievend en dapper gedrag. Wanneer het voor u eenige waarde heeft, zoo bied ik u mijzelve en al mijne bezittingen aan. Indien gij in ons midden blijven wilt, zal ik u tot heer en meester maken van alles, wat ik bezit en ik zelve zal mijn leven wijden aan uw geluk”.
Iwein schudde het hoofd: “Gij zijt mij geen dank verschuldigd, schoone vrouwe”, sprak hij ernstig, “zonder u zwierf ik nog als een wild dier rond in de bosschen en het weinige, dat ik voor u deed, geschiedde uit diepe erkentelijkheid. Is het bovendien niet de plicht van iederen ridder om te strijden voor recht en billijkheid; om de zwakken te steunen en de boozen te bestrijden? Wat nu verder uw aanbod betreft, zoo dank ik u daarvoor uit het diepst van mijne ziel. Ik mag echter de wonderschoone gave, die gij mij aanbiedt, niet van u aannemen, want mijn hart is niet vrij, al ben ik ook veroordeeld om eenzaam, zonder liefde, rond te dolen. Daarom moet ik verder gaan; mijne smart laat mij geen rust om langeren tijd ergens te vertoeven. Sta mij slechts toe om de uitrusting, die ge mij geschonken hebt, als loon voor wat ik deed, mede te nemen en nu—Vaarwel!”

Van Iwein’s verdere zwerftochten en van zijne ontmoeting met den leeuw. Daarop nam Iwein afscheid van de jonkvrouw, steeg te paard en reed opnieuw de bosschen in. Nu de opwinding van den strijd bedaard was, kwam de smart om het geluk, dat hij verspeeld had, met vernieuwde kracht bij hem boven en in somber gepeins reed hij over de smalle boschpaden, waar de takken zóó dicht naar elkaar toebogen, dat zij in het voorbijrijden langs zijn gelaat streken.
Plotseling werd hij opgeschrikt door een klagelijk gebrul en op het geluid afgaand, bevond hij zich weldra op een open plek in het bosch, waar een zonderling schouwspel zijn oog trof. In het midden lag een groot rotsblok en uit eene diepe kloof daarin stak de kop van eene slang, welke in gevecht was geraakt met een leeuw. Deze poogde tevergeefs om voorbij de rots te komen, maar de slang schoot telkens van uit de rots te voorschijn en spuwde haar venijn in de richting van haren tegenstander.
Toen Iwein dit zag, sprong hij uit het zadel, verborg zich in het kreupelhout en het oogenblik te baat nemend, dat de slang zich opnieuw vertoonde, sloeg hij haar met een enkelen zwaardslag den kop af. Hij veegde zijn wapen af aan het lange gras en maakte zich gereed om zich tegen den leeuw te verdedigen, toen hij tot zijne verbazing zag, hoe het dier zich voor hem ter aarde wierp, op de buik naar hem toekroop en met zijne breede tong zijne voeten trachtte te likken. Toen Iwein het zwaard in de scheede stak en weer te paard steeg, volgde, de leeuw hem als een hond. Op aandoenlijke wijze trachtte het dier zijnen aangenomen meester zijne dankbaarheid te betuigen. Bij het vallen van den avond, toen Iwein zijn legerplaats voor den nacht in gereedheid wilde brengen en hout ging verzamelen voor een vuur, was de leeuw hem daarbij behulpzaam en toen daarop Iwein zijn paard verzorgde, verdween de leeuw, om na eenigen tijd terug te keeren met een dooden reebok in zijn bek. Luide gaf hij zijne dankbaarheid te kennen, toen zijn meester hem daarvan eenige stukken toewierp.
Zoo zwierven deze vreemde metgezellen eenigen tijd samen rond en naarmate de dagen tot weken en de weken tot maanden werden, voelden zij zich steeds nauwer aan elkander verbonden. De trouwe aanhankelijkheid van den leeuw deed Iwein weldadig aan en zijn gezelschap was hem op dit oogenblik liever dan dat zijner medemenschen.

Hoe Iwein op zijn zwerftochten opnieuw aan de bron komt en van zijne ontmoeting aldaar. Na eenige maanden gebeurde het, dat de beiden op hunne omzwervingen opnieuw bij de bron kwamen, waar Iwein Laudine’s echtgenoot verslagen had. Alles op die plek was onveranderd gebleven; slechts de bladeren van den boom waren goudbruin inplaats van groen en nu en dan vielen er eenige omlaag op den steen. Toen Iwein al deze bekende dingen terug zag, die in hem de herinnering verlevendigden aan de gebeurtenissen uit het verleden, werd hij opnieuw door zijne smart overmeesterd en kreunend zonk hij naast de bron neer. Wat baatte hem zijn bitter berouw en verlangen? Hij had gezondigd tegen den wil zijner liefste, hij had haar verwaarloosd en vergeten in de blinde jacht naar eer en aanzien en nu had hij voor altijd haar verloren, zonder wie zijn bestaan voor hem geen waarde had! Wat zou hij nog langer blijven voortleven? Liever dood, dan deze kwellende eenzaamheid! Zijn besluit was genomen, met vaste hand greep hij zijn zwaard en wilde er zich in storten, toen een smartelijk gehuil van den leeuw hem van deze wanhoopsdaad terughield. Opziende bemerkte hij hoe zijn trouwe metgezel zich voor hem op den grond wentelde van angst en hem aanzag met een blik, zóó vol smartelijke verbazing, dat hij de smeeking daarvan niet kon weerstaan. “Dit arme dier heeft mij lief”, zoo dacht hij, “en ter wille van hem zal ik in ’t leven blijven.”
Nauwelijks had hij deze woorden tot zich zelven gesproken of hij hoorde het geluid eener menschelijke stem, die scheen te komen uit eene kleine kapel, welke op korten afstand van de bron was gelegen. Aanvankelijk meende hij, dat hij het zich slechts verbeeldde, want het scheen hem onmogelijk toe, dat zich inderdaad een menschelijk wezen op deze eenzame plek zou bevinden, maar toen hij dichter bij de kapel kwam, hoorde hij het geluid nog duidelijker en kon hij zelfs de woorden onderscheiden. In het begin waren het slechts vage klanken, diepe zuchten en smartelijk gekreun, maar na eenigen tijd verstond hij het volgende: “Zou er iemand op de wereld zijn, die ongelukkiger is dan ik? Nog één dag, nog een luttel aantal uren en ik zal een wreeden dood sterven en toch heb ik niets gedaan om zulk een vreeselijk lot te verdienen. Is er dan niemand, die mij helpen kan?” Daarop volgde een wanhopig gesnik. Ontsteld luisterde Iwein toe. Aan de stem hoorde hij, dat het eene vrouw was, die daarbinnen was opgesloten, wie kon zoo wreed zijn om haar te willen dooden? Met zijne speer klopte hij op de deur van de kapel en vroeg dringend: “Wie zijt gij? en waarom klaagt gij zoo? Van welken kant dreigt u gevaar en waarmede kan ik u helpen”? Een oogenblik was het stil in de kapel, toen begon de stem weer te spreken, maar op geheel anderen toon. “Zou er werkelijk nog redding voor mij komen opdagen? Ik hoor het aan uwe stem, die een vriendelijken, bijkans vertrouwden klank heeft: gij zijt mij goed gezind! Welnu, luister dan, want de tijd dringt en zoo ge mij helpen wilt, dient dit spoedig te geschieden. Mijn naam is Luned en tot voor korten tijd was ik de vertrouwde dienares van eene rijke, edele vrouwe, Laudine genaamd. De voorkeur, die zij mij schonk, wekte echter groote afgunst onder hare volgelingen, die steeds erop bedacht waren om mij tegenover mijne meesteres in een zwart daglicht te stellen. Eindelijk scheen hun dat te gelukken; ik werd van verraad beschuldigd door den hofmeester en zijne beide broeders en hunne aanklacht was zoo listig opgezet, dat zij allen schijn van waarheid bezat. Toen heb ik, dwaze, in een oogenblik van hooghartigen overmoed, hun toegeroepen, dat ik gemakkelijk een ridder zou kunnen vinden, die mijn goeden naam met de kracht van zijn zwaard tegen hen zou willen verdedigen en terstond namen zij mijne uitdaging aan. Zij gaven mij veertig dagen uitstel, om een ridder te zoeken, die voor mijne zaak wilde strijden, doch wanneer ik hem na afloop van dien termijn niet gevonden had, zouden zij mij op den brandstapel terechtstellen. Gisteren waren de veertig dagen verstreken en ik heb tevergeefs gezocht, want er zijn slechts twee ridders, die mij kunnen helpen: de één is Heer Iwein, maar helaas, ik weet niet, of hij leeft, of dood is, en de ander, Heer Walewein, was juist afwezig, toen ik aan het hof kwam, om zijne hulp in te roepen. Mijne belagers hebben mij nu hier opgesloten en morgen in den namiddag zal het vonnis aan mij voltrokken worden”.
Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, die zich van Iwein’s gemoed meester maakten bij het hooren van dit droevig verhaal. Het was dus Luned, de trouwe dienares, die hem in het schoone verleden zulke onschatbare diensten had bewezen, die nu in zulk een groot gevaar verkeerde. Hoe dankte hij God, dat hij te rechter tijd aan de bron was gekomen om haar te redden, aan wie hij zooveel verschuldigd was? Met ontroerde stem sprak hij: “Wees niet langer bevreesd, Luned, ik ben Iwein, die tot u spreekt en ik zal u helpen, opdat ik aan u goed moge maken, wat ik tegenover uwe meesteres misdeed. Morgen zal ik op den vastgestelden tijd aanwezig zijn om u te verdedigen. Noem echter mijn naam niet, wat ik u bidden mag, want ik wensch niet herkend te worden. Morgen zien wij elkander hier!”
Daarop reed Iwein verder, om zoo mogelijk een onderkomen voor den nacht te vinden. Met het oog op den komenden strijd verlangde hij zich eenige uren uit te kunnen strekken op een zachter rustbed dan de woudbodem hem bieden kon en ook lachtte het denkbeeld hem toe, om zich voor ’t eerst na langen tijd aan een goed voorzienen disch te schikken. Met blijdschap ontdekte hij daarom de tinnen van een kasteel en hij spoorde zijn vermoeid paard aan tot vernieuwden spoed. De hoofdpoort van den burcht werd bewaakt door vier gewapende lansknechten, die bij zijne nadering eerbiedig ter zijde traden om hem door te laten. Toen zij echter den leeuw bespeurden, die Iwein nog steeds op den voet volgde, wierpen zij onder luide angstkreten hunne wapenen weg en renden ijlings het voorplein op. Iwein riep hen evenwel terug en stelde hen met een enkel woord gerust. Toen zij hem echter verzochten, den leeuw buiten het kasteel te laten, weigerde hij beslist, zulks te doen. Zoo traden dus de beiden het kasteel binnen, waar Iwein welwillend werd ontvangen door den burchtheer, zijne dochter en een talrijk gevolg van edelen. Ondanks de vriendelijke ontvangst, bemerkte hij spoedig, dat alle aanwezigen in eene gedrukte stemming verkeerden. Zijn gastheer staarde bijwijlen somber voor zich uit en zijne schoone dochter wischte nu en dan steelsgewijze eenige tranen weg.
Bezorgd vroeg Iwein naar de oorzaak van deze gedruktheid en na eenig aarzelen gaf zijn gastheer hem ten antwoord: “Weliswaar past het mij niet, om onzen gast te onthalen op een verslag van onze tegenspoeden, maar het zou ten slotte onmogelijk zijn de noodlottige ramp, die ons dreigt, voor u te verbergen. Weet dan, dat de omtrek hier onveilig gemaakt wordt door een reus, Harpijn genaamd. Dit monster heeft mijne bezittingen reeds grootendeels verwoest, maar erger nog dan dat, hij heeft twee mijner vier zonen op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Toen nu onlangs de beide anderen in het bosch op de jacht waren, heeft hij hen onverhoeds overvallen en gevankelijk met zich mede gevoerd. Hij dreigt hen het lot hunner ongelukkige broeders te doen ondergaan, indien ik hem niet mijne dochter tot vrouw wil geven. Morgen komt hij mijn antwoord halen en hij zweert, dat hij mijne zonen voor mijne oogen zal dooden, als ik weiger. Gij kunt u denken, wat er in mij omgaat! Mijne zoons zijn mij dierbaarder dan mijn leven, maar aan den anderen kant is het mij onmogelijk, mijne dochter, het licht mijner oogen, aan een dergelijk monster over te leveren. Tevergeefs zond ik een bode naar het hof van koning Arthur ten einde Walewein, mijn zwager, te verzoeken, mij te helpen. Ik zelve ben oud en zwak en geen mijner volgelingen durft den strijd tegen den reus aan te binden”.
Diep ontroerd door de smart van den grijzen ridder bood Iwein hem aan, om te trachten zijne zoons uit de klauwen van het monster te bevrijden, zonder daartoe zijne dochter op te offeren. “Ter wille van de gastvrijheid, die gij mij ondanks uwe droevige omstandigheden zoo vriendelijk geboden hebt, en ook ter wille van uwe verwantschap tot Walewein, mijn vriend, bied ik u mijne diensten aan, indien tenminste de strijd morgen vroeg kan plaats vinden, want in den namiddag heb ik mijn woord gegeven, om elders te strijden”. Groot waren de vreugde en dankbaarheid van den burchtheer en zijn gezin.
Toen de morgen aanbrak, meldden de wachters op de wallen de nadering van den reus. Deze was inderdaad een afschrikwekkend monster; zijn borstelig haar stond recht overeind, zijne oogen rolden onheilspellend en zijn reusachtig lichaam rustte op twee kromme beenen, waardoor hij een waggelenden gang kreeg. Met bulderende stem riep hij den burchtheer toe, hem zijne dochter uit te leveren en dreigend zwaaide hij zijne knots tegen de twee ongelukkige jongelingen, die hij meer dood dan levend achter zich aan sleepte. De arme vader, die zich van angst nauwelijks op de been kon houden, gaf hem ten antwoord, dat hij de zaak wilde doen beslissen in een tweegevecht, waartoe een ridder uit zijn slot zich bereid had verklaard. Met een vreeselijken hoonlach nam Harpijn de uitnoodiging aan en een oogenblik later reed Iwein met gesloten vizier de poorten van het kasteel uit. Toen de reus hem zag naderen, schoot hij hem onder afschuwelijk gebrul tegemoet en zwaaide onheilspellend zijne knots, maar Iwein liet zich niet afschrikken en richtte zijne speer nauwkeurig op de borst van zijnen vijand. Zijn krachtige stoot deed den reus achterover tuimelen, een breede bloedstroom golfde uit de wond, maar nog wist Harpijn zich op de been te houden en in razende woede sloeg hij thans op Iwein los. Deze had alle moeite om zich staande te houden en de beukende slagen van zijn aanvaller zooveel mogelijk te ontwijken, toen plotseling de leeuw, die in angstige spanning den strijd van zijn geliefden meester had gadegeslagen, met een luid gebrul naar voren sprong en met zijne scherpe klauwen den reus van het hoofd tot de voeten het vel van het lichaam scheurde. Iwein vatte bij het zien van deze onverwachte hulp nieuwen moed, greep zijn slagzwaard en scheidde met een enkelen slag zijn tegenstander het hoofd van den romp. Terstond schalden luide juichkreten van de muren van den burcht; de poorten werden opengeworpen en eene groote menigte stroomde naar buiten en omringde Iwein met uitbundige dank- en vreugdebetuigingen. De beide zoons van den slotheer werden behoedzaam naar binnen geleid, waar zij onder de teedere zorgen hunner moeder weldra het doorgestane leed vergaten en Iwein werd gehuldigd als hun aller helper in den nood.
Onder al deze gebeurtenissen was de zon allengs haar toppunt genaderd en onze held maakte zich haastig gereed om naar de kapel te rijden. Tevergeefs noodigde zijn gastheer hem uit om na afloop van den strijd terug te keeren en eenigen tijd in zijn kasteel te vertoeven. Iwein wist maar al te wel, dat er voor hem geen plaats bestond, waar hij rust en verpoozing kon vinden, zoolang de smart over zijne scheiding van Laudine hem kwelde. Het eenige bestaan, dat hem dragelijk toescheen, was een rusteloos voortjagen van het eene avontuur naar het andere, in welk opwindend bestaan hij eene tijdelijke vergetelheid vond voor zijn knagend verdriet.
Na een ademloozen rit kwam hij nog juist op tijd bij de kapel aan. Een talrijke menschendrom had zich op de vlakte verzameld om de uitspraak van het vonnis bij te wonen en hoog boven de menigte uit sloegen reeds de lekkende vlammen van den brandstapel.
Maar Iwein zag niets van dit alles. Zijn blik bleef gespannen op één punt, waar op eene kleine verhevenheid, Laudine troonde. Met begeerige oogen nam Iwein het dierbare gelaat in zich op, het was bleek en ernstig en de mooie, blauwe oogen zagen droef en peinzend voor zich uit. Men kon zien, dat zij in deze treurige zaak slechts den wil van hare aanhoorigen volgde, maar dat haar hart ineenkromp bij de gedachte aan het vreeselijk lot dat Luned zou treffen. Deze stond met gebogen hoofd en op den rug samengebonden handen haar vonnis af te wachten. Toen zij het gedreun van naderende paardenhoeven hoorde, lichtte zij het hoofd op en een zwakke straal van vreugde verlichtte haar bleek en beschreid gelaat.
“Gij komt juist op tijd, edele heer”, sprak zij, “ik vreesde reeds, dat gij uwe belofte niet zoudt nakomen, moge God u bijstaan in den komenden strijd!”
Iwein groette eerbiedig Laudine en alle verdere aanwezigen, zonder echter zijn vizier op te lichten, daarna wendde hij zijn paard in de richting van den hofmeester en zijne broeders, die Luned van verraad beschuldigd hadden en daagde hen met luider stem uit ten strijde. Toen zijne tegenstanders den leeuw zagen, die met dreigend opgeheven kop achter zijn meester bleef staan en de lucht deed trillen van zijn vervaarlijk gebrul, waagden zij zich niet voorwaarts en eischten van Iwein, dat hij het dier buiten den strijd zou laten. Iwein gebood den leeuw toen te gaan liggen, aan welk bevel hij gevolg gaf. Daarop begon de strijd van drie tegen één. Door zijne buitengewone krachten en behendigheid wist Iwein de slagen af te weren, die van alle zijden op hem neerregenden. Zelf slaagde hij er na korten tijd in, den hofmeester uit het zadel te lichten. Deze viel met een doffen smak op den grond, maar richtte zich weldra op en kwam met het zwaard in de hand op hem toe. Toen de leeuw dit nieuwe gevaar voor zijn heer zag opdagen, kon hij zich niet langer bedwingen. Met één sprong wierp hij zich op den hofmeester en verpletterde hem onder zijne klauwen. De beide broeders van den ongelukkige keerden zich nu tegen den leeuw, dien zij verscheidene diepe wonden toebrachten, maar toen Iwein het bloed zag vloeien van zijne trouwen makker, ontstak hij in zulk eene heftige woede, dat hij weldra zijn beide tegenstanders ter neder geveld had. Daarop wierp hij hunne lichamen op den brandstapel met den uitroep: “Zoo moge het allen verraders vergaan!”
Groot was de vreugde allerwegen over Iwein’s overwinning, want de hofmeester was gehaat en gevreesd bij zijne onderhoorigen. Laudine dankte den ridder, met tranen van dankbaarheid in de oogen, voor de hulp aan hare dierbare vriendin bewezen en verzocht hem haar te volgen naar haar kasteel om aldaar genezing te vinden voor de wonden, die hij in den strijd had opgedaan. Maar Iwein, die begreep, dat deze vriendelijke bejegening niet hemzelf gold, maar den vreemdeling, dien zij in hem zag, weigerde hoffelijk, maar beslist, aan hare uitnoodiging gevolg te geven. “Zeg mij dan tenminste uwen naam”, sprak Laudine, “opdat ik weten zal, wien ik zooveel dank verschuldigd ben!” “Vrouwe, men noemt mij den Leeuwenridder”, antwoordde Iwein, “meer kan en wil ik u niet zeggen. Vaarwel! en moge de hemel u beschermen en elke droefenis, die u drukt, in blijdschap doen verkeeren!”
Met deze woorden nam hij afscheid van Laudine, maar vóór zijn vertrek wist hij nog in ’t geheim eenige woorden met Luned te wisselen. “Bewaar het geheim van mijn naam”, verzocht hij haar, “maar wanneer gij iets voor mij wenscht te doen, beproef dan mijne vrouw gunstig voor mij te stemmen en eene verzoening tusschen ons beiden mogelijk te maken”.
Luned beloofde gaarne zulks te doen en nadat zij hem nogmaals haar innigen dank had betuigd, reed Iwein verder. Hij kwam echter slechts moeilijk vooruit, want de vele verwondingen, die hij in den strijd had opgeloopen, maakten het hem bijna onmogelijk zich in het zadel overeind te houden en ook de leeuw sleepte zich moeizaam verder. Toen hij dus na korten tijd voorbij de muren van een slot kwam, aarzelde hij niet, daar een onderkomen te verzoeken. De ontvangst, die men hem bereidde, overtrof zijne stoutste verwachtingen. De bewoners omringden hem en zijn leeuw met vriendelijke zorgen, zij ontdeden hem van zijne wapenrusting en kleederen, wieschen zijne wonden en bestreken ze met een pijnstillend middel en geleidden hem toen naar een luchtig vertrek waar hij, na een hartig maal genoten te hebben, eene zachte legerstede vond om zijne vermoeide en stijve ledematen op uit te strekken.
In deze gastvrije omgeving nemen wij tijdelijk afscheid van onzen held om onzen blik te richten op andere gebeurtenissen, welke het land in beroering brachten.
In een naburig graafschap woonden twee zusters, die na den dood van haar vader in strijd waren geraakt over de verdeeling zijner nagelaten bezittingen. De oudste der beiden, eene valsche, begeerige vrouw, was niet tevreden met het deel der goederen, dat haar, rechtens haars vaders laatste beschikkingen, was toegewezen en in alle stilte ging zij naar het hof, om een ridder te zoeken, die de andere helft der bezittingen voor haar zou willen bemachtigen. De beschrijving, die zij den koning van haren toestand en de houding harer zuster gaf, was geheel bezijden de waarheid en zij wist haar verhaal op zulk eene aandoenlijke wijze voor te dragen, dat Walewein, tot wien zij zich richtte, haar beloofde het zwaard voor haar op te nemen. Hij verzocht haar echter onder geene voorwaarde zijn naam te noemen. Intusschen had de jongere zuster ingezien, dat zij zonder geweld van wapenen haar rechtmatig erfdeel nooit zou kunnen behouden; ook zij begaf zich dus naar het hof om de hulp van een ridder in te roepen.
Walewein, wien zij om hulp verzocht, moest haar echter zijn steun ontzeggen, al deelde hij haar de reden zijner weigering niet mede.
Diep teleurgesteld bezon de jonkvrouw zich, tot wien zij zich nu zou wenden, maar geen der andere ridders boezemde haar zóóveel vertrouwen in, als juist Walewein. Toen gebeurde het, dat er aan het hof geruchten doordrongen over den moed en de behendigheid van den Leeuwenridder. De edelman, wiens zonen Iwein uit de handen van den reus had verlost, kwam aan het hof en gaf in geestdriftige bewoordingen uiting aan zijne dankbaarheid jegens den onbekende, die hem en den zijnen onschatbare diensten had bewezen. Hij vertelde Walewein, hoe de vreemde ridder zich zijn vriend had genoemd en hoe hij het heldenfeit gedeeltelijk om zijnentwille volbracht had. Toen de jonkvrouw zooveel hoorde spreken over dezen befaamden Leeuwenridder, die, zoo zeide men, reeds eenmaal eene jonkvrouw van den brandstapel gered had, besloot zij aan hem en geen ander te vragen, of hij haar helpen wilde. Zij verzocht den koning, haar veertig dagen uitstel van vonnis te geven, wat haar werd toegestaan en nog dienzelfden dag besteeg zij haren telganger om haren moeilijken tocht te ondernemen. Dagen achtereen reed zij voort, maar nergens kon zij een spoor ontdekken van hem, dien zij zocht. Wel hadden alle menschen, die zij op haren weg ontmoette, wondere verhalen gehoord over de heldendaden van den Leeuwenridder, maar niemand wist te zeggen, waar hij zich op het oogenblik bevond. Wanhopig vervolgde het arme meisje haren tocht: door bosschen en velden, langs diepe ravijnen en gapende bergkloven. De regen sloeg haar in ’t gezicht en doorweekte hare kleederen. de zon verblindde hare oogen en verschroeide hare teedere huid, maar zij sloeg geen acht op dit alles en reed voort, altijd voort, zich slechts terwille van haar paard nu en dan eenige uren rust gunnend. Zoo kwam zij ook aan het kasteel van Laudine, waar men haar vertelde van de bevrijding van Luned en van de vreeselijke straf, die de vreemde ridder haren beschuldigers had doen ondergaan. Toen zij verzocht te mogen vernemen, in welke richting de Leeuwenridder vertrokken was, bracht men haar naar Luned, die haar op vriendelijke wijze te woord stond en zelfs aanbood haar een eindweegs te vergezellen, tot aan de plaats waar zij haren redder vaarwel had gezegd. Toen reed de jonkvrouw weer op goed geluk verder en kwam weldra aan het kasteel waar Iwein zoo liefderijk verpleegd was. Op hare vraag of men aldaar ook een ridder kende, die vergezeld van een leeuw door het land trok op avontuur, kreeg zij tot hare groote vreugde ten antwoord, dat hij, dien zij zocht, slechts eenige uren tevoren, het slot had verlaten en dat de hoefsporen van zijn paard nog duidelijk den weg aangaven, dien hij gekozen had.
Bij het vernemen van deze blijde tijding besteeg de jonkvrouw ijlings weer haren telganger en reed in snellen draf in de aangeduide richting. Weldra bespeurde zij in de verte, een ruiter, die zich slechts langzaam voortbewoog. Spoedig had zij hem ingehaald en gelukkig bleek het de lang gezochte te zijn. In korte bewoordingen legde zij hem haar geval uiteen en terstond beloofde Iwein haar te zullen helpen. Te zamen trokken zij nu op naar het hof van koning Arthur, waar zij korten tijd vóór den afloop van den gestelden termijn aankwamen. Toen de dag was aangebroken, waarop de zaak der zusters beslist zou worden, liet de koning haar beiden voor zich verschijnen en trachtte nogmaals door eene minnelijke schikking het geschil tot eene oplossing te brengen. De jongste zuster was geneigd om hiertoe mede te werken, maar de oudste, die hare verwachtingen bouwde op den sterken arm van Walewein, weigerde hooghartig om met welke schikking dan ook genoegen te nemen. Zij stond er op, dat de zaak, zooals afgesproken was, door een tweestrijd op leven en dood beslist zou worden. Daarbij rekende zij er op, dat hare zuster er niet in geslaagd zou zijn, een beschermer te vinden en indien zij er al een gevonden had, zou hij toch zeker niet opgewassen zijn tegen Walewein. De laatste had zich eenigen tijd tevoren uit de stad verwijderd en kwam nu op het vastgestelde tijdstip het strijdperk binnenrijden, gekleed in eene vreemde wapenrusting. Reeds wilde de oudste jonkvrouw zich smalend tot hare zuster wenden met de vraag, waar nu háár kampioen bleef, toen Iwein, die zich tot dusver in de stad verborgen had gehouden, in fiere houding van de andere zijde het perk binnenreed.
Weldra gaven drie korte bazuinstooten het sein, dat het gevecht een aanvang zou nemen en in gestrekten draf reden de beide ridders op elkander toe. Hadden zij zich slechts aan elkander bekend gemaakt, hoe geheel anders zou dan hunne ontmoeting geweest zijn! Nu sloegen de zwaarden met kletterend gedruisch tegen elkaar, de rossen steigerden en snoven en hulden de strijders in een wolk van opdwarrelend zand, de helmen weerkaatsten de felle zonnestralen en de kleurige schilden zwaaiden van de eene zijde naar de andere. Het scheen of het gevecht eindeloos zou voortduren, nu eens was het of Iwein, dan weer of Walewein de zege zou behalen, maar steeds wist de andere partij zich te herstellen en wierp zich met vernieuwde woede in den strijd. Toen eindelijk de avond begon te vallen en de duisternis de beide helden aan het oog der toeschouwers dreigde te onttrekken, hief Iwein de hand met het schild erin omhoog en sprak: “Wakkere vijand! de vallende schemering maakt het ons onmogelijk, om verder te strijden. Niemand zal het ons ten kwade duiden, indien wij ons gevecht staken. Vóór wij echter scheiden, zeg mij, bid ik u, wie gij zijt want nog nooit heb ik zulk een sterken tegenstander te bestrijden gehad, als op den dag van heden”. “Mij gaat het evenzoo”, antwoordde Walewein op hoffelijken toon, “nimmer nog had ik zóóveel moeite om mij tegenover mijn vijand staande te houden. Wat nu uw verzoek betreft, ik wil daar gaarne aan voldoen. Mijn naam is Walewein en ik ben de zoon van Lot, koning der Orcadische eilanden.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Iwein wierp zijn zwaard ver van zich af, sprong van zijn paard en snelde op Walewein toe met de woorden: “Walewein, mijn dappere, edele vriend! Welk een afschuwelijk misverstand heeft hier plaats gehad! Zie mij aan, ik ben Iwein, uw neef!” Groot was de vreugde over deze ontmoeting, de beide vrienden omarmden elkander en stortten tranen van aandoening over dit treffend wederzien. Daarna begaven zij zich naar den koning, waar een edelmoedige strijd begon over de vraag, wien de lauweren der overwinning toekwamen. Iwein wilde ze aan Walewein en deze wederkeerig aan Iwein toegekend zien. Eindelijk besloten zij de beslissing aan den koning over te laten en deze sprak in tegenwoordigheid van het gansche hof het eindvonnis uit, waarbij de bezittingen gelijkelijk onder de zusters werden verdeeld.
Daarop gaf hij last, de wonden der beide helden door bekwame heelmeesters te doen onderzoeken en verbinden. Terwijl men hiermede bezig was rende plotseling onder vervaarlijk gebrul de leeuw het paleis binnen. Sinds vroeg in den morgen zocht hij zijn meester, want Iwein had hem in alle stilte en heimelijk verlaten, opdat het trouwe dier zijn vertrek niet zou bemerken. Toen de leeuw zijn heer nu terugvond uitte hij zijne vreugde door in groote sprongen om hem heen te loopen, zijne handen en voeten te likken en een luid gebrul uit te stooten. De hovelingen, die aanvankelijk bij het zien van den leeuw vol schrik waren weggevlucht, maar op eenige geruststellende woorden van Iwein weer naderbij kwamen, riepen vol vreugde uit: “Heil den Leeuwenridder! den dapperen bestrijder van reuzen, den edelen redder van jonkvrouwen!”
Toen Walewein zag, dat de befaamde Leeuwenridder en Iwein één en dezelfde persoon waren, dankte hij hem voor wat hij voor zijne zuster gedaan had; en vervolgens begaven de beide vrienden zich naar de feestzaal van het paleis, waar een rijk voorziene disch hen wachtte.

Hoe Iwein zich opnieuw naar de bron begeeft en hoe hij zich met Laudine verzoent. Na eenige dagen rust genoten te hebben, maakte Iwein zich weer reisvaardig, ondanks de dringende smeekbeden van zijne vrienden, die hem althans eenigen tijd aan het hof wenschten te behouden. Hij kon niet langer bevrediging vinden in de afleidingen van het hoofsche leven, zijn hart werd nog steeds verteerd van verlangen naar Laudine en temidden van de vroolijkste jachtpartijen en uitbundigste feestgelagen verviel hij somtijds in een droef gepeins, waaruit zijne vrienden hem slechts met moeite wisten los te rukken.
Daarom maakte hij zich op zekeren morgen, toen alle bewoners van het kasteel nog sliepen, reisvaardig en trok opnieuw de wereld in. Als vanzelf stuurde hij zijn paard in de richting van de bron en niet lang daarna stond hij weer onder de breede takken van den ouden boom. Door nieuwsgierigheid gedreven, greep zijne hand naar den ketting. Wat zou er gebeuren indien hij opnieuw de toovermachten uit de bron opriep? Zou een ander ridder zijn plaats hebben ingenomen en als Laudine’s beschermer aan den horizont verschijnen? Hij moest, hij zou zekerheid hebben!
Met vaste hand liet hij den schotel in de bron neerdalen, haalde haar gevuld omhoog en schudde eenige waterdroppels op den steen.
Terstond herhaalden zich de hem bekende natuurverschijnselen. De donder rommelde, de bliksemstralen schoten langs den donkeren hemel en de hagelsteenen kletterden ratelend op hem neer. In spanning wachtte hij het einde van het onweer af. Eindelijk werd de lucht weer blauw, de vogels streken neer op den boom, maar geen ruiter vertoonde zich in de verte.
Terwijl Iwein links en rechts spiedde of er geen ridder ter verdediging van de bron opdaagde, heerschten in het kasteel van Laudine groote angst en verslagenheid. Een vreemde ridder, zoo zeide men, was aan de bron verschenen en had de tooverkrachten, die daarin verscholen lagen, in werking gesteld. Ten gevolge van deze daad dreunde het slot weldra op zijn grondvesten en de angstige bewoners, die in groepen bij de vensters in de groote zaal stonden samengeschoold, tuurden angstig naar buiten, in de onheilspellende duisternis. Nu en dan verlichtte een kronkelende bliksemflits het landschap en toonde aan de bevende toeschouwers, hoe de zware hagelsteenen als een vernieling brengende regen op veld en akker neervielen.
In wanhoop wrong Laudine hare handen en vertwijfeld vroeg zij zich af, wat er straks geschieden zou, wanneer de vreemde ridder niemand vond om hem voor zijn onheilsdaad te straffen. Ten einde raad wendde zij zich om steun tot Luned en deze, die wel vermoedde, wie de vreemde ridder was, gaf haar ten antwoord: “Hooge Vrouwe! het is moeilijk u te raden, want gij verkeert inderdaad in een zeer benarden toestand. Is er dan niet één onder uwe ridders, die den strijd tegen den vreemdeling durft aanbinden?”
“Ach neen, Luned”, antwoordde Laudine weenend, “gij weet toch, dat velen hunner afwezig zijn en dat er voor deze onderneming meer moed en zelfopoffering noodig zijn, dan ik onder degenen, die hier zijn, zal kunnen vinden. Één was er, die niet geaarzeld zou hebben, maar hij....” hier werd haar stem door snikken onderbroken en luid klagend sloeg zij de handen voor het gezicht.
“In dat geval ken ik slechts één man, die u helpen kan en dat is hij, dien men den Leeuwenridder noemt”, sprak Luned, “en gaarne zou ik hem voor u gaan zoeken, ware het niet dat hij slechts onder ééne voorwaarde u zal willen helpen en ik weet niet, of gij die zult willen vervullen.” “Spreek! welke is die voorwaarde”, viel Laudine haar in de rede, “indien het in mijne macht staat haar te vervullen, zal ik niet aarzelen dit te doen.”
“Welnu dan, luister!” zeide Luned, “deze ridder leeft sinds langen tijd in onmin met zijne gemalin, die hij nochtans boven alles liefheeft. Hij kent geen anderen wensch op aarde dan zich met haar te verzoenen en eischt van elk, wien hij zijn diensten aanbiedt, dat hij of zij alles zullen doen, wat in hun vermogen ligt, om die verzoening tot stand te brengen. Wilt ook gij daartoe uwe medewerking verleenen?” Laudine ademde verruimd op, zij had een moeilijker te vervullen eisch verwacht. “Welzeker wil ik dat”, antwoordde zij vriendelijk, “voorwaar, zulk een dapper, edel man verdient niet door eene vrouw verstooten te worden!” “Zweer mij dan op dit heilig boek”, sprak Luned, “dat gij uw woord zult houden”, en Laudine voldeed aan haar verzoek.
Daarop begaf de trouwe dienares zich in aller ijl naar de bron, waar zij haar vermoeden bewaarheid vond. Iwein zat onder den boom, en staarde peinzend voor zich uit, het hoofd gesteund op de hand. Vóór hem lag de leeuw, met zijn trouwen blik op het gelaat zijns meesters gericht. Toen deze Luned zag naderen, sprong hij verheugd op, want aan de uitdrukking van haar gelaat zag hij, dat zij goede tijding bracht. Nadat hij van haar vernomen had, welke plechtige belofte zij Laudine had afgedwongen, kende zijne blijdschap geene grenzen meer en ontroerd kuste hij haar de hand met tranen van vreugdevolle dankbaarheid in de oogen. Zonder een oogenblik te verliezen begaven zij zich op weg naar het kasteel, waar hunne nadering met vreugdekreten werd begroet. De tijding van hunne aankomst drong spoedig door tot Laudine, die bij het hooren ervan een zucht van blijde verlichting slaakte. Terstond gaf zij bevel, den vreemdeling in hare vertrekken te ontbieden en weldra traden Luned en de Leeuwenridder hare kamer binnen. Toen Iwein voor den zetel was gekomen van haar, die hij zoo innig liefhad, naar wie al zijne verlangens, al zijn denken en streven der laatste jaren waren uitgegaan, viel hij eerbiedig op de knieën voor haar neer en drukte den zoom van haar kleed aan zijne lippen. Laudine echter stak hem vriendelijk de hand toe, deed hem opstaan en zeide: “Heb dank, dat gij gekomen zijt, edele Heer! en weest overtuigd dat ik alles zal doen, wat in mijn vermogen ligt, om de voorwaarde, die ge mij steldet, te vervullen!”
Hier kwam Luned op vroolijken toon tusschenbeide: “Niemand kan dit beter dan gij”, sprak zij lachend, “en al moge dit u vreemd toeschijnen, gij zult mijne woorden beter begrijpen, wanneer gij den Leeuwenridder eens goed in ’t gelaat ziet!”
Iwein begreep, dat het beslissende oogenblik gekomen was, hij sloeg langzaam het vizier omhoog en zag Laudine smeekend aan. Deze deinsde achteruit met een kreet van schrik en allerlei verschillende gewaarwordingen doorkruisten hare ziel. Een blik op Iweins gelaat deed het geheele verleden in haar ontwaken; zij doorleefde weer het volmaakte geluk der eerste huwelijksmaanden, de smart om de wreede scheiding, het smachtend verlangen naar Iweins terugkomst, gevolgd door het gevoel van bittere vernedering, toen de termijn verstreek, zonder dat hij tot haar wederkeerde. Daarna de lange strijd tusschen haar trots en haar liefde, waarin ten slotte de laatste, naar zij meende, de nederlaag had geleden. Vreemd, nu hij daar vóór haar stond en haar aanzag met dien innigen, smeekenden blik scheen het of de muur van gekrenkten hoogmoed, dien zij met zooveel strijd en moeite tusschen hen beiden had opgetrokken, als sneeuw versmolt voor de zon harer liefde, die haar woorden van vergeving en teederheid naar de lippen drong en die haar de handen naar hem deed uitstrekken in een gebaar van hulpeloos verlangen. Maar neen, zij kon en wilde zich niet zoo gewonnen geven! Had zij dan geen trots meer, was zij vergeten, hoe deze man haar gekrenkt en vernederd had en haar tot een voorwerp van spot en beklag had gemaakt in de oogen harer dienaren? Neen, duizendmaal neen! liever sterven van verdriet en verlangen dan hem toonen, hoe groot de macht was, die hij over haar bezat. Met geweld dwong zij de woorden van liefde terug, welke haar op de lippen zweefden en toen zij sprak, was haar stem ijskoud:
“Wat beduidt dit vreemde spel, Heer ridder? Is het nog niet genoeg, dat gij mij eens voorgelogen hebt? Wilt gij thans ten tweede male misbruik maken van mijn goed vertrouwen? Welnu dan, wees gerust, den eed, dien ik gezworen heb, zal ik houden, maar vraag mij niets meer!” Vóór zij zich evenwel kon afwenden, begon Iwein te spreken. Hij vertelde haar alles, wat hem in de laatste jaren overkomen was; hij smeekte haar om vergiffenis voor wat hij misdreven had en verhaalde haar, wat er sindsdien gebeurd was; hij beschreef haar zijn waanzin, zijn rusteloos zwerven, zijn dwalen van ’t eene avontuur naar ’t andere en zijne blijdschap, toen hij eene kans zag om zich met haar te verzoenen. Uit dit alles sprak zooveel eerlijk schuldbewustzijn, maar ook zooveel innige liefde, dat Laudine het steeds moeilijker vond, om zich tegen den verzachtenden invloed, die van zijne woorden uitging, te verzetten. Peinzend zag zij op hem neer. Wat zou zij doen? Haar gevoel van eigenwaarde eischte van hem eene volledige boete, welnu, die had hij gedaan. Als een berouwvol zondaar lag hij voor haar nedergeknield, het hing slechts van haar af, of hij eindeloos gelukkig, dan wel diep rampzalig uit die houding zou opstaan.
Nu dan, zij zou goedertieren zijn en ze kon dit zijn, zonder gevaar voor zichzelve. Immers, deze man, dat voelde zij duidelijk, zou haar nooit weer verlaten en haar wil zou voortaan ook de zijne zijn.
Toen Iwein dan ook zijn verhaal beëindigd had en haar met eene stomme vraag in de oogen aanzag, reikte zij hem hare beide handen en liet toe, dat hij haar in zijne armen nam.
Daarmede namen de zwerftochten van den Leeuwenridder een einde. Hij aanvaardde opnieuw het beheer over Laudine’s bezittingen en leidde met haar samen een lang en gelukkig leven. Nooit ontstond er meer eenige verwijdering tusschen hen en de liefde, die zij elkander toedroegen, maakte hun leven gelijk aan een klaren, blauwen hemel, zooals wij dien zien, wanneer de storm is uitgewoed en de wind de donkere wolken heeft verjaagd.