← Table of contents
Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

DE SAGE VAN HEER WALEWEIN EN DEN GROENEN RIDDER.

Reading edition

“Entre toz les bons chevaliers Doit estre Gauvains li premiers.”

(Chrétien de Troies: Erec 1690–91).

Illustration from Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Wanneer het jaar ten einde spoedde, waren de ridders der ronde tafel gewoon, zich naar Camelot te begeven, om aldaar met hun vorst het kerstfeest te vieren. Reeds in den aanvang zijner regeering had koning Arthur den wensch te kennen gegeven, om ter herdenking van dit plechtig geboortefeest een zoo groot mogelijk aantal zijner getrouwen om zich heen verzameld te zien. Geen wonder dus, dat de ridders, voor wie elke wensch van hun geliefden heer een gebod was, elk jaar in grooten getale naar Camelot optrokken, onverschillig waar zij zich op dat tijdstip bevonden of welke moeilijkheden de lange tocht door het besneeuwde land hun in den weg legde. Een woord van welkom uit den mond van hun koning vergoedde hun ten volle de doorstane ontberingen en na een tijd van vertrouwelijk samenzijn met vrienden en bekenden, van wier bijzijn zij in dit jaargetijde uit den aard der zaak meer konden genieten dan in den zomer, als het gezelschap zich verspreidde in veld en bosch, plachten zij gesterkt naar lichaam en geest, naar hunne haardsteden terug te keeren. Zoo ging er van dit rustig samenzijn in den barren wintertijd een verheffende invloed uit en in de vertrouwelijke gesprekken tusschen den vorst en zijne volgelingen, scheen er in de harten der ridders iets neer te dalen van den vrede van het Kerstfeest, waardoor de gedachten aan roem en eer, aan vrouwenliefde en vorstengunst voor eene wijle op den achtergrond werden gedrongen.

Maar de ridders brachten niet al hun tijd door met het voeren van ernstige gesprekken, de koning wenschte vóór alles, dat het Kerstfeest een tijd zou zijn van ontspanning voor hen, wien mogelijk in het Nieuwe Jaar eene zware taak of eene harde beproeving wachtte.

Daarom droeg hij zorg, dat in die dagen vreugde en jolijt den boventoon voerden aan zijn hof, hij liet er bekwame harp- en luitspelers ontbieden, beroemde minnezangers en geestige potsenmakers vonden er een gastvrij onthaal en een vorstelijk loon en zoo bracht elke dag den gasten nieuwe verstrooiing.

De dag, waarop de gebeurtenissen, in dit verhaal vermeld, een aanvang namen, was de eerste van het Nieuwe Jaar en een talrijk gezelschap van rijk gekleede ridders en edelvrouwen was in de groote feestzaal van het koninklijk paleis verzameld, gereed om zich aan tafel te begeven.

De dienst in de slotkapel was zoo juist afgeloopen, de plechtige kerkgezangen waren verstomd en nadat het gezelschap in het paleis was teruggekeerd, had men elkander op vroolijken toon gelukgewenscht met het Nieuwe Jaar, onder het aanbieden der gebruikelijke geschenken. De zaal was vervuld met een blij gegons van stemmen en een zacht ritselen van zijden vrouwenkleeren, terwijl zoo nu en dan het gekletter van een zwaard of het rinkelen van riddersporen weerklonk.

Eindelijk bliezen herauten het sein tot den maaltijd en onder vroolijk gelach en gepraat schikten de gasten zich aan weerszijden van de lange tafels, waar een keur van spijzen stond opgediend. Aan het hoofd der eeretafel, die dwars op de richting der andere stond, zou het vorstelijk echtpaar aanzitten met de edelsten onder de ridders. Koningin Ginevra had reeds plaats genomen in haren hoogen gebeeldhouwden stoel. Een nauwsluitend, groen kleed omsloot hare ranke gestalte, de wijd afhangende mouwen waren rijk geborduurd in helder glanzende kleuren en de breede gordel, dien zij om het midden droeg, was bezaaid met fonkelende edelsteenen. In het blonde haar droeg zij een gouden kroontje. De uitdrukking van haar gelaat was minzaam, en vroolijk straalden haar grijze oogen bij den aanblik van dit gezelschap van edele ridders en schoone vrouwen, die allen hier waren gekomen om haar en haren gemaal hulde te brengen. Aan de zijde der vorstin waren de dapperste en meest geziene ridders van het hof gezeten: Walewein, de zoon van koning Loth en de eigen neef van koning Arthur, Iwein, bijgenaamd de Leeuwenridder, Lanceloet en eenige anderen. De koning zelve had nog steeds geen plaats genomen op zijn zetel aan de zijde der koningin. Pratend en gekscherend liep hij op en neer, nu eens tot dezen, dan weer tot dien ridder het woord richtend. Het was in het begin zijner regeering, dat de te melden gebeurtenissen zich afspeelden, in den tijd, toen hij nog jong en krachtig was en het besef zijner hooge roeping hem het bloed sneller door de aderen deed vloeien. In die dagen bruiste het in hem van moed en levenlust en de gedachte aan de heldendaden en wapenfeiten, die hij zou verrichten, deden zijne oogen fonkelen en een onrust in hem ontwaken, die het hem onmogelijk maakte om langen tijd op een plek te vertoeven. Ook nu kon hij geen rust vinden; de wereld daarbuiten riep hem met lokkende stem en gaarne zou hij uit zijn gereden, de bosschen in, waar de prikkel der jacht hem gelegenheid zou geven zijn lust tot avontuur te botvieren. Lachend zwoer hij, dat hij zich niet aan tafel zou begeven, alvorens hem eene of andere heldendaad of gevaarlijk waagstuk zou zijn ter oore gekomen om het Nieuwe Jaar waardig in te zetten. Intusschen liepen de knechten ijverig heen en weer om de dampende schotels aan te brengen. Een geur van gebraad en andere kostelijke spijzen steeg op in de zaal, de wijn vloeide klokkend uit de gouden en zilveren kannen in de sierlijke bokalen en het geluid der stemmen vermengde zich met de zachtklinkende muziek der luitspelers, die in een hoek der zaal hadden plaatsgenomen. Toen de eerste gerechten waren rondgediend, verstomde het gepraat allengs en hoorde men een tijdlang niets dan het getik der lepels tegen de borden en het neerzetten van een beker op de tafel.

Illustration from Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Van de plotselinge verschijning des groenen ridders. Plotseling werd de deur, die toegang gaf tot de zaal met een luiden slag opengeduwd en op den drempel verscheen een ruiter, bij wiens aanblik alle aanwezigen ophielden met eten en elkander in stomme verbijstering aanstaarden. De ridder namelijk, die zoo juist was binnengekomen, was een reusachtige gestalte en vertoonde bovendien—en dit was ’t vreemdst van alles—van het hoofd tot de voeten eene groene kleur. Alles aan hem was groen: zijn wambuis en schoudermantel, de edelgesteenten, die glinsterden op zijn gordel en zijne sporen, het dekkleed over zijn paard en het ros zelf eveneens. De ridder droeg geene wapenrusting en speer noch schild, maar in de eene hand hield hij een hulsttak, terwijl de andere eene zware strijdbijl torste, waarvan de snede vlijmscherp geslepen was.

Zonder een woord te spreken stuurde hij zijn ros in de richting der eeretafel en vroeg toen met luider stemme, wie de heer en meester van het gezelschap was.

Doodsche stilte heerschte in de zaal, waar alle aanwezigen in stomme verbazing de vreemde verschijning gadesloegen. Vanwaar kon hij zoo plotseling gekomen zijn, deze zonderlinge ridderfiguur en wat beduidde die groene kleur? Eensdeels scheen het, of hij met vriendschappelijke bedoelingen kwam, want hij droeg harnas noch helm, maar waarom dan die scherp geslepen bijl? Al deze vragen woelden om in het brein der aanwezigen en in spanning richtten zij hun blik op den koning om te zien welke houding hij tegenover dezen ongenooden gast zou aannemen.

Koning Arthur evenwel scheen geen oogenblik zijne kalmte te verliezen. Met rustigen tred deed hij eenige schreden in de richting van den vreemdeling en sprak: “Wees welkom in mijn paleis, heer ridder! In mij ziet gij den heer van dit gezelschap; mijn naam is Arthur en deze uitgelezen schaar van dappere mannen zijn mijne ridders! Zet u neder in hun midden, wat ik u bidden mag en deel met ons dezen maaltijd. Na afloop zult gij ons dan vertellen, wat er van uw verlangen is!”

“Neen, waarlijk niet”, antwoordde de vreemdeling, “dat is niet, hetgeen ik hier zoek! Het is niet om van uwe gastvrijheid te genieten, dat ik hierheen ben gekomen, maar wel om de veel geroemde dapperheid uwer ridders op de proef te stellen. Wanneer zij werkelijk de moedigste en edelste mannen ter wereld zijn, zullen zij mijn verzoek niet weigeren.”

“Spreek vrij uit”, hernam koning Arthur op trotschen toon, “en wanneer gij een sterken arm of een scherp zwaard behoeft, om uwe kracht mede te meten, zoo zijt gij hier op de rechte plaats om die te vinden!”

“Ik zoek geen strijd”, antwoordde de groene ridder, en zijn blik dwaalde met eene uitdrukking van minachting over de aanwezigen, “gij ziet immers aan mijne kleeding en aan den hulsttak, dien ik draag, dat ik met vreedzame bedoelingen herwaarts gekomen ben. Ware dit niet het geval, dan zoudt ge mij in volle wapenrusting gezien hebben, met den helm op ’t hoofd, en mijne lange strijdspeer in de hand. En geen dezer baardelooze knapen zou dan in staat zijn geweest, mij uit den zadel te lichten. Neen, mijn verlangen is van gansch anderen aard. Het is een Kerstgrap, die ik wensch, eene dolle scherts, die past in dezen tijd van boert en kortswijl. Daarom vraag ik u, of er één is onder uwe ridders, koen en stout genoeg, om mij een slag toe te brengen in ruil voor een anderen? Zoo ja, dan zal ik hem als belooning deze kostbare strijdbijl schenken en mij bovendien beschikbaar stellen om den eersten slag uit zijne hand af te wachten. In ruil daarvoor behoud ik mij echter het recht voor, om hem op mijne beurt een slag toe te brengen, waartoe ik hem twaalf maanden uitstel geef. Wie uwer neemt mijn voorstel aan?” Nadat hij deze woorden gesproken had, steeg de groene ridder van zijn paard en, leunend op zijn wapen, liet hij zijne rollende oogen met eene uitdrukking van spot en minachting over het gezelschap gaan.

Stom zaten de ridders bijeen; het vreemde voorstel en de reusachtige gestalte van den groenen ridder vervulden hen met angst en wantrouwen. Dit was geen gewone uitdaging, zooals zij die gewend waren van vreemde ridders, die aan het hof te Camelot kwamen, om hunne krachten te beproeven tegen de ridders der Ronde Tafel; dit was een voorstel, dat oogenschijnlijk gunstig voor hen leek, maar waarachter zij, als door eene natuurlijke ingeving, vermoedden, dat een groot gevaar stak. Daarom was niemand belust er op in te gaan en wachtte elkeen eerst af, of zijn buurman wellicht die taak van hem zou overnemen. De groene ridder evenwel barstte uit in een luid en smadelijk lachen. “Zijn dit de hoog geprezen en veel geroemde ridders der Ronde Tafel? deze bloodaards, die bij het noemen van ’t gevaar zich reeds schuchter terugtrekken? Waar zijn nu uwe dapperheid en strijdlust, waar uw moed en ondernemingsgeest? Met een enkel woord heb ik ze tot leugen gemaakt en u getoond wie ge zijt; een troep laffe knapen, gemakkelijk uit het veld te slaan door wapengekletter en krijgsgerucht.”

Maar verder kwam de vreemdeling niet, want koning Arthur viel hem in de rede met een donderend: “Zwijg! Niet ongestraft zult gij mijne ridders beleedigen! Meen niet, dat zij bevreesd zijn voor uwe geheimzinnige uitdaging. Indien zij zwijgen, dan doen zij zulks, omdat het een wijs man past, eerst met zijn verstand te rade te gaan, alvorens hij een besluit neemt. Voorwaar, dit zeg ik u! in de harten mijner ridders schuilt geen vrees of angst! Ik zelve zal u bewijzen, dat wij in staat zijn aan uw wensch te voldoen. Geef mij uw wapen en ik zal u den slag toebrengen, dien gij verlangt te ontvangen.” Daarop sprong de vorst op den vreemdeling toe, die hem met eene nijging van het hoofd de strijdbijl overhandigde en daarna in gebogen houding den slag scheen af te wachten.

Plotseling ontstond er beweging aan de eeretafel, waar Heer Walewein, zich half oprichtend uit zijn zetel, den koning aansprak met de volgende woorden: “Sire, het zou niet stroken met uwen koninklijken staat, indien gij uw leven waagdet in deze onderneming, waarvan wij de strekking nog niet kunnen doorgronden. Waar zoovelen aanwezig zijn, om dit werk van u over te nemen, is het onnoodig, dat gij u in het gevaar begeeft. Daarom smeek ik u mij toe te staan, dit avontuur op mij te nemen. Vergun mij, de tafel te verlaten en laat mij in deze uw kampioen zijn. Al ben ik onwaardig om u te vervangen, toch hoop ik met Gods hulp en de kracht mijner vuist, deze taak te volbrengen, indien ge mij steunen wilt met uw vertrouwen!” De andere ridders waren getroffen door den plechtigen ernst, waarmede Walewein deze woorden sprak en toen hij zweeg en den koning smeekend aanzag, viel een koor van stemmen hem bij, die allen poogden Arthur over te halen om Waleweins bede in te willigen.

Met een minzaam handgebaar wenkte de vorst den jongen ridder om van tafel op te staan; deze gaf daaraan gehoor, deed een paar haastige schreden in de richting van zijn koning en knielde eerbiedig voor hem neer. Arthur overhandigde hem toen de strijdbijl en voegde hem op ernstigen toon toe: “Mogen God en alle heiligen u bijstaan in de zware taak, die gij vrijwillig op uwe schouders hebt genomen. Mogen zij uw hart en lichaam sterken en u behouden doen wederkeeren tot allen, die u dierbaar zijn!”

Walewein begaf zich nu met de bijl in de hand naar den groenen ridder en zeide tot hem:

“Spreek, wat wilt gij, dat ik doen zal?”

“Vóór wij verder gaan, moet ge mij uw naam zeggen”, antwoordde de vreemdeling. “Daarna zullen wij nader de voorwaarden vaststellen, waaronder ik wensch te handelen.”

“Mijn naam is Walewein, en ik verbind mij u een slag toe te brengen, waarvoor ge mij in ruil een anderen slag moogt geven, wanneer wij twaalf maanden verder zijn”, antwoordde de jonge ridder trotsch.

De groene ridder zag zijn jeugdigen tegenstander vriendelijk aan en zeide op zachteren toon, dan hij tot nu toe gebezigd had: “Gij spreekt als een dapper man, Heer Walewein, en van niemand liever dan van een edel ridder als gij, zou ik den slag wenschen te ontvangen. Eén ding moet gij mij echter beloven, en wel, dat ge mij, wanneer het jaar verstreken is, zelve zult komen zoeken, waar ge slechts denkt mij te kunnen vinden”. “Indien ik dat doen zal, dient ge mij eerst te zeggen, wie gij zijt en vanwaar gij komt”, gaf Walewein hem ten antwoord, “want hoe zal ik u vinden, indien ik zelfs den naam niet weet van hem, dien ik zoek?” De groene ridder lachte en sprak: “Mijn naam zal ik u zeggen, wanneer ge mij met de bijl geraakt hebt en mocht het gebeuren, dat ik niets meer zeg, welnu, zooveel te beter dan voor u! En nu, wat ik u verzoeken mag, sla toe!” Daarop boog hij zich voorover, schudde zijne lange lokken weg van zijn hals en legde dien bloot. Walewein greep met vaste hand de zware strijdbijl om het handvat, zwaaide het wapen omhoog en deed het toen met snelle vaart neerdalen op den nek van den gebogen ridder. Zoo hevig was de kracht, waarmede de slag aankwam, dat het hoofd van den ongelukkige met één slag van den romp gescheiden werd. Met een luiden bons viel het op den vloer der zaal, waar de ridders het verachtelijk wegschopten. Wie beschrijft echter hunne ontzetting, toen de romp recht overeind bleef staan, hoewel het bloed omhoog spoot en de heldergroene kleeding rood kleurde.

In twee passen was de ijselijke gestalte bij de plek gekomen, waar het hoofd lag, bukte zich tot ieders verbazing, raapte dit op van den vloer en sprong toen in het zadel, het hoofd in de rechterhand bij het haar vasthoudend. Daarna keerde het gelaat zich naar de eeretafel toe en ziet: de oogleden gingen omhoog en de levenlooze mond begon te spreken: “Nog éénmaal herinner ik u aan uwe belofte, heer ridder! Over twaalf maanden wacht ik u om op uwe beurt een bijlslag te ontvangen en wee u! indien ik tevergeefs wacht! Wanneer ge mij zoekt, vraag dan den weg naar de groene kapel, daar zult ge mij vinden. Men noemt mij den groenen ridder, een anderen naam kan ik u niet zeggen. Wees getrouw aan uw woord, vaarwel!”

Daarna gaf de vreemdeling zijn paard de sporen en stoof met zulk eene vaart het paleis uit, dat de hoeven van het strijdros vonken sloegen uit de vloersteenen.

Verstomd en met afgrijzen zagen de ridders elkander aan; Arthur was de eerste, die zijne kalmte herwon. Hoewel hij inwendig niet geheel gerust was over den afloop der onderneming wist hij zich te beheerschen en zeide tot koningin Ginevra, die bleek en bevend in haren stoel zat: “Wees niet ontsteld, liefste! Zulk eene grap past immers bij een vroolijk feest als dit! Eén ding is zeker! Met een vrij geweten kan ik mij nu aan tafel begeven, want aan mijn wensch om een avontuur te beleven, is voldaan!” Daarop wendde hij zich tot Walewein en voegde hem toe: “Hang uwe strijdbijl op aan gindschen muur, waarde neef! voor heden heeft zij u voldoende diensten bewezen en zij heeft hare rust wel verdiend!”

Walewein voldeed aan zijn verzoek en schikte zich opnieuw aan de tafel, waar ook koning Arthur plaats nam en waar zich weldra een stroom van knechten en volgelingen verdrong om hun de uitgezochtste spijzen en kostelijkste dranken aan te bieden. Onder vroolijk gekout verdween spoedig de schaduw, die de vreemde verschijning een oogenblik op het feest geworpen had en scherts en boert hernamen den boventoon. Tot laat in den nacht duurde het feest; onder zang en dans vlogen de uren om en eerst tegen den morgen scheidde men om zich ter ruste te begeven.

De winter verstreek. De dagen werden lichter en langer en weldra naderde de lente met hare wonderschoone belofte van nieuw, jong leven. Als de ridders in de schemering huiswaarts reden, het lichaam zwaar van eene gezonde vermoeidheid, zagen zij, hoe in de bosschen een zacht groen waas zich spreidde over boom en struik en in de velden om Camelot klonk het klagelijk geblaat der jonge lammeren. Weldra deden de zonnestralen en de malsche lenteregens bloem en blad ontluiken en was het alom in de natuur een feest van geuren en kleuren, zooals alleen de lente ons brengen kan! De menschen wierpen hunne donkere winterkleeren van zich af en tooiden zich in lichte, kleurige gewaden om zich één te voelen met al die bloeiende, frissche tinten daarbuiten. De ridders voelden een drang tot daden in zich ontwaken, zij lieten hunne schildknapen zorgvuldig de harnassen en wapens nazien, en zij zelven trokken naar buiten om zich te oefenen in speerwerpen en schijfschieten, waardoor hunne spieren weer los en krachtig werden.

Op hare beurt maakte de lente plaats voor den zomer. De zon brandde fel op veld en akker, en verschroeide het gras in den paleistuin, waar tegen den avond een zware rozengeur opsteeg. Onder het dichte gebladerte der boomen klonk het zachte kirren der woudduiven, de bijen gonsden van bloem tot bloem, maar verder verbrak geen geluid de stilte. Eene algemeene loomheid scheen zich van de natuur meester gemaakt te hebben, waaraan ook de mensch zich niet kon onttrekken. Wie niet noodzakelijke bezigheden te verrichten had, waagde zich niet van huis vóór het avond werd en de zon als eene vlammende schijf aan den horizon verzonk. In de lange zomeravonden werden verre ritten te paard ondernomen door het welig bloeiende zomerland. Na afloop bleef men langen tijd bijeen aan den avondmaaltijd, die in de open lucht werd opgediend. De liederen, die men den zangers dan opdroeg te zingen, waren zangen van liefde en hartstocht en in het vallend duister droomden de jonge ridders van schoone vrouwen, in wier dienst zij daden van ongehoorden moed en stoutmoedigheid zouden verrichten.

Maar ook de zomer vlood voorbij en werd gevolgd door den herfst. Toen klonk reeds vroeg in den morgen, als de blauwe nevels nog tusschen de boomen hingen, het geschal der jachthoorns door de wouden en menig onschuldig dier viel ten prooi aan de scherpe pijlen der ridders. Eene algemeene bedrijvigheid heerschte in huis en hof. Terwijl het zweet hun tappelings langs het gelaat liep, waren de landbouwers bezig de laatste karrevrachten van den kostbaren oogst binnen te halen; in de keukens van het paleis hadden de koks met hunne knechts druk werk om het wild, dat in groote hoeveelheden werd binnengebracht, voor den middagdisch te bereiden en intusschen hadden in het strijdperk de groote tournooien plaats, die jaarlijks duizenden menschen naar Camelot lokten. Met lauwerkransen getooid, kwamen de ridders ’s avonds in het koninklijk slot, waar de tegenstanders van dien dag zich aan een vriendschappelijken maaltijd vereenigden en zich uitputten in wederzijdsch eerbetoon. Tot laat in den herfst duurden de wedstrijden en steekspelen, daarna keerden de vreemde gasten naar hunne woonplaatsen terug en werd het allengs stil in Camelot. Ook in de natuur was een tijdperk van rust aangebroken. De hevige najaarsstormen hadden de boomen van hunne bladeren beroofd, die als een bruin tapijt den woudbodem bedekten. Geen vogelgefluit weerklonk meer, nu en dan vloog een kraai met krassend geluid door de lucht, verder hoorde men niets dan het suizen van den wind door de kale takken en het ritselend geluid van een enkel blad dat zich nog hardnekkig aan een twijg had vastgeklemd.

Voor wie het vrije leven in bosch en veld liefheeft, is er iets beklemmends in dit langzaam afsterven van al wat leeft in de natuur en in het vooruitzicht van den langen, somberen winter. Ook Walewein kende dit gevoel en meer nog dan andere jaren kwam het hem ditmaal overvallen. Wanneer zijne makkers om hem heen lachten en schertsten, kon hij plotseling stil voor zich uit zitten staren, tot een vroolijke uitroep van een zijner vrienden hem tot de werkelijkheid terugbracht. Geen wonder ook dat hij ditmaal met eenige beklemming den winter zag naderen. Hem wachtte geen vroolijk Kerstfeest, waarop zang en snarenspel en het gezelschap zijner vrienden de donkere winteravonden zouden doen omvliegen. Tegen den tijd dat de elders wonende ridders zich gereed maakten om den tocht naar het hof te ondernemen, moest hij zich op reis begeven naar de geheimzinnige groene kapel, waar, dat voelde hij zeker, een gevaar hem wachtte, dreigender dan hij nog ooit onder de oogen had gezien. De herinnering aan den groenen ridder, welke in den loop der maanden wat was vervaagd, herleefde te sterker naarmate de tijd van zijn vertrek naderde en hoewel hij geen oogenblik berouw had over het feit, dat hij diens uitdaging had aangenomen—besefte hij eerst nu, tot welk eene gevaarlijke onderneming hij zich verbonden had.

Vier vliegende vogels.
Vier vliegende vogels.

Hoe Walewein vertrok om den groenen ridder te gaan opzoeken. De weken verliepen en weldra naderde Allerheiligen, op welken dag koning Arthur zijne ridders had uitgenoodigd tot een afscheidsfeest ter eere van zijn geliefden neef. Na het gastmaal begaf Walewein zich naar zijn vorst en sprak: “Sire, vergun mij, dat ik mij morgen op weg begeef, om den groenen ridder te zoeken. Gij weet tot welke afspraak ik mij verbonden heb, gij kent de voorwaarden ervan en zult het mij niet euvel duiden, indien ik reeds nu van hier ga. Tot geenen prijs zou ik te laat op de plaats van samenkomst willen verschijnen!”

Deze woorden van Walewein maakten diepen indruk op alle aanwezigen. Bij de gedachte aan de gevaren, die hunnen dierbaren vriend bedreigden, drongen velen de tranen naar de oogen. Sommige edelvrouwen snikten luide, anderen wischten in ’t geheim een traan weg en verscheidene ridders verdrongen zich om Walewein om hem door een handdruk of een opwekkend woord hunne deelneming te betuigen. Onze held echter drong met kracht de angstige voorgevoelens terug, die hem vervulden en met een vroolijken lach riep hij uit: “Mijne vrienden, vanwaar die sombere stemming? Is het dan voor het eerst, dat ik mij in ’t gevaar begeef? Zijn mijne oogen niet scherp als die van een valk en heeft mijn strijdros Gringalet mij tot heden niet steeds ter overwinning gevoerd? Weg dan die tranen en zuchten! Ik strijd voor de eer van mijn koning en Hij, die de Koning der koningen is, zal mij niet verlaten!

Den volgenden morgen vroeg werden hem in tegenwoordigheid van den vorst en de gansche hofhouding zijne wapenen gebracht. In het midden der zaal legde men een kostbaar tapijt neer, waarop Walewein plaats nam. Hij was gekleed in een buis van blauwe zijde, dat zijne fiere gestalte ten volle deed uitkomen. Eerst bukten twee knechten zich voor hem neer om zijne stalen voet- en beenbekleedselen aan te gespen, aan de laatste werden de dijstukken bevestigd. Vervolgens kwamen twee anderen aandragen met den glinsterenden maliënkolder, waarvan elk schakeltje vooraf nauwkeurig was nagezien. De armen werden bedekt met passende stalen platen en de handen beschut door handschoenen van hetzelfde metaal. Over dit alles werd het zware harnas bevestigd, waarna de gouden sporen en het zwaard, dat door een zijden gordel vastgehouden werd, des ridders uitrusting kwamen voltooien. Toen Walewein aldus voor de reis gereed was, begaf hij zich naar de kapel om de mis bij te wonen. Hij zond een vurig gebed op tot God om hem sterkte te verleenen in de komende gevaren. Daarna nam hij afscheid van den koning en van zijne mede-ridders, die hem allen volgden naar het slotplein, waar zijn paard, Gringalet, vastgehouden door twee stalknechten, hem wachtte. Ongeduldig stampte het edele dier met de vóórvoeten op de steenen en bij elke beweging van den kop rinkelden de bellen aan het hoofdstel en glinsterde het goudkleurig dekkleed in de juist doorbrekende morgenzon. Uit de handen van een zijner trouwste dienaren nam Walewein zijn helm aan, kuste het helmteeken en drukte den helm toen vast op het hoofd. Langs de achterzijde hing een linnen doek, waarop rijk geborduurde vogels in de bontste kleuren te zien waren, de rand van den helm was bezet met schitterende diamanten. Toen Walewein te paard was gestegen, ontving hij als laatste toevoegsel aan zijne uitrusting zijn schild met den pentagoon, welk teeken hem beschermen moest tegen de aanvallen van booze geesten. In zuiver goud teekenden de lijnen van den vijfhoek zich af tegen den donkeren achtergrond van het schild en wel paste het Walewein, dit heilige teeken te dragen, want hij muntte uit in de vijf deugden, die het sieraad zijn der ridderschap, te weten: offervaardigheid, eerlijkheid, nederigheid, zachtheid en hoffelijkheid. Daarbij waren de vijf zintuigen bij hem op edele wijze ontwikkeld en stelde hij zijn hoogste vertrouwen in de vijf wonden van Christus en in de vijf genietingen, die de Heilige Maagd van haren zoon mocht smaken. Daarom ook prijkte het beeld van Maria boven den pentagoon op zijn schild en scheen ze neer te zien op de vijf lijnen die in en door elkander liepen, gelijk de deugden van zijn gemoed elkander raakten en aanvulden. Toen onze held zijn schild had omgegespt, greep hij met de rechterhand den lans met de vlijmend scherpe punt, drukte zijne sporen in de flanken van zijn strijdros en reed met een laatst “Vaarwel!” de poort van het kasteel uit. Zij, die hem nastaarden, zuchtten luid en bejammerden het wreede lot, dat zulk een edel ridder veroordeelde om door de handen van een dergelijke verschijning te sterven. Dien avond heerschten er rouw en droefheid in de zalen van het paleis. Met bedrukte stem spraken de ridders over hun afwezigen vriend; zij brachten elkander Waleweins deugden in herinnering en prezen zijne voortreffelijke eigenschappen van geest en hart. Aan den toon van hun gesprek kon men bemerken, dat geen van hen er op rekende den vertrokkene ooit weer te zien.

Walewein’s tocht door het besneeuwde landschap.
Walewein’s tocht door het besneeuwde landschap.

Walewein’s tocht door het besneeuwde landschap.

Inmiddels reed onze held onversaagd zijns weegs door het wintersche landschap. De Novemberstormen gierden en bliezen hem om het hoofd, de zware herfstnevels deden hem het pad bijster raken, de fijne jachtsneeuw sloeg hem in het gezicht en verblindde zijne oogen—toch reed hij voort, al dieper het eenzame land in. Dagen gingen voorbij zonder dat hij een menschelijk wezen ontmoette, zijn trouwe Gringalet was de eenige metgezel op zijn pad. Nu en dan dreigde hij moedeloos te worden, wanneer hij bij het vallen van den avond tevergeefs eene schuilplaats zocht om den nacht door te brengen en zich eindelijk tevreden moest stellen met de beschutting, die een overhangend rotsblok of een vochtige bergspelonk hem boden. Dan, terwijl hij neergehurkt zat bij een vuur, waarvoor hij, vermoeid als hij was, zelf de brandstof had moeten bijeenrapen, dwaalden zijne gedachten heen naar Camelot, waar men nu gezellig bijeen zat om het helder brandende vuur in de schouw van de groote feestzaal. Het scheen hem een droom toe, dat ook hij tot voor korten tijd had aangezeten aan sierlijk aangerechte tafels en zich op zijne wenken had laten bedienen. Wanneer hij dan nu neerzag op zijne verroeste wapenrusting, op zijne vuile en gescheurde kleederen en op zijn met modder bespat rijpaard, voelde hij zich als een verschoppeling, als iemand, die voorgoed het recht verbeurd heeft om zich onder een gezelschap van goed gekleede en wel verzorgde menschen te bewegen. Het ergste van alles was, dat hij nog steeds geen spoor kon ontdekken van het oord zijner bestemming. Iedereen, die hij op zijne tocht ontmoette, ondervroeg hij angstvallig of zij ooit gehoord hadden van eene groene kapel, waar hij, dien men den groenen ridder noemde, verblijf hield, maar het scheen wel, of de laatste op onzichtbare wieken naar Camelot was komen aandrijven—niemand kende zijn naam en geen mensch kon zeggen, waar zijne woonplaats was.

Moedeloos trok Walewein voort in de richting van Noord-Wallis en vandaar steeds verder het Noorden in. Eens op een morgen ontwaakte hij in eene witte wereld, de winter was ingetreden! Van nu af aan werden zijne ontberingen steeds grooter. Slechts met moeite wist Gringalet zich een weg te banen door de sneeuw, die verscheidene voeten hoog lag, de hevige koude deed het bloed in de aderen zijns meesters bijna verstijven en al meer en meer geraakte Walewein buiten het bereik van menschelijke hulp. Niemand of niets kwam hij meer op zijn eenzaam pad tegen dan wolven en beren en nu en dan een wild zwijn, dat, door honger gedreven, hem aanviel en hem met zijne slagtanden dreigde te verscheuren. Steeds moeilijker viel het Walewein om met zijne uitgeputte krachten zich tegen een dergelijken aanval te verdedigen en soms vroeg hij zich af, of hij niet beter deed met zich ergens in de sneeuw neer te leggen en daar den dood af te wachten. Maar dan drong hij weer met verontwaardiging eene dergelijke gedachte terug. Zoolang er leven was, was er hoop en zulk eene lafheid mocht een ridder van koning Arthur slechts in den uitersten nood begaan. Al zijne wilskracht bijeenrapend, vervolgde hij zijne reis en alsof de natuur hem beloonen wilde voor zijn moed, kwamen er nu dagen van zonneschijn en frissche, wintersche kou. De hemel was blauw en onbewolkt, en de zonnestralen verlichtten de besneeuwde vlakten van het Noorderland. De sneeuw kraakte onder de hoeven van Gringalet en de prikkelende winterlucht deed het bloed van den held sneller stroomen. Op zulke dagen voelde hij de hoop in zijn hart weer ontwaken en vaster zette hij zich in het zadel. Maar na korten tijd werd de lucht weer grauw, een kille mist trok over de velden en een fijne ijsregen begon te vallen. Zoo bleef het tot den avond vóór Kerstmis. Toen Walewein ditmaal zijne schuilplaats voor den nacht had gevonden en met veel moeite een vuur had aangelegd, knielde hij, alvorens zich ter ruste te begeven, neer en zond een vurig gebed omhoog naar de Maagd Maria, Haar smeekend, dat Zij hem althans naar eene plek zou voeren, waar hij de plechtige mis ter herdenking van de geboorte van zijn Heer zou kunnen bijwonen. Daarna begaf hij zich ter ruste.

De volgende morgen brak aan, koud en grijs. Bij het ontwaken zag Walewein de hooge stammen der boomen zich in vage omtrekken tegen den grauwen winterhemel afteekenen. Geen geluid van Kerstklokken—slechts het ruischen van den wind in de kale takken en het klagelijk gesjilp van een enkelen vogel. Met een gevoel van weemoed herdacht Walewein de Kerstfeesten van vorige jaren: de blijde stemming, die alom heerschte, het vroolijk wederzien van vrienden en bekenden en de gemeenschappelijke dienst in de groote kathedraal, waar de koren omhoog werden gedragen op wolken van wierook en de priesters in hun rijk bestikte gewaden zich om het altaar verdrongen.

Huiverend zag hij om zich heen in de grijze kilte, maar plotseling herinnerde hij zich zijn gebed van den vorigen avond en in vast vertrouwen op de goedertierenheid der Heilige Jonkvrouw, maakte hij tot drie maal toe het teeken des kruises en zeide met plechtige stem: “Heilige Moeder Gods, sta mij bij, ter wille van Hem, die aan het kruis voor ons stierf.”

En ziet, op hetzelfde oogenblik geschiedde een wonder, bij het zien waarvan de adem hem in de keel stokte. In het midden van het woud, op een heuvel, waar een oogenblik geleden nog slechts kale boomstammen hun armen ten hemel hieven, verrees plotseling, als door eene tooverspreuk omhoog gedreven, een prachtig kasteel. De zon, die zoo juist was doorgebroken, bescheen de spitse torens en speelde over de gekanteelde muren, waar de schildwachten liepen met hun scherp gepunte hellebaarden. Op de vier hoektorens stonden de onbeweeglijke gestalten der wachters, die tuurden naar alle richtingen, of er ook gevaar dreigde. Om het kasteel boog eene breede slotgracht, de brug was opgehaald en de groote hoofdpoort gesloten. Op de hoogste toren wapperde een standaard, bewogen door den morgenwind; hieruit viel af te leiden, dat het slot bewoond was.

Ornamentale zeemeermin.
Ornamentale zeemeermin.

Van Waleweins ontvangst in het vreemde ridderslot. Met verbazing staarde Walewein naar dit plots verschenen beeld. Aanvankelijk kon hij niet gelooven, dat het werkelijkheid was, wat hij zag, maar toen hij de gedaanten op den slotmuur zag heen en weer bewegen, begreep hij, dat inderdaad zijne bede verhoord was. In dankbare ontroering viel hij op de knieën neer en stortte zijn hart uit in een vurig dankgebed. Daarna besteeg hij zijn paard en stuurde het in de richting der slotpoort. Aan den rand der slotgracht gekomen, riep hij met luider stem den poortwachter toe en gebood hem zijn meester te verzoeken, of hij een zwervend ridder eenige dagen huisvesting wilde verschaffen. Met groote bereidwilligheid gaf de aangesprokene aan zijn wensch gehoor en verdween uit het gezicht, om na korten tijd opnieuw te verschijnen, gevolgd door eene schaar van ridders en knechten. Toen de poort was geopend en de zware ophaalbrug was neergelaten, stroomden deze allen naar buiten en begroetten Walewein op eerbiedige wijze. Eenigen van hen vielen op de knieën neer en heetten hem uit naam van hun heer welkom in het kasteel, anderen namen zijn paard bij de teugels en voerden het over de brug, waar opnieuw eenige ridders gereed stonden om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn. Toen namen de knechten zijn paard van hem over en leidden het weg met de belofte, het goed te zullen verzorgen. Een van de ridders kwam op Heer Walewein toe en verzocht den held op hoffelijken toon, hem te volgen. Daarop geleidde hij hem over het breede slotplein, het kasteel binnen. Weldra kwamen zij in een ruim vertrek; de muren waren behangen met warmgetinte bekleedsels, jachttafereelen voorstellend. Op den grond lagen zware tapijten, die hunne voetstappen dempten en aan beide zijden der zaal brandde een groot vuur onder een zwaar gebeeldhouwden schoorsteen. Om één dier vuren stond een groep ridders verzameld, die zich bij het openen der deur haastig omwendden. Eén van hen trad eenige stappen naar voren, stak Walewein beide handen toe en zeide met diepe stem: “Wees welkom, edele heer, in mijne woning!” Hij, die deze woorden sprak, had een lang, forsch figuur; zijn gelaat met de fonkelende oogen was frisch getint, als van iemand, die zich veel in de open lucht beweegt, een lange blonde baard golfde hem over de borst en zijne hand omsloot die van Walewein als een ijzeren greep. In antwoord op Waleweins verzoek om eenige dagen huisvesting, gaf de slotheer hem ten antwoord, dat hij het zich tot eene eer rekende, zulk een edel ridder zijn gast te mogen noemen en dat zijne woning te allen tijde en voor zoolang hij dit wenschte, voor hem open stond. Daarop beval hij een der aanwezige ridders om zijn gast naar een vertrek te brengen, waar hij zich van zijne zware wapenrusting kon ontdoen. De ridder voerde Walewein thans naar eene kamer in een anderen vleugel van het kasteel, waar twee pages gereed stonden om hem te ontvangen. Als in een droom liet onze held toe, dat zij hem ontdeden van wapenrusting en helm. Daarna bracht men hem welriekend water en zachte linnen doeken om zich te wasschen en ten slotte kwamen de pages aandragen met zijden kleederen, die hem als aan het lichaam gegoten zaten. Toen zij hem eindelijk den rijk geborduurden riddermantel omhingen, was er in heel Brittannië geen schooner, mannelijker gestalte denkbaar dan Heer Walewein, zooals hij met opgeheven hoofd en de baret met de wuivende veer in de hand, opnieuw het vertrek binnentrad, waar de heer van het slot zich bevond. Deze kwam hem met eenige vriendelijke welkomstwoorden tegemoet en geleidde hem naar eene gedekte tafel, die ter zijde van den schouw voor den vreemden gast was aangericht. Met een gevoel van welbehagen zette Walewein zich aan den disch en liet zich de keur van gerechten goed smaken. Met lange teugen dronk hij den fonkelrooden wijn, die hem als vuur door de aderen vloeide en de overgang tusschen de koude en ontberingen daar buiten en deze feestelijke ontvangst in het verwarmde slot deden zijne oogen schitteren van een nieuwen levenslust. Toen hij gegeten en gedronken had, verzocht zijn gastheer hem plaats te nemen op een hoogen zetel. Hij zelf ging tegenover hem zitten en vroeg toen zijn gast in de hoffelijkste bewoordingen hem te zeggen, wie hij was.

Walewein sprak als volgt: “Mijn naam is Walewein en de vorst, dien ik dien is Arthur, hij, die de Ronde Tafel heeft ingesteld tot bevordering van den bloei der ridderschap”.

Alle aanwezigen hoorden verheugd op bij het vernemen van des vreemdelings naam en herkomst, want de roem van zijne dapperheid was wijd en zijd verspreid. Vol blijdschap riepen zij uit: “Meer nog dan anders zij deze dag gezegend, nu hij dezen held in ons midden brengt, die onze schreden kan geleiden op het pad van fijne beschaving en hoofsche gebruiken! Wees welkom, Heer Walewein! gij die de edelste onder de edelen genoemd moogt worden!”

Toen de avond begon te vallen, begaven allen zich naar de slotkapel, om de heilige Kerstmis bij te wonen. Het was een gewemel van bonte kleuren in het ruime kerkgebouw, dat verlicht werd door honderden kaarsen. De heer van het kasteel verzocht zijn gast om in zijne bank plaats te nemen. Eerbiedig boog deze het hoofd in de handen alvorens te gaan zitten en prevelde een innig dankgebed aan de Moeder Gods, die hem uit zoo grooten nood bevrijd had. De oogen opslaand zag hij, hoe in de bank tegenover hem twee vrouwen hadden plaats genomen. Eene van haar was oud en gebogen, hare haren waren vergrijsd aan de slapen en de vingers, waarmede ze het gebedenboek omknelde, beefden. Toch lichtten hare oogen scherp en boosaardig, wanneer zij haren blik liet gaan over de geknielde menigte en eene valsche grijns trok om haar tandeloozen mond. Naast haar zat de schoonste vrouw, die Walewein ooit gezien had. In het warme kaarslicht vonkten haar oogen met een betooverenden glans, haar gelaat en hals waren niet minder blank dan de sneeuwwitte halsdoek, dien zij droeg, en in de kroon van vlechten op haar hoofd straalden en flikkerden de diamanten bij elke beweging. Het scheen den held toe of zij in schoonheid zelfs koningin Ginevra overtrof en toch kende hij voordien gene, van wie dit met waarheid gezegd kon worden. Na één blik op hem geworpen te hebben, scheen de bekoorlijke vrouwe slechts aandacht te hebben voor den plechtigen dienst, maar Waleweins oogen zwierven telkens naar de overzijde, waar zij zat.

Na afloop traden de beide vrouwen op den slotheer toe, die zijn gast aan haar bekend maakte, en Walewein bemerkte, dat de schoone vrouw de echtgenoote van den burchtgraaf was. Eerbiedig viel hij voor haar op de knie en drukte hare hand aan zijne lippen.

Vervolgens begaf het gansche gezelschap zich naar een ander vertrek, waar bekers met gekruiden wijn werden rondgediend. De stemming werd gaandeweg vroolijker. Schertsend en lachend zat men in een wijden kring om het vlammend vuur, nu en dan werd een lied aangeheven en door allen uit volle borst meegezongen, dan weer vertelde een der aanwezigen van een vreemd avontuur, dat hem was overkomen of van een dollen streek dien hij in zijne jonge jaren had uitgehaald. Dan schalde het lachen door de zaal en de verteller moest zich verdedigen tegen een kruisvuur van nieuwsgierige vragen en plagerijen. Tegen middernacht ging men uiteen en Walewein werd naar zijn slaapvertrek geleid, waar een donzen rustbed hem tot slapen noodde.

Den volgenden morgen heerschte de Kerstvreugde opnieuw in het kasteel. Langs de met groen omkranste trappen daalden de gasten omlaag om gezamenlijk het noenmaal te nuttigen. Den ganschen dag bleef men in huis, daar de barre koude weinig tot uitgaan lokte, maar de uren vlogen om. De slotheer bleef steeds in de nabijheid der oude, gerimpelde vrouw, die Walewein in de kapel bemerkt had, op gedempten toon spraken zij met elkaar en schenen gewichtige zaken te verhandelen. Aan Walewein werd eene plaats toegewezen aan de zijde der jonge slotvrouwe en ook zij vonden elkander genoeg te zeggen. Op haar aandringen vertelde hij haar zijn levensloop en beschreef de avonturen, die hij beleefd had en de vreemde landen, die hij gezien had. En al hield hij daarbij steeds zijne eigen persoonlijkheid angstvallig op den achtergrond, toch kon het niet anders of het moest haar blijken welk een dapper held daar aan hare zijde zat. Hare oogen straalden van bewondering en steeds meer wilde zij weten, altijd meer! Ook over de vrouwen, die hij had liefgehad, verlangde zij te hooren en toen hij lachend zwoer, dat zijn hart aan zijn vorst behoorde en aan niemand anders, weigerde zij hem te gelooven. Onder haar lokkend oogenspel en de onmiddellijke nabijheid harer bloeiende schoonheid voelde Walewein zijn hart warm worden. Zijn bloed klopte met feller slag in zijne slapen en steeds dieper boorden zijne oogen in die zijner schoone gastvrouw.

Zoo verliepen de Kerstdagen in een roes van feestgedruisch. Toen zij verstreken waren, maakten de talrijke gasten in het slot zich gereed om te vertrekken. Ook Walewein begaf zich naar zijn gastheer om afscheid van hem te nemen en hem te danken voor zijn gastvrij onthaal, maar deze wilde van geen afscheid weten. Den held terzijde nemend betuigde hij hem, hoe trotsch en verheugd het verblijf in zijn kasteel van zulk een beroemd man als Heer Walewein hem gemaakt had en verzocht hem ten slotte om hem nog eenige dagen langer het genoegen van zijn gezelschap te schenken. Walewein echter verzekerde zijn gastheer met de meeste beslistheid, dat dit onmogelijk was, wilde hij niet in de verplichtingen, die hij op zich genomen had, te kort schieten en op de verwonderde vraag van den ridder, welke dan die dringende verplichtingen waren, vertelde hij hem het avontuur met den groenen ridder en zwoer, dat hij liever sterven zou dan te verzuimen, op tijd bij de groene kapel te zijn. Toen hij uitgesproken had, barstte zijn gastheer in luid lachen uit. “Voorwaar, gij kondt het niet beter getroffen hebben!” riep hij uit, “want de groene kapel, die gij zoo ijverig zoekt, is slechts twee mijlen van hier verwijderd en ikzelf zal een mijner dienaren gelasten u er heen te geleiden, wanneer de afgesproken tijd is aangebroken. Tot zoolang echter moet ge mijn gast zijn en de laatste dagen van het jaar benutten om uwe krachten te verzamelen voor den komenden strijd.” Met beide handen nam Walewein dit gastvrij aanbod aan. Nu het doel van zijne reis zoo nabij bleek te zijn, kon hij zich met een gerust hart overgeven aan het genot van dit gezellig samenzijn—het laatste misschien, dat hem op aarde ten deel zou vallen. Met volle teugen wilde hij daarom nog eenmaal genieten! en zijn stem klonk nog helderder, zijn stap was nog fierder dan gewoonlijk, toen hij zich tot zijne gastvrouw wendde om ook haar zijnen dank te betuigen voor de vriendelijke uitnoodiging. Maar de heer van het kasteel vroeg opnieuw zijne aandacht. “Waarde vriend”, sprak hij, “want zoo mag ik u immers wel noemen, sta mij één verzoek toe, wat ik u bidden mag!” “Spreek, gij hebt slechts te bevelen”, antwoordde Walewein. “Welnu dan”, hernam de ander, “beloof mij, dat gij in de eerstvolgende dagen gedurende de vroegmis het bed zult houden, opdat gij geheel versterkt en uitgerust den tocht naar de groene kapel zult kunnen ondernemen. Gij kunt u dan na afloop van den dienst met mijne gemalin aan tafel begeven en haar den verderen dag gezelschap houden tot mijne thuiskomst. Ik zelf zal mij namelijk ’s morgens op jacht begeven en het wild, dat ik als jachtbuit huiswaarts breng, is voor u, op voorwaarde dat, wat gij in den loop van den dag als buit zult behalen, aan mij wordt afgestaan. Wat dunkt u hiervan?” Walewein lachte vroolijk. “Mij dunkt dat dit voor mij eene alleszins voordeelige afspraak is!” riep hij uit, “en gaarne neem ik haar aan!” Daarop brachten de dienaren van den ridder twee bekers met schuimenden wijn en werd de overeenkomst door den gebruikelijken dronk bekrachtigd. Toen ging men onder scherts en gelach voor den nacht uiteen.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag heerschte er reeds eene bedrijvige drukte in de omgeving van het kasteel. In de grijze morgenschemering kon men op het voorplein slechts vaag de gestalten onderscheiden van de schildknapen en de stalknechts, die haastig heen en weer liepen om alles voor de jacht in gereedheid te brengen. De paarden werden gezadeld en stampten ongeduldig op den leemen vloer der stallen. Bij de hondenhokken waren de dienaren van den graaf bezig den dieren hun ochtendmaal toe te dienen en deze verdrongen zich voor de hekken om het voedsel machtig te worden. Gretig hapten en snapten zij naar de groote stukken rauw vleesch, die de knechten hun vóórhielden en trachtten elkander de lekkerste beten afhandig te maken. Hun keffend geblaf vervulde de lucht en gulzig slokten zij het eten naar binnen.

Rennend hert.
Rennend hert.

Hoe de graaf met zijne ridders op de hertenjacht ging. Nog vóór de dag goed en wel was aangebroken, verscheen de graaf met zijne ridders in de kapel om den ochtenddienst bij te wonen, na afloop waarvan zij in de groote slotzaal, staande een haastig maal nuttigden. Toen begaven zij zich naar buiten, waar de knechten aan kwamen draven met de jachtpaarden aan den teugel. Onder luid gepraat en gelach steeg men te paard, de honden werden losgelaten en renden onder een oorverdoovend geblaf de brug over, het bosch in, op den voet gevolgd door den langen jachtstoet. In het stille bosch, waar de sneeuw kraakte en knerpte onder de hoeven der paarden en de takken zwaar neerhingen onder hunne witte vracht, was het plotseling een bont gewemel van kleuren en klanken. De vroolijke tonen van den jachthoorn vermengden zich met het schelle hondengeblaf en het bosch scheen een oogenblik te ontwaken uit zijn doodschen winterslaap. Na eenigen tijd verdeelde de stoet zich; de speurders trokken vooruit om hunne standplaatsen in te nemen en het verdere gezelschap volgde de honden, die op den reuk van het wild afgingen.

Opgeschrikt door hun geblaf snelden de herten uit het dal de hoogten op, maar werden daar teruggeschrikt door de jagers, die met een luid hallo-geroep uit de struiken te voorschijn sprongen. Doodelijk ontsteld stoof het wild opnieuw het dal in, maar onderweg viel er menig hert terneer, getroffen door de scherpe pijlen der ridders. Nu ging het in wilden galop het dal door, voorop de herten, die de sneeuw nauwelijks schenen te raken met hunne slanke pooten, daarachter de jachthonden, de lichamen tot het uiterste gestrekt, de tongen uit den bek, hijgend en blaffend en ten slotte de jagers, die, voorovergebogen hunne paarden tot den grootst mogelijken spoed trachtten aan te sporen. Eindelijk kwam de dolle rit tot stilstand en lag het meerendeel van het edele wild op den grond te zieltogen, terwijl de sneeuw zich rood kleurde met hun bloed. Alvorens de buit nader te bezichtigen werd er halt geblazen, de ruiters stegen af en rekten de stijfgeworden ledematen, de honden kwamen kwispelstaartend op hunne meesters toe, om een prijzend woord te ontvangen voor hunnen arbeid en in opgewonden stemming besprak men de spanning en den goeden uitslag der jacht. Intusschen beijverden de dienaren zich, om uit de meegebrachte tasschen en manden den mondvoorraad te voorschijn te halen en weldra konden de jagers zich verkwikken aan een teug wijn en een smakelijk maal van brood en gebak.

Het was een vroolijke maaltijd in het stille bosch; de voldoening over den rijken jachtbuit maakte de tongen los en uitte zich in menigen scherts of vroolijk jachtverhaal. De honden lagen aan den voet hunner meesters en deelden in het maal en ook de vogels van het woud waagden zich naderbij om de vallende kruimpjes weg te pikken. Alleen de donkere plek daarginds op de sneeuw getuigde, dat dit vroolijk gezelschap met andere bedoelingen hier was gekomen dan enkel onschuldig schertsen.

Toen allen verkwikt waren, toog men aan den arbeid om het wild te ontweien. Onder toezicht der ridders begaven de bekwame jagermeesters zich aan het werk, dat verscheidene uren duurde. Ten slotte echter waren de herten in stukken gesneden, de onbruikbare deelen verwijderd en de overige op hoopen gestapeld. Nu werden fluks draagbaren gemaakt van saamgevlochten twijgen en de buit met koorden hierop bevestigd. Eerst daarna werd de terugtocht ondernomen en de lange stoet reed huiswaarts, langzamer dan zij gekomen was, want mensch en dier waren vermoeid van den langen dag en de inspanning der jacht. Daarbij vereischte het meedragen van den buit ook eenige voorzichtigheid. Toen men eindelijk het kasteel naderde, was de vroege schemering reeds gedaald, met luid hoorngeschal kondigden de jagers hunne komst aan en dreunend viel de zware ophaalbrug voor hen neer. De poorten van het slot werden wijd geopend om het gezelschap binnen te laten en met luide welkomstkreten werden de thuiskomenden begroet.

Wat was er nu dien dag met Walewein geschied?

Terwijl de overige ridders zich naar de vroegmis begaven en zich vervolgens voor de jacht gereed maakten, lag onze held in diepe rust verzonken tusschen de zijden kussens van zijne legerstede. Toen onder zijn venster het hondengeblaf en de hoornsignalen het vertrek van den jachtstoet aankondigden, bewoog hij even onrustig in zijn slaap, maar weldra verzonk zijn geest opnieuw in het rijk der droomen en sluimerde hij rustig verder. Plotseling echter werd hij met een schok wakker. Zijn waakzame geest, die door de ondervinding geleerd had, steeds op een mogelijken onverhoedschen aanval bedacht te zijn, deed hem werktuigelijk de hand uitstrekken naar zijn zwaard, dat naast hem in de scheede hing. Wat was er gebeurd? Hij voelde, meer nog dan hij hoorde, dat er zich iemand bewoog aan de deur van zijn vertrek, maar nu scheen het weer, alsof hij het zich verbeeld had, want hij zag geene beweging aan den deurknop en diepe stilte heerschte om hem heen in het slot, dat wel uitgestorven leek te zijn.

Maar neen, daar hoorde hij opnieuw eenig geluid, hij liet de opgeheven hand zakken, overtuigd als hij nu was, dat zijn wapen zich binnen zijn onmiddellijk bereik bevond en liet zijn hoofd weer in het kussen zinken. Door de half geloken oogen zag hij echter scherp toe. Wie beschrijft zijne verbazing, toen hij de deur zachtjes zag opengaan en op den drempel zijne schoone gastvrouw bemerkte, die geruischloos de kamer binnenkwam en, na de deur behoedzaam achter zich gesloten te hebben, op het bed toetrad? Bij hare nadering sloot Walewein zijne oogen geheel en wendde voor in diepen slaap verzonken te zijn. Toen de gravin bij de legerstede gekomen was, sloeg zij een der bedgordijnen terug en zette zich op den rand, de oogen op den slapende gericht. Deze was een oogenblik in twijfel, welke houding hij zou aannemen, maar eindelijk besloot hij, dat hij beter deed met zijne bezoekster ronduit te vragen naar het doel harer komst. Zoo natuurlijk mogelijk sloeg hij daarom de oogen op, alsof hij nu eerst uit eene diepe sluimering ontwaakte en bij het zien der gestalte, die zich naar hem overboog, maakte hij eene beweging van schrik en richtte zich ten deele op uit zijne liggende houding, alsof hij het bed wilde verlaten. De gravin legde echter hare hand op zijnen arm en sprak, vriendelijk lachend: “Goeden morgen, Heer Walewein, gij zijt inderdaad een onbezorgd slaper, dat gij u aldus laat verrassen. Maar nu zijt gij dan ook mijn gevangene en laat ik u niet meer vrij!”

“Goeden morgen, schoone Vrouwe”, antwoordde Walewein, “ik geef mij onvoorwaardelijk aan u over, doe met mij, wat gij wilt, in alles wil ik uw getrouwe dienaar zijn. Sta mij slechts toe, dat ik het bed verlaat en mij in passender kleeding steek om u te ontvangen.” De gravin schudde lachend het hoofd. “Neen, edele heer,” sprak zij, “mijn gevangene laat ik niet los. Het gebeurt slechts zelden dat ik zulk een dapper man als Heer Walewein voor mij alleen heb, hem, dien men niet zonder reden den edelsten, schoonsten en hoffelijksten ridder der Ronde Tafel noemt. Mijn echtgenoot is op de jacht, de bewoners van het kasteel zijn nog in diepe rust verzonken en zullen ons niet storen. Alles is stil in huis, wij beiden zijn alleen en de deur, die toegang geeft tot dit vertrek, heb ik stevig gegrendeld. Weet dan, dat ik u liefheb en dat ik hierheen ben gekomen, om u dit te zeggen. Handel met mij naar verkiezen!”

“Vrouwe”, sprak Walewein, “ik ben onwaardig, om zulke woorden van u te vernemen, maar geloof mij, wanneer ik u zeg, dat ik u dienen wil met alle middelen, die in mijn vermogen zijn!”

“Heb dank”, antwoordde zij, “voor uw aanbod. Het zou mij slecht passen om het niet met dankbaarheid te aanvaarden, maar meer nog dan op de kracht van uwe vuist stel ik prijs op een blik van liefde uit uwe oogen. Geloof mij, dat er vele vrouwen zijn, die uw gezelschap zouden verkiezen boven al het goud, dat de aarde haar schenken kon! Indien ikzelve vrij was om te kiezen, zou ik geen ander dan u tot mijn echtgenoot begeeren en het zou mij een genot zijn om al uwe wenschen te vervullen.”

Het kon niet anders, of deze woorden uit den mond van zulk eene schoone spreekster moesten Walewein diep treffen en de toon, waarop hij haar antwoordde werd dan ook steeds warmer en inniger. Zij spraken over de liefde, over de vreugde en droefenis, die zij brengen kan in het leven der menschen, en steeds dieper boog de gravin zich over hem heen, steeds dringender zagen hare oogen in die van Walewein. Deze laatste echter wist met schrander beleid het gesprek telkens weer in andere banen te voeren. De gedachte aan zijn afwezigen gastheer en ook aan het naderend avontuur met den groenen ridder vervulden zijne ziel en deden hem tegen het uitlokkend optreden zijner schoone bezoekster eene zekere terughouding in acht nemen. Ten slotte stond de gravin met een lichten zucht op van den rand der legerstede en maakte aanstalten om heen te gaan. Bij de deur gekomen wendde zij het hoofd om, zag hem over den schouder aan en sprak schertsend: “Vaarwel, heer ridder! Schoon zijt gij en welsprekend als geen ander, maar toch twijfel ik er aan, of gij Walewein zijt!”

“Waarom twijfelt gij daaraan?” vroeg de held haastig, bevreesd dat hij in hoffelijkheid van houding en manieren te kort was geschoten. De gravin bleef hem lachend aanzien en zeide: “Mij dunkt, dat een ridder als Heer Walewein, die zóó geschoold is in hoofsche zeden en gebruiken, niet zulk een langen tijd in gezelschap eener dame vertoefd zou hebben, zonder haar om een kus te verzoeken!” “Wanneer ik wist, dat ge mij die schenken zoudt”, antwoordde de held, “zou ik niet aarzelen u er om te vragen!” Nauwelijks had hij dit gezegd of de gravin kwam terug, boog zich naar hem over en kuste hem op het voorhoofd. Het volgende oogenblik was zij verdwenen.

Walewein bleef eenige oogenblikken peinzend liggen, daarop sprong hij het bed uit en riep zijn kamerdienaar om hem bij het kleeden behulpzaam te. zijn. Vervolgens begaf hij zich naar de kapel, waar hij den dienst bijwoonde. Den ganschen middag bleef hij daarop in gezelschap van de gravin en hare vrouwen, die hij met luchtigen scherts en vroolijke verhalen wist te vermaken.

Tegen den avond keerde de graaf met zijne ridders van de jacht terug. Walewein ging zijn gastheer tot aan de slotpoort tegemoet en de beide ridders begroetten elkander hartelijk. Daarop beval de graaf om den buit in de groote feestzaal te brengen en in tegenwoordigheid van alle bewoners van het kasteel, voerde hij Walewein tot vóór den hoogen wildstapel en sprak: “Ziehier mijn buit, dien ik volgens afspraak hierbij aan u overdraag. Wat dunkt u van deze verzameling, loont zij de moeite van het jagen niet en heb ik niet stipt woord gehouden?”

Vol bewondering liet Walewein zijn blik gaan over de prachtige hertebouten, krachtig schudde hij zijn gastheer de hand en sprak: “Gij hebt woord gehouden, zooals dat een edelman betaamt, maar ook ik zal dat doen. Ziehier de buit, dien ik veroverd heb vandaag.” Daarop boog hij zich naar zijn gastheer toe en kuste hem. “Uw geschenk is wel van gansch anderen aard als het mijne!” riep de graaf vroolijk uit, “maar vertel mij eens, waarde vriend, bij welke gelegenheid gij het ontvangen hebt? ik ben verlangend om dat te vernemen!” Walewein echter schudde het hoofd. “Dat was niet in onze afspraak begrepen”, zeide hij lachend, “en daarom behoef ik het u niet te zeggen. Wat ik heden ontving, heb ik u eerlijk teruggegeven, verder reikt onze overeenkomst niet!”

Daarop begaven allen zich aan den gemeenschappelijken maaltijd en onder het genot van zang en dans verliep de avond snel. Alvorens zich ter ruste te begeven, hernieuwden de graaf en zijn gast hunne afspraak voor den volgenden dag.

Rennende hond.
Rennende hond.

Hoe de graaf met zijne ridders op jacht ging om een wild zwijn te vangen. Nauwelijks had de haan zijn schel gekraai doen hooren of de heer van het kasteel en zijne ridders hadden hunne paarden bestegen en waren uitgereden op jacht naar een wild zwijn. Met luide kreten vuurden de jagers hunne honden aan, die weldra het spoor van den ever ontdekten en in vollen ren hem trachtten te volgen. Hun zwaar geblaf vervulde de lucht en weerkaatste tegen de hooge rotsen.

De jagers vuurden hen aan met hun schallende jachtkreten en in eene bonte mengeling joeg de gansche stoet door de bosschen. Plotseling maakten de honden halt bij een vooruitstekend rotsblok aan den rand van een half bevroren poel. Begeerig snuffelend verdrongen de honden zich om den rots en om het hooge struikgewas, dat daar naast groeide. De schildknapen stegen van hunne paarden en sloegen met stokken op de struiken om het dier, dat zich naar alle waarschijnlijkheid daarin bevond, te bewegen om te voorschijn te komen. Hun pogen had het gewenschte gevolg. Met een luid geknor stoof een groot zwijn uit de struiken te voorschijn, zijne borstels stonden dreigend overeind, zijne kleine oogen glinsterden boosaardig en zijne vreeselijke slagtanden zagen er onheilspellend uit. Bij den eersten stoot vielen drie der honden onder klagelijk gejank ter aarde, daarna stoof de ever door de springende, bassende massa heen het bosch in en verdween in wilde vlucht tusschen de struiken. De jagers en honden volgden hunnen prooi evenwel op den voet en in ijlende vaart ging het nu er op los, over omgevallen boomstammen, door struik en bosch, over bevroren plassen en besneeuwde velden, achter het wild aan. Tegelijkertijd suisden de pijlen door de lucht, die nu en dan doel troffen, doch welke niet meer deden dan slechts de buitenste huidlaag van het dier doorboren. Na eene lange jacht werd het zwijn echter zóó geprikkeld door de scherpe pijlpunten en geraakte het zóó uitgeput van den dollen wedloop, dat het plotseling stand hield om daarna met zijne scherpe slagtanden dreigend op de honden af te komen. Vreeselijk was de slachting, die hij onder hen aanrichtte, met opengereten buiken vielen de arme dieren neer en wentelden zich huilend in de sneeuw. Het zwijn maakte van een oogenblik van aarzeling onder zijne aanvallers gebruik om de vlucht te nemen in een rotsspelonk aan den oever van eene beek. Het schuim stond hem op den bek, zijne oogen waren rood beloopen en zóó afschrikwekkend zag het dier er uit, dat niemand der jagers het waagde om het te lijf te gaan. De graaf, die bemerkte dat zijne ridders aarzelden om tot den aanval over te gaan, steeg van zijn paard, trok zijn lang slagzwaard uit de scheede en naderde voorzichtig de spelonk, waarin het ondier zich verscholen hield. Zoodra het zwijn bespeurde van welken kant het gevaar dreigde, schoot het uit zijne schuilplaats te voorschijn en kwam met gebogen kop op den graaf af. Deze was echter op den aanval bedacht. Op het oogenblik, dat het zwijn den kop omhoog hief om den stoot te wagen, stak hij hem de punt van zijn zwaard in den buik, zoodat een straal bloed te voorschijn spoot. Onder een vreeselijk gebrul viel het dier zijdelings op den grond en nauwelijks hadden de honden dit gezien, of zij schoten luid blaffend op hem af en beten hem met hunne scherpe tanden de strot door. Met een luid gejuich begroetten de ridders het slagen van hun tocht en vele rappe handen haastten zich om het zwijn te ontweien. Eerst werd de kop afgeslagen, en daarna de romp overlangs in tweeën gesneden. De ingewanden werden verwijderd en op de asch van een inmiddels aangelegd vuur gebraden, daarna wierp men ze voor de honden, die met graagte er op aanvielen. De beide helften van den romp werden met de pooten aan een stok gebonden en door twee knechten op de schouders genomen. Den kop bracht men aan den graaf als jachttropee en deze haastte zich met zijne ridders huiswaarts.

Laat ons thans zien, wat inmiddels in het slot was voorgevallen. Getrouw aan de afspraak met zijn gastheer had Walewein zijn schildknaap last gegeven hem niet te roepen en zoo sliep hij ongestoord voort, terwijl de andere ridders zich voor de jacht in gereedheid brachten. In zijne droomen zwierf hij rond in een groot bosch op zoek naar den groenen ridder, maar bij iedere kromming van den weg, verscheen inplaats van hem, dien hij zocht, de gestalte van zijne bevallige gastvrouw, die hem wenkte tot haar te komen. Wanneer hij dan op haar toesnelde en op het punt was haar bij de hand te vatten, verdween zij plotseling voor zijne oogen en liet hem alleen in het onherbergzame woud, om kort daarop weer tusschen de struiken op te rijzen. Onrustig bewoog de held zich op zijne legerstede, tot plotseling—hoor! daar drong het geluid van eene deur, die openging in zijne droomen door en de oogen opslaand, zag hij in die der gravin. Met zachten tred kwam deze zijn slaapvertrek binnen en zette zich, evenals den vorigen dag op den rand van zijn rustbed.

Minzaam lachend zag zij op hem neer en sprak:

“Heer Walewein, een ieder roemt u als een wijs, verstandig man en toch moet ik bemerken, dat gij nu reeds vergeten zijt, wat ik u gisteren heb trachten te leeren. Hoe rijmt gij dat?”

“Wat ge mij gisteren hebt trachten te leeren”, herhaalde de ridder verbaasd, “wat kan dat zijn? Zeg het mij spoedig, wat ik u bidden mag, want ik zou niet gaarne onachtzaam schijnen tegenover u!”

Daarop boog de gravin zich nog dieper over hem heen, zag hem in de oogen en zeide: “Ik trachtte u te leeren, hoe een ridder de vrouw kust, die hem haren voorkeur toont en nu schijnt het of gij u die les gansch niet meer herinnert.”

Walewein richtte zich half overeind en sprak toen zacht: “Schoone Vrouwe, vergeef mij, indien ik u voorkom, in hoffelijkheid te zijn te kort geschoten. Hoe gaarne zou ik u om een kus vragen, wanneer ik niet vreesde, eene weigering te zullen ontvangen!” “Eene weigering”, antwoordde zij lachend, “en wat dan nog? Zijt ge niet sterk genoeg om datgene, wat gij verlangt, desnoods met geweld af te dwingen?” “Gij spreekt waarheid, edele Vrouwe,” hervatte Walewein, “zeer zeker zou ik daartoe in staat zijn, maar in het land, waar ik vandaan kom, zou men mij zulk eene handelwijze euvel duiden en bovendien: eene gift, die ongaarne geschonken wordt, verliest hare waarde voor hem, die ze ontvangt! Daarom wil ik mij in dit geval onvoorwaardelijk aan uwen wil onderwerpen, slechts dan, wanneer het werkelijk uw verlangen is, wil ik u kussen.”

Toen hij uitgesproken had, boog de gravin zich voorover en kuste hem op de wang, waarna zij beiden nog langen tijd op fluisterenden toon met elkander spraken.”

“Hoe komt het toch”, sprak zij na eenigen tijd, “dat gij, die zoo jong en levenslustig zijt en zoo goed bekend met de wetten der liefde, mij nooit over die liefde gesproken hebt? Was het niet eene fraaie gelegenheid om een jong ding als ik ben, een weinig onderricht daarin te geven? Mijn echtgenoot is afwezig en niemand zal ons storen.”

Walewein voerde in zijn binnenste een harden strijd. De gelegenheid was inderdaad gunstig! Hij had slechts de armen uit te strekken en de schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, zou de zijne zijn. Waarom zou hij niet genieten van wat de omstandigheden hem zoo verleidelijk aanboden. Nog weinige dagen en hij zou een strijd moeten aanbinden, waarin hij bijna zeker den dood zou vinden. Was het niet dwaas om nu niet toe te grijpen en te genieten van wat jeugd en schoonheid hem zoo willig boden? Maar er was eene andere stem in zijn hart, die sprak van eer en ridderlijkheid en van de verplichtingen, die de gastvrije ontvangst in het kasteel hem oplegde. Wat! zou hij, Walewein, een ridder van de Ronde Tafel, een vertrouwd vriend van koning Arthur, de wetten der gastvrijheid schenden en zijn gastheer bedriegen, die hem vol vertrouwen in het slot had achtergelaten? En was hij dan vergeten, met welk doel hij hierheen was gekomen, dat hem binnenkort een zware strijd, misschien de dood wachtte, waarvoor hij zijn arm sterk en zijn geweten zuiver moest houden? Waar hij zoo spoedig de eeuwigheid in zou kunnen gaan, paste het hem voorwaar aan andere dingen te denken dan aan ijdel minnekoozen met schoone vrouwen en hoe zou hij voor den rechterstoel van God durven verschijnen met een dergelijken trouwbreuk op zijn geweten? Allengs werd de stem der eer luider en bracht die andere stem tot zwijgen.

Walewein omvatte met zijne beide handen die der gravin, zag haar recht in de oogen en sprak ernstig: “God is mijn getuige, dat ik niets liever doe dan met u spreken, en dat ik u dankbaar ben voor de gunsten, die ge mij bewijst, maar om u te onderrichten in het spel der liefde is een kundiger man noodig dan ik ben. Daarom, bid ik u, houd het mij ten goede, wanneer ik hierover zwijg en laat mij u in alle andere dingen mogen dienen.” De gravin, die inzag dat zij ook ditmaal haar doel niet bereiken zou, schikte zich met een zucht in het onvermijdelijke en nadat zij zich nog eenigen tijd met haren gast onderhouden had, verliet zij het vertrek.

In den loop van den middag keerde de graaf van de jacht terug. Het was inmiddels gaan sneeuwen, een fijne jachtsneeuw, die de jagers deed rillen onder hunne zware mantels. Half verkleumd kwamen zij binnen, in de ruime hal van het slot, waar het vuur knetterde en de vlammen oplaaiden in den ruimen haard. Met trots vertoonde de graaf den geweldigen kop van het zwijn en bood hem lachend aan Walewein. Deze sloeg den arm om de schouders van zijn gastheer en kuste hem met den uitroep: “Ziehier mijn buit!” Daarop verzocht hij den graaf hem de lotgevallen van dien dag mede te deelen, aan welk verzoek deze gaarne voldeed. In opgewonden bewoordingen deed hij Walewein verslag van de jacht op het wilde zwijn en beschreef hem de gevaren, die hij en zijne ridders daarbij getrotseerd hadden. Vol lof verklaarde onze held, dat hij nog nimmer zulk een reusachtigen kop gezien had, als die, welken de graaf als zegeteeken meegebracht had en prees de dapperheid en behendigheid van de jagers.

Weldra kondigden drie bazuinstooten aan, dat de avondmaaltijd gereed was en de gasten schikten zich om den welvoorzienen disch, dien zij alle eer bewezen. ’s Avonds zat men onder gezelligen kout te zamen en menig jachtverhaal deed de ronde. Walewein was opnieuw de eereplaats aangewezen naast de bekoorlijke gravin en deze deed al wat zij kon om hem te behagen. Alvorens een ieder zich naar zijn slaapvertrek begaf, wendde Walewein zich tot den graaf en gaf zijn verlangen te kennen om den volgenden morgen te vertrekken, maar deze wilde er niets van hooren!

“De groene kapel bevindt zich slechts een halfuur gaans van hier”, sprak hij. “Wanneer gij u dus op Nieuwjaarsmorgen tijdig daarheen begeeft, kunt gij er zeker van zijn, daar niet te laat te komen. Vertrouw op mij, ik zal zorgen, dat gij uw afspraak houdt!”

Zoo liet Walewein zich overhalen, om nog een nacht in het slot te vertoeven en de overeenkomst tusschen hem en den graaf werd hernieuwd.

De laatste was opnieuw vroeg uit de veeren en bij het aanbreken van den dag reed hij met zijne ridders uit op de vossenjacht. Er heerschte eene doodsche stilte in de natuur; na de sneeuwjacht van den vorigen avond was het gaan vriezen en de ruiters moesten de uiterste voorzichtigheid gebruiken om hunne paarden voor vallen te behoeden. De lucht was grijs en strak, nu en dan viel een enkele sneeuwvlok als aankondiging van een nieuwe bui. Langzaam reed het gezelschap de poort uit, een vlugge draf was voorloopig onmogelijk, maar tusschen de boomen, waar het meer beschut was, werd de grond zachter en kwamen de paarden vlugger vooruit. Plotseling kondigde een luid geblaf aan, dat de honden het spoor van den vos ontdekt hadden en in versnelden draf ging het nu voorwaarts. Na verloop van eenigen tijd kwam de vos in het gezicht en nu werd het een dolle wedren: voorop de vos, als een donker stipje tegen de witte sneeuwvlakte, daarachter een verward kluwen van honden, wier hijgend blaffen zich vermengde met de uitroepen der jagers, die ze tot meerderen spoed aanspoorden. De vos gaf zich echter niet spoedig gewonnen; zonder zijne vaart te verminderen snelde hij door het struikgewas, over oneffenheden in den bodem en afgewaaide takken en de afstand, die hem van zijne vervolgers scheidden werd niet kleiner. Tenslotte zonderde de graaf zich af van het overige gezelschap en reed in een wijden boog in de richting, die de vos moest nemen. Toen deze het gevaar bemerkte dat hem dreigde, maakte hij eene zijwaartsche zwenking, maar geraakte hierdoor binnen het bereik der honden. Een van hen greep hem tusschen de tanden en beet hem dood. De graaf echter nam hem het wild uit den bek en, den vos triomfantelijk boven het hoofd zwaaiend kondigde hij met een luid hallo-geroep het welslagen van de jacht aan. Allen snelden toe en prezen den buit, daarop werd Reinaert ontdaan van zijne vacht en voerde men deze als zegeteeken mee naar huis.

In het slot wachtte men in vroolijke stemming de thuiskomst der jagers af. ’s Morgens vroeg, eer de achtergebleven slotbewoners ontwaakt waren, was de gravin tot een laatst bezoek in het slaapvertrek van Walewein binnengeslopen. Deze had ditmaal hare komst wakend afgewacht. Het hoefgetrappel der jachtpaarden had hem uit een diepen, droomloozen slaap gewekt en de spanning of zijne schoone gastvrouw opnieuw zou komen, had hem belet weer in te sluimeren. Hij behoefde trouwens niet lang te wachten. Nauwelijks waren de geluiden der vertrekkende jagers verstomd, of hij zag, hoe de deurknop voorzichtig werd omgedraaid en in de grijze ochtendschemering sloop een slanke gedaante het vertrek binnen.

De gravin droeg een wijden karmozijnrooden mantel, met kostbaar bont omzoomd, die haren hals en armen geheel vrij liet. Om den hals droeg zij een snoer paarlen en edelsteenen lichtten tusschen hare donkere vlechten. Op het venster toetredend, schoof zij de gordijnen opzij om het morgenlicht door te laten, daarna bukte zij zich over den ridder, die bij hare binnenkomst de oogen had gesloten en kuste hem op den mond, zeggend:

“Ontwaak, edele heer! de morgen is aangebroken en uwe dienares is hier, die u vaarwel wil zeggen, eer gij uw gevaarvollen tocht gaat ondernemen. Het is ons laatste samenzijn, laat ons ervan genieten zoolang het duurt, want morgen zijt ge ver van hier!”

Bij het voelen harer warme lippen op de zijne, doortrilde Walewein een schok van blijde verrassing en toen hij daarna de oogen opsloeg en hare schoonheid en lieftalligheid in zich opnam, moest hij zich geweld aandoen, om haar niet in zijne armen te nemen. Met kracht balde hij de vuisten samen onder het dek en zijn stem klonk onvast, toen hij zeide: “Goeden morgen, liefste! Hoe zal ik u danken voor de eer en gunst, die ge mij betoont, door ten derden male mij te bezoeken!”

“Er is slechts ééne wijze, waarop ge mij uwe dankbaarheid kunt betoonen,” sprak de gravin, “en die kan ik u niet zeggen, gijzelve moet die raden!”

Maar al te goed wist Walewein, waar zijne schoone bezoekster op doelde, maar tevens wist hij dat, zoo hij haren wenk opvolgde, hij in de oogen van zichzelven en allen, die het hoorden, een eerloos man zou zijn. Daarom trachtte hij, hoeveel moeite het hem ook kostte, het gesprek eene andere wending te geven. Voor eene wijle gelukte het hem, maar spoedig bracht een teedere blik van de gravin hem opnieuw in verwarring en er viel eene pijnlijke stilte.

“Zeg mij, Heer Walewein”, sprak de gravin, “of gij op aarde eene liefste hebt, die gij boven alle andere vrouwen vereert en bemint? Zoo ja, noem mij haar dan eerlijk!” “Op mijn woord, schoone vrouwe, antwoordde Walewein, “in heel de wijde wereld ken ik geene vrouw, die schooner of lieftalliger is dan gij. Ik ben echter geen meester van mijn hart, daar ik gezworen heb vóór alle dingen deze onderneming tot een goed einde te brengen. Ik mag dus geene andere gedachten hebben dan die, welke het avontuur met den groenen ridder betreffen”.

Zuchtend boog de gravin het hoofd.

“Welnu dan”, sprak zij, “indien wij werkelijk scheiden moeten, geef mij dan een aandenken aan onze vriendschap, dat mij de uren van verlangen naar u zal helpen verlichten; eene kleinigheid, zij het slechts een handschoen, dien gij gedragen hebt, zal mij troosten in uwe afwezigheid.”

“Helaas”, antwoordde de ridder, “wat zal ik u geven? Bij het aanvaarden van mijn eenzamen en gevaarvollen tocht heb ik alles, wat ik aan kostbare kleinoodiën bezat, aan het hof achtergelaten. Had ik slechts mijne koffers hier, dan zou ik een schat van sieraden aan uwe voeten uitschudden en u verzoeken het mooiste en kostbaarste eruit als eene herinnering aan mij te willen aannemen. Eene vrouw als gij, biedt men toch immers niet een simpelen handschoen als aandenken aan?”

“Bekommer u niet langer over mijne vraag”, antwoordde de gravin, “ook zonder tastbaar aandenken zal ik u niet vergeten! Wanneer ge mij echter geene gedachtenis schenken wilt, zoo kunt ge toch zonder bezwaar een klein geschenk van mij aannemen. Ziehier een ring, dien ik nacht en dag aan den vinger draag. Mag ik u dien geven als herinnering aan uw verblijf te mijnent?” Maar Walewein schudde afwijzend het hoofd. “Zulk een kostbaar geschenk kan ik niet van u aannemen, zonder u daar mijnerzijds iets voor terug te geven,” sprak hij. “Vergeef mij, indien ik onhoffelijk schijn, maar onder deze omstandigheden zou uw geschenk mij geen genoegen doen!” “Het zij zoo”, antwoordde de gravin, “en tegen uwe bezwaren kan ik niets inbrengen, maar ziehier dan een ander geschenk, dat eenvoudiger schijnt en bijkans onwaardig om het aan een edel ridder, als gij zijt, aan te bieden. Moge het echter al eene simpele gift schijnen, zoo bevat zij voor hem, die ze kent, hoedanigheden van onschatbare waarde!” Onder het spreken had zij haren mantel teruggeslagen en gespte nu een groen zijden gordel los, die haar middel omsloot. Toen zij hem aan Walewein voorhield, werd zijn oog verblind door de schitterende kwartsen, waarmede hij bezet was. In alle tinten en kleuren glinsterden zij hem tegen, maar de meesten waren groen als de zijde zelf, van eene eigenaardige, doorschijnend groene tint. Weer schudde Walewein het hoofd, maar vóór hij iets zeggen kon, sprak de gravin op nog dringerder toon dan te voren: “Weiger mijn geschenk niet, alvorens ik u de verborgen hoedanigheden ervan heb medegedeeld. Hij, die dezen gordel draagt is onkwetsbaar, geen lans- of pijlpunt kan hem deren, geen zwaardslag kan hem eenig letsel toebrengen. Denk aan den naderenden strijd en neem den gordel aan, die u beschermen zal tegen de aanvallen van den groenen ridder! Eén ding moet ge mij echter beloven: dat gij niet aan mijn echtgenoot zult verraden, welk geschenk ik u gegeven heb!”

Mythologische vogel.
Mythologische vogel.

Hoe Walewein van de gravin een gordel ten geschenke kreeg. Walewein dacht eenige oogenblikken na over hare woorden en kon het zich niet verhelen, dat de gordel hem in de komende dagen van groot nut zou kunnen zijn. Hoe zou hij zonder een dergelijk beschermmiddel eenige kans hebben om den slag, dien de groene ridder hem volgens afspraak mocht toebrengen, te overleven? Mocht hij dan deze gelegenheid voorbij laten gaan, die hem een uitkomst bood? Hij was toch nog te jong om te sterven; het leven beloofde hem nog zooveel schoons en heerlijks! Roem, liefde, eerbetoon en macht, alles hield de toekomst nog in haren schoot verborgen en dat alles zou hij moeten missen door deze toevallige overeenkomst met een bloeddorstigen vreemdeling? Neen, een dwaas zou hij zijn om niet het middel aan te grijpen, dat hem tot redding geboden werd, en vriendelijk lachend nam hij den gordel uit de handen zijner schoone bezoekster aan, zeggend: “Zulk een geschenk en op zulk eene wijze aangeboden, mag ik niet weigeren. Ontvang daarom mijn dank, schoone vrouwe, voor uwe waardevolle gift en wees overtuigd, dat ik bij het dragen steeds de bevallige geefster zal gedenken.”

Nog langen tijd nadien bleven beiden te zamen en toen de gravin afscheid nam had zij Walewein tot drie malen toe gekust.

De morgen verstreek en in den middag kwam het gezelschap van de jacht terug. Met blijde voldoening overhandigde de graaf zijn gast de buit van dien dag en ontving daarvoor van Walewein drie kussen. Van den groenen gordel werd echter met geen woord gerept.

De laatste avond van Waleweins verblijf in het kasteel werd met grooten luister gevierd. Een keur van uitgezochte spijzen wachtte op den feestelijk gedekten tafel, en na afloop van den maaltijd werd het gezelschap vermaakt door de zoetvloeiende liederen der minstreelen. Maar al te gauw was de avond voorbij en brak het oogenblik van scheiden aan. Toen allen zich gereed maakten om zich naar hunne slaapvertrekken te begeven, naderde Walewein zijn gastheer en betuigde hem zijnen dank voor zijn gastvrij onthaal. Nooit, zoo zeide hij, zou hij de genotvolle dagen vergeten, die hij op het slot had mogen doorbrengen en die hem na de geleden ontberingen van zijn wintersche reis, dubbel schoon waren voorgekomen. Hij gaf hem zijn leedwezen te kennen over het feit, dat hij den volgenden morgen vertrekken moest en herinnerde zijn gastheer aan zijne belofte om hem een dienaar als gids aan te wijzen. De graaf beval daarop een zijner schildknapen zich gereed te houden om met Walewein mede te gaan en toen deze met hem was overeengekomen, op welk uur zij zouden vertrekken, begaf onze held zich naar het gezelschap der edelvrouwen om ook van haar afscheid te nemen.

Eenmaal nog zag hij in de schoone oogen der gravin en kuste haar de hand, daarna wendde hij zich af en begaf zich naar zijn slaapvertrek. Hij kon echter den slaap niet vatten, de gebeurtenissen der laatste dagen trokken als een bonte stoet van kleurige tafereelen door zijn brein. Nu eens hoorde hij de zachte stem der gravin, die hem teedere woorden toefluisterde, dan weer klonk hem het hoorngeschal der terugkeerende jagers in de ooren. Voor zijne oogen zag hij de zaal van het kasteel met de sierlijk gekleede ridders en edelvrouwen, waartusschen telkens het donkergelokte hoofd zijner gastvrouw in hare bloeiende schoonheid opdook. Wanneer hij dan met geweld zijne gedachten in de toekomst liet gaan, rees voor zijne verbeelding het sombere woud zijner omzwervingen omhoog, en hij rilde onder de donzen dekens bij de gedachte aan wat hem daarginds te wachten stond.

Toen hij eindelijk insliep, was zijn slaap onrustig, in zijne droomen streed hij tegen den groenen ridder, die steeds grooter en grooter werd, naarmate het gevecht voortduurde. Wanhopig zwaaide hij zijn zwaard, maar het scheen, of hij al verder en verder in ’t niet zonk tegenover de reusachtige afmetingen van zijn tegenstander. Badende in zijn zweet werd hij bij het eerste morgenkrieken gewekt door den schildknaap van den graaf. Huiverend zag hij rond in het grauwe morgenlicht van zijn vertrek. Hoe geheel anders was zijn ontwaken de laatste dagen geweest, toen de lieflijke stem eener schoone vrouw hem uit den slaap gewekt had en de dag hem een onafgebroken reeks van genotvolle uren beloofde! Maar niet lang gaf hij zich over aan dergelijke overpeinzingen. Zijn lichaam voelde hij versterkt na de dagen van rust, zijn geest was helder en de spieren van zijn arm waren krachtig en lenig: wat zou hij dan vreezen? Zijne oude strijdlust werd bij hem wakker, met voldoening bezag hij zijne glimmend gepoetste wapenen en greep zijne hand naar het gevest van zijn zwaard. Was hij niet Walewein, de gevreesde, die nog nooit in den strijd het onderspit had moeten delven? En zou hij nu opzien tegen de ontmoeting met dezen onbekenden vreemdeling, hij, tegen wien de vermaardste ridders ter wereld den strijd hadden moeten opgeven?

Met een gevoel van krachtigen overmoed daalde Walewein de trappen af en begaf zich na een haastig ontbijt genuttigd te hebben naar buiten, waar Gringalet hem wachtte. Hij steeg te paard en reed, gevolgd door den dienaar, de slotpoort uit, nog eenmaal zag hij omhoog naar de bovenvensters van het kasteel en onwillekeurig tastten zijne vingers naar zijne linkerzijde, waar onder zijne wapenrusting de groene gordel verborgen was, daarop richtte hij zijn blik vooruit en vervolgde zijn weg zonder verder om te zien. Eene dichte sneeuwjacht belette hem verder dan enkele passen voor zich uit te zien, een hevige stormwind joeg de sneeuw te zamen in de holten en kuilen terzijde van den weg, de takken der boomen kraakten en zuchtten onder den zwaren sneeuwlast, maar verder verbrak geen geluid de stilte; de dieren van het woud hielden zich schuil tot de storm bedaard zou zijn.

De weg, dien de schildknaap hem aanwees, voerde de ruiters omhoog tusschen de heuvels, waarvan de toppen in een dikken mist gehuld waren. Juist op dat oogenblik hield het op met sneeuwen en brak de zon door, die het gansche landschap met hare schitterende stralen overgoot. Als een glinsterend wit kleed lag de sneeuw over de bosschen en velden, waartegen een vlucht van donkere vogels scherp afstak.

Waleweins gids maakte nu een teeken met de hand om den held aan te duiden, dat zij hier stil moesten houden en sprak: “Edele heer, wij zijn hier op eene plek gekomen, die niet ver van de groene kapel verwijderd is. Aan uw wensch is dus voldaan. Van hier uit kunt gij verder ook zonder mijne hulp de plaats uwer bestemming bereiken. Vóór gij u echter daarheen begeeft, moet ik u waarschuwen tegen hem, dien gij daar vinden zult. De groene ridder, zooals hij zich noemt, is een monster in menschengedaante. Niets en niemand is veilig voor hem. Een ieder, die aan zijne woning voorbijgaat: heer of knecht, oud of jong, rijk of arm, allen doodt hij met een slag van zijn zwaard. Bezin u dus goed, alvorens u in zijne nabijheid te wagen. Het ware te betreuren, indien een edel ridder als gij, ook als slachtoffer van zijn wreed begeeren zou moeten vallen. Daarom raad ik u dit: verlaat dit oord, eer het te laat is en ik zweer u, bij alles wat mij heilig is, dat ik geen sterveling zal verraden, dat gij het gevaar ontvlucht zijt!” Walewein echter schudde lachend het hoofd: “Heb dank, beste vriend, voor uwe goede bedoeling, maar wat uw raad betreft: nog nooit heeft Walewein de vlucht genomen en ook ditmaal zal hij het niet doen! Nooit zal men mij van lafhartigheid kunnen beschuldigen, ook nu niet. Daarom ben ik vast besloten den groenen ridder op te zoeken en hem, getrouw aan mijne belofte, mijn hoofd tot den zwaardslag aan te bieden.” “Het zij zoo”, hervatte de schildknaap, “gij weet nu, dat ik u gewaarschuwd heb, moge God u bijstaan! Wanneer gij dus tot elken prijs uw leven wilt wagen, rijd dan dit pad af tot ge in het dal komt. Daar zult gij spoedig de groene kapel ontdekken. Vaarwel!”

Walewein komt bij de groene kapel.
Walewein komt bij de groene kapel.

Walewein komt bij de groene kapel.

Walewein sloeg het aangewezen pad in, dat met vele kronkelingen langs een hoogen rotswand de heuvel afdaalde. Hier en daar had hij moeite zijn paard op de been te houden op den gladden, besneeuwden rotsbodem, maar ten slotte belandde hij veilig en wel in het dal, dat aan alle zijden door hooge heuvels was ingesloten. Op deze beschutte plek voelde men bijkans geen wind en de donkere stammen der denneboomen staken onbeweeglijk omhoog in de ijle winterlucht. Behoedzaam spiedde Walewein om zich heen, of hij ergens een spoor van eene kapel kon ontdekken, maar nergens trof zijn oog iets anders dan besneeuwde boomen en struiken. Door het dal stroomde een beekje, aan welks oever de ridder op eenigen afstand eene kogelvormige verhevenheid ontdekte. Getroffen door den eigenaardigen vorm van deze oneffenheid in den bodem begaf Walewein zich er heen, bond zijn paard aan een naastbijzijnden boom en ging voorzichtig op den vreemden heuvel af.

Naderbij gekomen bemerkte hij, dat er zich aan ééne zijde eene opening bevond, die toegang scheen te geven tot een donker hol. De rotsspelonk, want dit scheen het te zijn, was geheel begroeid met gras, nu bedekt met sneeuw, dat zich als een koepelvormig dak er over heen welfde. Hoever het hol zich daarbinnen uitstrekte kon men van buiten af niet bepalen, het eenige wat men door de opening zag, was een donkere afgrond, waaruit een kille aardlucht naar buiten drong. Het geheel maakte zoo’n somberen indruk, dat de held bij het zien ervan haastig een kruis sloeg en uitriep: “Eene geschikte plaats voor den groenen ridder om zijne godsdienstoefeningen te houden! Hij kan er zeker van zijn, dat de duivel in eigen persoon tegenwoordig zal zijn!”

Nauwelijks waren deze woorden over zijne lippen gekomen, of een doordringende kreet drong van de overzijde der beek tot hem door en zich omwendend zag hij tusschen de hooge struiken den groenen ridder te voorschijn komen. Onheilspellend rolden zijne oogen en dreigend zwaaide hij eene gloednieuwe, glinsterende strijdbijl in zijne rechterhand. Aan de beek gekomen, sprong hij er over heen en schreed met lange stappen op Walewein toe. Deze wachtte hem rustig af, de vuist om het gevest van zijn zwaard geklemd en toen de vreemdeling hem genaderd was, sprak Walewein met vaste, rustige stem: “Goeden dag, heer ridder! Getrouw aan onze overeenkomst, die wij heden voor een jaar gesloten hebben, ben ik hier gekomen om een slag van u te ontvangen in ruil voor dien, welken ik u een jaar geleden gaf!”

De groene ridder boog groetend het hoofd en zeide:

“Gij hebt uwe belofte gehouden, zooals dit een edelman betaamt. Het oogenblik is aangebroken, waarop ik u den slag kan teruggeven, dien ik van u mocht ontvangen. Daarom verzoek ik u, om uwen hals te ontblooten.”

Walewein voldeed aan zijn verlangen. Hij zag nog eenmaal omhoog in de helderblauwe lucht, die hij dacht nooit weder te zien, daarna boog hij het hoofd en sloot de oogen. Hij hoorde hoe de groene ridder met boosaardig lachen de bijl omhoog zwaaide en die toen duizelend door de lucht neer deed komen. Toen het wapen aldus op zijn nek dreigde neer te komen, maakte Walewein onwillekeurig eene terugtrekkende beweging met de schouders, maar zoodra zijn vijand dit bespeurde, stuitte hij het wapen in zijne vaart en riep toornig uit: “Schaam u, Heer Walewein! gij, die beroemd zijt om uwe dapperheid en die toch reeds beeft van vrees, nog eer gij eenig letsel hebt bekomen. Toen gij mij geslagen hebt, toonde ik in geene enkele beweging, dat ik uwen aanval vreesde, en zelfs toen ik mijn hoofd moest verliezen, heb ik nog niet het hazenpad gekozen. Daarom durf ik zeggen, dat ik dapperder ben dan gij en dat men ten onrechte u prijst als een der onversaagdste ridders van het land.”

Diep beschaamd hoorde Walewein zijne woorden aan en na eenig stilzwijgen sprak hij: “Gij hebt gelijk, het was laf en onridderlijk van mij om angst te toonen, maar geloof mij, het zal mij geen tweede maal overkomen. Daarom, sla toe, wat ik u bidden mag!” “Welnu dan,” antwoordde de groene ridder, “uw wensch worde vervuld!” Onder het zeggen van deze woorden hief hij zijne bijl omhoog en zwaaide hem door de lucht, maar alvorens hij den hals van zijn vijand aanraakte, hield hij opnieuw het wapen tegen en sprak goedkeurend tot Walewein: “Inderdaad, nu zie ik, dat gij een dapper ridder zijt, want uwe schouders verroeren zich niet, hoewel het wapen des doods er boven zweeft!” Onze held echter, die slechts door de uiterste wilsinspanning zijne kalmte wist te bewaren, ontstak in toorn over dit nieuwe oponthoud en sprak heftig: “Draal niet langer, heer! maar breng mij den slag toe, die voor mij bestemd is. Daarna kunnen wij verder spreken!”

“Ziehier dan!” riep de groene ridder met donderende stem en nog eens hoorde Walewein het duizelend geluid, waarmee het wapen de lucht doorkliefde. Hij sloot de oogen, klemde de vuisten opeen en bereidde zich voor op den dood. Wie beschrijft echter zijne verbazing, toen hij voelde, hoe de bijl slechts aarzelend zijn hals scheen aan te raken. Wel drong de scherpe snede van het wapen door de opperhuid en zag hij, hoe zijn bloed in langzame druppels op de sneeuw neerviel, maar daarna scheen het of eene hand de bijl terugtrok uit de wonde en ongedeerd kon hij het hoofd omhoog heffen. Toen was het ook met zijn geduld gedaan. Bliksemsnel richtte hij zich op uit zijne bukkende houding, met vaste hand omknelde hij het gevest van zijn zwaard en het scheen, of alle vreugde om het verloren gewaande en nu herwonnen leven zich uitte in zijne stem, toen hij zegevierend uitriep: “Tot hiertoe en niet verder, edele heer! Aan de bepalingen onzer overeenkomst is voldaan en van nu af aan behoud ik mij het recht voor, om uwe aanvallen met het zwaard in de vuist af te wachten. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of tot zijne groote verbazing barstte de groene ridder los in een luid gelach, dat de lucht met een schallend geluid vervulde en door de kale rotswanden werd weerkaatst. Het scheen of er geen eind aan zijne vroolijkheid kon komen, blazend en proestend leunde hij op zijne bijl en schudde heen en weer, telkens uitbarstend in een nieuwen aanval van lachen. Eindelijk bedaarde hij en sprak, zich de tranen van ’t lachen uit de oogen wisschend: “Houd het mij ten goede, heer ridder, dat ik aldus uiting geef aan mijn gevoel, maar het spel, dat wij hier gespeeld hebben, is ook zóó kostelijk, dat ik moet lachen, of ik wil of niet, en gij zult hetzelfde doen, daar ben ik zeker van, wanneer ik u verteld heb, hoe de zaak zich heeft toegedragen. Maar alvorens ik hiertoe over ga, moet ik u verzoeken, uw zwaard in de scheede te steken en het daar te laten tot zich eene betere gelegenheid voordoet om het te gebruiken. Geloof mij, hij, dien gij voor u ziet, is uw vriend en elke vijandige bedoeling is verre van hem.”

Aarzelend stak Walewein zijn zwaard in de scheede. Het gansche tooneel leek hem een verwarde droom, waaruit hij zoo straks tot de werkelijkheid zou ontwaken. Waarom had de groene ridder hem gespaard, inplaats van zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen en vanwaar thans die uitbundige vroolijkheid en die vriendschappelijke bejegening, waar zij toch kort geleden als vijanden tegenover elkander hadden gestaan?

De groene ridder bemerkte zijne verwarring en kwam lachend op hem toe. “Gij staat verbaasd, Heer Walewein en dat niet geheel zonder reden,” sprak hij, “maar wat u thans zoo zonderling toeschijnt, kan ik u met een enkel woord verklaren. Weet dan allereerst, dat mijn naam is Bernlak de Hautdesert en dat het kasteel, waar gij de laatste week hebt doorgebracht, het mijne is. Dat ge mij niet herkendet, toen ik u bij uwe aankomst begroette en dat gij in mij ook thans niet de gelijkenis met uw gastheer terugvindt, dank ik aan de tooverkunst van Morgan Le Fay, de vermaarde toovenares, die, zoo zegt men, bij den grooten Merlijn in de leer is geweest. Zij was het, die mij de gestalte verleende van den groenen ridder en die mij naar het hof des konings zond, deels om de dapperheid der ridders van de Ronde Tafel op de proef te stellen, deels om hare aartsvijandin, koningin Ginevra, een schrik te bezorgen, die haar wellicht noodlottig zou zijn. Morgan Le Fay, met wie ik in verre bloedverwantschap sta, vertoeft als gast in mijn huis en is niemand anders dan de oude vrouw, in wier gezelschap gij mijne gemalin voor ’t eerst begroettet. Toen zij mij voorstelde, om haar in haar plan behulpzaam te zijn, heb ik gaarne toegestemd, want ook ik verlangde, om de beroemde ridderschap der Ronde Tafel eens met eigen oogen te zien en bovendien was elke afleiding mij welkom. De winter is lang in eene woeste, eenzame streek als deze en een tocht naar het hof van koning Arthur bood eene niet te versmaden afwisseling. Ziedaar dus, hoe ik er toe kwam om als tooverfiguur aan het hof te verschijnen en er schrik en ontsteltenis te verspreiden. Reeds dadelijk trof mij aldaar uw moedig optreden en het deed mij genoegen, dat gij het waart, die mijn gast zou zijn dezen winter, want ook dit was door Morgan vooraf bepaald. Van wat gedurende uw verblijf ten mijnent zich tusschen u en mijne vrouw heeft afgespeeld, ben ik geheel op de hoogte. Ikzelf gaf haar bevel om u te bezoeken, ten einde uwe gevoelens van eer en trouw op de proef te stellen. Gij hebt het vertrouwen, dat ik in u stelde niet beschaamd gemaakt, maar u gedragen als een edel ridder behoort te doen. Daarom heb ik u heden gespaard en u slechts in schijn den slag teruggegeven, die u krachtens onze overeenkomst toekwam. De eerste twee slagen, die ik voorwendde u te geven, waren eene straf voor de kussen, die gij van mijne vrouw ontvingt, maar omdat gij ze mij des avonds eerlijk terug hebt gegeven, waren mijne slagen slechts geveinsd. De derde maal echter hebt gij tegen onze afspraak gezondigd door te verzwijgen, dat gij den groenen gordel als geschenk van haar hadt aanvaard. Om u daarvoor te straffen, heb ik u met de punt van mijne bijl geraakt, echter zonder u ernstig verwonden, want ik wist dat uw zwijgen slechts voortkwam uit den natuurlijken drang tot zelfbehoud, die elk mensch is aangeboren. Thans weet ge alles en rest mij slechts, u te verzoeken, mij te volgen naar mijn kasteel en aldaar met mij en de mijnen het Nieuwjaarsfeest te blijven vieren.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings