DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.
Reading edition
“Iseult ma drue, Iseult m’amie, En vus ma mort, en vus ma vie.”
(Thomas: “Roman de Tristan”).


Hoe graaf Rivalin van Ermonie naar het hof van koning Mark kwam, om zich de hoofsche gebruiken eigen te maken. Lange jaren geleden leefde er in Ermonie, eene landstreek van het hertogdom Bretagne, een jong en dapper edelman, Rivalin genaamd. Ondanks zijn jeugdigen leeftijd werd hij alom geprezen als een toonbeeld van ridderlijke deugden en vele ridders trokken op naar zijn burcht, om onder zijne leiding zich te bekwamen in de kundigheden, die het een ridder past, zich eigen te maken. Behalve over het erfdeel zijner vaderen, voerde de jonge graaf het bestuur over een aanzienlijk grondgebied, dat behoorde aan zijn leenheer, hertog Morgan. Deze laatste nu werd door het gansche volk gehaat en gevreesd om zijne hardheid en wreedheid, geen wonder dus dat Rivalin steeds op middelen zon, om zich van den drukkenden last van zijn leenmanschap te bevrijden. Toen hij daarom den volwassen leeftijd had bereikt en zag, hoe zijne ridders en dienaren hem aanhingen in trouw en genegenheid, besloot hij eene kans te wagen om dien gehaten druk van zijne schouders te werpen. In alle stilte maakte hij zich op ten strijde en toen hij de kans schoon zag, deed hij geheel onverwachts een inval in het land van hertog Morgan. Zoozeer waren zijne volgelingen bezield met moed en bewondering voor hunnen jongen heer en zóózeer haatten zij den boozen hertog, dat de in aantal veel sterkere strijdkrachten van dezen laatste in verwarring op de vlucht sloegen voor hun onstuimigen aanval. Weldra was Rivalin met zijn leger genaderd tot voor de poorten der hoofdstad en hertog Morgan, wilde hij eene smadelijke overgave voorkomen, moest wel toestemmen in de voorwaarden, die zijne belegeraars hem oplegden. Uiterlijk kalm, maar inwendig kokend van woede en wraaklust, teekende hij het gezegeld document, dat Rivalin’s onafhankelijkheid bekrachtigde. Daarop trok deze met zijn leger terug naar Ermonie, waar hij met gejuich en eerbetoon door het volk begroet werd.
Na eenige jaren rustig over zijn land geregeerd te hebben, voelde Rivalin een drang in zich ontwaken, om de wereld in te trekken en vreemde landen en volkeren te leeren kennen. Hij gevoelde zich beklemd door de enge grenzen van zijn graafschap en eene kwellende onrust maakte zich meester van zijn gemoed, waar tot heden slechts geluk en tevredenheid hadden gezeteld. De hulde en eerbied van zijne onderdanen voldeden hem niet langer; het verdroot hem om steeds de eerste te zijn, voor wien alles zich boog in nederige onderworpenheid, ook hij wilde op zijne beurt dienen, maar dan één, die hooger, machtiger en sterker was dan hij.
Daarom besloot hij het bestuur over zijn land voor eenigen tijd toe te vertrouwen aan Rohand, zijn trouwsten dienaar en zich met eenige volgelingen op reis te begeven naar het rijk van koning Mark van Cornwallis, aan wiens hof, zoo zeide men, de dapperste ridders ter wereld te vinden waren.
Hij koos dus een twaalftal zijner meest geliefde ridders uit en beval hen, zich reisvaardig te maken, tevens liet hij een schip uitrusten en bevrachtte het met eene lading van kostbare geschenken. Op een mooien lentemorgen ging het gezelschap aan boord en stevende met een gunstigen wind de haven uit. Na eene voorspoedige zeereis kondigden de wachters tegen het vallen van den avond aan, dat er land in ’t zicht was, men liet het anker vallen, daar het onmogelijk was om in de vallende duisternis eene veilige landingsplaats te vinden, en eerst den volgenden morgen vroeg werd de reis voortgezet.
Steil en ongenaakbaar rezen de hooge rotsen van Cornwallis omhoog uit de zee, die zich als een onmetelijk blauw vlak tot aan den horizon uitstrekte. Geen windje beroerde den waterspiegel, slechts aan den voet der grijze rotswanden krulde een witte rand schuim. Hoog boven de zee op een der hoogste klippen, wier wanden schier loodrecht uit het water oprezen, lag het kasteel van Tintagel, waar koning Mark den langsten tijd van het jaar verblijf placht te houden. Trotsch en ontoegankelijk als de rots, waarop het rustte, bood het slot inderdaad eene geschikte woning aan voor een machtig vorst. De hooge muren waren opgetrokken uit den grijzen rotssteen, waarmede zij één geheel schenen uit te maken, de smalle vensters waren verscholen in diepe nissen en reeds bij den eersten aanblik zag men, dat noch de woede der elementen, noch de stormrammen van vijandelijke aanvallen in staat zouden zijn, om deze muren te doen bezwijken.
Eerbiedig staarden de schepelingen omhoog naar het fiere slot, van welks hoogsten toren de koninklijke standaard uithing. Nadat zij eenigen tijd heen en weer gekruist hadden, bemerkten zij, hoe op één punt, waar de rotsen een natuurlijken inham vormden, eene breede trap was uitgehouwen, welke toegang tot het kasteel scheen te verleenen. Weldra lag het schip voor anker en zond Rivalin twee boodschappers omhoog, die koning Mark zijn bezoek moesten aankondigen. Na verloop van eenigen tijd keerden zij terug, gevolgd door een aantal ridders, die den jongen graaf op de meest hoffelijke wijze verzochten, hen naar den koning te volgen.
Gaarne gaf Rivalin gehoor aan dat vriendelijke verzoek en steeg met zijne begeleiders langs de breede trappen omhoog. Hoe klopte daarbij zijn hart van vreugdevolle verwachting, nu hij op het punt stond zijne droomen en verlangens der laatste jaren in vervulling te zien gaan!
Op het ruime voorplein van het koninklijk slot stond een uitgelezen gezelschap van hovelingen en ridders geschaard om den jongen koning, wiens tengere gestalte gehuld was in een ruim kleed van purperen zijde. Zijne gelaatstrekken waren scherp en onregelmatig, onder de zware, donkere wenkbrauwen lichtten de oogen met een onrustigen glans en om de smalle lippen speelde een weemoedige glimlach. Eerbiedig naderde Rivalin zijn koninklijken gastheer, wiens roem ook tot zijn afgelegen graafschap was doorgedrongen. Dit was dus koning Mark, hij, van wiens dapperheid en moed de rondreizende zangers plachten te gewagen en wiens hoffeesten zij in hunne gedichten in gloeiende kleuren bezongen.
In leeftijd verschilde hij niet veel van Rivalin, maar toch groefden zich reeds diepe lijnen om den mond van den jongen vorst, die schenen aan te duiden, dat eene kroon soms zwaarder drukken kan, dan men wel zou gelooven en dat de strijd en de zorgen van het leven ook een koning niet bespaard blijven. Thans echter, nu hij naar voren trad om zijn gast te begroeten, verdreef een vriendelijke glimlach den bitteren trek van Mark’s gelaat en zijne stem klonk opgewekt, toen hij Rivalin welkom heette in zijn kasteel.
Half beschroomd, half vrijmoedig, verhaalde deze toen, wat de reden was van zijne komst. Hij zeide, dat hij niet langer tevreden was geweest met de trouwe onderdanigheid zijner landgenooten, omdat zijne ziel wegkwijnde van verlangen naar ruimer landstreken, waar hij zich het gezelschap van dapperder, wijzer en hoffelijker mannen dan hij was, ten nutte zou kunnen maken.
Toen hij ophield met spreken, voerde Mark hem aan de hand naar binnen in het slot en verzocht hem aan zijne zijde plaats te nemen. Op een wenk van Rivalin droegen toen zijne dienaren de koffers met geschenken naderbij, die hij van zijn land had medegebracht. Gehoor gevend aan zijn bevel, stalden zij een schat van kostbare voorwerpen aan de voeten des konings uit: rijk geborduurde mantels en zijden stoffen; kannen en drinkbekers van het zuiverste goud; zwaardscheeden, bezet met fonkelende edelsteenen, alles hoopte zich op tot eene glinsterende massa. Nadat de vorst zijne keuze gedaan en den gever zijn minzamen dank betuigd had, deelde Rivalin met kwistige hand de overigen geschenken uit onder de aanwezige vrouwen en ridders en deze mildheid, gevoegd aan het vriendelijk bescheiden optreden van den jongen graaf deden hem terstond een gunstigen indruk maken bij de volgelingen des konings. Met algemeene instemming begroetten zij dan ook Mark’s uitnoodiging aan Rivalin, om voor onbepaalden tijd op het slot te gast te zijn.
De weken vlogen om en allengs begon men toebereidselen te maken voor het Meifeest, dat steeds met grooten luister aan het hof gevierd werd. Naar alle zijden waren uitnoodigingen verzonden om de ridders op te wekken tot deelname aan het steekspel, dat de hoofdgebeurtenis der feestelijkheden was. Ten einde hierin uit te blinken oefenden de hovelingen zich iederen dag op het voorplein van het kasteel, waar zij door proeven in het schijfschieten en speerwerpen hun oog vast en hunne spieren krachtig en los poogden te maken. Rivalin was met hart en ziel betrokken bij de voorbereidselen tot dit groote feest; zijn vurigste wensch was om zich in het komende steekspel te onderscheiden en onvermoeid begaf hij zich elken dag opnieuw naar het terrein, waar de oefeningen gehouden werden. Wanneer hij dan des avonds met de andere ridders tezamen zat in de ruime slotzaal, schitterden zijne oogen van kracht en levenslust, een blos van gezondheid kleurde zijne wangen en zijn scherts en vroolijkheid sleepten het gansche gezelschap mede. Menige verstolen blik werd hem toegezonden vanuit den hoek der zaal, waar de edelvrouwen bijeen zaten, maar geene, die zóó vaak en zóó lang naar hem keek als Blanchefleur, de zuster des konings.
Fijngebouwd en slank was zij, de jonge prinses, en donker van haar, gelijk haar broeder, maar hare gelaatstrekken waren zacht en vriendelijk en hare oogen spiegelden in hunne kalme onschuld de reinheid harer ziel. Na den vroegtijdigen dood harer ouders, die zij nauwelijks gekend had, leefde zij aan het hof van haren broeder, waar zij in onbezorgde tevredenheid hare kinderjaren gesleten had onder de trouwe zorg harer voedster. Steeds was zij gelukkig en tevreden geweest en had zij voldoening gevonden in de kalme genoegens van haar afgezonderd bestaan: de lange ritten te paard aan de zijde van haar broeder, die meestal zwijgend voor zich uitstaarde en haar vroolijk gepraat maar half scheen te hooren; het balspel in de tuinen van het kasteel met hare vrienden en vriendinnen, die de koning zorgvuldig voor haar uitkoos onder de jongere leden der hofhouding en—waar zij misschien nog ’t meest van genoot—de lange winteravonden, als zij in haar torenkamertje zat en luisterde naar de verhalen uit lang vervlogen tijd, die hare trouwe verzorgster haar placht te vertellen. Dan, terwijl de wind gierde en raasde om de muren van den ouden toren, terwijl de meeuwen krijschten en de golven tegen de rotsen van Tintagel beukten, zat Blanchefleur aan de voeten der oude vrouw en luisterde in gespannen aandacht naar de wonderverhalen over lang gestorven ridders en hunne geliefden. Wanneer de vertelster zich dan uitputte in wijdloopige beschouwingen over de ongehoorde dapperheid en volmaaktheid harer helden, gebeurde het wel eens, dat de gedachten van het jonge meisje afdwaalden naar de toekomst, waarin ook zij woorden van liefde zou hooren uit den mond van een schoon en edel ridder, die om harentwil zou wenschen uit te blinken door daden van grooten moed.
Zoo waren hare kinderjaren verloopen en nu was zij volwassen en sinds eenigen tijd had haar broeder haar toegestaan, om deel te nemen aan het hofleven met zijne feesten en partijen. Van het oogenblik af, dat zij voor de eerste maal, schuchter en blozend, aan de hand des konings in het openbaar was verschenen, had men haar gehuldigd zooals men dat aan haren rang verschuldigd was, maar het duurde niet lang, of zij had bovendien aller harten gewonnen door hare eenvoudige lieftalligheid. Spoedig waren van wijd en zijd mededingers naar hare hand komen opdagen, maar tot nu toe had zij ze allen vriendelijk, maar beslist afgewezen. Zij voelde zich volmaakt gelukkig in het slot te Tintagel, waar iedereen zich vriendelijk en welwillend jegens haar betoonde en waar zij in kalme tevredenheid voortleefde, bewaakt en verzorgd door de vrienden harer kindsheid.
Maar vreemd, sinds eenigen tijd scheen het, of die rust en kalmte haar niet langer bevredigden. Wanneer zij met haar borduurraam was gezeten onder de groote boomen van het slotpark, dat aan de achterzijde van het kasteel langs de berghelling omlaag glooide, en luisterde naar de eentonige stem harer voedster, die de levensgeschiedenis van den een of anderen heilige voorlas, gebeurde het soms, dat zij, gedreven door een plotselingen tegenzin, het werk van haar schoot wierp, in eene bui van uitgelatenheid de arme vrouw om het middel greep en een wilden rondedans met haar uitvoerde. Dan weer kon zij urenlang met de handen in den schoot zitten peinzen, zij, die anders de ziel van het gezelschap was. Hare vrienden en bloedverwanten verbaasden zich weliswaar over de verandering, die in Blanchefleur had plaatsgegrepen, maar schreven die toe aan uiterlijke omstandigheden, zonder de ware oorzaak te vermoeden. Ook het jonge meisje zelve verkeerde daaromtrent geheel in ’t duister, zij gaf zich geen rekenschap van wat er in haar omging en liet zich slechts gaan op de stemming van het oogenblik.
Zoo brak de morgen van den eersten Meidag aan, den dag, waarop het groote steekspel zou beginnen. De rotsen van Tintagel baadden zich in het heldere morgenlicht, de zon goot hare stralen over den helderblauwen zeespiegel en over de groene weiden, die tusschen de rotsen waren gelegen, boven de glinsterende golfjes en tegen de kale rotswanden zwenkten de zeevogels en in de omgeving van het koninklijk slot heerschten leven en bedrijvigheid. Het middelpunt van al die ongewone drukte op dit vroege morgenuur was een groot veld, dat op eenigen afstand van het kasteel op de hoogvlakte lag. Daar draafden en zwoegden de knechten en werklieden, om het terrein voor het steekspel in gereedheid te brengen; daarheen begaven zich ook de poorters van de naburige kasteelen, die met hunne gezinnen naar het schouwspel kwamen kijken. In het midden van het veld was een vierkant stuk land opengehouden, dat als strijdperk dienst zou doen, terwijl aan alle klanten eene flinke ruimte voor de toeschouwers beschikbaar bleef. In die ruimte, langs één der zijden van het strijdperk, werden de tenten opgeslagen voor de leden der hofhouding. In het midden prijkte die van den vorst, waar het purperen tentdoek het koninklijk wapen, in goud geborduurd, te zien gaf, aan weerszijden stonden de tenten der ridders en hovelingen. Toen te twaalf ure de herauten het sein gaven, dat de strijd zou beginnen, had zich eene dichte haag van toeschouwers rondom het strijdperk opgesteld en ook bij de tenten der hofhouding was het een gekrioel van belang. De edelvrouwen hadden zich op het gras buiten hare tenten neergezet en geleken in hare kleurige kleederen op bontgetinte bloemen. De ridders, die niet aan het tournooi deelnamen, of die eerst later op den middag in het perk zouden treden, hadden zich aan hare voeten uitgestrekt en poogden door onderhoudende scherts hare gunsten te winnen. Hier en daar schoolden eenige jonge knapen bijeen en bespraken ijverig de kansen der strijdenden, of betastten de wapenrusting der ridders met een gevoel van naijver en bewondering. Dichtbij de koninklijke tent troonde Blanchefleur temidden harer vrouwen. Nooit had de jonge prinses er schooner en lieftalliger uitgezien dan op dezen dag, nu de opwinding over den komenden strijd hare wangen zachtrood kleurde en hare oogen heller deed glanzen. Hare donkere lokken werden bijeengehouden door een krans van witte rozen en een tuiltje van dezelfde bloemen stak tusschen de plooien van haar lichtgroen kleed. Vroolijk praatte en lachte zij met hare vriendinnen; alle onrust en neerslachtigheid schenen uit hare ziel verdwenen te zijn. Indien hare oogen ook gedurig afdwaalden naar het strijdperk, vanwaar het gekletter der wapenen en het gestamp der paardehoeven tot haar doordrong, welnu, dan was dit toch slechts eene zeer verklaarbare belangstelling in den strijd, die aller aandacht vroeg en gold die belangstelling ook niet alle dappere helden, die eraan deel namen? Zoo sprak en redeneerde het jonge meisje met zich zelve en wilde het zich niet bekennen, dat hare oogen onder de strijdenden slechts één ruiter zochten, dat hare ooren onder de uitroepen, waarmede de omstanders de vechtende ridders poogden aan te moedigen, slechts één naam onderscheidden, dien van Rivalin van Ermonie. Zij wilde zich verzetten tegen dien onweerstaanbaren drang van haar hart, die haar dwong om bij een jachtrit haar paard te sturen in de richting van het zijne, om zijne meening te stellen boven die der andere ridders en die haar elk feest, elk samenzijn doodsch en vervelend deden voorkomen, wanneer hij daarbij niet aanwezig was. En toch, naarmate de strijd in hevigheid toenam en ook het gevaar voor de deelnemers grooter werd, kon zij hare aandacht al minder en minder bepalen bij de luchtige gesprekken der toeschouwers. In angstige spanning hingen hare oogen aan die ééne ridderfiguur, wier wuivende vederbos hoog boven de verwarde kluwen van vechtende edellieden uitstak. Wanneer hij een oogenblik door de opjagende stofwolken aan het oog onttrokken werd, kromp haar hart ineen van angstige pijn en ademde zij eerst weer verruimd op, wanneer zij hem nog ongedeerd te paard bespeurde. Wat zij de laatste weken als eene kwellende onrust gevoeld en bestreden had, werd haar met het verstrijken der uren allengs duidelijker. Als eene heldere zekerheid drong zich de wetenschap aan haar op, dat zij dezen man lief had, zóó lief, dat, wanneer hij in den strijd den dood mocht vinden, het leven voor haar alle waarde verloren zou hebben.
Ten slotte was het gevecht beslist en onder de luide juichkreten der omstanders verliet Rivalin als overwinnaar het strijdperk. Minzaam buigend nam hij de huldebewijzen in ontvangst, en hoewel zijn hart onstuimig klopte van trots en voldoening, bleef zijn optreden kalm en bescheiden. Toen hij uit de handen des konings den kostbaren gouden beker in ontvangst had genomen, die als prijs voor den overwinnaar was uitgeloofd, moest hij op weg naar zijne tent voorbij de plek komen, waar Blanchefleur gezeten was. Een regen van bloemen begroette hem, toen hij langs de groep van edelvrouwen ging en Blanchefleur, die hem in spanning had zien naderen, riep hem toe, half ernstig, half schertsend: “Heil u! overwinnaar, die den sterksten onder onze ridders te sterk is geweest! Vóór gij echter verder gaat, zeg mij één ding, waarom gij mij, arme, zwakke vrouw hebt willen kwetsen?” “Ik u kwetsen!” herhaalde Rivalin op verbijsterden toon, “wanneer en hoe zou ik dat gedaan hebben? Spreek, zoo bid ik u en zeg mij, hoe ik dit kwaad, zoo ik het wellicht onbewust bedreven heb, ongedaan kan maken!” “Het kwaad is geschied”, hernam Blanchefleur, “en geene macht ter wereld kan het ongedaan maken, maar let niet op mijne woorden, en ga kalm uws weegs. God zegene en behoede u!” Deze laatste woorden sprak zij op zachten, innigen toon, daarop boog zij het hoofd en Rivalin reed verder. Het was den jongen graaf, alsof hij droomde. Wat kon wel de beteekenis zijn van deze geheimzinnige woorden, waarin kon hij de prinses, zij die in zijne oogen boven alle vrouwen uitstak in liefelijke bekoorlijkheid, gekwetst hebben? En dan die zegewensch, op zoo teederen toon uitgesproken, die bijna klonk als een afscheid! Peinzend ontdeed Rivalin zich van zijne wapenrusting, en zijne vrienden, die naar de tent waren gekomen om hem met zijne overwinning geluk te wenschen, vonden hem verstrooid en afgetrokken.
Van dien dag af zocht Rivalin bij alle voorkomende gelegenheden het gezelschap van Blanchefleur en het duurde niet lang, of de eerbiedige bewondering, welke hij voor de schoone prinses koesterde, groeide aan tot liefde. Nog werd er tusschen hen met geen woord gesproken over den aard hunner gevoelens, maar nochtans wisten beiden met stellige zekerheid, dat hunne harten elkaar toebehoorden. Elke blik, elk woord, dat zij wisselden, kreeg eene nieuwe, diepere beteekenis en zoo leefden zij voort in een schoonen droom, zonder er zich rekenschap van te geven, dat op elken droom, hoe schoon hij ook zijn moge, een ontwaken volgt.
Ook bij hen bleef dit niet uit.
Eens op een dag werd koning Mark ontsteld door het bericht, dat een zijner machtigste vijanden een verraderlijken inval in zijn land had gedaan, waar hij alles verwoestte, wat hem in den weg kwam. Indien de koning niet spoedig ingreep, zouden een groot aantal zijner onderdanen gedood en het grootste deel zijner bloeiende steden en dorpen in de asch gelegd worden. Met bekwamen spoed liet de vorst alles voor den veldtocht in gereedheid brengen en begaf zich in allerijl op weg om den indringer te weerstaan. Onder de ridders, die zich vol geestdrift hadden aangemeld om aan den komenden strijd deel te nemen, bevond zich ook Rivalin. Hij was het, die door zijne onweerstaanbare geestdrift de anderen wist te bezielen, en die zich, toen het tusschen de beide legers tot een treffen kwam, zonder aarzelen in het dichtst van het strijdgewoel waagde. Na een heet gevecht, hetwelk den ganschen dag duurde, slaagde het leger van koning Mark er in, om den vijand tot de vlucht te nopen. Een tijdlang zetten de ridders de vervolging voort, aangevoerd door Rivalin, en ziet, juist op het oogenblik, dat zij terug wilden keeren, trof een der door de vluchtenden achterwaarts geschoten pijlen, den jongen graaf in de borst. Doodelijk gewond stortte hij van zijn paard op den grond, hij, wiens leven den ganschen dag als door een wonder gespaard was gebleven.
In een oogwenk werd hij omringd door zijne vrienden, die hem voorzichtig opbeurden en hem, in zijn mantel gewikkeld, naar het slot van Tintagel terugdroegen. Daar heerschte inmiddels reeds eene feestelijke stemming over den goeden uitslag van den veldslag. In klinkende feestredenen en schallende krijgsliederen werd de overwinning gevierd, en de stemming werd steeds uitgelatener. In hun overwinningsroes vergaten de feestvierenden allengs hen, die in den strijd het leven hadden gelaten en ook over het lot der gewonden en stervenden bekommerden zij zich weinig. In een klein vertrek, in een afgelegen vleugel van het groote kasteel, lag Rivalin, verpleegd door een trouwen dienaar, te strijden met den dood. Zijn lichaam brandde van den koortsgloed, zijn hoofd bonsde en klopte en zijn adem kwam hijgend en moeilijk. Dof staarden zijne oogen voor zich uit en tevergeefs beproefde hij zich in de herinnering te roepen, wat er met hem geschied was en wat de oorzaak was van deze duldelooze pijnen. Maar hij was het niet alleen, die uren van foltering doorleefde. In haar hooggelegen torenvertrek zat Blanchefleur en wrong hare handen in wanhoop. Toen zij Rivalin niet zag terugkeeren in den stoet van zegevierende ridders, was haar hart samengekrompen van angst en vrees, maar zij had zich staande weten te houden en eerst toen zij volkomen zekerheid had over het lot van haren geliefde, was zij heengevlucht naar hare eigen vertrekken om daar, waar zij hare schoonste toekomstdroomen gedroomd had, nu hare bitterste droefheid uit te weenen.
In den dollen feestroes had men hare afwezigheid niet opgemerkt en zoo kon zij dus ongestoord hare smart den teugel vieren en peinzen, wat haar te doen stond. Dat er voor Rivalin geene hoop op herstel was, had zij maar al te goed begrepen uit de berichten, die zij van de terugkeerende strijders vernomen had, en dus zou zij hem voortaan moeten missen, hem, die het geluk in haar leven had gebracht. Wat haar het meeste kwelde, was de gedachte, dat zij het hem nooit had gezegd en het hem nu ook nooit meer zou kunnen zeggen, hoeveel hij voor haar geweest was en dat hij aldus heen zou gaan met slechts eene vage hoop in ’t hart, dat hare liefde hem toebehoorde. Maar neen, dat was niet noodig! Nog leefde hij en daarom, vóór hij stierf en haar achterliet in eene wereld, waaruit alle zon en glans voorgoed verdwenen zouden zijn, kon zij hem nog zeggen, hoezeer zij hem liefhad en hoe haar gansche wezen hem voor altijd, ook na zijn dood, zou toebehooren. De grootste spoed was echter vereischt, elk oogenblik kon de dood hem aan haar ontnemen; daarom was er geen oogenblik te verliezen. In koortsachtige haast sloeg het jonge meisje zich een wijden, donkeren mantel om de schouders, die hare lichte feestkleederen geheel bedekte, daarop riep zij eene trouwe dienares en beval deze met haar mede te gaan en haar te brengen naar de plaats, waar men den gewonden graaf had nedergelegd. Als twee donkere schimmen gleden de beide vrouwen door de gangen van het kasteel en kwamen weldra aan de deur van het vertrek, vanwaar het kreunen van den stervende tot haar doordrong. Blanchefleur gebood toen hare dienares om naar binnen te gaan en alle aanwezigen uit de kamer te verwijderen, onder voorwendsel, dat de prinses den held van dien dag alleen wenschte te spreken, om hem vóór zijn dood dank te zeggen voor wat hij gedaan had. Tegen den deurpost geleund, met kloppend hart en bevend over al hare leden wachtte Blanchefleur tot de deur opnieuw openging en hare dienares haar wenkte om binnen te treden. Even daarna was zij met den gewonde alleen. Een oogenblik staarde Blanchefleur in bange onzekerheid naar den hoek van het vertrek, vanwaar het zwakke gekreun tot haar doordrong en waar zij in het bleeke maanlicht, dat door de hooge vensters in het vertrek binnendrong, de gestalte van Rivalin ontdekte, uitgestrekt op eene smalle legerstede.
Het volgend oogenblik lag zij naast hem op de knieën, hare handen in de zijne en poogde door woorden van innige teederheid hem als het ware in het leven terug te roepen. En ziet, het was of hare stem inderdaad eene toovermacht bezat, die den held belette de grenzen te overschrijden van die duistere vallei, waaruit niemand terug kan keeren. Reeds bij de eerste woorden, die zij sprak, kwam er een glimp van bewustzijn in de oogen van den lijder, zijn adem werd rustiger en zelfs voelde Blanchefleur, hoe hij, schoon zacht, den druk van hare handen poogde te beantwoorden. Haast buiten zich zelve van vreugde, wist het jonge meisje zich toch in zooverre te beheerschen, dat zij alle middelen aanwendde, om dit vonkje van opflikkerende levenskracht aan te wakkeren. Zij goot den zieke een teug versterkenden wijn tusschen de tanden, zij wreef zijne slapen en handen om het langzaam stroomende bloed in snellere beweging te brengen en zij wiesch zijne wonden met een pijnstillend middel, van wonderbaarlijke genezingskracht, waarvan het geheim slechts aan weinigen bekend was. Spoedig reeds werd hare moeite beloond, Rivalin’s blik werd helderder en na eenige oogenblikken drong het licht van blijde herkenning de laatste nevelen van zijne oogen terug. Met een kreet van: “Liefste, gij hier!” strekte hij de armen uit naar het jonge meisje, dat eenige schreden van het bed was teruggetreden en toen zij zich, half schuchter, half toegevend aan een innerlijken drang over hem heenboog, trok hij haar tot zich omlaag in eene hartstochtelijke omarming. Zoo vierden zij in den nacht, die zijn stervensnacht had dreigen te worden, het feest hunner liefde. Eerst tegen den morgen sloop Blanchefleur door het slapende slot naar hare eigen vertrekken terug.
De bezielende kracht der liefde had Rivalin in het leven gehouden; rust en eene goede verpleging deden het overige, zoodat hij na eenige weken weer geheel hersteld was. Toen volgden vele maanden van stil genieten voor de beide jonge menschen. In alle heimelijkheid—want niemand was er, die hun zoet geheim vermoedde—kwamen zij samen en steeds weer vonden zij nieuwe bekoring in elkanders gezelschap, telkens weer ontdekten zij nieuwe woorden om elkander hunne liefde toe te fluisteren. Zij leefden slechts in het heden; aan de toekomst, aan Rivalin’s plichten tegenover zijn land en volk en aan de gevoelens van koning Mark, wanneer hij het geheim hunner verhouding zou ontdekken, dachten zij niet, tot eindelijk de werkelijkheid hen met harde hand uit hun zoeten droom deed ontwaken.

Hoe Rivalin naar zijn land wordt teruggeroepen en van de geboorte van Tristan. Op een schoonen morgen landde een schip uit Frankrijk aan de rotsen van Tintagel, waarop zich eenige boodschappers uit Ermonie bevonden. Zij zeiden gewichtige mededeelingen te brengen aan graaf Rivalin en in het hun toegestane onderhoud meldden zij hem dan ook de onrustbarende tijding, dat hertog Morgan met een groot leger zijn graafschap was binnengedrongen, om zich over de hem aangedane beleediging te wreken. Er stond onzen held niets anders te doen dan zich in aller ijl voor de thuisreis gereed te maken en afscheid te nemen van zijn koninklijken gastheer en al degenen, die hem in de maanden van zijn verblijf aan het hof tot trouwe vrienden waren geworden. Viel hem dit afscheid al niet licht, wie zal zijne gevoelens beschrijven, toen hij zich ten slotte naar het vertrek der prinses begaf, om ook haar vaarwel te zeggen. Blanchefleur wachtte hem geheel alleen in hare kamer; hare oogen waren rood van de tranen, die zij geschreid had, sinds zij het bericht van Rivalin’s vertrek had vernomen. Nu weende zij echter niet meer; in stomme wanhoop lag zij in zijne armen en kon geen woord spreken, zoo werd haar de keel dichtgesnoerd van angst en smart. Rivalin poogde haar te troosten door bezweringen van onwankelbare liefde en trouw; hij beloofde tot haar terug te zullen keeren, wanneer hij in de naderende gevaren het leven mocht behouden en spoorde haar aan, zich dapper te houden, opdat nòch haar broeder, nòch één der hovelingen iets van hare smart zouden bespeuren. Blanchefleur echter bleef als versteend van droefheid onder zijne vurige kussen en teedere woorden en eerst toen hij haar eindelijk bad en smeekte om hem ook eenige woorden van afscheid mede te geven, hief zij het hoofd op en sprak: “Geliefde! meen niet, dat ik als eene zwakke vrouw toegeef aan mijn verdriet, zonder daartegen te strijden; het is niet enkel de smart om uw heengaan, die mij het hart verstijft en het spreken belet, maar wat ik sinds eenigen tijd vreesde, is nu zekerheid geworden. Onze verhouding kan niet langer geheim blijven en de gedachte aan het kind, dat ik in smart en schande ter wereld zal brengen, doet mijne ziel ineenkrimpen van schaamte en wroeging. Wanneer mijn broeder ons geheim ontdekt, wacht u een smadelijke dood en ook mij en ons kind kan de toekomst slechts grondelooze verachting en groote ellende brengen. Daarom, hoeveel het mij ook kost, om u te laten gaan, toch verblijdt mij de gedachte, dat gij althans voor dit vreeselijk lot gespaard zult blijven en in eer en veiligheid naar uw land zult terugkeeren, waar een lang en roemrijk leven uw deel moge zijn. Ik zelve kan slechts afwachten, wat er met mij geschiedt”. Na deze woorden gesproken te hebben, viel zij half bewusteloos in Rivalin’s armen. Deze had in klimmende ontroering toegeluisterd, nu echter overdekte hij haar gelaat en hare gesloten oogen met kussen en riep uit: “Geen gedachte werp ik verder van mij af, dan u hier alleen in het gevaar achter te laten! Wat ge mij verteld hebt, maakt u nog dierbaarder in mijne oogen, dan ge mij reeds waart. Kies! wat wenscht gij? óf wij blijven hier en ik zelve zal naar uw broeder gaan, om hem ons geheim te openbaren en den eersten storm van zijn toorn te trotseeren, of ik neem u mee naar mijn land, waar ik u voor de oogen van geheel mijn volk tot mijne wettige gemalin zal maken en met mijn leven voor uwe veiligheid zal waken! Wat is hierop uwe beslissing?”
Onmogelijk ware het, den indruk te beschrijven, dien Rivalin’s woorden maakten op het hart van Blanchefleur. Het was haar, of wat hij zeide een zwaren steen van haar gemoed wegnam. Weg angst en vrees! in plaats van smaad en verachting, wachtte haar nu een leven vol blijdschap en geluk, aan de zijde van den geliefden man. Zóó groot was de overgang tusschen den stijgenden angst der laatste weken en het geluk van dit oogenblik, dat zij zich moest vastklemmen aan Rivalin, om niet te vallen. Op fluisterenden toon spraken zij nu af, dat Blanchefleur, die heengaan verkoos boven blijven, den avond van Rivalin’s vertrek, hem heimelijk aan boord van zijn schip zou volgen en zoo geschiedde het. Zoodra het duister was gevallen slopen twee gesluierde gedaanten het kronkelend rotspad af, dat langs de klippen omlaag voerde en een oogenblik later werden de zeilen geheschen en verdween het schip in het nachtelijk donker. Groot was de vreugde in Ermonie, toen de tijding van Rivalin’s thuiskomst bekend werd en nog grooter werd zij, toen men vernam, dat de graaf van zijne reis eene schoone jonge vrouw, een prinses van vorstelijken bloede nog wel, had medegebracht.
Alvorens hij uittrok met zijn leger tegen hertog Morgan, liet de graaf in de groote slotkerk op plechtige wijze zijn huwelijk inzegenen en toen hij aldus Blanchefleur voor de oogen der gansche wereld tot zijne vrouw had gemaakt, vertrouwde hij haar toe aan de zorgen van Rohand met de woorden: “Waak over haar, alsof zij uwe eigen vrouw was en mocht mij iets overkomen, wees gij dan haar trooster en beschermer.”
Na een hartroerend afscheid reed Rivalin heen aan het hoofd van zijn leger en nog geen drie dagen later kwam het tusschen hem en hertog Morgan tot een treffen, waarin de laatste de overwinning behaalde. De mannen van Rivalin’s leger vluchtten in wanorde terug naar hunne hoofdstad en helaas! met zich droegen zij het lijk van hun jongen meester.
Wie zal de smart beschrijven van Blanchefleur, toen haar de vreeselijke tijding bereikte? Waar bleven nu al hare droomen van toekomstig geluk? leeg en koud lag het leven voor haar, haar bestaan had allen inhoud verloren, nu Rivalin er niet meer was, om het te vullen. Kreunend van wanhoop lag zij op hare legerstede, half bezwijmd van verdriet. Deze toestand duurde eenige dagen en op den derden dag na Rivalin’s dood, bracht zij onder hevig lijden een zoon ter wereld. Toen was het echter met hare krachten gedaan en daar zij voelde, dat zij sterven ging, liet zij den trouwen Rohand tot zich roepen en sprak tot hem: “U, die de vriend en vertrouwde zijt geweest van mijn dierbaren echtgenoot, u vertrouw ik zijn zoon toe. Terwille van de liefde, die gij voor zijn vader koesterdet, smeek ik u, wees goed voor hem en neem hem aan als uw eigen kind. Ten slotte geef ik u dezen ring, mijn vader gaf hem aan koning Mark en deze schonk hem mij. Mocht er ooit een oogenblik komen, waarop gij mijns broeders hulp voor mijn zoon noodig mocht hebben, toon hem dan dezen ringen hij zal den jongen dadelijk herkennen als het kind zijner zuster.” Na deze woorden gesproken te hebben viel Blanchefleur uitgeput achterover en nog dienzelfden avond gaf zij den geest.
Getrouw aan zijne opdracht nam Rohand het kind van zijn heer als het zijne aan en hield zelfs zijne geboorte een diep geheim, vreezend, dat hertog Morgan booze plannen jegens den zoon van zijn vijand zou kunnen smeden. Tegenover de menschen liet hij het voorkomen, als ware hem zelf een zoon geboren en hij omringde het kind met liefderijke zorgen. Toen de priester kwam om hem te doopen en Rohand den jonggeborene een naam moest geven, zag hij langen tijd zwijgend op hem neer en sprak toen ernstig: “Voor allen rouw en droefheid, waaronder hij geboren is, voor de smarten en beproevingen, die zijne komst op deze wereld voorafgingen, geef ik hem den naam van Tristan: dat is een mensch, die in droefheid leeft.”
Niemand, die het kind zag, wist, hoe toepasselijk die naam was en hoe hij reeds het grootste verlies had geleden, dat een kind treffen kan, dat zijner ouders. En zelfs hij, die hem zijn naam geschonken had, vermoedde niet, dat zijn gansche leven dien waar zou maken; dat hij, die onder lijden en smart ontvangen en geboren was, ook in lijden en smart de dagen zijns levens zou moeten slijten, tot de dood hem verloste. Slechts zij, die deze geschiedenis teneinde lezen, zullen ten volle beseffen, hoezeer deze naam voor hem geëigend was.
Jaren verliepen en Tristan groeide onder de liefderijke hoede van Rohand en zijne vrouw op tot een aanvalligen, schoonen knaap. Toen hij zes jaren oud was, koos zijn pleegvader met zorg een leermeester voor hem uit, die hem moest onderrichten in alles, wat de zoon van een edelman behoort te weten. Deze leermeester was Gouvernail, een braaf en edel mensch, die zijne taak met liefde en plichtsbetrachting vervulde. Hij onderwees Tristan in alle kunsten, die een ridder uit die dagen placht te beoefenen: hij onderrichtte hem in het schieten met pijl en boog, in het speerwerpen en zwaard vechten en leerde hem rijden, tot zelfs de meest wilde en ongetemde paarden tam en volgzaam werden onder zijne hand. Ook ging hij met hem op jacht, met valken of honden en wees hem, hoe hij volgens jagersgebruik den buit moest ontleden en behandelen. Maar niet alleen in vechten, rijden en jagen onderwees Gouvernail zijn leerling, ook in de zangkunst en het harpspelen gaf hij hem onderricht en weldra was er in gansch Ermonie geen, die zóó schoon kon spelen en zingen als Tristan, de zoon van Rohand. Deze zag met genoegen hoe zijn pleegzoon alle deugden zijner ouders in ruime mate scheen te bezitten; hij was eerlijk en bescheiden, dapper en hoffelijk en door zijn minzaam optreden en zijn innemend uiterlijk nam hij allen, die hem zagen, terstond voor zich in. Elken dag ontdekte zijn trouwe verzorger nieuwe eigenschappen van geest en hart in den jongen Tristan, die hem herinnerden aan zijne overleden ouders en zoo kon het niet anders, of uit de houding, die hij tegenover zijn jeugdigen pleegzoon aannam, sprak zoowel eene vaderlijke genegenheid als een zekere eerbied jegens den zoon zijns meesters. Dat de andere zonen van Rohand zich somtijds beklaagden over de onderscheiding, waarmede hun jongere broeder door hem behandeld werd, spreekt van zelf, maar geen hunner vermoedde ook maar in ’t minst, dat deze uit iets anders voortsproot dan uit eene onbewuste voorliefde, welke men wel meer bij ouders aantreft. Wanneer zij dan ook den een of anderen wensch door hun vader wenschten ingewilligd te zien, waren zij gewoon om Tristan te verzoeken hunne zaak bij Rohand te bepleiten en meestal deed de jongeling, vriendelijk en welwillend als hij was, wat zij van hem verlangden, vaak met het gewenschte gevolg.
Op zekeren dag werd de stad in beroering gebracht door het bericht, dat een Noorsch schip, beladen met rijke en veelsoortige koopwaar in de haven was binnengeloopen en dat de vreemde handelaars reeds bezig waren, hunne waren ter bezichtiging uit te stallen. Daaronder behoorde ook, zoo zeide men, naast vele schoone en kostbare zaken, eene partij fraaie valken en haviken, welke voor de jacht waren afgericht.
Toen Rohand’s zonen, die hartstochtelijke jagers waren, deze tijding vernamen, begaven zij zich naar Tristan en smeekten hem hun vader vergunning te vragen, om een bezoek aan het schip te mogen brengen en daar eenige vogels te koopen. Rohand gaf gaarne zijne toestemming en de jongelingen begaven zich in gezelschap van Gouvernail naar de haven, waar het vreemde vaartuig lag vastgemeerd. Aan boord vergaten zij weldra uur en tijd, zóó veel was er te zien en te bewonderen. De Noorsche kooplieden hadden hunne waren met smaak en overleg ten toon gespreid en menige koop werd er dan ook in den loop van den middag gesloten. Daarbij maakte Tristan zich steeds zeer verdienstelijk, daar hij tot de weinigen behoorde, die de Noorsche taal meester waren, en dus als tolk kon dienen tusschen de vreemdelingen en zijne landgenooten. Plotseling werd zijn oog getroffen door een schaakbord, waarvan de stukken uit blank ivoor gesneden waren. Verrast zag hij om zich heen en vroeg of wellicht een der vreemdelingen het spel verstond en eene partij met hem wilde spelen. Een der Noren verklaarde zich gaarne bereid en weldra zaten beiden onder een scherm van tentdoek, dat hen tegen de zonnestralen moest beschutten, in hun spel verdiept, omringd door een kring van nieuwsgierige toeschouwers.
De middag was nu allengs verstreken en het werd tijd om huiswaarts te keeren. Een der pleegbroeders van Tristan, ziende dat deze nog met alle aandacht bij het spel was, tikte hem op den schouder en zeide: “Broeder Tristan, het wordt tijd voor ons, om naar huis te gaan en wij hebben bovendien alles bezichtigd, wat wij wenschten te zien. Daarom gaan wij reeds vooruit, gij zult ons dan wel volgen, zoodra uw spel is afgeloopen.” Daarop namen zij afscheid van hem en verlieten het schip, slechts de trouwe Gouvernail bleef aan boord achter.
Toen nu alle koopers verdwenen waren, begonnen sommigen onder de kooplieden hunne hoofden bijeen te steken en te spreken over de buitengewone kundigheden van den jongen edelman, die daar in het schaakspel verdiept was. Zij prezen zijn aangenaam voorkomen, zijn vrijmoedig optreden en zijne hoofsche manieren en uitten hunne verwondering over het feit dat hij, ondanks zijn jeugdigen leeftijd, toch reeds hunne taal machtig was en met kennis van zaken de verschillende koopwaren wist te schatten. Zulk een begaafde knaap, zoo meenden zij, zou beter op zijne plaats zijn aan het hof van een machtig vorst, die zijne diensten zou weten te gebruiken. Waarom zouden zij niet trachten, hem die plaats te verschaffen door hem weg te voeren uit zijne omgeving en hem tegen een hoogen losprijs aan den een of anderen rijken koning af te staan?
Dit plan vond algemeene instemming en toen zij zagen, dat Tristan slechts oog en oor had voor zijn spel, beval de kapitein, in alle stilte het anker te lichten en zee te kiezen. Zoo gezegd, zoo gedaan. De zeilen werden geheschen, de roeiriemen in het water nedergelaten en het schip zette zich langzaam in beweging. Nog bemerkte Tristan niets, maar toen zij reeds op eenigen afstand van de kust waren, deed eene plotselinge windvlaag het doek boven zijn hoofd klapperen en opziende van zijn spel werd hij tot zijne ontzetting gewaar, dat het schip zich in volle zee bevond en eene vage lijn aan den horizon het eenige was, wat er van zijn vaderland te bespeuren viel. Met een luiden kreet sprong hij overeind van zijn zetel en op de knieën vallend voor den kapitein, smeekte hij dien om hem terug te brengen naar zijne ouders en broeders. Maar deze bracht hem aan het verstand, dat zulks onmogelijk was en maande hem aan, zich kalm en rustig te gedragen, daar hem dan geen leed zou geschieden. Tristan echter hield niet op met klagen en weenen en ook Gouvernail stemde met zijne smeekbeden in. Toen hun geklaag den kapitein begon te vervelen, gaf hij bevel om Gouvernail in eene kleine boot, voorzien van eenige levensmiddelen, te plaatsen en hem aldus eene kans te geven, de kust te bereiken; den jongen Tristan echter beval hij aan boord te houden, zulk een kostbaren buit mocht men niet laten ontsnappen.
Het baatte niet, of Gouvernail al weigerde, zijn jongen meester alleen achter te laten, met ruwe handen grepen de matrozen hem vast en plaatsten hem in eene kleine boot. Daarop gaven zij hem een paar riemen en stieten hem van het schip af.
Men kan nagaan, onder welke gewaarwordingen Tristan zijn trouwen vriend zag vertrekken; luid weenend strekte hij de handen naar hem uit en bad hem om hem niet alleen te laten. Tevergeefs!—Steeds wijder werd de afstand, die hem van den laatsten zijner landgenooten scheidde en weldra zag hij nog slechts een donker stipje, dat de plaats aanduidde, waar Gouvernail met de golven kampte. Ook dezen liepen de tranen over de wangen, toen hij bedacht, aan welk een onzeker lot hij zijn beschermeling moest overlaten, maar met alle macht verzette hij zich tegen zijne aandoeningen en trachtte het land te bereiken, vanwaar hij tenminste eenige kans had om Tristan te hulp te komen. Inderdaad gelukte het hem na groote inspanning, nog dienzelfden avond roeiend de haven binnen te loopen. Hier vond hij reeds Rohand met zijne zonen en vele andere bekenden in grooten angst heen en weder loopen; een kreet van vreugde steeg omhoog, toen zij in het vallend duister Gouvernail uit het ranke bootje zagen stijgen, maar bitter was hunne teleurstelling, toen zij vernamen, dat hij slechts alleen was. Deze teleurstelling nam nog toe, toen zij hoorden, welk een droevig lot hun geliefden Tristan was overkomen. Vooral Rohand was troosteloos van smart en wroeging; hij herinnerde zich de plechtige belofte, welke hij aan zijn gestorven meester en aan diens gemalin gedaan had. Hij had beloofd om steeds over hun zoon te blijven waken en nu was door zijne nalatigheid, doordat hij dien kostbaren schat aan de hoede van anderen had overgelaten, dit vreeselijke feit geschied en wachtte den knaap daarginds in het vreemde land eene bittere ballingschap en wellicht een gewelddadige dood. Zijn geweten liet hem geen vrede en hij rustte niet, alvorens hij een schip had uitgerust om Tristan te gaan zoeken. Na weinige dagen vertrok hij aan boord van dit vaartuig, vergezeld door de beste wenschen der achterblijvenden en zette koers naar vreemde streken in de hoop zijn pleegzoon terug te vinden. Eerst na lange jaren mocht hem dit gelukken. Waar en onder welke omstandigheden hun wederzien plaats vond, zullen wij later vernemen. Voorloopig keeren wij terug naar onzen jeugdigen held, zooals hij tegen den mast geleund, met betraande oogen naar den gezichteinder staart, waar het laatste stipje van zijn geboorteland allengs achter de golven verdwijnt.
Eenigen tijd zette het vaartuig zijne reis naar het Noorden zonder verhindering voort, maar toen de duisternis gevallen was, wakkerde de wind aan tot een stevigen bries, die weldra overging in een hevigen storm. Den ganschen nacht loeide en kraakte het, als ware een leger van booze geesten rondom het vaartuig losgelaten; de masten steunden en bogen onder den druk van den wind, de riemen braken door de aanzwellende kracht van het water en de zeilen scheurden van de touwen af. Bij het eerste morgenschemeren dreef het schip als een ontredderd wrak rond op de baren, de storm woedde met onverflauwde hevigheid en het scheepsvolk school in angstige groepjes bijeen en mompelde iets over eene gerechte straf, die God hun oplegde voor hunne zonden. Dit onderdrukt gemompel werd langzaam aan luider en verspreidde zich ook onder de roeiers, tot eindelijk eenigen onder hen zich naar den kapitein begaven en van hem eischten, dat hij hun gevangene de vrijheid zou weergeven om de woede van het Opperwezen over dezen wreeden roof te doen bedaren. Hoezeer het den kapitein speet, zijn kostbaren buit te moeten laten ontsnappen, hij moest wel toegeven en zoo gaf hij order een der scheepsbooten in gereedheid te brengen en van proviand te voorzien. Zoodra hij daartoe bevel had gegeven, bedaarde als door een tooverslag het woeden der elementen. De wolken verdwenen van den hemel, de zon brak door en de lucht werd helder blauw; de wind ging liggen en het bruisen der golven bedaarde. Het scheepsvolk viel op de knieën en dankte God voor de wonderbare redding, daarna haastte een ieder zich om de geleden schade te herstellen en weldra sloegen de riemen weer met geregelden slag in het water en zwollen de nieuwe zeilen in de frissche morgenbries.
Het spreekt van zelf, dat men door den nachtelijken storm een flink eind uit den koers was geraakt en niemand kon dan ook zeggen op welke hoogte men zich bevond. Toen men echter aan den horizon land ontdekte, achtte men het oogenblik gekomen om zich van den onheilbrengenden gast te ontdoen; men plaatste daarom Tristan in de gereed gemaakte boot, gaf hem een paar riemen in de hand en beval hem in de richting van het land te roeien, daarop liet men hem aan zijn lot over en beijverde zich, om door sneller roeien en het bijzetten van meer zeil den verloren tijd in te halen. Met angst en vrees in het hart stuurde onze jonge held intusschen aan op het vreemde land, waar zijne eenige, zij het ook onzekere, redding was gelegen.
Bij nadering bleek het eene steile, rotsachtige kust te zijn, waarvan de grijze klippen loodrecht uit zee omhoogrezen. Na eenig zoeken ontdekte Tristan echter eene kleine baai, waar hij zijn bootje veilig in kon sturen en zoo duurde het niet lang, of hij zette voet op den vasten wal. Toen rees echter de vraag: waar ben ik en waar moet ik heen? Huiverend zag de arme knaap om zich heen in het doodsche, verlaten landschap, dat door zijne verbeelding bevolkt werd met verschillende dieren en wilde volksstammen, zooals hij ze in avontuurlijke jachtverhalen had hooren beschrijven. Maar na eenigen tijd kregen zijn moed en ondernemingsgeest opnieuw de bovenhand en besloot hij te gaan onderzoeken, wat achter die hooge rotsen verborgen lag. Behendig klauterde hij omhoog en op den top aangekomen kreeg hij een ruimeren blik op het land en ontdekte hij op eenigen afstand een breeden heirweg, die zich als een lint door het landschap slingerde. Zonder veel moeite wist hij dien te bereiken en, zich aan den kant van den weg nederzettend, besloot hij de komst van voorbijgangers af te wachten, om zich door hen op de hoogte te laten brengen omtrent de streek, waar hij zich bevond. Hij behoefde niet lang te wachten. Na enkele oogenblikken verschenen aan de kromming van den weg twee gedaanten, die langzaam naderden en die Tristan weldra als pelgrims herkende. Zij droegen breedgerande hoeden, om zich tegen de hitte der zonnestralen te beschutten, hun lange, linnen kleederen waren bestikt met zeeschelpen en vreemde teekenen en op den rug droegen zij een palmtak, om aan te duiden, dat zij naar het Heilige Land waren geweest. Hunne lange baarden golfden hun over de borst en onder het voortgaan leunden zij op hun staf en zongen pelgrimsliederen, die zij afwisselden door het prevelen van gebeden.
Toen Tristan zag, dat het vreedzame lieden waren, ging hij hen tegemoet, kruiste zijne handen voor de borst en boog eerbiedig voor hen neer. Daarna zeide hij: “Vrome vaders! Op de jacht zijnde ben ik van mijne metgezellen afgedwaald, mijn paard is met mij van een rots gevallen en ligt ginds met een gebroken rug; kunt gij mij zeggen, waar ik ben en waar deze weg heenleidt?” “Deze weg”, antwoordden de pelgrims, “voert naar Tintagel, het slot van koning Mark. Indien uw pad ook in die richting voert, kunnen wij een eindweegs samen gaan.” Vol vreugde nam Tristan hun aanbod aan en de drie vervolgden gezamenlijk hun weg. Nauwelijks hadden zij echter eenige schreden afgelegd, of vanuit het bosch weerklonk luid hoorngeschal, vermengd met hondengeblaf. Bij het hooren daarvan begon Tristan’s hart luider te kloppen en haastig sprak hij: “Hoort! daar zijn mijne metgezellen, die ik verloren had. Ik wil trachten ze zoo spoedig mogelijk in te halen!” Daarop wendde hij zich om en liep in de richting, vanwaar het geluid kwam. Toen hij het bosch een eind was binnengedrongen, ontwaardde zijn oog een bont jachttafereel. Op eene open plek in het woud streed een edel hert den doodsstrijd met de hem omringende honden. Onder luid gejubel omringden de jagers den kostbaren buit; met een behendigen speerstoot brachten zij het dier den doodsteek toe en reeds wilde de jagermeester met zijn dolk het wild den hals afsnijden, toen Tristan, die dit vol afschuw bemerkte, tusschenbeide sprong met den uitroep: “Houdt op, houdt op! een hert is toch geen wild zwijn, dat men eerst worgt en dan den kop afsnijdt! Hoe kunt gij zulk een edel wild zóó behandelen!” Vol verbazing zagen de jagers om bij het hooren van die stem en toen zij Tristan bemerkten, werden zij zóó getroffen door zijne jeugd en schoonheid, dat zij hunne honden terugriepen en hunnen arbeid staakten. De jagermeester, een bedaard en vriendelijk man, trad op Tristan toe en sprak: “Wij behandelen het wild, zooals ons dat geleerd is; kunt gij ons eene betere wijze aan de hand doen, zoo spreek en toon ons die!” Tristan liet zich niet lang bidden. Hij kwam eenige passen naderbij, knielde bij het hert neer en begon met vaste hand het in stukken te snijden, zooals hij dit in zijn vaderland geleerd had. Eerst ontdeed hij het dier van de huid, welke hij ter zijde legde en waarop hij achtereenvolgens de verschillende deelen stapelde, welke hij van den romp afsneed. Aan de ademloos toeziende omstanders toonde hij, welke stukken volgens aloud jachtgebruik aan de honden werden gegeven, welke het eigendom bleven van den heer van de jacht, welke aan de jagers en welke aan de armen toekwamen. Daarna rangschikte hij de afgesneden stukken naar hunne waarde en verdeelde ze onder de dragers. Toen zij allen hun aangewezen deel van den buit in ontvangst hadden genomen, stelde hij op verzoek van de jagers den jachtstoet op, zooals men dat in zijn vaderland gewoon was en wilde toen afscheid van hen nemen. De jagers wilden hem echter niet laten gaan en verzochten hem, hen naar het hof te vergezellen. Op weg daarheen vroegen zij Tristan hun te zeggen, waar hij vandaan kwam en hoe hij heette, maar de knaap was zoo voorzichtig om hun niet dadelijk te vertellen, wat er met hem was geschied en dus zeide hij slechts, dat hij, een koopmanszoon uit Ermonie, gevlucht was uit zijn vaderlijk huis om vreemde streken te bezoeken. Zijne metgezellen verbaasden er zich over, dat een eenvoudig koopmanszoon zóó bedreven was in ridderlijke gebruiken en zij prezen het land, waar de zonen der burgers tot zoo schoone en hoffelijke jongelingen opgroeiden.
Onder het voortrijden—één der ridders had Tristan zijn paard afgestaan—brak deze de jonge twijgjes af van de lindeboomen langs den weg en vlocht zich een krans in het blonde haar, zoo naderden zij onder scherts en lach den trotschen burcht van Tintagel. Toen zij in het gezicht van het kasteel waren gekomen, vroeg één der ridders aan den knaap, onder welken naam men hem aan den koning moest voorstellen. Deze antwoordde: “Mijn vader en mijne broeders noemen mij Tristan!” Zijne woorden werden met uitroepen van verbazing en spot begroet. “Hoe dwaas en zinneloos!” riepen allen uit.“Jeugd, vreugde, schoonheid! zoo moest gij heeten, maar niet Tristan—dat klinkt als rouw en eeuwige smart!” Zoo waren zij tot aan de poorten van het kasteel genaderd. Plotseling nam Tristan zijn jachthoorn en blies daarop een jachtlied, zóó lustig en vroolijk, dat alle jagers met hunne hoorns in het refrein meestemden. De slotbewoners liepen vol verbazing de poort uit, zóó hadden de jagers nog nooit hunne thuiskomst aangekondigd en zij zagen met verwondering naar den welgeordenden stoet, die onder vroolijk hoorngeschal de brug overreed. Koning Mark was ook naar buiten gekomen; zijne gestalte was nog schraler geworden dan vroeger en hoewel hij eerst den middelbaren leeftijd had bereikt, waren zijne haren vergrijsd aan de slapen en liep hij gebogen als een oud man. Zijn scherpe blik trof dadelijk den blonden knaap, die daar temidden der jagers kwam aanrijden en terstond wendde hij zich tot den opperjagermeester en vroeg hem, wie die vreemdeling was. Deze antwoordde eerbiedig: “Sire, het is een koopmanszoon uit Ermonie, dien wij in het bosch gevonden hebben en die ons velerlei omtrent de edele jachtgebruiken geleerd heeft. Ondanks zijne eenvoudige afkomst is hij even hoffelijk in taal en manieren als de edelste onder ons en zelfs een koningszoon zou hem daarin niet tot schande brengen!” Daarop beval de koning Tristan vóór hem te brengen en vol edelen zwier knielde de knaap voor hem neder. Geen van beiden vermoedde daarbij, hoe nauw de band was, die hen tezamen bond, maar wel werd het koning Mark wonderlijk te moede, toen hij in de heldere kinderoogen zag, die zoo vol vertrouwen naar hem werden opgeslagen. Met zacht gebaar legde hij zijne hand op Tristan’s schouder en deed hem opstaan, terwijl hij tot hem sprak: “Men heeft ons veel goeds van u verteld, knaap, en wij hebben jongelingen als gij zijt noodig. Wanneer gij zulks verlangt, kunt gij in onzen dienst treden.” Dankbaar en verheugd nam Tristan’s konings aanbod aan en zoo werd hij opgenomen onder de jagermeesters van den koning.

Tristan geeft eene proeve van zijne zangkunst.
Nu brak er een schoone tijd aan voor den jongen held. Slechts zelden gingen zijne gedachten terug naar zijn geboorteland, het verleden was als een gesloten boek voor hem, maar van het heden, het wonderschoone heden, genoot hij met volle teugen. Weldra gevoelde hij zich geheel thuis aan het schitterende hof, waar hij aller lieveling was en waar de koning hem slechts zelden uit zijne nabijheid duldde.
Eens op een avond was het gansche hof bijeen verzameld om te luisteren naar de liederen van een vreemden zanger, die van ver over de zee gekomen was. Onder zijne liederen was dat van Graaf Gurun en zijne geliefde, wie de verraders het hart haars minnaars te eten gaven en die van smart en kommer omkwam. Tristan luisterde met de anderen samen, hij was geheel verzonken in de weemoedige tonen van het lied, maar toen de zanger zweeg, sprong hij overeind en riep met luider stem: “Bravo, meester! Gij hebt goed gezongen: uwe stem klinkt helder en krachtig, en weet op waardige wijze het lot der helden te bezingen. Ook de tonen uwer harp zijn rein en edel. Gij hebt de oude zangwijzen goed bewaard en ze geen geweld aangedaan”.
De zanger verbaasde zich over dit kundig oordeel; wat kon zoo’n jonge knaap van zang en snarenspel weten? Nieuwsgierig vroeg hij Tristan of deze wellicht ook een lied ten beste kon geven. Zonder aarzelen greep Tristan de harp. Hij zong en zijne stem was van zulk eene innige schoonheid, dat de harten van alle aanwezigen tot in ’t diepst geroerd werden. Zij, die zóó zingen kunnen, zijn een zegen der menschheid; de schoonste droomen uit verleden en toekomst tooveren zij ons voor den geest, de gestalten van dierbare afgestorvenen doen zij in onze ziel herleven en de harten der toehoorders doen zij opengaan om visioenen van teedere schoonheid binnen te laten. Toen Tristan ophield met zingen, greep Koning Mark hem bij de hand; zijne oogen stonden vol tranen en zijne stem beefde toen hij sprak: “Kind, van nu af aan moogt gij mij nooit meer verlaten. God heeft u hierheen gezonden om eene ledige plaats in mijn huis te vullen en mijn hart, dat somber en treurig was, tot nieuwen levensmoed op te wekken. Van nu af aan zal er weer licht en vroolijkheid aan mijn hof heerschen.”
De koning hield woord; van dien dag af moest Tristan steeds in zijne nabijheid zijn, op de jacht, zoowel als in huis en de eenzaam levende man hechtte zich met al de kracht zijner natuur aan den blonden knaap, dien hij liefhad als zijn eigen zoon.
Zoo groeide Tristan op tot een kloeken jongeling, den trots van het gansche hof. Toen hij den leeftijd van negentien jaren bereikt had, gebeurde het, dat zijn pleegvader Rohand op zijne omzwervingen aan het hof van koning Mark kwam. Hem was ter oore gekomen bij monde van de beide pelgrims, die Tristan den weg hadden gewezen en die Rohand toevalligerwijze in Denemarken had ontmoet, dat zijn dierbare pleegzoon zich te Tintagel bevond, waar hij door den koning in dienst was genomen.
De lange jaren van zwerven en trekken hadden hunne sporen nagelaten op het lichaam van den trouwen Rohand; de doorgestane ontberingen hadden zijne leden stram en zijne haren grijs gemaakt en niemand zou in den verwaarloosd uitzienden vreemdeling, die toegang vroeg tot het kasteel, den fieren, kloeken man van weleer hebben herkend. Het was dan ook slechts met moeite, dat hij de wachters wist te overreden, hem door te laten, maar toen hij zeide, de brenger te zijn van eene tijding, welke Tristan genoegen zou doen, en hij hun bovendien eene ruime gift in de hand drukte, openden zij, hoewel aarzelend, de poort en lieten hem binnen.
Het liep juist tegen het uur van het middagmaal en in de groote zaal van het kasteel heerschte de gewone bedrijvigheid, welke daaraan voorafgaat. Juist schikten de gasten zich aan tafel, toen Rohand ongemerkt door eene zijdeur het vertrek binnentrad. Vol spanning zwierf zijn blik door de zaal en ziet—ginds! aan de linkerzijde van den grooten koning zelf, zat hij, dien hij zocht: veranderd en tot jongeling gerijpt, maar met al de schoonheid en minzaamheid, die hem reeds als kind kenmerkten. Verrukt hingen de oogen van den trouwen dienaar aan de gestalte van zijn pleegzoon; hij raakte maar niet uitgekeken. Wat was hij groot geworden en krachtig, hoe fier en vrijmoedig zag hij om zich heen en wat scheen hij zich thuis te gevoelen onder deze hooggeplaatste edellieden! Trouwens, rijk en machtig konden zij zijn, de trotsche hovelingen, geen van hen kon wedijveren met Tristan in schoonheid en adeldom van houding en gelaat! Toen de brave Rohand zich dit vol trots en vreugde had bekend, drong het plotseling tot hem door, hoezeer hij zelf, in zijne eenvoudige kleedij, welke bovendien door de reis was bevlekt en bestoven, moest afsteken bij de rijk gekleede ridders van het hof en eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat hij wellicht beter deed, heen te gaan, om Tristan de noodzakelijkheid te besparen, zich over hem te moeten schamen. Na een laatsten blik op zijn lieveling geworpen te hebben, wendde hij zich om, ten einde het vertrek te verlaten, toen Tristan plotseling zijne richting uitkeek. Een oogenblik staarde hij zijn pleegvader aan, zonder hem te herkennen, toen drong een straal van blijde verrassing uit zijne oogen en met den uitroep: “Vader!” sprong hij overeind, liep op Rohand toe en omhelsde hem hartelijk. Daarna trok hij hem met beide handen naar de plaats, vanwaar koning Mark in stomme verbazing dit wederzien had gadeslagen en riep met juichende stem: “Sire, dit is mijn vader, die uit verre landen is gekomen om mij te zoeken. Mag ik hem uit Uw naam hier welkom heeten?”
Tranen van vreugdevolle ontroering kwamen Rohand in de oogen. Dit was zijn eigen, dierbare pleegzoon, dien hij wedergevonden had en die temidden van de pracht en praal zijner nieuwe omgeving den eenvoud van zijn kinderlijk gemoed had weten te bewaren. Hoe zegende hij dit oogenblik, dat hem ruimschoots alle gevaren en ontberingen vergoedde, welke hij om zijnentwil doorstaan had.
Koning Mark heette den verren gast hartelijk welkom aan zijn hof; hij liet hem zelfs eene plaats aan zijne zijde inruimen en bediende hem met gulle hand van de spijzen, die voor hem werden aangedragen. Na afloop van den maaltijd begaf het gezelschap zich naar een aangrenzend vertrek, waar de vorst zijn gast verzocht, om verslag uit te brengen over zijn wedervaren. Nu was het oogenblik gekomen, dat Rohand zoo lang verbeid had; de trouwe dienaar zag om zich heen in den kring van aandachtig luisterende toehoorders, haalde diep adem en begon: “Sire, het moge u bevreemden, dat ik zoo langen tijd van huis en haard ben weggebleven om dezen, mijn zoon te zoeken, vooral waar thuis nog drie andere zonen mijne vaderzorgen behoeven, maar meer nog zal het u bevreemden, wanneer ik u vertel, dat hij, voor wien ik mij al deze moeite en last hebt getroost, niet eens mijn zoon, maar feitelijk een vreemde voor mij is!” Toen hij deze woorden gesproken had, sprong Tristan, die zich aan zijne voeten had neergezet, ontsteld op en riep uit: “Vader, weet gij wel, wat gij daar zegt? Ben ik uw zoon niet? Wie zou ik anders zijn en waarom hebt ge mij dat nooit eerder gezegd?” Maar Rohand legde bedarend zijne hand op het blondgelokte hoofd van den opgewonden knaap en sprak: “Dat zal ik u zeggen, mijn kind, maar vóór ik verder ga, dient gij te weten, dat geen vader zijn zoon meer lief kan hebben dan ik u doe en dat gij eene plaats inneemt in mijn hart naast die van mijne eigen kinderen.” Daarna wendde hij zich opnieuw tot koning Mark en vervolgde: “Wat ik u nu ga vertellen, Heer koning, is van grooter belang voor u, dan gij kunt vermoeden, en reeds vooraf moet ik u om vergeving vragen, wanneer ik mogelijk eene pijnlijke snaar bij u aanroer. Zooals ik u reeds zeide, is Tristan nòch mijn zoon, nòch mijn bloedverwant, maar hij werd mij toevertrouwd door mijn gestorven meester: Rivalin van Ermonie.” Op het hooren van dien naam rees Mark als door een pijl getroffen omhoog uit zijn zetel, zijn voorhoofd trok samen in diepe rimpels en zijne oogen schoten dreigende vonken, maar nog eer hij den mond tot spreken kon openen, ging Rohand haastig voort: “Zwijg, Sire! want de woorden, die ge wilt zeggen, zouden de nagedachtenis van een dapper en edel man ten onrechte beleedigen. Ik weet, dat de naam van Rivalin bij u pijnlijke herinneringen opwekt, maar wat gij vreest, is niet waar. De moeder van Tristan was inderdaad uwe zuster Blanchefleur, maar zij was ook de voor God en de menschen wettig erkende echtgenoote van mijn gestorven heer.”
Deze woorden maakten diepen indruk en vooral op den koning hadden zij eene geweldige uitwerking. Hij kon het zich bijna niet indenken, dat zijne bittere schaamte, over wat zijne zuster gedaan had, van allen grond ontbloot was geweest. Toen hij echter den ring zag, dien Blanchefleur aan Rohand had toevertrouwd, verdween de laatste schaduw van twijfel uit zijn ziel en luid jubelend sloot hij Tristan in de armen. Nu eerst besefte hij, waarom hij reeds bij den eersten aanblik zulk eene warme genegenheid voor den knaap had opgevat, het was de stem des bloeds, die gesproken had.
Wat Tristan betreft, ook hij kon aanvankelijk niet begrijpen, wat Rohand’s woorden voor hem beduidden. Zijn eerste gevoel was er een van smart, toen hij vernam, dat hij geen vader of moeder in de wereld bezat en dat hij, dien hij als een vader liefhad, feitelijk een vreemde voor hem was. Maar toen hij alle bijzonderheden over zijne geboorte vernomen had, verdwenen die gevoelens allengs uit zijn binnenste om plaats te maken voor eene innige dankbaarheid jegens den man, die hem zoo trouw en liefderijk had verzorgd. Ook zegende hij het toeval, dat hem naar Tintagel had gevoerd en hem in staat had gesteld om de genegenheid te winnen van den eenigen bloedverwant, dien hij op aarde bezat. Diep geroerd viel hij op de knieën voor de beide mannen, die hem zoo dierbaar waren: den machtigen koning en den eenvoudigen edelman, maar koning Mark deed hem opstaan en zeide met plechtige stem: “Van nu af aan beschouw ik u als mijn eigen zoon, want niet alleen om uws zelfs wil, maar ook terwille van haar, die gestorven is, zal ik u voortaan liefhebben. Als mijn zoon zult gij aan mijn hof verkeeren en na mijn dood zult gij heer worden over mijne bezittingen, dat zweer ik bij al wat mij heilig is!”
De koning hield woord; reeds den volgenden dag maakte hij in eene plechtige bijeenkomst van al zijne vazallen bekend, dat hij Tristan aanwees als zijn wettigen erfgenaam en geen was er onder de aanwezigen, die hem die onderscheiding misgunde.
De eerste gunst, die de jonge held zijn koninklijken oom verzocht, was om heen te mogen gaan naar zijn eigen land om zich aldaar op hertog Morgan te kunnen wreken voor den dood van zijn vader. Gaarne gaf Mark hiervoor zijne toestemming, want ook hij wenschte niets liever dan den man, die de oorzaak was geweest van den dood zijner dierbare zuster, zijne gerechte straf te zien ondergaan. Weinige dagen daarna vertrok Tristan in gezelschap van den trouwen Rohand naar Ermonie, waar al ras de waarheid omtrent zijne afkomst onder het volk bekend werd. Van alle zijden ontving hij bewijzen van trouw en aanhankelijkheid en toen men vernam, dat hij besloten was om den dood zijns vaders met geweld van wapenen te wreken, stroomden van alle zijden aanhangers toe, die zich bereid verklaarden, hem in zijn pogen bij te staan.
Tegen een opstand, die zich zóózeer in de gunst van het gansche volk mocht verheugen, vermochten de huurlingen van Hertog Morgan niets uit te richten. Na een korten, maar hevigen strijd, waarin Tristan den hertog eene doodelijke wond wist toe te brengen, gaven zij zich gewonnen. Rivalin’s dood was gewroken en onder het gejuich der bevolking hield Tristan zijne blijde intocht in de stad zijner vaderen. Het was echter zijn plan niet om langen tijd daar te blijven, zijn hart trok hem naar de bergen van Cornwallis, waar hij in den dienst van zijn oom zich meer zou kunnen onderscheiden dan in het kleine Ermonie. Daarom vaardigde hij een besluit uit, waarin hij het bestuur over zijn graafschap opdroeg aan den oudsten van Rohand’s zonen, hijzelf echter scheepte zich met eenige getrouwen, waaronder ook zijn dienaar Gouvernail, dien hij na al die jaren gezond en wel had teruggevonden, in, om naar Cornwallis terug te keeren.

Van Tristan’s strijd tegen den Ierschen Morholt. Toen Tristan in het kasteel van Tintagel terugkeerde, werd hij verbaasd door de sombere gezichten, die hij overal om zich heen zag. Uit de vertrekken der vrouwen drong onderdrukt gesnik tot hem door en de ridders schoolden in groepjes bijeen en spraken met gedempte stem onder elkander. Toen Tristan naar de oorzaak vroeg van deze droeve stemming, deelde men hem mede, dat de gevreesde Iersche krijger, Morholt, in het land gekomen was, om in naam zijns konings eene schatting te eischen, bestaande uit driehonderd knapen en meisjes, aan te wijzen uit de nakomelingschap der edelsten uit den lande. Op zijn verder vragen vernam hij, dat het betalen der jaarlijksche schatting dagteekende uit den tijd, toen Cornwallis, door binnenlandsche twisten verzwakt, niet opgewassen bleek tegen den machtigen koning van Ierland, wiens harde voorwaarden het daarom moest aanvaarden. Zoo werd het arme, geteisterde land eene schatting afgedwongen, welke het eerste van elke vier jaren bestaan zou uit driehonderd ponden koper, het tweede uit driehonderd ponden zilver en het derde uit hetzelfde gewicht aan goud. Het vierde jaar echter, en dit was wel het vreeselijkst van alles, moest de schatting bestaan uit driehonderd jongelingen en meisjes uit de edelste families van Cornwallis, die als knechten en dienstmaagden naar Ierland gevoerd werden.
Reeds eenige malen was die zware schatting betaald geworden en onder bitter geween had men de hoop van het vaderland in ballingschap zien gaan, maar toen het rijk onder het bestuur van koning Mark allengs machtiger werd, begon men meer en meer het vernederende van een dergelijken eisch in te zien en elk jaar werd het gemor en geklaag, waaronder men de gevraagde som bijeenbracht, luider. Toen nu eenige jaren tevoren het oogenblik gekomen was, waarop de levende schatting moest worden uitbetaald, hadden de edelen uit het rijk rondweg geweigerd om hunne zonen en dochteren af te staan en op hoogen toon had men de Iersche boodschappers teruggezonden naar hun land. Drie jaren achtereen had de koning van Ierland zijn harden eisch herhaald, drie jaren achtereen had koning Mark, hoe bevreesd hij ook inwendig zijn mocht voor de gevolgen, geweigerd dien eisch in te willigen en nu was Morholt gekomen, om ten laatsten male de verplichte schatting op te eischen. Werd die niet betaald, dan zou de koning van Ierland een machtig leger zenden om zijnen bedreigingen kracht bij te zetten. Wat dit zeggen wilde, wisten de bewoners van Cornwallis slechts al te wel. Trouwens de ouden van dagen konden hen, die den ernst van een dergelijk dwangbevel niet inzagen, nog voldoende inlichten omtrent de gruwelen van een Ierschen inval, zooals zij dien in hunne jeugd hadden meegemaakt. Maar wat dan te doen? moest men dan de keur der jongelingschap, de bloem der jonge maagden goedschiks overleveren aan een vreeselijk lot? In spanning wachtte men de komst van den gevreesden Morholt af. Deze was de broeder der Iersche koningin, wijd en zijd geducht en gevreesd om de kracht zijner vuisten en het ruwe, bijkans dierlijk geweld, waarmede hij in den strijd zijn tegenstander wist aan te vallen.
Met eene uitdrukking van hoon op het gelaat was hij het paleis van koning Mark binnengetreden; spot en minachting spraken uit den toon, waarop hij den edelen toeriep: “Indien er één is onder ulieden, die uw land van dezen smaad wil bevrijden, ben ik bereid jegens hem in het perk te treden. Mocht hij in den strijd overwinnen, dan zijt gij voor altijd van uwe verplichtingen ontslagen. Indien het lot te mijnen gunste beslist, zoo is het niet meer dan billijk, dat uwe kinderen tot knechten worden. Maar ik zie het al, geen uwer waagt het den strijd met mij aan te binden!” en luid schalde zijn spotlach door de zaal.
Bevend van woede en toorn had Tristan naar de woorden van Morholt geluisterd. Nu sprong hij overeind en riep met trillende stem den edelen toe: “Schaamt u, gij lafaards! Een dier doet nog meer om het leven zijner jongen te redden, dan gij doet om uwe kinderen datgene te besparen, wat nog erger is dan de dood!” Toen liep hij op Morholt toe, slingerde hem zijn handschoen in het gelaat en riep: “Ik zal met u strijden voor de eer van mijn land, en het behoud mijner vrienden en stamgenooten. Noem slechts plaats en uur!”
Morholt nam lachend den handschoen van den grond op en sprak: “Wat wil die knaap van mij? Moet ik soms een houten zwaard gebruiken, wanneer ik met hem vecht?” Maar niettegenstaande zijne snoevende minachting moest Morholt Tristan’s uitdaging wel aannemen en zoo werden dag en uur van den strijd bepaald. Het gevecht zou plaats vinden op een eilandje, dat niet ver van Tintagel op eenigen afstand van de kust was gelegen. Reeds vroeg in den morgen van den vastgestelden dag had zich eene groote menigte aan het strand verzameld, die getuige wilde zijn van dezen spannenden strijd, welke over het wel en wee van het vaderland zou beslissen. Tegen den middag kwam Morholt, op een zwart ros gezeten, uit de richting der stad aanrijden. Onder de dreigende blikken der toeschouwers nam hij met zijn paard plaats in een bootje, dat hij met eenige krachtige slagen naar het eiland roeide; daar aangeland, meerde hij zijn vaartuig vast aan een steiger, steeg aan wal en wachtte, te paard gezeten, de verdere gebeurtenissen af.
Korten tijd daarna verscheen Tristan op het strand, onder het daverend gejuich der menigte. Zijne gestalte was gehuld in een stalen harnas, dat blonk als zilver, het vizier van zijn helm was opgeslagen en met vriendelijk lachend gelaat dankte hij voor de hem betoonde hulde. Zijne vrienden verdrongen zich om zijn sneeuwwitten schimmel en wedijverden met elkander in het geven van goeden raad en heilwenschen. Op dezelfde wijze als Morholt bereikte hij het eiland, maar toen hij aan land was gestapt, stiet hij met den voet het vaartuig, waarin hij gekomen was, van den oever af, zoodat het met den stroom naar zee dreef. Op Morholt’s vraag, waarom hij dit deed, gaf hij ten antwoord: “Één van ons beiden zal dit eiland niet levend verlaten en voor hem, die terugkeert, is één vaartuig voldoende.”
Kort daarop begon de strijd, die vele uren duurde. Zij, die vanaf het strand in angstige spanning naar het eiland tuurden, om den loop van het gevecht te kunnen volgen, zagen, hoe de krijgskansen steeds wisselden. Wat Morholt boven zijn tegenstander voor had, waren zijne meerdere kracht en zijne jarenlange ervaring in het vechten. Tristan daarentegen won het van hem in behendigheid en vlugheid van beweging. Daar trof Morholt’s zwaard den jongen held diep in de linkerzijde; één oogenblik scheen het, of hij den strijd zou moeten opgeven, zóó fel brandend was de pijn, maar dadelijk herstelde hij zich weer. Morholt had echter zijne aarzeling bemerkt en zijn zwaard terughoudend riep hij uit: “Houd op, knaap, eer het te laat is. Wat maalt gij om die menschen daar ginds op het strand? Uw moed en behendigheid bevallen mij en ik wensch niet langer uw dood. Weet dan, dat de punt van mijn zwaard in gif gedrenkt is en dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen dan mijne zuster, koningin Isolde. Daarom leg uwe wapens neer en ga met mij naar Ierland, waar gij genezing zult vinden en waar men u gelegenheid zal verschaffen, u roem en eer te verwerven!”
Tristan luisterde echter nauwelijks naar zijne woorden. Woedend sprong hij op Morholt toe, terwijl hij uitriep: “Mijne eer en de vrijheid van mijn land zijn mij meer waard dan mijn leven. Ik heb ze beide in mijne hand en zal ze verdedigen tot mijn laatsten ademtocht!” Met vernieuwde onstuimigheid drong hij op zijn tegenstander in en slechts weinige oogenblikken later gelukte het hem, met een krachtigen zwaardslag Morholt’s schedel te doorklieven. Met een doffen slag stortte de reus op den grond. Tristan steeg van zijn paard en trok met moeite zijn wapen uit de gapende wond. Zóó diep was het lemmer van het zwaard in het been doorgedrongen, dat een splinter van het staal in den schedel bleef steken.
Toen Tristan zich overtuigd had, dat Morholt inderdaad niet meer tot de levenden behoorde, begaf hij zich aan boord van diens vaartuig en roeide naar de kust. Zij, die daar stonden en den vorm van het vaartuig herkenden, sloegen de handen in elkaar en begonnen luide te weeklagen, want zij meenden niet anders, of Tristan was in den strijd gevallen. Wie beschrijft dus hunne vreugde, toen de geliefde held uit het vaartuig aan den wal sprong, ongedeerd naar het scheen, want de vreugde der overwinning deed hem voor het oogenblik de pijn vergeten, die hem in de zijde brandde. Met fieren tred trad hij op de kleine groep van Morholt’s metgezellen toe en riep, zóó luid, dat alle omstanders het hooren konden: “Gaat heen naar uw land en breng uw vorst als schatting, hem, dien ge op gindsch eiland zult vinden. Zeg hem, dat, zoo de aard dier schatting hem bevalt, hij slechts nieuwe boodschappers behoeft te zenden, om er nog meer van te ontvangen.”
Van bange voorgevoelens vervuld, roeiden Morholt’s vrienden naar het eiland, waar zij het lijk van hun makker vonden. Zij wikkelden het doode lichaam in fijn linnen doeken en voerden het met zich mee naar Ierland. Groot was aldaar de rouw bij het vernemen der smartelijke tijding. De trotsche koning van Ierland beet zich op de lippen van woede en schaamte, maar hij zond geen nieuwe boodschappers naar Cornwallis. De koningin echter en hare dochter, de schoone Isolde, stortten bittere tranen over het ontzielde lichaam; zij wieschen en balsemden het en hulden het in een kostbaar doodskleed. Zoo ontdekten zij ook de stalen zwaardpunt, die in de wonde was blijven steken. Zorgvuldig legden zij het kostbare bewijsstuk ter zijde en zij zwoeren een duren eed, dat hij, aan wien het toebehoorde, zijne straf niet zou ontgaan.
Degene, tegen wien deze bedreigingen geuit werden, lag intusschen weg te kwijnen op zijne legerstede in een der zijvleugels van het paleis van koning Mark. Onder het oorverdoovend gejubel der saamgepakte menigte had Tristan de terugreis naar Tintagel ondernomen. Van alle kanten drongen de menschen op hem aan om hem te danken voor hetgeen hij voor hen en hun land gedaan had. Vreemde ridders drukten hem de hand, schoone edelvrouwen vielen hem te voet en stamelden hun dank onder snikken en tranen, jonge meisjes strooiden bloemen op zijn pad en allen huldigden hem als den held van den dag. Voor den hoofdingang van zijn paleis stond koning Mark en toen Tristan hem naderde, strekte hij beide armen naar den jongeling uit en drukte hem aan zijn hart, te zeer ontroerd, om een woord uit te brengen.
Maar nu was het ook met Tristan’s krachten gedaan; met een kreet van pijn drukte hij zijne hand in de zijde en zonk bewusteloos ineen.
Van alle kanten snelde men toe, om hem te helpen en met de grootste omzichtigheid droeg men hem naar een koel en rustig vertrek, waarheen de koning weldra de bekwaamste geneesheeren liet ontbieden om zijne wonden te onderzoeken. Maar niettegenstaande al hun pogen, kon geen van hen er in slagen, hem de zoo vurig begeerde genezing te brengen. Alle middelen faalden; dieper en dieper woekerde het gif in zijn bloed; zijn lichaam nam eene onheilspellende, donkere kleur aan en uit zijne wonden kwam eene vreeselijke lucht, die het den omstanders onmogelijk maakte om langeren tijd in het vertrek te vertoeven. Zoo gingen de weken voorbij; de geneesheeren schudden hunne wijze hoofden en mompelden Latijnsche namen, maar het angstig smeeken van koning Mark beantwoordden zij slechts met een weifelend schouderophalen en Tristan lag onder dit alles onrustig woelend terneer en voelde, hoe de koorts in zijne aderen brandde en zijne krachten verteerde.
Door alle koortsvisioenen heen, die zijn brein benevelden hoorde hij de stem van Morholt, die hem toeriep: “Weet dan, dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen, dan mijne zuster, koningin Isolde.” Inderdaad, dit scheen maar al te waar te zijn, want hij voelde, dat zijne krachten met den dag afnamen en dat de beroemde geneesmiddelen, die men hem toediende, niets vermochten tegen het sloopend gif, dat hem verschroeide als een inwendig vuur. Hoe zou hij dan nog op genezing kunnen hopen, hij, die zich nooit in Ierland zou kunnen vertoonen, zonder zeker te zijn, dat men hem als den moordenaar van den broeder der koningin, een vreeselijken dood zou doen sterven? En hoe zou hij trouwens hulp mogen verwachten van haar, wier naasten bloedverwant hij om het leven gebracht had?
Eens op een morgen, toen eene tijdelijke opklaring van zijn brein hem het denken mogelijk maakte, lag hij te peinzen over zijn toestand. Of het kwam, dat het afnemen der koorts hem nieuwe hoop gaf, of doordat de zonnestralen, welke door het venster vielen, hem er aan herinnerden, hoe schoon de wereld daarbuiten was,—hoe het ook zij, zijn heele wezen kwam in opstand tegen den naderenden dood en met inspanning van al zijne denkvermogens zon hij op een middel, dat hem, trots alle in den weg staande moeilijkheden, de zoo vurig gewenschte genezing zou doen verkrijgen.
Langzaam rijpte toen in zijne hersenen het plan, dat, hoe gevaarlijk ook, hem althans eene kans op redding bood. Na overleg gepleegd te nebben met koning Mark liet Tristan zich op een mooien zomermorgen aan boord dragen van een vaartuig, waarop zich niemand anders bevond dan Gouvernail en de noodige bemanning, die geheel uit vertrouwde dienaren bestond. Van al zijne schatten en kostbaarheden nam hij niets met zich mede dan zijne harp en zoo begon hij zijn gevaarvollen tocht onder de zegewenschen van zijn vorst. Daar hij vreesde, dat de mare van zijne komst Ierland zou bereiken, nog vóór hij zelve daar kwam, bewaarde hij een diep stilzwijgen over het doel zijner reis en aan vrienden en belangstellenden deed hij voorkomen als ging hij naar Salerno, om daar de hulp van een beroemd heelmeester in te roepen. Niemand dan koning Mark vermoedde waar hij werkelijk heenging.
Vele dagen duurde de tocht, want de wind was ongunstig en dreef het schip uit zijn koers. Tristan lag op dek, rustend op zijden kussens en wanneer zijne pijnen het hem toelieten, speelde hij op zijne harp de oude, lang vergeten wijzen uit zijn vaderland. Zacht en droomerig klonken de tonen van het instrument over het wijde watervlak en vergleden in de onmetelijke ruimte. Zoo naderde het schip de groene kustlijn van Ierland, waar voor Tristan de redding, maar ook het gevaar schuilde.
Vroeg in den morgen waren eenige visschers buiten de haven van Dublin bezig hunne netten uit te werpen, toen hun oor plotseling getroffen werd door de klanken van een zoetvloeiend lied, die uit zee tot hen kwamen aandrijven. Verbaasd zagen zij om zich heen. Vanwaar kwam die stem, die zoo schoon en innig wist te zingen, dat men ernaar luisteren moest of men wilde of niet? Toen bemerkten zij op eenigen afstand een vreemd vaartuig, dat anders van bouw was dan de hunne. Fluks roeiden zij er heen en daar, op het dek, uitgestrekt op een bed van kussens, ontwaarden zij den zanger, een jongen man, wiens fijne, edele gelaatstrekken door de pijn verwrongen waren en den grauwen doodstint reeds schenen te hebben aangenomen. Nochtans gleden zijne vingers over de snaren en ontlokten daaraan tonen van zulk eene roerende schoonheid, dat zelfs de ruwe harten der visschers er door geboeid werden. Nieuwsgierig vroegen zij naar naam en herkomst van den vreemden zanger en deze, die op een dergelijk verhoor was voorbereid, vertelde hun, dat hij Tantris heette en dat hij, op weg naar Spanje, door zeeroovers was overrompeld, die zijn schip hadden geplunderd en hemzelf eene gevaarlijke wonde hadden toegebracht. Op zijne wedervraag, waar hij zich thans wel bevinden mocht, antwoordden de visschers hem, dat gindsche stad Dublin was, de hoofdstad van het machtige Iersche rijk. Getroffen door het lijdend voorkomen van den jongen vreemdeling boden zij hem gastvrijheid in hunne eenvoudige woning aan, welk aanbod gretig door hem werd aanvaard.
Al spoedig verspreidde zich het gerucht door het land van den jongen zanger, die lag weg te kwijnen aan eene doodelijke wonde, doch wiens zang en harpspel zóó schoon waren, dat een ieder, die ze hoorde, onder de betoovering kwam. Ook roemde men den vreemdeling om zijne hoffelijke, vriendelijke manieren en de kalmte en geestkracht, waarmede hij zijn vreeselijk lijden droeg. Tot in het koninklijk paleis drongen deze geruchten door en de jonge prinses Isolde bad en smeekte hare moeder om den vreemdeling aan het hof te ontbieden en hem op te dragen, haar in de kunst van het harpspelen te onderrichten. Zoo gebeurde het en toen de koningin den schoonen jongeling zag, die ondanks zijne onduldbare pijnen toch zijne kalmte en levensmoed wist te bewaren, besloot zij al hare krachten aan te wenden, om hem van zijne kwaal te genezen. Met eigen hand bereidde zij toen eenige geneesmiddelen, volgens een geheim en oud recept, dat zij nog van hare moeder had medegekregen; zij wiesch zijne wonden met eene zuiverende vloeistof, die het gif uit het bloed wist te trekken en ziet, binnen weinige dagen was er reeds eene verandering ten goede merkbaar in het voorkomen van den zieke. Zijne oogen werden helderder, zijne gelaatstint werd weer gezond en de pijnen namen af in hevigheid. Vóór er drie weken verstreken waren, was Tristan geheel genezen en gedreven door innige dankbaarheid jegens haar, die hem het leven gered had, wijdde hij zich geheel aan zijne nieuwe taak, om de jeugdige prinses te onderwijzen in alles, wat de edelvrouwen van zijn land zoo hoog deed uitsteken boven hare tijdgenooten. Hij leerde haar schoone liederen zingen en die op de harp begeleiden; ook onderrichtte hij haar in het zeggen van verzen en het onderhoudend vertellen van oude sagen en legenden. Daarbij zag hij nauwkeurig toe, dat houding, gelaatsuitdrukking en stembuiging alle in overeenstemming waren met den inhoud van het verhaalde. Ook toonde hij Isolde, hoe in zijn land de vrouwen met hoofsche nijgingen en vriendelijk handgebaar den vreemdeling begroetten, die in hare woning binnentrad, hoe zij met sierlijken zwaai den langen sleep van haar rijkleed over den schouder wierpen, zoodra zij van het paard gestegen waren en hoe zij, voor het vuur gezeten, eene slip van haren hoofddoek gebruikten, om zich tegen de hitte der vlammen te beschutten. Al deze dingen maakte Isolde zich eigen en haar ouders verheugden zich, wanneer zij zagen, hoe hunne dochter dagelijks toenam in gratie van houding en manieren. Isolde zelf zag hoog op tegen haren leermeester en bewonderde hem als een toonbeeld van beschaving en ridderlijkheid. Ook hij voelde zich getroffen door het lieftallig wezen der jonge prinses, maar zijn hart was nog vrij van alle gedachten aan liefde en vrouwengunst, dus leefden deze beide jonge lieden gelukkig en tevreden bij en met elkander voort, zonder aan andere dingen te denken dan aan de fraaie klanken van een lied of de schoonheid van een zomermorgen aan het strand van Dublin.
Toen de maanden verliepen en Tristan weer geheel hersteld was, begon hij terug te verlangen naar zijn vaderland, waar zijn oom in bange onzekerheid zijne terugkomst verbeidde.
Al werd hij door gevoelens van dankbaarheid aan het Iersche hof gebonden, zijn plicht riep hem terug naar Cornwallis en bovendien, hij verkeerde steeds in angst, of de metgezellen van Morholt hem ook zouden herkennen. Daarom begaf hij zich eens op een dag naar koningin Isolde en vroeg haar verlof, om naar zijn land terug te keeren. “Mijne vrienden en bloedverwanten”, zoo zeide hij, “verkeeren steeds in onzekerheid omtrent mijn lot, daar zij sedert mijn vertrek niets meer van mij vernomen hebben. Het wordt tijd voor mij, om tot hen terug te keeren. Nooit echter zal ik vergeten, wat gij voor mij gedaan hebt en mijn leven lang zal ik uw getrouwe dienaar blijven, over wien gij vrijelijk zult kunnen beschikken, waar en wanneer u dit goed dunkt.”
Na eenig beraad gaf de koningin hare toestemming tot zijn vertrek; het viel haar niet gemakkelijk, om Tristan te laten gaan, want zij was hem gaan liefhebben als haar eigen zoon, zoowel ter wille van hemzelf, als ter wille van dat, wat hij voor haar kind gedaan had.
Korten tijd daarna stak het vaartuig, waarin Tristan gekomen was, weer in zee en landde, na eene voorspoedige reis, in de haven van Tintagel.
De blijdschap van koning Mark, toen hij zijn geliefden neef gezond en krachtig terugzag, kende geene grenzen en ook Tristan’s vrienden en bekenden verheugden zich hartelijk over zijn veiligen terugkeer. Zij konden hunne oogen bijna niet gelooven toen zij hem, dien zij doodelijk krank en lijdend hadden zien vertrekken, nu zoo frisch en gezond terugzagen en er waren er onder de ridders, die iets mompelden van tooverij en booze geesten. Dit gerucht verspreidde zich allengs en vond gretigen ingang bij hen, die sinds langen tijd naijverig waren op Tristan’s roem en op de gunsten, die koning Mark hem betoonde. Het was duidelijk, zoo zeiden zij, dat er hoogere machten in het spel waren geweest, die tot Tristan’s genezing hadden bijgedragen. Hoe zou het ook anders mogelijk zijn, dat men in Ierland hem niet herkend had en dat hij koningin Isolde had weten te bewegen, om hem te genezen, hem, dien zij toch meer dan alle menschen op aarde moest haten. Nu eerst zag men, welk een gevaarlijk mensch deze Tristan was en hoe hij met den Booze in nauwe gemeenschap stond! Trouwens, was hij niet ook in andere opzichten een geheimzinnig wezen, was er wel één, die de waarheid wist omtrent zijne afkomst en de wijze, waarop hij in het land gekomen was?
Zoo praatten en stookten de jaloersche baronnen en ontzagen zich zelfs niet om in Tristan’s tegenwoordigheid bedekte toespelingen te maken op de verdachte omstandigheden, waaronder hij aan het hof gekomen was en de slimme wijze, waarop hij zich in de gunsten des konings had weten te dringen. Tristan voelde maar al te duidelijk de vijandige stemming, die hem omringde, maar hij stoorde er zich weinig aan en ging kalm zijns weegs, overtuigd van zijn goed recht.
Naarmate de weken verliepen en onze held weer geheel zijne vroegere plaats aan het hof had ingenomen, groeiden de nijd en afgunst van de baronnen en konden zij zich hoe langer hoe minder vereenigen met het feit, dat Tristan eens hun heer en vorst zou zijn. Wat, deze vreemdeling, deze bastaard, zou hun koning worden en regeeren over het schoone land van Cornwallis? Waarom konden zij geen rechtmatigen erfgenaam van den troon hebben? het was immers de plicht van ieder vorst om daarvoor te zorgen! Nog was het niet te laat, koning Mark was weliswaar niet jong meer, maar toch nog niet te oud om een huwelijk aan te gaan en dat er geen prinses te vinden zou zijn, die den troon met hem wilde deelen, dat kon men toch niet aannemen! Op grond van deze overwegingen begaven zij zich naar koning Mark en verzochten hem, ter wille van zijn volk en zijn land, uit te zien naar eene jonge bruid, die hem een erfgenaam voor den troon zou schenken. De koning hoorde hen met verbazing aan en sprak: “Wat wilt gij van mij? Weet ge dan niet, dat Tristan, het kind mijner gestorven zuster, mijn erfgenaam zal zijn en kunt gij u een wijzer en dapperder koning wenschen dan hij zijn zal?” Maar de baronnen lieten niet af. Tristan, zoo beweerden zij, was en bleef een vreemdeling en wanneer hij na ’s konings dood den troon wilde bestijgen, zouden diens verre bloedverwanten hem het recht daartoe betwisten, waardoor het rijk ten prooi zou vallen aan binnenlandsche twisten en oorlogen. Wanneer daarentegen de koning een huwelijk wilde aangaan, was de erfopvolging verzekerd en zou het land de rust blijven genieten, welke noodig was voor zijn verderen bloei en welvaart. Aanvankelijk bleef de koning doof voor hunne inblazingen. Zijn eens gegeven woord wilde hij niet breken en geene vrouw zou de plaats aan zijne zijde innemen, zoolang Tristan aan het hof verkeerde. Maar ook deze begon te bemerken, wat de baronnen wenschten en liever dan voort te leven onder dien druk van haat en afgunst, wenschte hij afstand te doen van alle rechten, die zijn oom hem had geschonken. Daarom begaf hij zich naar den koning en smeekte hem, de eischen zijner baronnen in te willigen, daar hij zich anders genoodzaakt zou zien, het hof te verlaten en als een arm, maar vrij man de wereld in te trekken. Koning Mark zag, dat hem niets anders overbleef, dan toe te geven, maar hij nam zich voor, zijne eischen zoo zwaar mogelijk te maken, opdat hij nog eene kans zou hebben, zijne vrijheid te behouden en Tristan de plaats te geven, die dezen volgens zijne koninklijke belofte toekwam.
Hij riep dus zijne baronnen in plechtige vergadering bijeen en sprak: “Na rijp beraad ben ik besloten, om, ingevolge uw verlangen, een huwelijk aan te gaan. Er is echter slechts ééne enkele prinses, die ik tot vrouw begeer en zij en geene andere zal den troon van Cornwallis met mij deelen. Luistert! Toen ik vanmorgen vroeg te peinzen lag, vlogen twee zwaluwen door het open venster van mijn slaapvertrek naar binnen. In hunne snavels droegen zij een lang, goudblond vrouwenhaar, dat glinsterde in de morgenzon. Toen zij boven mijn rustbed gekomen waren, lieten zij plotseling het haar vallen, dat neerdwarrelde op mijne legerstede. Voorzichtig nam ik het op om het te bekijken en terwijl ik dit deed, schoot mij plotseling te binnen, hoe Tristan steeds de lange, gouden haren van prinses Isolde van Ierland geprezen had. Sindsdien heb ik haar beeld niet meer uit mijne gedachten kunnen verbannen en begon ik het brengen van het vrouwenhaar door de zwaluwen als eene aanduiding te beschouwen, dat zij en niemand anders dan zij, mijne gemalin moest worden.” Hier zweeg de koning en zag triomfantelijk rond. Hoe zouden de baronnen aan zijn verlangen kunnen voldoen, om eene prinses uit een hem vijandig rijk voor zijne hand te winnen? Het was immers onmogelijk dat de koning van Ierland ooit de hand zijner dochter zou schenken aan den man, die de indirecte oorzaak was geweest van Morholts dood. Welnu, de baronnen zouden, wanneer hij slechts voet bij stuk hield, ten slotte wel het onmogelijke van hun plan inzien en de troon zou, bij gebrek aan een rechtstreekschen erfgenaam, vanzelf aan Tristan vervallen. Inderdaad zagen de edellieden elkander eenigszins bedrukt en teleurgesteld aan, want zij begrepen, dat het bijna onmogelijk zou zijn, om de hand van prinses Isolde voor hun vorst te winnen. Zij poogden Mark het onredelijke van zijn verlangen onder het oog te brengen; zij wezen op de vijandschap tusschen de beide landen en prezen de schoonheid en lieftalligheid van andere prinsessen. Alles tevergeefs! Koning Mark bleef bij zijn eisch: Isolde van Ierland moest zijne vrouw worden, of hij zou tot zijn dood toe ongehuwd blijven en Tristan zou hem opvolgen. Wanhopig zagen de baronnen elkander aan en menige booze blik trof Tristan, dien men als de oorzaak van ’s konings koppigheid beschouwde. Zeker was hij het, die Mark een dergelijk voorstel aan de hand had gedaan, om daardoor zijne eigen rechten op den troon verzekerd te zien. Zoodra Tristan zich van dit nieuwe blijk van wantrouwen bewust werd, was zijn besluit genomen en temidden der pijnlijke stilte die op eene hernieuwde weigering des konings gevolgd was, riep hij uit: “Lafaards zijt ge, om eene taak onuitvoerbaar te beschouwen, nog eer gij uwe krachten daaraan beproefd hebt. Ik zelve Sire, zal u Isolde van Ierland brengen, of het moest mij mijn leven kosten. Geef mij slechts twintig edelen mede om uw aanzoek te ondersteunen. Bovendien zal ik honderd ridders kiezen, die mij in den nood terzijde zullen staan en tezamen zullen wij de prinses voor u veroveren, al moesten we haar aan de klauwen van een draak ontrukken!” De baronnen kregen den schrik over deze overmoedige woorden en beefden bij de gedachte, dat zij Tristan op zijn gevaarlijken tocht zouden moeten vergezellen. Andermaal wendden zij zich smeekend tot hun vorst en verzochten hem eene andere keuze te doen, maar nog vóór hij antwoorden kon, riep Tristan uit: “Er is slechts ééne vrouw ter wereld, die waard is om de gemalin van koning Mark te worden en dat is prinses Isolde met de gouden haren! Haar wil ik voor hem zien te veroveren of in het pogen den dood vinden!”