XXVIII. De Fiertere van Ronse.
Reading edition
Het Vlaamsche volk heeft altijd zijne heiligen geliefd en in het openbaar vereerd.
Gent viert den H. Livinus, Mater de H. Amelberga, Tiegem den H. Arnoldus, Ronse den H. Hermes.
Uit dien eerbied sproten de bedevaarten en de ommegangen. Op zekere dagen droeg men de reliquiekas of de fiertere der heiligen plechtig van de eene plaats naar de andere, onder den toeloop van eene groote en biddende menigte.
Zulke ommegangen zijn door den band heel eigenaardig en bij uitstek dichterlijk. Zij spreken in alle geval hoog en luid van den onverschrokken godsdienstzin der vorige geslachten, van het levendig geloof der vervlogen eeuwen.
Sint Hermes — de patroon van Ronse — leefde in de tweede eeuw der christelijke jaartelling. Hij stierf den marteldood en werd door zijne zuster Theodora begraven.
In het jaar 829 deed Gregorius IV de stoffelijke overblijfselen van den heilige naar de St-Marcuskerk brengen. Talrijke wonderen lokten gedurig nieuwe bedevaarders uit.
Lotharius, een kleinzoon van Karel de Groote, vroeg het lichaam van Sint Hermes voor zijne staten, en bekwam het in 851.
Voorloopig bewaarde men den schat in de abdij van St-Cornelius, bij Aken. De keizer stierf in 856. Zijn zoon en opvolger deed de reliquie naar Ronse overdragen, waar zij den 6 Juli 860 toekwam.
Men stelde ze in de St-Pieterskerk. Later bouwde men, zooals wij reeds weten, de St-Hermeskerk.
De fiertere van Ronse valt alle jaren op den feestdag van de H. Drievuldigheid, anders gezeid op den eersten kermisdag der gemeente.
Vóor de Fransche omwenteling was de ommegang bijzonder eigenaardig.
Uit al de omliggende dorpen uit Vlaanderen en Henegouw kwamen, vroeg in den morgen, de beste ruiters naar de stad. De ruitersmis begon om zeven ure.
Na de mis begaf men zich op weg door de Wijnstraat, zich richtende naar Louisa-Maria, den Muziekberg, St-Sauveur, Watripont, Rozenaken, den Hootond en de Kruisen.
Voorop gingen de gildebroeders van St-Sebastiaan, in het rood — die van St-Marten, in het zwart — van St-Hermes, in het groen gekleed.
De nering der kleermakers volgde met haren standaard. Dan kwamen de Zwarte Zusters met hunne leerlingen en de Zusters van het gasthuis.
De schoenmakers droegen de fiertere.
Vóor hen stapte, traag en statig, een man, die twee groote bellen op maat deed klinken.
Het magistraat en de ruiters sloten den stoet.
De mannen van Rooborst, in Vlaanderen, en van St-Sauveur, in Henegouw, reden altijd voorop, omdat hunne voorzaten in 1724 zich manmoedig verzetteden tegen eene bende struikroovers, die, in de nabijheid van den Muziekberg, de overblijfselen van Sint Hermes wilden onteeren.
Aan de Begijnhofstraat gekomen zijnde, keerde de geestelijkheid naar de kerk terug, terwijl de bedevaarders de Kruisstraat insloegen.
Niet verre van den Muziekberg draafden de ruiters van Rooborst en St-Sauveur, met het pistool in de vuist, driemaal rond de reliquiekas. Men toefde op Schoonboeke, bij Ellezele en bij St-Sauveur.
Op de grenzen van Watripont gebeurde er iets anders. Een van de voornaamste ingezetenen dier gemeente kwam de wethouders van Ronse den eerewijn aanbieden. Die van Ronse schonken den «notabele» eenen grooten koek, ten bewijze van vriendschap. Dezen koek zond men onmiddellijk naar Doornik, en van daar naar Parijs, waar hij, twee dagen nadien, op de tafel van M. den graaf van Bethune moest prijken.
Van waar dit zonderling gebruik?
De legende wil, dat de heeren van Ronse en van Watripont eens eenen grooten twist hadden; dat zij dezen twist inderminne beslechtten, en dat zij het genoemde beschenken tot teeken van hunne verzoening in zwang brachten. Op den koek ziet men althans twee samengeslagen handen.
Wij gissen, met D^r Delghust, dat dit gebruik zijn ontstaan te danken hebbe aan de keure van 1240, waardoor de heer van Watripont de Ronsenaren ontsloeg van tollen en leendiensten.
Te Rozenaken, op de hofstede van St-Hermes, toebehoorende aan het kapittel van Ronse, wachtten twee kanunniken de bedevaarders af. Aan allen schonken zij eene gewijde taart en bier of wijn volgens de tijdsomstandigheden.
In den namiddag, tusschen vier en vijf ure, bereikte men weder de stad. De geestelijkheid kwam de fiertere te gemoet tot aan de steenen brug en bracht ze, psalmen zingend, weer naar de kerk.
Hedendaags volgt de processie nog altijd denzelfden langen weg rond het grondgebied der stad.
Te Louisa-Maria en te Rozenaken laat men de reliquiekas eenen zekeren tijd in de kerk rusten. Middelerwijl mogen de bedevaarders hunnen dorst lesschen en hunnen honger stillen.
Op den Hootond en de Kruisen versieren de tochtgenooten hunne paarden en rijtuigen met meien, takken en bloemen, vooral met bloeienden brem.
Ten jare 1898 telden wij meer dan tweehonderd ruiters, die de overblijfselen van Sint Hermes vergezeld hadden.
Bij gebrek aan oorkonden kennen wij den oorsprong van Ronse's ommegang niet. Het is nochtans zeker, dat hij zeer oud is, nademaal men hem in 1453, ter oorzake van de toenmalige onlusten en oorlogen tusschen Philip den Goede en de Gentenaars, niet toeliet.
In de sacristij van St-Hermeskerk bewaart men het zoogenaamde Zottenboek. Buiten eenige standregelen en de namen van de leden der broederschap, behelst het namen van krankzinnigen, opklimmende tot het jaar 1670.
Velerhande aanteekeningen zetten dit gedeelte eene zekere belangrijkheid bij. Nu eens bestatigde men, dat de zieke genezen, dan weer, dat hij overleden was gedurende de negendaagsche plechtigheid.
Vóor 1597 gebruikten de krankzinnigen alle dagen een koud of een lauw bad. Mgr Hovius, aartsbisschop van Mechelen, schreef alsdan voor, dat men ze enkel besproeien zoude met gewijd water.