← Table of contents
Reisjes in Zuid-Vlaanderen

XIII. Oudenaarde.

Reading edition

Daar zit en droomt gij aan de Schelde, En spiegelt u in 't klare nat. Uw roem en welvaart zijn verzwonden; Toch zal mijn lied uw lof verkonden, o Moedergrond, o vaderstad! Toch blijft gij steeds mijn liefste schat, Mijn dierbaar Oudenaarde!

Dus zingt G. Antheunis, een zoon van Oudenaarde.

Men weet, dat de keuren, welke 's lands vorsten aan de opkomende gemeenten schonken, de openbare veiligheid waarborgden, de rechten en plichten tusschen de poorters en den landheer bepaalden.

Oudenaarde dankte zijne keure aan Philip van Elzas. De eerste versterkingen der stad waren van 1188.

In den loop der eeuwen werd Oudenaarde dikwijls belegerd: door de Gentenaars in 1382 en in 1452; door de Franschen in 1658, 1667, 1684, 1708 en 1745.

Ten jare 1382 stond Frans Ackerman, een der hardnekkigste voorstanders van Philip van Artevelde, aan het hoofd der belegeraars.

Froissart wil, dat deze alsdan gebruik maakten van hun groot kanon: de dulle Griet. Zeker is het, dat dit moordtuig in 1476 bestond. Dit jaar betaalde men eene «zekere leveringhe van hout,» en eenen grooten olm, «daer eene busse, gheheeten de groote Griete» en andere «engienen» in gelegd werden.

Toen de Gentenaars in 1452 de stad innamen, werden vier personen wegens verraderij onthoofd: Jan en Lieven Willems, Lieven Boene en Everaard van Botelaer.

Bij deze belegering verloren de Gentsche bakkers «eenen rebaude ende twee taergen.»

In het begin der XVIe eeuw was de stad nog niet groot, maar zeer rijk. Zij telde honderden tapijtwerkers, wier voortbrengselen heinde en verre gezocht werden. De grootste schilders van Antwerpen, Teniers en anderen, leverden teekeningen voor den kunstigen arbeid. In het gasthuis bewondert de reiziger nog twee groote muurtapijten, jachten met valken voorstellende.

Frans I, koning van Frankrijk, stichtte in zijn land de eerste tapijtweverijen. Hendrik IV riep uit Vlaanderen bekwame wevers, aan wie hij bijzondere voorrechten verleende. Mark de Cooman en Frans van der Plancke stonden aan het hoofd der werkzaamheden. Omtrent het jaar 1650 toog Jan Janssens, van Oudenaarde, ook naar Parijs. Vier jaren nadien werd deze op zijne beurt «maître tapissier du Roy.»

Hedendaags telt Oudenaarde ternauwernood 6,000 inwoners. Den Donderdag van elke week houdt men er eene belangrijke markt van landbouwvoortbrengselen. De brouwerij is mede een voorname tak der plaatselijke nijverheid.

Dat Oudenaarde eens rijk was, blijkt uit de pracht zijner openbare gebouwen.

Stadhuis Van Oudenaarde.

Stadhuis Van Oudenaarde.
Stadhuis Van Oudenaarde.

Een zeer merkwaardig gebouw is de kerk van Pamele, tegen de Schelde. Zij is een werk van den bouwmeester Arnold van Binche en dagteekent van 1235-1239. Zij behoort tot den overgangsstijl en is bijna onveranAug. van Assche herstelde den tempel op meesterlijke wijze, en thans prijkt hij weer in zijne eerste, strenge schoonheid.

De Sinte-Walburgakerk werd begonnen in 1414, voltrokken in 1515. Het koor, over weinige jaren hersteld, is ouder dan het schip. Den toren, die 88 meters hoog is, bouwde Jan van der Eecke in 1478 en volgende jaren. Getroffen door den bliksem, in den zomer van 1803, verloor hij zijne sierlijke naald. Deze had eene hoogte van 78 meters, en was vervaardigd geworden door Thomas Goossens, van Gent, in 1619.

De beeldstormers der XVIe eeuw richtten te Oudenaarde groote verwoestingen aan. Op St-Bartholomeüsdag 1566 plunderden zij de kerken, alles verwoestende, wat men niet in veiligheid had kunnen brengen.

Den 4 October 1572 wierpen eenige schurken, aangevoerd door den kapitein Blommaert, zes priesters in de Schelde: Paulus van Coye, Pieter van den Hende, Jan van Bracle, Jacob de Deckere, Jan van Opstalle en Jacob van Anvaing. In den avond leidde men hen uit het kasteel van Pamele, waar zij sedert den 7 September gevangen zaten, naar het nieuw kasteel. Hier werden zij «ontcleet tot op huerlieder hemde;» en nadat men hun de handen en de beenen gebonden had, schoot men hen «met den hoofde voren, door de veijnsters» in den stroom. Jacob van Anvaing werd nochtans «wonderlijck verlost.» Dit verrichtten de verdedigers van de «gewetensvrijheid,» de «verdraagzame» geuzen!

Het stadhuis, een toonbeeld van den praalzuchtigen stijl der derde Gothiek, en bovendien een echt juweel, is van 1525-1580. Hendrik van Pede, van Brussel, werd gelast met het vervaardigen van de teekeningen, alsook met het besturen en bewaken van de werken. Willem de Ronde zorgde voor de bouwstoffen en het beeldhouwen der steenen.

De eventijdige rekeningen der stad noemen nog andere kunstenaars: Adriaan van Hoorick, Paul van der Schelde, Joris de la Potellerie, Michiel Pieters, Gillis Spierinck, Jozef de Clercq.

P. van der Schelde sneed het merkwaardig portaal in eikenhout, dat de raadzaal verrijkt. Dit gewrocht behoort tot den Renaissancestijl.

Te Kortrijk liet men «den patroen maecken van de caven, staende binnen den scepenhuuse.» Deze werden nochtans niet nagebootst.

De volkszaal, in den laatsten tijd hersteld en versierd door Verhaegen, Blanchard, Bressers en Hendrickx, is schoon te noemen. Op de schouw leest men het jaartal 1545. De beeltenissen van Karel den Groote, Liederik de Buck, Robrecht van Bethune en Karel V versieren de muren.

Het museüm van oudheden en de bibliotheek zijn niet van belang ontbloot. In het museüm bewaart men oude wapens, zegels, bogen en sporen, wijnkannen uit de XVe eeuw. Daar is ook de boekerij van wijlen Karel Liedts.

De toren van het stadhuis of het Belfort is almede een meesterstuk van smaak en zwierigheid. Het Belfort is 40 meters hoog, en draagt op zijn toppunt een verguld koperen beeld van twee meters: Jantje van Oostenrijk, zegt eene oorkonde. Jantje staat daar te prijken sedert 1580.

Oudenaarde bezit nog andere gebouwen, die een bezoek verdienen: het oude huis van Burgondië, langs de Schelde, nu tot vredegerecht ingericht, en het voormalige klooster van Maagdendale, niet verre van de kerk van Pamele, nu ene kazerne.

Een paar gekende rederijkkamers: Pax vobis en de Kersowieren hielden tooneelwedstrijden en woonden vreemde landjuweelen bij. In hunne stad stelden zij prijzen op in 1462 en in 1564. Pax vobis ging naar Kortrijk in 1512. Men wil ten andere, dat de gezellen dier twee steden altijd «in vrinscepe» leefden. Zelfs schonk het magistraat van Oudenaarde, in 1559, «aen die van Curtrijcke in dancbaerheden een vriendelic banket,» dat ruim 567 pond parisis kostte.

Op het landjuweel van Gent, in 1440, verschenen de Oudenaardsche genootschappen met 88 gezellen zonder boog, 365 met boog, eenen speelwagen, 339 ruiters en eenen koning, omringd door 79 poorters.

Het landjuweel van 1497 overtrof al de voorgaande kunstfeesten in pracht en luister. Nu zond Oudenaarde 132 wagens, overdekt met wit laken, 88 paren ruiters en meer dan 200 gezellen te voet.

Te Oudenaarde stond de wieg van Margareta van Parma, geboren «binnen Pamele, op het Spei,» van Joanna van de Gheenst; — van Matthijs de Casteleyn (1488-1550), Vlaamschen dichter, behoorende tot de rederijkkamer Pax vobis; — van Jan van den Driessche, meer gekend onder den naam van Drusius (1550-1616); — van den schilder Adriaan Brouwer (1608-1640); — van Jan Raepsaet (1750-1832), rechtsgeleerde, oudheidkundige en geschiedschrijver; — van B. de Rantere (1775-1831), kroniekschrijver; — van den reeds genoemden staatsman Liedts; — van den geschiedvorscher A. van der Meersch; — van den geleerden pater van Tricht, S. J. (1842-1897); — van den dichter en toonkundige G. Antheunis (1840).

De Casteleyn, «priester en excellent poëet,» had eenen grooten dunk van «de conste van rhetorijcke.» Ik schreef, zegt hij ergens, 36 esbatementen, 38 tafelspelen, 12 staande spelen «van sinne» en 30 wagenspelen. Het boek, waarin hij zijne voorschriften uiteenzette, verscheen na zijnen dood, en wel in 1555. Het bleef gedurende eene eeuw het wetboek voor allen, die aanspraak wilden maken op den naam van dichter.

Drusius werd leeraar der Oostersche talen te Oxford, te Leiden en te Franeker. Verscheidene gewrochten over het Oude Testament en de heilige Schrift vloeiden uit zijne pen.

Brouwer heeft men «den Rubens van het genre» genoemd. Met voorliefde maalde hij tooneelen uit het woeste leven in de kroegen. Vechtende, rookende, slapende, bedwelmde en onpasselijke boeren en slempers, ziedaar de onderwerpen van zijne tafereeltjes. Maar deze zijn wonderkeurig bewerkt, en tintelen van humor en argelooze waarheid.

B. de Rantere hield zich langen tijd en met onvermoeide volharding bezig met het opsporen van de belangrijke archieven, die ten stadhuize bewaard worden. Ook genoot hij onder zijne medeburgers de eervolle onderscheiding, die alleen den braven en rechtzinnigen man ten deele valt.

Liedts schonk zijne gansche boekerij aan de stad.

Mevrouw Verwee, geboren Maria d'Huygelaere, is ook een kind van Oudenaarde. Zij dichtte de gekende Meerschbloemen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings