← Table of contents
Reisjes in Zuid-Vlaanderen

XII. Naar Quaremont en den Kluisberg.

Reading edition

Een uitstapje naar Quaremont en den Kluisberg is, bij zomerweder, een genot voor kinderen en bejaarden, voor alwie behagen schept in het betrachten van Gods heerlijke natuur.

In een uurtje stoomt men van Kortrijk, door een allerschoonste landschap, langs Zwevegem, Heestert, Avelgem en Ruien naar Berchem.

Avelgem en de omliggende dorpen hadden in de XVIe eeuw veel te lijden van de Malcontenten en van de legers der Staten. Het kasteel van Avelgem werd driemaal veroverd; de kerk, vier windmolens en meer dan tweehonderd huizen werden afgebrand; van de duizend ingezetenen bleven er nauwelijks honderd «te lijve.» Het dorp Autrijve lag gansch «vaghe,» evenals «de splete» van Bosuit en Moen.

Avelgem is de geboorteplaats van C.-F.-A. Duvillers (1803-1885), wiens volksliedjes zeer geprezen worden. Stijn Streuvels schrijft er hedendaags zijne boeiende verhalen.

Ruien gelijkt aan een dorpje uit een bergland. Boven de roode daken der huizen wuiven de boomen van den Kluisberg met hunne donkergroene toppen.

Van Berchem leidt een klimmende weg naar Quaremont, eene gemeente van 1,550 zielen.

Quaremont ligt misschien in het schilderachtigste deel van heel Zuid-Vlaanderen. De kerk staat op eene hoogte. Zij heeft eenen witten gevel en eenen zwaren toren met eene kleine spits.

Een groot gedeelte van Quaremont is overdekt met bosschen. Diepe ravijnen loopen in alle richtingen. Hier en daar borrelt ijzerachtig water op.

De Romeinen hebben deze plaats gekend. Over eenige jaren heeft men er een kerkhof ontdekt, met penningen en andere voorwerpen, welke men in die verwijderde tijden bij de lijken placht te leggen.

Te Quaremont stond de wieg van Jan van Heck (1625-1669), die vele kleine landschappen schilderde, welke hij met bloemen en vruchten versierde. Hij verbleef eenige jaren te Rome en overleed te Antwerpen.

Den steenweg naar Ronse volgende, komt men aan de Klok, eene voorname, landelijke herberg. Vóor het huis heeft men een schoon zicht op Zulzike, Nukerke, Oudenaarde en het omliggende.

Een weinig verder, aan de herberg de Martiko, ontrolt zich een dubbel panorama. Noordwaarts, door eene heerlijke vallei, blikt men op Vlaanderen, met de torens van Gent en Oudenaarde aan den gezichteinder; zuidwaarts, langs den Kluisberg, ontwaart men Henegouw, met den Drievuldigheidsberg en de blauwe hoogte van Bon-Secours in het nevelig verschiet.

Toen wij den laatsten keer de plaats bezochten — in den zomer van 1898 — dreef een onweder over de streek. Aan den eenen kant glinsterde het zonnelicht; aan den anderen kant viel een dichte regen. Nu en dan vlogen rosse bliksemflitsen door het wolkgevaarte. Nooit zullen wij dien dag vergeten.

Aan den «Martiko» rechts gaande, kan men, langs het schoone kasteel van Mevrouw de Crombrugghe, naar den Kluisberg wandelen.

In het bosch ademt men eene reine, smakelijke lucht in. De wind suist in de boomen; de vogelen zingen in de struiken; de bijen gonzen op de kleine heidebloempjes. Sierlijke varens en groene kraakbeziestruiken groeien in de schaduwe.

De Kluisberg is 141 meters hoog, en grootendeels begroeid met mastbosschen. De aanblik op Henegouw en West-Vlaanderen is nochtans niet belemmerd. Bovendien vindt men daar een witgekalkt torentje, dat men voor eenige centiemen mag beklimmen.

Honderden namen van groote mannen en gewone stervelingen staan op den muur, waarmakende dat het plekje veel bezocht wordt.

Aan den voet des bergs ligt het lieve Ruien. Verder rijzen Orroir, Amougies, Rozenaken, Schalafie en Anserœul; nog verder onderscheidt men Pottes, Celles, Herne en Molenbaix.

Westwaarts kronkelt de Schelde door weiden en meerschen. Over den stroom beginnen de West-Vlaamsche valleien en verhevenheden, met Avelgem, Autrijve, Helkijn, Sint-Denijs en Moen.

Aan den gezichteinder steekt de toren van Mont-St-Aubert, op den Drievuldigheidsberg, in de lucht. Daarachter ontwaart men de reusachtige torens van Doorniks hoofdkerk. En tusschen al die gemeenten staart men op golvende graanvelden, op eenzame huisjes, op draaiende molens, op wiegelende boomen, op slingerende straten en voetpaden, op spelende kinderen, op rondslenterende mannen en vrouwen. En de zonne, langzaam ten Westen neigende, werpt haar fijnste goud over heel het landschap.

Achter het torentje, in de toppen der sparren, zingen de vogelen genoeglijk en tevreden... Ook de wandelaar is tevreden, en neurt den dichter na:

o God, wat is uw schepping schoon, Wat zijn uw werken wonder! Wat is die hooge hemel blauw, Hoe groen het veld er onder!

De grond van den Kluisberg is ijzerachtig. Niet verre van het meergenoemde torentje, westwaarts, vindt men twee rechtstaande rotsblokken van ongelijke grootte: Peetje en Meetje geheeten. De geleerden vermoeden, dat het dolmens zijn, welke vroeger op den top des bergs stonden en later, bij de opkomst van het christendom, als duivelssteenen omvergestooten werden.

Eenige bijzonderheden, rakende de genoemde gemeenten, zullen hier te stade komen.

Benoorden Ruien liggen Berchem en Kerkhove, met eene brug over de Schelde. Berchem is eene levendige plaats; Kerkhove heeft eene Gothische kerk, met smaak versierd naar de eischen der middeleeuwsche kunst.

Orroir, Amougies en Rozenaken of Russignies behooren tot het arrondissement Oudenaarde, doch zij hebben eene Waalschsprekende bevolking. Ons taalgebied is trouwens in het Zuiden van Oost-Vlaanderen door eene reeks verhevenheden, als door eenen natuurlijken dijk, afgesloten.

Rozenaken is de geboorteplaats van Hendrik Depelchin (1822). Deze onverschrokken geloofszendeling wrocht in Afrika en in Oost-Indië. Hij stichtte een college in het Himalaya-gebergte.

Zuidwestwaarts, in de richting van Robaais, schuilt Dottignies, eene groote gemeente, met ongeveer 4,300 inwoners. Te Dottignies stond de wieg van L.-P.-J. Dubus de Gisignies (1780-1849), eenen ervaren staatsman. Dubus vertrok in 1825, als commissaris-generaal, naar Oost-Indië. Hij bouwde de katholieke kerk van Batavia, zorgde voor het algemeen welzijn zijner onderdanen, en poogde tevens den Belgischen koophandel uit te breiden.

Ondanks de vruchtbaarheid des gronds, heerscht er door den band meer welstand in het dal der Lei, dan in de vallei der Schelde. Terwijl de bevolking van Harelbeke, Kuurne, Bissegem, Lauwe verdubbelde sedert 1820, is die van Avelgem, Waarmaarde, Heestert, Ansegem en Tiegem merkelijk verminderd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings