← Table of contents
Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4)

Walcheren

Reading edition

Roem vrij, o Holland! op uw schatten, Noem u de kroon van Neerlands macht, En blijf het rijk tresoor bevatten Van ’t geen de kunst heeft voortgebracht; Doe, Geldersch Tempe, uw luister stralen, Verhef u vrij op al uw schoon, En sprei uw heuvlen en uw dalen Voor ’t opgetogen oog ten toon; Maar laat geen trotschheid u verleiden, Als hieldt ge alleen den staf in hand: Ook elders prijken bosch en weiden, Ook elders vindt ge een lustwarand. Vertrouw u aan de Zeeuwsche stroomen, En zet uw voet op Walchrens grond, Waar de olmen fier zijn vest omzoomen, Die pal voor Spanje’s heerschzucht stond. Wend daar langs kaai en wal uw schreden, En richt uw blik naar ’t Raadhuis heen: Daar toont verbeelding u ’t verleden, Daar prijken nog der vaadren zeên. En gaat gij dan uit spelemeien, Waar ’t voorgeslacht reeds vreugd in vond, Dan leert ge er in de gulle reien De waarheid van ’t “goed Zeeuwsch, goed rond”! Dan klimt gij op de hooge duinen, De vesting, die het land omzoomt, En schouwt met wellust van hun kruinen Het welig groen en dicht geboomt. Dan zegt gij: heerlijke landouwen, Ook gij, bekoorlijk lustwarand, Moogt roemen op uw schoonste vrouwen, Ook gij zijt Neêrlands diamant.

P. Bosscha. 1839.

’k Doolde vol vreugd door uw malsche landouwen, ’k Heb aan uw duinzoom weldadig gerust; ’t Oog mocht uw lieflijke Mantling aanschouwen En heeft bewondrend gestaard op uw kust.

S. J. v. Den Berg.

Het schoonste, meest afwisselende eiland van Zeeland is ongetwijfeld Walcheren, door tal van bezoekers reeds sedert lang met allerlei vleiende eerenamen aangeduid. Keizer Karel V roemde Walcheren reeds om de heerlijke vruchten, welke het land opleverde, en die de produkten van de zuidelijke landen nabijkwamen of zelfs overtroffen. Lodewijk Napoleon noemde Walcheren “een aardsch paradijs”; in den mond van velen is het “de tuin van Zeeland”, en wegens zijn vierkanten vorm te midden van de wateren spreekt men dichterlijk van “een fraaie bloem op een schaal van zilver”.

Wel is Walcheren niet meer, wat het was voor een paar eeuwen, toen het nog prijkte in al den glans van welvaart, rijkdom en weelde des tijds, zoodat een reiziger zich gemakkelijk kon voorstellen, hier in een grooten lusthof te wandelen, waarin de bekoorlijkste tooneelen van bosch en akkers, dorp, duin en zee voortdurend afwisselden.

Nergens toch vond men in onze toen nog zoo rijke Republiek binnen een eng bestek drie volkrijke steden en een zoo talrijke menigte schoone dorpen, terwijl meer dan honderd kasteelen en vele flinke landhuizen over het eiland verspreid lagen, te midden van de schoone, bloeiende velden, met een hoog ontwikkelden landbouw. In het werk van Z. Paspoort, verschenen 1820, wordt een lijst van 74 buitenplaatsen op Walcheren vermeld, welke toen reeds gesloopt of in boerenhofsteden veranderd waren. Toch telde men twintig jaren later nog 51 buitenplaatsen op Walcheren. Zoo was het oude Walcheren, meer dan eenig ander deel van Nederland, een uitgezocht gewest voor den Arcadia-beschrijver, en de gemoedelijke predikant Mattheus Gargon trok dan ook in 1715 met zijn speelwagen vroolijk over het eiland, om de heerlijkheid er van in scherts en ernst te beschrijven.

Wel zijn talrijke buitens sinds lang verdwenen en vindt men er niet meer den rijkdom en de weelde van den tijd, toen Middelburg, Veere en Vlissingen bloeiden door handel en scheepvaart, toen de rijke kooplieden der steden zich bij gemis van snelverkeer op het land of aan de duinen een vriendelijk buitenverblijf schiepen op het eiland, maar toch blijft Walcheren nog steeds een heerlijk oord.

Nergens in ons vaderland wordt men nog zoozeer aan de 18e eeuw herinnerd als op Walcheren. “Als men de smalle, kronkelende wegen volgt, door boomen of geschoren heggen netjes omzoomd, waar hier en daar de elegante steenen palen van een groot rococo-hek de aanwezigheid of het vroeger bestaan van een buitenplaats verraden aan het einde van rechte lanen of wegen; wanneer men die lange risten van zeven of acht gelijke en gelijkvormige boerinnetjes ontmoet, welvarende gezichten in stijve, doch kleurige kostuums, en de nette, stille dorpjes doorkruist, de eenvoudige, welonderhouden kerkjes opmerkt met hun zware, kort gespitste torens in het vriendelijk groen—dan denkt men onwillekeurig uit een der steeds gesloten huizen de landschapteekenaars der 18e eeuw als Jan de Beyer of Cornelis Pronk te zullen zien buitenkomen, in gebloemde kamerjapon en gepoederde pruik, de lange pijp even uit den mond nemend, om ons deftig te presenteeren: “’t dorp Serooskerke op Walcheren, 1747”, aldus ongeveer geeft Mr. S. Muller zijn indrukken van dit eiland weer.

Walcheren is rijk aan innige, intieme schoonheid door een natuur, die in haar kunsteloosheid nooit vervelen zal, die een zekere charme heeft, welke niet onder woorden valt te brengen, een afwisseling, die niet vermoeit, maar opwekt.

En naast het echt landelijke, dat idyllische van rust, die niet drukt maar doet leven, wordt overal op Walcheren de gunstige invloed van de zee gevoeld of zelfs haar eeuwig lied gehoord.

Door Walch’rens hof ruischt d’ echo van de zee; De zwoele nachtwind zendt die zoete klanken Terug naar ’t hooge helm, dat met de ranken Der wilde winden fluistert van de zee.

Het licht der kusten flikkert langs de zee, Door wolkensluiers glimm’ren bliksemspranken, Een hooge pijl doorklieft de nevelbanken, De stemma Zeus rolt dreunend langs de zee.

De roode maan rijst boven donkre kruinen, De starren fonklen boven donkre duinen, Een roode slang schiet over ’t zwart kristal.

Natuur wordt stil; de maan schuilt weg in ’t duister, En Zeus keert lichtend naar der goden hal, Zijn echo is de zee—in ’t phosphorluister,

zong Louise v. Nagel.

Het uiterlijk van het Walcherensche landschap komt in vele opzichten met dat van Zuid-Beveland overeen, maar vertoont toch ook kenmerkende verschillen. Het aantal dijken op Walcheren is minder; men kan zien, dat het niet in die mate als Zuid-Beveland in de laatste eeuwen stukje bij stukje op de zee is veroverd, al vindt men daarvan in het oosten ook voldoende voorbeelden. Ook is Walcheren in alles netter afgewerkt en draagt het als land achter de duinen niet zoo sterk een polderlandskarakter. De meer onregelmatige indeeling van den bodem met de gebogen grenzen der landen en kronkelende wegen wijst op een hooger ouderdom der inbezitneming van den grond dan bij de meeste deelen van Zuid-Beveland; de kleinere grasvlakten, omboord met groen en bloemen, en de talrijker hofsteden, weggescholen onder het loover, nog afgewisseld door enkele buitens en landhuizen, geven Walcheren een ander karakter.

Dat Zeeland reeds vroeg bewoond was, blijkt uit de vluchtheuvels of hillen, welke er op alle oude eilanden worden gevonden, maar bovenal op het eiland Walcheren. Deze vluchtheuvels onderscheiden zich van de Friesche terpen, doordien het kleine, afgeronde heuvels zijn, niet groot genoeg, om er dorpen op te bouwen, zooals op terpen en wierden, maar enkel dienende, om er met het vee van het lage omliggende land tijdelijk op te vluchten bij hooge vloeden. Zij wijzen er op, dat de oude eilanden door veehouders bezocht werden met hun vee, vóór de dijken bestonden, en dat toen van tijd tot tijd het land overstroomde. Waarschijnlijk hadden de oudste bewoners zich voor vast gevestigd aan den duinkant, zoodat zij van daar des zomers met hun vee over de onbedijkte schorren en slikken trokken en bij hooge vloeden zich op de vluchtheuvels terugtrokken.

Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.
Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.

Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.

De verbreiding dier oude vluchtbergen werd door Dr. de Man in kaart gebracht. Vele er van zijn afgegraven, doch op Walcheren vindt men er nog ruim een twintigtal. Bovenstaand plaatje geeft een afbeelding van een goed bewaarden vluchtberg te Boudewijnskerke. Een niet betrouwbare overlevering zegt, dat hij gebouwd zou zijn op de plek, waar de evangelieprediker Willebrord een afgodsbeeld van Wodan had stukgeslagen voor de oogen der beangste bewoners.

De bevolking van Walcheren verschilt in aard en karakter met die van Goes. Wij hadden reeds gelegenheid, op te merken, dat de bewoners van schier alle eilanden zelfstandige of gedeeltelijk aan naburige landschappen ontleende eigenschappen bezitten. Op Tolen vindt men eenigszins den Noord-Brabantschen karaktertrek, op Schouwen iets van het Hollandsche overgeplant.

Dat op Walcheren, met zijn eens zoo talrijken adel, die meest uit het buitenland afkomstig was, met zijn vroeger zoo levendige buitenlandsche scheepvaart, vreemde invloeden zich bij de bevolking hebben doen gelden, lijdt geen twijfel. Dit blijkt uit de vele sporen, dienaangaande overgebleven, alsmede uit de namen van onderscheidene buitens en landhuizen. Voor niet lang trof men op Walcheren een landhuis aan met het opschrift: “I am fond of a country life” en op een ander: “This plan is my quite satisfaction”, herinneringen aan ’t verblijf der Engelschen in ’t begin der 19e eeuw op dit eiland. Een hofstede bij Nieuwland heette: “Nihil sine labore”, d. i. Niets zonder arbeid; een andere bij Vrouwenpolder: “Macte animo”, d. i. Houd moed; een andere onder Serooskerke had tot opschrift: “De gustibus non est disputandum”, d. i. Over den smaak valt niet te twisten. Een hofstede onder Vlissingen drukt de berusting des eigenaars uit in de woorden: “Fiat voluntas Dei”, d. i. Uw wil geschiede, Heer. Namen en opschriften als: “Bon repos”, “Favorite”, “l’Espérance”, “La maison de haute montagne”, kon men hier vinden in het vlakke land. Maar die invloed van buiten is op Walcheren, evenals op elk ander eiland, zelfstandig tot ontwikkeling gekomen en heeft bij deze bewoners een eigen geaardheid doen ontstaan.

De Walcherensche plattelandsbewoners missen het levendige van den Zuid-Bevelander. Als zij thuis zijn en niet op feest of kermis, zijn zij stemmig en stil. De meisjes onder elkander hebben niet dat vroolijke en dartele, dat haar oostelijke zusters kenmerkt; zij praten als verstandige menschen, niet meer dan noodig is. Op gewone dagen kan men den vrijer naast zijn vrijster zien loopen zonder veel te spreken. De landman wandelt met langzamen en gelijken tred; luidruchtige gesprekken houdt hij niet, en dansende kinderen op straat ziet men er evenmin. Gezongen wordt alleen op school en in de kerk, en natuurlijk op de kermis; overigens is de landbouwer kalm en bedaard.

De Walchersche vrouw bezit de Hollandsche zindelijkheid en onderscheidt zich daardoor zeer van haar naburige Vlaamsche zusters; zij is uiterst huishoudelijk. Terwijl in de Vlaamsche dorpen des Zondags feest gevierd wordt, is het op “den dag des Heeren” in de Walcherensche dorpen stil. Godsdienstig en nederig is hier de bevolking; van harte zeker goedaardig.

In de kleeding en enkele andere gewoonten heeft men op Walcheren door zijn afzondering in deze eeuw nog lang veel van het oude bewaard. Terwijl op andere eilanden de invloed van de buitenwereld zoowel in kleeding als gewoonten overal merkbaar is, treft men hier in enkele opzichten nog een bijna onveranderd beeld aan van den eeuwenouden toestand. Aldus schreef in 1894 de heer Frederiks over het land, dat hij door en door kent. Dagelijks, vervolgt hij, kan men in de straten van Middelburg nog bij tientallen de typische melkkarren zien, die, wat samenstelling en vorm aangaat, herinneren aan de wagens, waarin de graven en gravinnen van Holland hun “joyeuse entrée” deden bij de aanvaarding van het bewind en andere plechtigheden. Deze karren, uit constructief oogpunt zoo uitstekend geschikt voor zware kleiwegen, maken met hun blauwe schildering, afgezet met veelkleurige vellingkanten en uitgesneden versieringen, en beladen met de glinsterende koperen melkkannen, een eigenaardig effect.

Als geleiders dier melkkarren kan men meestal nog zien den echt Walcherenschen boer, gekleed in korte kuitbroek en wambuis, het hoofd gedekt met een hoogen, eenigszins spits toeloopenden, vilten hoed met kleinen, omgeslagen rand, een type, dat zijn vorm schijnt ontleend te hebben aan den Spaanschen ridderhoed uit den tijd van Filips II. De vrouw draagt als hoofdbedekking een hagelwitte, gladde muts, een bijna onveranderd model van de ondermutsen der edelvrouwen uit de XVe eeuw, waarover een kaphoed, aan de achterzijde met een smaakvolle, waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint en aan de voorzijde met linten van dezelfde stof. De tegenwoordige kaphoed verving, voor ongeveer een eeuw, den grooten, platten hoed van fijn stroo met zijden voering en veelkleurige, afhangende linten, mede een type der riddertijden.

Het is wel opmerkelijk, dat de mannen over ’t geheel meer geneigd zijn tot het moderne; de kuitbroek en typische hooge hoed van Walcheren beginnen reeds tot de zeldzaamheden te behooren. De meerdere aanraking der mannen met vreemdelingen heeft aanleiding gegeven tot verwisseling met een costuum, zooals men overal vindt, waardoor zij in den vreemde niet worden nagestaard of bespot. De vrouwen daarentegen, meer aan huis en hof gehecht, bleven de schilderachtige kleeding behouden, die zij als kinderen droegen. Misschien ook is het hun niet ongevallig, dat dit de aandacht trekt, het tegendeel van de mannen.

Het ronde hoedje (zie 9 der gekleurde plaat) was voor den Walcherenschen boer vroeger typisch; in den tijd, toen het algemeen was, waren de randen breeder en beter beschuttend tegen zon en regen. Thans draagt hij een gesloten buis en vest en alleen aan den hals ziet men twee groote, gouden knoopen; vroeger was het wambuis open en zag men op den veelal gekleurden borstrok één of twee reeksen zilveren knoopen, die bij sommige rijken uit dubbele scheepjesschellingen bestonden. Aan de pantalon zag men zilveren broekstukken, en zilveren gespen maakten de kuitbroek van onderen vast.

Bij de vrouwenkleeding, die het best bewaard is, gelijk wij zeiden, kan men op Walcheren nog eenige hoofdtypen onderscheiden, nl. het Walcherensche, die van Middelburger Ambacht, van Westkapelle, Arnemuiden en van Nieuw- en St. Joosland. Te Middelburg op de markt ziet men deze niet zelden alle door elkander.

Als men de Walcherensche meisjes in feestcostuum ziet, valt in de eerste plaats de geel strooien kaphoed in het oog, een voortbrengsel der Belgische nijverheid. Dit hoedje, zonder omboordsel, zonder strikken of rosetten, is de eenvoud zelf, en wijst reeds bij het eerste gezicht op grooter stemmigheid dan in het Goesche land. Het herinnert, evenals de muts, wel eenigszins aan den Nehalenniatijd. Het is van voren wijd open, zoodat het gelaat goed te zien is; van ter zijde bedekt de hoed ook het door de muts verborgen, kastanjebruine haar. Van achteren is het genoeg uitgesneden, om den hals goed te doen zien en ook een klein weinig van het haar. Aan het voorhoofd is het haar niet gescheiden maar omgeslagen en het is voor de ver van het strand wonenden kenschetsend, dat men van dit haar bijna niets kan zien. Van binnen is de hoed met blauwe zijde gevoerd en aan den achterkant is een dergelijk lint met nette plooien waaiervormig aan den hoed bevestigd, terwijl dan dit blauwe lint langs den hals zonder kreukels tot half den rug in twee strooken neerhangt. Wandelt op de kermis een schaar Walcherensche meisjes naast elkander, dan maken die blauwe linten van achteren den indruk, alsof men Amazonen in uniform voor zich had.

Twee mutsen bedekken het wegschuilende hoofdhaar, dat door een “strijklint” of haarband bijeen wordt gehouden. De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, sluit netjes om de slapen, maar komt van voren met een goed stuk aan weerszijden uit de bovenmuts te voorschijn.

De bovenmuts is op Walcheren zeer eenvoudig; zij heet trekmuts, omdat men ze van achteren met een lintje bijeenhaalt, en is van achteren driehoekig uitgesneden, om toch iets van het haar en den hals en de koralen te laten begluren. Vroeger bestond zij uit witte, gebloemde of geborduurde kant, doch thans is het een eveneens sneeuwwitte, vierkante lap, die men door een groote menigte van plooitjes van achteren zoo weet te plooien, dat zij een goede muts vormt. Die muts heet “langetmuts,” genoemd naar Langet, den eersten fabrikant.

De door de muts verborgen ooren leenen zich niet voor sieraden en de vrouw moet haar pronkstukken dragen vóór het oor. Naast de ooren draagt men altoos de welbekende gouden, kurketrekkervormige krullen en strikken, die aan een smallen, zilveren beugel of hoepel, welke om het hoofd sluit, verbonden zijn. Deze beugel met krullen is een vorm van het oorijzer der Friezen, en wijst op Frieschen invloed. Hij schijnt vroeger te hebben doorgeloopen over het voorhoofd maar is later ingekrompen en omgebogen, om er versiersels aan te kunnen bevestigen en daaraan hangen nu strikken. Van de versierselen van het hoofd noemen wij nog de naalden. De naald is een gouden plaat, min of meer bladvormig, die onder de muts wordt geschoven en het voorhoofd omsluit. Wie getrouwd is, draagt de naald rechts; de ongetrouwden dragen haar links. Zij wordt echter niet veel meer gedragen, enkel bij buitengewone feesten.

Het jak is thans zeer klein en van voren laag uitgesneden; de panden of de schoot, ook al weder klein, zijn onder de schort verborgen. Het is, zooals men zegt, om het lijf geschilderd, zonder eenige plooi er in. De voor- en achterruimten van het jak moeten netjes en hoog opgevuld en de boezem beschut zijn; dit geschiedt door den beuk en de doek. De beuk is een belangrijk pronkstuk. Door de week is de beuk blauwachtig of rozerood van kleur en van katoen; des Zondags is zij wit van kleur en wit gebloemd en van boven hoog aan den hals gesloten door een omboordsel van kant en koralen. Soms is de beuk van zijde of fluweel en dan zijn er gouden, paarse of groene bloemen op geborduurd of geweven. Door het doekje, dat van voren tusschen jak en beuk zit, komt de laatste goed uit.

De schort verbergt een stelsel van rokken, dat men in Zeeland “keuzen” noemt, die zeer laag afhangen. Niet zelden bedraagt het aantal dier rokken 6 à 7 en een vrouw met veel rokken geeft daardoor het bewijs, dat “zij er goed in zit” (welvarend is).

De vrouwenkleeding onder de stad Middelburg, in Arnemuiden, Westkapelle en Nieuwland wijkt wel in enkele opzichten van de beschrevene Walcherensche af, doch komt er in hoofdtrekken mede overeen. Ons bestek laat niet toe, daarbij stil te staan. Wij willen enkel er op wijzen, dat de vrouwenkleeding van Oud- Nieuw- en St. Joosland op Walcheren veel op de Zuid-Bevelandsche gelijkt, maar er toch van verschilt, evenals van de Walcherensche. Dit land vormde vroeger een eiland, dat door latere inpolderingen met Walcheren verbonden is.

Wij moeten ten slotte nog wijzen op de zilveren beugeltasch, onder het schort verborgen, op zilveren mantelhaken, zilveren gespen, enz., die tot de veel voorkomende versierselen behoorden. (Zie verder Frederiks en Dr. De Man.)

Op Walcheren heeft in den laatsten tijd een geest van piëtisme veld gewonnen, die in de vele versierselen des lichaams zonde ziet. Daardoor worden de nationale versierselen door vele boerenvrouwen of meisjes bij hooge uitzondering gedragen en neemt het stemmige en eenvoudige er toe.

Doet het costuum hier, zoowel als elders in Zeeland, aan den invloed van den rijken adel denken, ook in de volksspelen ziet men daarvan bewijzen. Het ringrijden, een vanouds geliefd volksspel, is een echt ridderspel, en het vlechten en opbinden van manen en staarten der paarden en het tooien der rossen met veelkleurige linten en bloemen geschiedt volgens overoude gewoonte. Het gaai- en vogelschieten op de overige eilanden en in Zeeuwsch Vlaanderen en de bol- en balspelen zijn mede overblijfselen uit den tijd, toen de ridders zich bezighielden met vermaken, waarbij kracht en behendigheid uitkwamen.

Blijft de nationale kleeding nog bewaard, verder ziet men vele oude gewoonten hier afsterven. Sprookjes of overleveringen kent men er bijna niet; ook het bijgeloof uit den heidenschen tijd heeft er weinig sporen achtergelaten. Een enkelen keer hoort men nog iets van hekserij, maar de erkende heksen en toovenaars sterven ook hier uit en geen jongeren nemen hun plaats in. Enkele zonderlinge geneesmiddelen of voorbehoedmiddelen, zooals het begraven van afgeknipt hoofdhaar, omdat, als de vogels het voor hun nest gebruikten, de voormalige eigenaar hoofdpijn zou krijgen, e. a. worden misschien nog door enkelen toegepast, maar hun aantal is gelukkig klein geworden. De ook elders bekende oude gewoonte, om doodenstroo te leggen voor de deur van een woning, waarin een doode gevonden werd, bestaande in eenige bosjes stroo, werd op Walcheren en ook op andere eilanden voor een menschenleeftijd nog gevonden, doch bestaat thans alleen in herinnering. Slechts één oud-Germaansch feest, het oude Meifeest, leefde tot vóór enkele jaren in den “Meiavond”. Dan haalden de jongelieden allerlei rommel en ook wel landbouwgereedschap op het dorp bij elkander en moesten de eigenaars den volgenden morgen het maar terug zien te krijgen. Of dit een herinnering is aan den tijd, toen de Meivuren nog ontstoken werden en men alles, wat brandbaar was, bijeenbracht, gelijk nog geschiedt bij de Paaschvuren in enkele dorpen van ons vaderland?

Zijn de meeste volksspelen op Walcheren nieuw en van elders geïmporteerd, de Annetjes-Liisjesdag, verkort Liisjesdag, schijnt van oude Zeeuwsche afkomst te zijn en wordt door enkelen, terecht of ten onrechte durven wij niet beslissen, in verband gebracht met den ouden Nehalenniadienst, zonder dat men verder er de afkomst van kent. Twee keer in ’t jaar wordt die dag door de landlieden gevierd, op den eersten Donderdag in Mei en in October. De Donderdag wordt er voor gekozen, omdat het op dien dag markt is te Middelburg. En op “Liisjesdag” gaan de dienstboden, knechts en meiden naar de stad, om hun inkoopen te doen en een soort uitgaansdag te hebben, waarbij teedere betrekkingen worden aangeknoopt. Tegen die dagen worden ook de loonen uitbetaald en gaan de huren in. Men kent die dagen door geheel Walcheren, zelfs te Arnemuiden, maar anders nergens in Zeeland; ook in het deel van Walcheren, dat men Nieuwland noemt, (zie pag. 252) viert men die dagen niet. Daarom schijnen zij oud-Walcherensch te zijn.

Een eigenaardige drukte op dit eiland, evenals op Zuid-Beveland (zie pag. 243), is de zaaddorscherij, d. i. het koolzaad dorschen, dat in de open lucht plaats heeft. Ook in andere streken des lands wordt dit aangetroffen doch wij zullen het hier beschrijven en afbeelden.

In het einde van Hooimaand en het begin van Oogstmaand is het zaaddorschen een groote feestelijkheid, waaraan jong en oud deelneemt. Het voorbereidend werk bestaat in het gereedmaken van den zaadvloer. Daar wordt de bodem een weinig vlak gemaakt en het zware zeil uitgespreid, het zoogenaamde “koolzeil”, dat òf gehuurd wordt, òf het eigendom is van den boer. Op het eind van den zaadvloer in ’t midden wordt het “achterbord” van een wagen geplaatst en daaraan het zeil vastgemaakt, zoodat het op die plaats een weinig schuin ligt.

Het dorschen geeft een levendig tooneel te aanschouwen op het open veld. Gewoonlijk zijn er, behalve de boer zelf, op den dorschvloer één vaste “overzetter”, die gewoonlijk een bejaarde arbeider is, acht dorschers, acht draagsters, één “afsteker” (een jongen van ongeveer 13–15 jaar) en vier “bandenspreeërs”, gewoonlijk kinderen. Vervolgens worden de rollen door loting verdeeld; door het trekken van strootjes van verschillende lengte worden de groepen aangewezen, die samen moeten werken. De vier mannen, die de langste strootjes trekken, moeten de eerste 50 “banden” dorschen, de anderen moeten binden, schikken en wenden of “koekenbakken.”

Zaaddorschen op Walcheren.
Zaaddorschen op Walcheren.

Zaaddorschen op Walcheren.

Vijftig banden koolzaad worden in twee rijen op het dorschzeil gelegd. De “bandenspreeërs” zorgen, dat er telkens twee “gespreed” worden tegen het oogenblik, dat het gedorschte zaad moet gebonden worden. De draagsters halen allereerst twee of drie leggen zaad en plaatsen zich daarmede aan weerszijden van den dorschvloer, waar ze hun vracht vervolgens “aanleggen”. Een der mannen schikt dan het zaad met zijn houten “rieve” of hark. De vier dorschers laten in geregelden maatslag hun vlegels daarop beurtelings neerdalen. De “koekenbakker” of “wender” keert het zaad om en om, een der binders schudt het uit en vervolgens gaat de vlegel er nog eens over. Opnieuw wordt nu het koolzaadstroo geschud, vervolgens opgebonden en aan den kant van den zaadvloer neergezet. De “afsteker” volgt den binder, om zaad en “peulen” met een hark naar het midden van den vloer te schuiven, en de oversteker werpt met eenzelfde werktuig de “peulen” over het achterbord. Zoo gaat het werk geregeld voort, tot de vijftig banden gebruikt zijn. Als de laatste vier van een vijftigtal aan de beurt zijn, roept de binder den dorschers toe: “A je strooê”? d. i. “Als je stroo hebt”, wat beteekent: houdt je gereed. Nu wordt de “jeneverslag” geslagen, waarbij alle vier vlegels tegelijk neerkomen, en het viertal dorschers wordt door een ander viertal vervangen.

Zaaddorschen op Walcheren.
Zaaddorschen op Walcheren.

Zaaddorschen op Walcheren.

Bij dien overgang wordt er gedronken: door de mannen jenever, door de vrouwen jenever met stroop, en zoo gaat de arbeid voort, tot het zaad gedorscht is.

Hoe druk de dorschdag ook thans nog is, het feestelijk karakter, dat daaraan vroeger verbonden was, is eenigszins verloren gegaan. In de 17e en 18e eeuw huurden de boeren soms een speelman en werd er ook gezongen en gedanst op de dorschdagen. In dien tijd zag men in vele streken van ons land nog echte, luidruchtige oogstfeesten, waarmede de wederzijdsche hulp, die de gemeentenaren elkander verleenden bij den oogst, als het ware beloond werd. Tegenwoordig zijn die oude oogstfeesten zoo goed als verdwenen.

Middelburg.

De geschiedenis van de opkomst der steden is in geen gewest van Nederland zoo nauw verbonden met die van de ontwikkeling der bodemgesteldheid als in Zeeland. Daarom moeten wij met de laatste aanvangen, om het ontstaan der steden te verklaren, en wij willen dit thans in ’t licht stellen voor Middelburg, de hoofdstad der provincie.

De geschiedenis van den bodem van Walcheren is die van de meeste eilanden: langzamerhand is in de laatste eeuwen dit eiland uitgebreid door aanwassen en inpolderingen. Gevormd tegen en gedeeltelijk uit de zandplaat, waaruit de duinen in het westen zijn opgebouwd, was het eiland in de dertiende eeuw van vele wateren doorsneden, die thans schier alle verdwenen zijn, maar toch nog sporen van hun bestaan hebben achtergelaten. Als men het eiland overziet, bemerkt men, dat de bouwlanden het meest voorkomen in eenige smalle strooken, die als armen het eiland doorsnijden. Dit gebruik van den grond wijst ons de vroegere breede waterloopen aan, die eens door het land liepen, doch later dichtslibden, bedijkt werden en door de zware klei het best voor bouwland geschikt waren, terwijl het andere land meer als grasland is gebruikt.

Een breed water, de Arne, liep oudtijds van het Sloe diep in het eiland, en hieraan was in het midden van ’t land een burcht gebouwd, misschien een wapenplaats in den strijd tegen de Noorsche zeeschuimers, die naar zijn ligging Middelburg werd geheeten. Onder de bescherming van dit slot ontstond een dorp, dat naar den burcht eveneens “Middelburg” werd genoemd. Op deze plek, veilig gelegen, zoowel tegen de zee als tegen invallen van vreemden beschut, maar toch geschikt voor de groote scheepvaart, ontwikkelde zich een druk verkeer te water en daarbij een handel, die al vroeg op verre landen gedreven en door de nabijheid van het levendige Vlaanderen gevoed werd. Omstreeks 1383 ving de handel op Lombardije en Spanje voor Middelburg aan, in 1393 op Portugal en in 1404 bepaalde Willem van Beieren, dat geen goederen door Walcheren gescheept zouden worden, tenzij zij eerst in Middelburg waren opgeslagen. Daardoor werd Middelburg een belangrijke plaats met rijken handel, tevens met een drukke weefindustrie, terwijl het verkeer door verdere voorrechten werd bevorderd.

Aldus was Middelburg in de vroege middeleeuwen reeds een aanzienlijke, rijke koopstad; in 1217 bezat zij een keur, waarin de stad genoemd wordt een besloten veste, een oppidum, voorzien van een recht- of raadhuis, waar de poorters met klokgeklep werden samengeroepen. En die keur verwijst naar een vroegere, terwijl ook van elders bekend is, dat Middelburg in de 12e eeuw een “villa franca” genoemd werd.

In het laatst der 16e eeuw nam de bevolking van Middelburg sterk toe door het uitwijken van vele Hervormden uit de Spaansche Nederlanden, zoodat alleen van 1584–86 tot de Hervormde gemeente 2300 lidmaten van elders overkwamen. Toen vervolgens de vaart op Oost- en West-Indië aanving, waaraan Middelburg aanzienlijk deelnam, was er spoedig geen ruimte genoeg voor de snel vermeerderende bevolking en de bedrijven, zoodat de stad herhaaldelijk moest worden uitgelegd. Bij de laatste uitlegging tusschen 1570–1598 werd zij voorzien van aarden wallen, waarvan na 1840 een gedeelte met plantsoen is beplant.

Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.
Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.

Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.

De vreemdelingen, die uit de Zuidelijke Nederlanden zich te Middelburg vestigden, hebben niet weinig tot den bloei der stad bijgedragen. Het waren ondernemende lieden, vurig in geloof, dat van geen wijken wist, maar ook energiek in hun handelen, niet wankelmoedig, als een tegenstroom hun plannen bemoeilijkte. Zij stortten een krachtig, nieuw leven uit in de geheele bevolking, en daardoor loken handel en nijverheid op tot een vroeger ongekenden bloei. Kooplieden als Ten Haefs, de Moucheron’s, Coolen e. a. deden de Middelburgsche vlag met de Bourgondische kleuren: geel, wit en rood, op alle zeeën wapperen. In de vroegste tochten der Nederlanders op Indië hadden deze handelaren een belangrijk aandeel; met klokgelui en feestgezang werden in 1599 de eerste Oost-Indievaarders: “De Lange Berdsche” en “De Zonne” verwelkomd. En toen later de afzonderlijke maatschappijen voor de vaart op Indië tot de groote “Vereenigde Oost-Indische Compagnie” samensmolten, was de Kamer van Zeeland te Middelburg van niet geringe beteekenis. Daarvoor werd in 1670 het kolossale Oost-Indische Huis gebouwd op de Rotterdamsche Kade. Ook in de West-Indische Compagnie had Middelburg een aanzienlijk aandeel; deze Compagnie bezat hier een eigen gebouw in de Langedelft.

Kooplieden, rijk geworden door den Indischen handel, bouwden hier huizen als paleizen. Een dergelijk gebouw was “de Gouden Sonne” met kostbaar bewerkten en rijk versierden gevel van basreliefs in gehouwen steen, in 1628 gebouwd door Guililmo Quirijnssen, een Middelburgsch koopman, later door den Engelschen Koning tot ridder-baronet verheven.

Doch ’t ging den handel niet steeds voor den wind. Hij schommelde in de 17e en 18e eeuw op en neder. Daarbij kwam, dat de verzanding van de haven de geographische ligging van Middelburg deed achteruitgaan. Telkens had men daarmede gesukkeld en verbeteringen hierin gebracht.

De eerste haven van Middelburg werd omstreeks 1100 gegraven, van de groote reede af, die destijds te Arnemuiden was. De tweede werd gegraven volgens octrooi, door Karel V verleend in 1530, en in 1535 geopend. Deze kwam in een rechte lijn uit het kanaal van Welzinge, doch was spoedig onbruikbaar door de dichtslibbing. In 1610 verkreeg de stad verlof voor den aanleg van een nieuwe haven. Doch de naijver van Vlissingen en Veere belette het totstandkomen daarvan en vruchteloos werden er veel sommen gelds verspild, om de oude haven diep te houden.

Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.
Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.

Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.

Door den slechten toestand der haven, in verband met de veranderde tijdsomstandigheden, ging de handel van Middelburg achteruit; de scheepvaart verliep. In de 14e, 15e en 16e eeuw was Middelburg herhaaldelijk uitgelegd, maar in 1593 had de stad haar hoogsten bloei bereikt. Zij stond nu stil en ging allengs kwijnen. In het laatst der 16e eeuw telde Middelburg 30000 inwoners, in 1739 nog 25000; in 1796 had het niet meer dan 20146, welk aantal nog verminderde tot 13000 in 1822.

Wel trachtte Koning Willem I Middelburg op te beuren en verkreeg de stad in dien tijd een nieuwe haven, in 1817, doch deze voldeed niet. Eerst met het graven van het kanaal door Walcheren, in 1873, heeft Middelburg een betere verbinding met de Schelde verkregen. Maar het getij was thans verloopen en de eens zoo fiere stad heeft van haar vroegere handelsbeteekenis weinig teruggewonnen. Middelburg is meer een marktstad voor het eiland gebleven met slechts eenigen buitenlandschen handel, doch de laatste is onbeduidend. Het aantal inwoners nam slechts langzaam toe. In 1830 bedroeg het 14700, in 1850: 15800, in 1890: 17100 en in 1900: 18800.

Van het rijke verleden heeft Middelburg nog onderscheidene herinneringen in het stadsbeeld en vele aanzienlijke gebouwen bewaard. Duidelijk ziet men, dat Middelburg een oud-aristocratische, stad is en voorheen bepaald deftig en rijk moet geweest zijn. Talrijke oude burger- en heeren-woonhuizen, waarvan vele thans van bestemming veranderd zijn, vertoonen nog genoegzame sporen van de ruimte van middelen, waaruit ze gebouwd werden. Vele huizen in Middelburg bezitten nog fraaie onderdeelen, zooals gevelankers, cartouches, slotplaten, gebeeldhouwde draagstukken onder de goten, deuren, poortjes, enz., terwijl menig aardig trapgeveltje gunstig afsteekt tegen de platte, vormlooze lijsten van lateren tijd. Door dit alles was Middelburg een artistieke stad geworden, die geroemd werd als “de schoonste bloeme in ’t Zeeuwsche priëel”.

Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.
Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.

Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.

Wij wenden ons vóór alles naar het midden der stad.

De groote markt is een der ruimste stadspleinen in ons land, 7800 M2. oppervlakte, waarop acht straten uitkomen. In zeer ouden tijd verrees hier de St. Maarten- of West-Monsterkerk, die reeds in 1188 bestond, doch in 1575 wegens bouwvalligheid werd afgebroken. In de afbeelding op de volgende pagina wordt de markt voorgesteld, zooals zij gezien werd ten jare 1605. De afbeelding is een photographische reproductie op ruim ¼ der grootte van een teekening in O.-I. inkt, voorkomende in de Zeelandia Illustrata; zij geeft daar de samenvatting van de Markt met het Raadhuis, de pomp en het versterkte huis Domburg, terwijl nog tal van houten en geluifelde geveltjes met de huifkar en het costuum dier dagen een kijkje bieden op het stadsleven in het begin der 17e eeuw.

DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.
DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.

DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.

(Verkleinde reproductie eener zeldzame plaat uit den Atlas “Zeelandia Illustrata”, berustend bij het Zeeuwsch Genootschap te Middelburg.)

Vele der gebouwen, welke de plaat te zien geeft, zijn verdwenen. Maar nog altijd verrijst daar het prachtige Raadhuis met de Vleeschhal er naast.

Het stadhuis te Middelburg vervangt een vroeger, in 1468 gebouwd, dat in 1492 door brand vernield werd. De voor- en westelijke zijgevel zijn gebouwd in 1512–1513, de toren van 1507–1513, de vleeschhal 1513–1518. De kunstenaarsfamilie Kelderman: Anthonius Kelderman, de oude, diens zoon Anthonius, Joos Kelderman, Rombout van Mansdale, gezegd Kelderman, allen van Mechelen, en Mattheus Kelderman van Leuven waren de bouwmeesters; verbouwd en uitgebreid werd het stadhuis nog in 1670 en 1780–84. De 25 beelden in den gevel zijn gemaakt in 1514–1518 door Michiel Ywyns uit Mechelen.

De gevel van het stadhuis kan als een van de schoonste overblijfselen der latere Gothiek beschouwd worden, toen de invloed der Renaissance reeds merkbaar was. Door zuiverheid der lijnen en harmonie der deelen kan hij als een der beste typen van dien bouwvorm worden aangemerkt. De voorgevel is van Bentheimer steen en buitengewoon rijk versierd met lijsten, rosetten, consoles en steenen loof- en kantwerk. In den gevel vindt men vijf en twintig bijna levensgroote beelden der graven van Holland, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Oorspronkelijk waren die figuren gekleurd en verguld; dit is later weggelaten. De toren is 55 meter hoog; een zeeridder dient tot windwijzer.

Inwendig was het stadhuis niet minder grootsch ingericht dan uitwendig: dat blijkt nog uit de teekenachtige vierschaar, in 1639–40 gebouwd door Mahy van Seel. Doch in het begin der 19e eeuw is het schoone binnenwerk door muurtjes en beschotten weggeknutseld en bedorven. Eerst toen in het laatste kwart der 19e eeuw de stedelijke geldmiddelen door liquidatie der weeskamers en de opheffing der wisselbank eenigszins werden versterkt, kon men er toe overgaan, om met krachtige staatshulp den bouwvalligen toren weder te herstellen. En na opheffing van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland en de daarop gevolgde verhuizing der rechtbank kwamen in het stadhuis eenige ruime vertrekken vrij, welke toen werden ingericht voor de verzameling der stedelijke oudheden. Daar werd ook de reeds genoemde, kunstig met eikenhout bewerkte vierschaar geplaatst.

Stadhuis te Middelburg in de 16e eeuw.
Stadhuis te Middelburg in de 16e eeuw.

Stadhuis te Middelburg in de 16e eeuw.

Het is een rijke verzameling van kunstprodukten uit den bloeitijd der historie. Men ziet er sierlijk met lofwerk en figuren gebeeldhouwde portalen, kasten en deuren, waaruit de kunstontwikkeling der 16e en 17e eeuw spreekt; fraai beschilderde glasramen; met smaak gestikte vaandels; wapenen en oude muziekinstrumenten, alsmede eenige doelenstukken met portretten van fiere schutters. In een der glazen toonkasten kan men de oorspronkelijke keur zien, in 1253 door den Graaf en Koning Willem aan Middelburg gegeven, een der oudste in het Nederlandsch geschreven staatsstukken, zoo niet het oudste. In een der kamers vindt men de portretten van de Evertsens, “een heldengeslacht zonder weerga”, waarvan de admiralen Jan en Cornelis Evertsen wel het meest bekend zijn. De laatste kon een maand voor zijn sneven in ’s lands vergaderzaal getuigen:

Vier mijner broeders en mijn vader en mijn zoon Zijn strijdend voor ’s lands recht gesneuveld.

Wanneer men van de Markt de lijn van de stoomtram naar Vlissingen volgt, komt men door de “Langeviele”, waar de fraaie gevel van het huis “De bonte Olymolen” de aandacht trekt. De gevel is in 1899 gerestaureerd. Dit huis en het huis “de Vijgeboom” op de Markt, waar het “Bureel der Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer” gevestigd is, zijn de eenige antieke gebouwen met luifels in Middelburg.

Wij richten thans onze schreden naar de meest klassieke plek van Middelburg, de Abdij.

Nauw verwant aan de geschiedenis der stad is de O. L. Vrouwe of St. Nicolaas-abdij. Met zekerheid valt niet te zeggen, wanneer zij gesticht is. Volgens sommigen vond de bouw der Abdij plaats in 1106 en ging zij in 1125 of 1128 reeds over aan de Norbertijnen. Volgens anderen zou zij gesticht zijn in 1123 door den prior van Wormezeele, Albaldus, die als eerste abt optrad en er in 1130 werd begraven.

Het eerste gebouw der Abdij schijnt niet zeer veel weerstand te hebben kunnen bieden aan den tand des tijds, want in 1156 was het sterk beschadigd en bleek herstel reeds noodzakelijk.

Willem II, de Roomsch Koning, was Middelburg goed gezind en schonk de Abdij bijzondere rechten en gunsten, terwijl hij ruime giften toestond tot den herbouw, die met veel pracht kon worden uitgevoerd. De rijkdom der Abdij werd vervolgens zeer vermeerderd door Graaf Willem III en andere aanzienlijken en zij verkreeg aldus bezittingen van grooten omvang over verschillende landstreken.

De Abdij werd als zoodanig opgeheven door Paus Paulus III den 12en Mei 1559, wegens de oprichting van het bisdom Middelburg. De toenmalige abt van de Abdij, Nicolaas de Gastro, werd de eerste bisschop van Middelburg. Doch niet lang mocht hij den bisschopshoed dragen; hij stierf in 1573 tijdens het beleg der stad. Het Katholicisme had toen in Middelburg zijn tijd gehad; zijn opvolgers konden den zetel niet meer innemen, doordien alles aan de Hervormden was overgegaan.

Sedert was het met den glans der Abdij gedaan en een treurige tijd van vandalisme brak aan voor dit monument uit het verleden. Hoewel de Abdijgebouwen nog een merkwaardig geheel vormen, zijn toch overal de sporen te bemerken van de vernielzucht en onkunde, welke deze eens zoo schoone stichting beschadigd en het smaakgevoel beleedigd hebben. Om onbeduidende redenen werden torentjes gesloopt, prachtige kruisgangen weggebroken.

De Abdij werd in de 18e en in de eerste helft der 19e eeuw geheel bedorven en verwaarloosd, zoodat men haar nauwelijks meer herkende. Sedert 1884 is men echter dit schoone gebouw onder toezicht van den kunstlievenden architect voor de Rijksgebouwen, J. A. Frederiks, weder in zijn ouden toestand gaan herstellen. Veel is daaraan reeds geschied.

Binnenplaats der Abdij te Middelburg.
Binnenplaats der Abdij te Middelburg.

Binnenplaats der Abdij te Middelburg.

De schoone hoofdpoort heeft haar ouden vorm herkregen. In de hoofdgebouwen aan de zuidwestzijde, het zoogenaamde paleis, woonde de abt, later de bisschop, en tijdens de Republiek noemde men die “het logement van den Graaf van Zeeland”. Tegenwoordig dient dit “paleis” als woning van den Commissaris der Koningin, tevens tot verblijf van de koninklijke familie bij een bezoek aan Middelburg. Daaraan grenst de vergaderkamer der Staten van Zeeland,

de deftige zale, Waar menige zeestrijd herleeft op den wand,

en waar het “saevis tranquillus in undus”, “rustig te midden der golven” boven den schoorsteen te lezen staat.

Dit was eens de eetzaal of reefter der Abdij, waar in haar bloeitijd menig vorst, die de Abdij bezocht, heeft aangezeten met zijn schitterenden stoet. Hier belegde Filips de Schoone, vóór hij in 1505 naar Spanje vertrok, een kapittel der ridders van het Gulden Vlies.

De vergaderzalen der Staten van Zeeland in de Abdij zijn hoogst interessant, niet alleen door hun restauratie in ouden stijl, maar bovenal omdat zij weder zijn “aangekleed”, ten deele door de wederophanging der gobelins en verder door een viertal groote schilderstukken van Ferdinand Bol (1616–1680).

Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.
Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.

Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.

Men vindt er thans zeven gobelins, alle oorspronkelijk op last der Admiraliteit van Zeeland vervaardigd in de fabriek van Jan de Maeght te Middelburg, ter versiering van haar lokalen. Al deze stukken zijn nu gerestaureerd. De meeste stellen zeeslagen voor, een bijzonderheid, want gobelins met schepen zijn zeldzaam.

Aan den grooten wand van de Statenzaal hangen de drie grootste. Links ziet men de afbeelding van den slag bij Bergen-op-Zoom (31 Januari 1574, onder Romero en Boisot). Dan volgt achter den zetel van den voorzitter de slag bij Lillo, waar door de Zeeuwen een overwinning werd bevochten op 23 Spaansche oorlogsschepen; rechts hangt de zeeslag op ’t Sloe, waarop men de kust van Walcheren met Veere en het fort Rammekens ziet. De kleuren van het middenstuk zijn veel helderder dan die der beide andere, waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat het zoo langen tijd opgeborgen bleef en dus niet aan het licht was blootgesteld.

Het schoorsteenstuk aan den wand bij den ingang geeft een portret van Willem den Zwijger te zien, met het wapen van Zeeland en die van verschillende steden uit de provincie er omheen.

Daarnaast hangt de afbeelding van ’t z.g. admiraalschip, een gobelin, dat één geheel vormt met een ander, waarvoor echter geen plaats was in deze zaal, zoodat het met het zevende gobelin is gehangen in de voorkamer, die leidt naar een van de sectiekamers boven.

Den grootsten indruk maken echter de vier kolossale doeken van Ferdinand Bol, aangebracht in de sectiekamers. Zij zijn oorspronkelijk geschilderd als wandversieringen in een heerenhuis te Utrecht en later aan het Rijk geschonken.

In de andere gebouwen der Abdij zijn gevestigd: het Rijksarchief, het Polderbestuur van Walcheren en de bureaux der Provinciale Griffie. Een prachtig gedeelte vormen de zuilengangen rondom het plein van de Munt der grafelijkheid van Zeeland; niet minder schilderachtig is de noordzijde met haar krans van slanke torens.

Het stille binnenplein, omringd door zooveel gebouwen in schoonen stijl, is een eenig stadsgedeelte, bekorend door ernstige rust. Op de Abdijplaats werden menigmaal, al wandelend onder de statige olmen en linden, die het plein overschaduwden, door de vertegenwoordigers van den Eersten Edele en de stemhebbende steden de belangrijke staatszaken besproken, waarover men had te beslissen. En in vroeger eeuwen kunnen wij ons voorstellen, dat daar de abt met de aanzienlijke geestelijken zich dikwijls verpoosde, als hij niet buiten kon zijn op het landelijk Westhoven aan de duinen.

Bij de Abdij sluit zich de vroegere Kloosterkerk aan, die in 1575 den naam van Nieuwe Kerk heeft verkregen, waaronder zij nog bekend is. De naam Nieuwe Kerk heeft geen betrekking op de stichting der kerk, want zij is van vroeger dagteekening dan de zoogenaamde Oude Kerk, die in het midden der 19e eeuw werd afgebroken. De Nieuwe Kerk is echter later dan de Oude Kerk door de Hervormden tot hun eeredienst geopend, nl. den 1en April 1575; op dien dag althans is er het eerst door de Hervormden in gedoopt. Vóór de Kerkhervorming droeg zij den naam van “Oostmonster”, als een der drie parochiekerken der stad. De andere waren de Noordmonster of St. Pieters (Oude) Kerk en de Westmonster, die op het midden van de Markt stond en in 1575 is afgebroken. Van deze was de Nieuwe Kerk of de Abdij- of Kloosterkerk, gelijk zij ook heette, verreweg de voornaamste, want zij was het heiligdom van de rijke Abdij. Men mag aannemen, dat de bouw dezer kerk in het midden der 12e eeuw heeft plaatsgevonden, toen ook de Abdij gegrondvest werd, hoewel met het toenemen van den rijkdom der Abdij ook de kerk zal zijn uitgebreid. De kerk was destijds gewijd aan de Maagd Maria.

Toen het gedeelte ten oosten van den toren er was bijgebouwd—wij weten niet wanneer—dat thans is afgesneden en den naam Koorkerk draagt, was de Middelburgsche Abdij-kerk een groote en prachtige kerk, die hoog geroemd werd wegens haar prachtige altaren, kunstige beelden en rijke inrichting. Geen gering deel van haar luister had zij te danken aan Willem II, den Roomsch-Koning, die haar met geschenken overlaadde en wiens stoffelijk overschot binnen deze muren moet rusten. Wel werd de schoone kerk in 1492 door brand zwaar geteisterd, maar rijkdom en godsdienstliefde deden haar weldra schooner en prachtiger dan te voren herrijzen. De mildheid van den abt Maximiliaan van Bourgondië schonk de kerk een zeer beroemd altaarstuk, in 1524 door Jan van Maubeuze geschilderd, de afneming van het kruis voorstellend. Toen Albrecht Dürer in Antwerpen vertoefde, maakte hij, alleen om dit stuk te zien, een reis naar Middelburg en hij verklaarde in de Nederlanden geen kunststuk te hebben aanschouwd, dat hiermede te vergelijken was.

De abt Floris van Schoonhoven liet in de kerk een prachtige graftombe voor Graaf Willem II oprichten, den Graaf, aan wien Zeeland en bovenal Middelburg en de Abdij veel te danken hadden.

Gouvernementspoort der Abdij te Middelburg
Gouvernementspoort der Abdij te Middelburg

Gouvernementspoort der Abdij te Middelburg

Doch niet lang zou die heerlijkheid meer duren. De beeldstormerij sloeg in 1566 haar woeste handen aan de Abdijkerk en nevens beelden en schilderijen werd ook de kostbare tombe verbrijzeld door breekijzer en hamerslagen. In 1567 tastte het vuur des hemels door brand aan, wat nog gespaard of verborgen was; het kostbare altaarstuk verbrandde bij die gelegenheid. En toen in 1575 de kerk aan de Hervormden kwam, werd het laatste weggeruimd, wat nog aan den prachtigen Katholieken eeredienst herinnerde.

De stijve eenvoud van het Calvinisme heeft de kerk jaren lang in een somberen toestand gehouden. Het koor was afgesloten en de kerk bestond alleen uit het voormalig schip, een langwerpig vierkante ruimte, met twee rijen pilaren, zonder verwulf of koperwerk, slechts met een beschoten dak. In 1603 had de kerk weder een orgel, doch in 1712 werd zij opnieuw door het hemelvuur in brand gestoken en grootendeels vernield. Na twee jaren evenwel werd de kerk herbouwd.

Spoedig daarna verkreeg zij den predikstoel, dien men er nog vindt. Gedurende de 19e eeuw werden eenige pogingen aangewend, om de kerk te verfraaien.

De tombe op het graf van Graaf Willem II was bijna geheel vernield geworden, doch in 1817 werd de plaats toevallig ontdekt in een der kapellen. Daarna werden door het Rijk in 1820 tegen den noordelijken muur der kerk twee gedenksteenen geplaatst, ter eere van Graaf Willem II, en het gebeente werd hieronder later weder begraven.

In deze kerk vindt men het schoone, marmeren praalgraf der admiralen Evertsen, een monument, dat de Staten van Zeeland terstond na het sneuvelen van Cornelis Evertsen besloten op te richten. Aanvankelijk was het in de Oude of St. Pieterskerk geplaatst, waar het aan verwaarloozing ten prooi was; door het Zeeuwsch Genootschap, dat zooveel deed voor het behoud van merkwaardige gedenkstukken, werd bewerkt, dat het hersteld en overgeplaatst werd in deze kerk in 1818. Het gedenkteeken is het werk van Rombout Verhulst, van 1680–82 gebeiteld. Op twee donker gekleurde grafsteden rusten de wit marmeren beelden der beide zeehelden, in volle wapenrusting, met den staf van gezag in handen. Het vroeger Latijnsche grafschrift werd bij de verplaatsing door het volgende Nederlandsche vervangen:

TER EEUWIGE NAGEDACHTENIS VAN DE ONSTERFELIJKE ZEEHELDEN DE GEBROEDERS JOHAN EN CORNELIS EVERTSEN LUITENANT-ADMIRALEN VAN ZEELAND BEIDEN STRIJDENDE VOOR HET VADERLAND GESNEUVELD IN DEN JARE MDCLXXVI.

In 1842 werd door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in deze kerk een gedenkteeken opgericht ter eere van Adrianus Junius, den geleerde, dien Lipsius na Erasmus voor den geleerdsten Nederlander verklaarde, in 1575 in het koor van deze kerk begraven.

Het inwendige der kerk heeft in 1846 een geheele verandering ondergaan.

Het uitwendige der kerk werd door de haar omsluitende huisjes te veel aan het oog onttrokken. Een daarvan, dat reeds lang is afgebroken, was de woonplaats van Zacharias Janse, den uitvinder der verrekijkers: een arduinsteen, in den kerkmuur gemetseld, zegt:

Tegen dezen muur stond het Huis van ZACHARIAS JANSE Uitvinder der verrekijkers in den jare MDXC.

Aan de noordzijde der beide kerken bevindt zich het kleine Binnenhof, het zoogenaamde Muntgebouw. Vroeger was dit met kruisgangen versierd, die in 1827 noodeloos werden afgebroken. Gelukkig heeft men de overblijfselen daarvan teruggevonden, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld werden, en, gelijk wij reeds zeiden, een prachtig geheel vormen.

Tusschen de Oud-Munster of Nieuwe Kerk en de Koorkerk is de hooge toren gebouwd, in den volksmond Lange Jan geheeten, die zich tot 86 Meter hoogte verheft. Deze toren van achthoekigen vorm dagteekent uit het eind der XVe eeuw; na den brand van 1712 werd hij schooner dan vroeger gerestaureerd; de houten spits is van 1713–1720. Iets meer dan de helft der hoogte is van steen, het overige van meest met koper beslagen hout, vervaardigd.

Van de “Lange Jan” heeft men een schilderachtig uitzicht over den naasten omtrek der stad en verder over het geheele eiland. Men ziet, hoe Middelburg in een krans van veelkleurig groen is vervat, dat over de vroegere bolwerken in schilderachtige lanen kronkelt, te midden van zacht hellende gras- en bloemperken. En verderaf, den straal van het gezichtsveld uitbreidend, liggen de welige akkers en grazige weiden, de dichte bosschen en schilderachtige dorpen. Ver in het westen slingert een grijswitte streep, bochtig opbuigend langs den horizon: dat zijn de duinen, die het eiland aan den zeekant begrenzen.

Bij helder weer ziet men in het zuiden de breede Schelde als een glinsterend lint den landzoom omslingeren en van verre ontdekt het gewapend oog zelfs den toren van Antwerpen.

De St. Jorisdoelen is een societeitsgebouw op korten afstand van de Abdij, aan een plein, “de Balans” genoemd. Dit gebouw, een herinnering aan krachtig ontwikkelden burgerzin, werd in 1582 voltooid, maar toen de staatkundige invloed der schutterijen afnam, ging de Doelen te niet en bleef er alleen een uitspanning van over, waar nog in het midden der 18e eeuw in den tuin ridderspelen en optochten plaats hadden. Sedert 1758 werd hier een societeit gehouden en thans dient het gebouw, dat in 1894 gerestaureerd is in den oorspronkelijken stijl, daartoe nog. De mooie gevel drukt een gezelligen stempel op dit gebouw en dat binnen deze muren ook gezelligheid kan heerschen, is bekend.

Tegenover den St. Jorisdoelen ziet men aan het “Balans-plein” nog drie antieke gevels, waarvan in 1896 twee geheel in den oorspronkelijken stijl van het begin der 16e eeuw zijn opgetrokken, dank zij den onbekrompen kunstzin van Mr. G. N. de Stoppelaar. Een ervan werd in 1896 hersteld door de provincie om te dienen voor den Provincialen Waterstaat. Een antiek poortje met gekanteelden muur geeft tot dit laatste toegang. Op het plein is in 1894 een fontein geplaatst, ter eere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de stad.

Van de oude gebouwen, die in Middelburg bezienswaardig zijn door hun stijl, noemen wij nog: het huis “de Gouden Sonne”, in de Lange Delft, schilderachtig en rijk versierd met cartouches, basreliefs, wapenborden enz., thans een restauratie; de Morgensterre en het O.-Indisch Huis, beide aan de Rotterdamsche kade, het huis de Steenrots, (zie de fig. op pag. 258) aan de Dwarskaai, in 1590 in Vlaamschen Renaissance-stijl gebouwd, met veel reliefvoorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. In de Noorderstraat wijst tegenover het Postkantoor een gevelsteen het gebouw aan, waar Jacob Cats van 1603–1623 verblijf hield.

Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.
Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.

Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.

Een belangrijke instelling, welke veel heeft gedaan, om de kennis van Zeeland en van de Zeeuwsche geschiedenis te onderzoeken en uit te breiden, is het “Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen”, dat van Prins Willem V af Nederlandsche vorsten tot Beschermheer heeft. In 1769 werd het te Vlissingen opgericht, waar het uit een Fransch leesgezelschap voortkwam. In 1801 werd deze inrichting naar Middelburg overgebracht en gevestigd in het zoogenaamde “Museum Medioburgense”. Dit museum was een stichting van Johan Adriaan van de Perre, vertegenwoordiger van den Eersten Edele van Zeeland, een vermogend beschermer der wetenschappen en zijn tijd verre vooruit. Deze vatte in het laatst der 18e eeuw het voornemen op om de verschillende wetenschappelijke instellingen in Middelburg tot één gebouw te vereenigen en daardoor nuttige kennis te verspreiden onder de bevolking. Voor dat doel liet hij ook een planetarium vervaardigen. Van de Perre, die reeds “University Extension” wilde, vóór aan dit woord gedacht werd, kon wegens vroegtijdig overlijden zijn plannen slechts gedeeltelijk uitvoeren.

De verzamelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zijn thans geplaatst in een ruim gebouw, in 1889 door een kunstvriend aan het Museum geschonken. Belangrijk zijn de overblijfselen van reusachtige dieren, opgevischt uit de Zeeuwsche stroomen, de geloftesteenen, sieraden, munten en andere voorwerpen, opgedolven aan het strand te Walcheren. De “Zeelandia illustrata” bestaat uit een rijke collectie kaarten, platen, teekeningen, enz., betrekking hebbende op Zeeland, hoofdzakelijk bijeengebracht door Mr. J. Verheye van Citters (1769–1823), en door het Genootschap gekocht.

De oud Zeeuwsche kamer, door het Genootschap in 1882 ingericht, geeft ons een blik op het eigenaardig huiselijk leven op dit eiland in vroeger tijden en vormt een tegenhanger van de bekende Hindelooper kamer.

Oud Zeeuwsche kamer.
Oud Zeeuwsche kamer.

Oud Zeeuwsche kamer.

Wenden wij ons thans naar den buitenkant. Voorheen had Middelburg acht poorten, welke thans alle, met uitzondering van de Koepoort, zijn verdwenen. Deze poort doorgaande vindt men een schilderachtig bruggetje over de vest, dat de gemeenschap met den Singel onderhoudt. Tusschen die poorten vond men oudtijds bolwerken met breede grachten en daarlangs loopende buitensingels. Op enkele dier buitensingels zijn in den laatsten tijd nette villa’s verrezen. Van de bolwerken heeft men op vele punten prachtige uitzichten over het Walcherensche landschap, met zijn Arcadia-achtig karakter.

Wij verlaten thans Middelburg onder den indruk, dat het een zeer interessante stad is, veel te weinig bekend in ons vaderland. Nog werpen wij een blik op den buitenkant, op het bolwerk en de grachten, die tal van schilderachtige partijen aanbieden (zie de afbeelding op pag. 257) en nemen afscheid van deze stad met de woorden, die Beets aan Middelburgs wapen wijdde:

Op aadlaars-borst rust, Middelburg! Uw burg van goud en keel; Uw naam worde, als op aadlaars vlerk, Gedragen door het luchtig zwerk, Naar ’s werelds verste deel.

Op aardlaars-borst praalt, Middelburg! Uw schild met glans en gloed; Geen arends-oog ontdekte een vlek, Maar arends-klauw en arends-bek Waak’ voor uw goed en bloed.

De Keizerskroon, die ’t hoofd versiert Uws Arends, schittert schoon; Maar schooner en tot eedler vreugd Blink’ ’t eikenloof der burgerdeugd Rondom uw stedekroon.

Veere.

Van Middelburg kunnen wij naar Veere wandelen, maar wij maken gebruik van de Middelburgsche boot naar Zieriksee of Rotterdam, die over het Walcherensche kanaal dicht voorbij Veere vaart.

Al spoedig zien wij van verre de hooge, zware kerk met haar stompen, afgekoepelden toren verrijzen boven de lage huizen van het doode stadje, en als wij niet beter wisten, zouden wij hier heel wat verwachten. Doch zoodra wij Veere binnentreden, zien wij onmiddellijk, dat het een afgestorven plaats is, maar die door enkele gebouwen, zij het ook, dat zij vervallen zijn, aan het rijke verleden herinnert.

Buiten de tegenwoordige dorpskom, waaromheen aardappels groeien en kool geplant wordt, werden eens flinke straten gevonden, vele met huizen van aanzienlijke kooplieden of met pakhuizen, enz. Dat alles is lang voorbij. Alleen de kerk en het stadhuis zijn nog tamelijk bewaarde overblijfselen van vroegere grootheid en een enkel bouwvallig, particulier huis wijst op den kunstzin, die hier eens zetelde. Deze bouwgewrochten staan schier eenzaam en verlaten als voelen zij zich niet te huis binnen de kleine gedeelten der weggeslonken stad.

Veere, veelal Ter-Veere of ook wel Kamp-Veere genoemd naar de overvaart, die hier plaats had op het dorp Kampen op Noord-Beveland, is in opkomst een oude stad, omtrent welker stichting geen zekerheid bestaat. Floris V moet hier al verblijf gehouden hebben en men meent, dat in zijn tijd de plaats reeds versterkt was, hoewel anderen dit op 1358 stellen. In het midden der 14e eeuw was Veere een handeldrijvende plaats met tolvrijheden en daardoor bloeiende koopmanschap. De grootste bloei van Veere valt in de 16e eeuw; in de laatste helft dier eeuw begon de stad, reeds te kwijnen. De verondieping van het Veersche Gat was de oorzaak van den achteruitgang der stad, die meer en meer inkromp en door de bewoners verlaten werd. In 1700 telde men er nog 700 huizen; in 1840 werden er 173 opgegeven, in 1890: 175 waarvan 26 onbewoond en in 1890: 204 huizen. In den bloeitijd bedroeg de bevolking zeker niet meer dan 4000 zielen; in 1795: 1860, in 1840: 849, in 1870 was zij weer gestegen tot 1100, maar in 1890 weder gedaald tot 514. In 1900 telde het plaatsje 874 bewoners.

Groote Kerk te Veere.
Groote Kerk te Veere.

Groote Kerk te Veere.

’t Was een kloeke koopmansbevolking, de poorterschap van het oude Veere, ondernemend en vaderlandslievend, die, zooals Van Haren schreef, “het voorbeeld wist te geven, als men ’t vaderland zag beven”, doelende op den drang tot verheffing van den Prins als Stadhouder in de jaren 1672 en 1747 (zie pag. 194) die van Veere uitging.

Mag Veere’s geschiedenis met eere noemen ondernemende kooplieden als Moucheron, zij draagt ook roem op dappere zeelieden, als Sebastiaan de Lange, op den menschlievenden loods Frans Naerebout, hier geboren, en op vrouwen als de geleerde Anna van Borsele, overl. 1519, tevens een beschermster der geleerden, en bovenal op Maria van Reigersbergen, de nooit volprezen echtgenoote van Hugo de Groot (zie pag. 135). Aan haar denkende, zong Robidé van der Aa in 1829 van Veere:

Hef van uit de Zeeuwsche stroomen Vrij de grijze kruin omhoog! Wat de tijd u hebbe ontnomen, Wat hij wreed aan u onttoog, Nog versiert u eeuwige eer, Klein en nederig ter Veer!

Vlissingen moog’ Ruiter roemen, Brouwershaven praal’ met Cats, Goes moog’ op een zanger roemen, Stout, oorspronklijk vol van schats; U versiert nog hooger eer, Klein en nederig ter Veer!

De Groote Kerk te Veere aan den buitenkant haar zwaren koepel ten hemel beurend, hoezeer ook vervallen, is toch belangwekkend en mooi als een gedenkstuk van het verleden. De stichting der kerk dagteekent van 1479; de bouw werd opgedragen aan Antonius Kelderman, den oude. Sedert 1812 tot op onzen tijd werd zij achtereenvolgens voor militair hospitaal, werkhuis, kazerne en bergplaats gebruikt. De toren heeft een hoogte van 68 meter, de kerk is 53 M. lang en 50 M. breed. Deze kerk staat thans in geen verhouding tot de bewoners, die er allen in zouden gehuisvest kunnen worden, en is ook slechts gedeeltelijk in gebruik.

Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.
Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.

Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.

Zelfs in den tijd van de grootste welvaart der plaats kon de kerkgaande bevolking, hoewel nog niet verdeeld in sekten, de ruimte niet vullen. Het was een bedehuis, gesticht als een monument ter eere des Allerhoogsten, om Zijn grootheid voor te stellen. Zelfs kon het middeleeuwsche Veere daarvoor de middelen niet bijeenbrengen, doch een kapel te Lieve-Vrouwepolder, waar jaarlijks duizenden bedevaartgangers samenkwamen, verschafte de gelden tot dien bouw, waartoe waarschijnlijk ook de Bourgondiërs en Borselens bijdroegen.

Op het kerkhof trekt een klein monumentje de aandacht: een achthoekig gebouwtje, door ronde zuiltjes omgeven, die een Gothiek gewelf met het jaartal 1551 dragen, gedekt door een leien dakje. Het heet een fontein, doch is eigenlijk een waterput, zooals wij het noemen.

Het stadhuis is een sierlijk gebouw uit het laatst der 15e eeuw (1474), met gevelbeelden der heeren van Borsele en Bourgondië, en gekroond door een slanken toren met klokkenspel. In de zoogenaamde vierschaar, met banken en beschot van donker eikenhout, zijn tafel en zitplaatsen met rood laken bekleed en prijkt de doornstaf der justitie nog nevens de zitplaats van den baljuw.

De beelden in den gevel stellen voor: Hendrik van Borsele, heer van Veere † 1474, diens vrouw Johanna van Halewijn, Wolfert van Borsele † 1486, diens tweede vrouw Charlotte van Bourbon, Philips van Bourgondië † 1498, Anna van Borsele, zijn vrouw, en Adolf van Bourgondië † 1540.

Een belangrijk bezit van Veere is de verguld zilveren beker, met kunstig drijfwerk versierd, door Maximiliaan van Bourgondië in 1551 aan de stad geschonken, onder voorwaarde, dat die nooit vervreemd of in pand mag gegeven worden, in welke moeielijkheden de stad ook verkeert.

Stadhuis te Veere.
Stadhuis te Veere.

Stadhuis te Veere.

Onvergelijkelijk is het uitzicht van den Kampveerschen toren op den omtrek. Daar vóór u ligt het Veersche Gat, met het in groenen weerschijn schemerende water aan uw voet, dat verderaf opkleurt tot zacht matblauw en van verre in schitterende glanzen opkabbelt tegen de witte helling, waarmede Walcherens westelijke duinzoom uitsteekt naar het noorden. En als gij u om wendt, ligt het schilderachtige eiland vóór u, met die talrijke treffende tafereeltjes van eenvoudige schoonheid, die dieper indruk maken dan het overweldigende bergland. Dat zijn de wonderlichte landschapjes der Hollandsche en Vlaamsche landschapschilders. Aan de overzijde ziet ge van verre Noord-Beveland met zijn overal verspreid liggende hofsteden, welker roode daken mooi tegen het frissche groen afsteken. En naar het zuiden glinsteren de naakte schorren van het Sloe van verre, grijszwart, terwijl nog verder de dam wordt ontwaard, die Zuid-Beveland met Walcheren verbindt.

De contrasten van het kunstzinnig verleden met het heden maken Veere tot een interessante plaats, die veel bezocht wordt en waar schilders uit den vreemde vele elementen opdiepen voor hun scheppingen. Aan de zuidzijde der haven vindt men nog eenige bezienswaardige gevels, o. a. het Schotsche huis en het huis “Lammetje van Veere”, dagteekenend uit het midden der 16e eeuw. Eenige van deze monumenten zijn door Haagsche kunstbevorderaars gekocht, om ze te bewaren in hun oorspronkelijke gedaante.

Arnemuiden.

Naar Middelburg terugkeerend, gaan wij een bezoek brengen aan Arnemuiden. Niet, dat dit oude, eens aanzienlijke stedeke belangrijke gebouwen geeft te zien,—Arnemuiden heeft niets, wat aan ’t verleden herinnert—doch thans is het ons doel, om kennis te maken met de eigenaardige bevolking, de visschers van Arnemuiden.

Eens lag Arnemuiden meer zuidwestelijk, dichter bij Middelburg. Het was in de 14e eeuw een aanzienlijke, neringrijke stad, met veel handel en scheepvaart, overtrof zelfs Middelburg en had een deftig slot, waar de heeren van Arnemuiden zetelden. Destijds lagen de polders ten Z.O. van Walcheren nog diep onder water en liep voorbij Arnemuiden de breede stroom, die Walcheren van Zuid-Beveland scheidde. In het begin der 15e eeuw werd Arnemuiden onder de aanzienlijkste koopsteden van Europa gerekend en in 1418 werd het opgenomen in het Hanze-verbond.

De aanvallen der zee op het land waren aanleiding, dat men verder noord-oostwaarts de huizen bouwde en den grondslag legde tot de tegenwoordige plaats. Door grondbraken aangetast, ging de oude stad in het laatst der 15e eeuw te niet, en van dat tijdstip dagteekent de opkomst van Nieuw-Arnemuiden. In de 16e eeuw had Arnemuiden nog een belangrijke haven. Van hier vertrok in 1496 Johanna van Arragon met 135 schepen naar Spanje en in 1522 zeilden er 150 schepen uit, om Karel V uit Engeland te halen. In dien tijd wemelde het aan de haven van Arnemuiden van Nederlandsche edelen en Spaansche grandes met hun schitterende costuums. Doch, helaas! de haven verzandde langzamerhand, en zoo ging de plaats achteruit, om tot den rang van een nederig visschersdorp te dalen, welks ondiepe haven thans tusschen aangedijkte polders ligt.

Een smalle, vervaarlijk hobbelig geplaveide straat loopt door het plaatsje, aan beide zijden begrensd door lage huizen, meest van één verdieping, alle uiterst eenvoudig of sober. Sommige herinneren nog iets aan de 17e eeuw, toen de rijk geworden schipper de voordeur zijner kleine, nette woning gaarne met fraaie, in hout gesneden krulwerken en bloemen versierde. Als de mannen op zee zijn en de vrouwen op de “schorren” of aan ’t “leuren”, terwijl de kinderen op school zitten, is ’t er buitengewoon stil.

De “Arremuenaers” zijn een bijzonder ras van menschen, zegt Nagtglas, van wiens schetsen wij hier dankbaar gebruik maken, menschen, die zich maar zelden met andere Zeeuwen vermengen. De mannen zijn doorgaans niet groot, doch forsch gebouwd, “ineengestuukt” en sterk gespierd. In den regel zijn ze donker van opslag, met een trek van ernst en stoutheid op het schraal, door wind en weer gebruind gelaat; voor vreemden zijn zij stug, tot onvriendelijk toe, en zoo teruggetrokken, dat men meenen zou, dat hun klanklooze en teemende spraak slechts met inspanning kan worden voortgebracht. Als de meeste visschers zijn zij gehecht aan het oude en afkeerig van het nieuwe; kerksch en stijf gereformeerd. Opgekweekt onder het bruisen der golven en het loeien van den storm, kennen zij op het water geen vrees, en het “saevis tranquillus in undis” (gerust te midden der woeste baren) is voor hen een eenvoudige waarheid. Een leven van rusteloozen arbeid onder dagelijksche ontbering en onophoudelijke gevaren stempelt het karakter en veroudert vroeg, maar schenkt ook aan deze zielen eigenaardige deugden, want over het algemeen zijn zij spaarzaam, trouw, ernstig en godsdienstig.

De “zeeboerinnen”, zooals men de vrouwen vroeger wel eens noemde, zijn meestal krachtige vrouwlui, “kante wuven”, gehard tegen het weer en onvermoeid arbeidende. Jong zijnde en “knap op er lief” (zindelijk op haar lichaam), zien zij er dikwerf jolig en frisch uit, met een blozende kleur, donker-guitige oogen en glanzende, zwarte haren, die onder een wit mutsje tegen het voorhoofd worden opgerold. Het gladde, zwarte jakje, waartegen de met zorg geplooide, zacht gekleurde doek netjes afsteekt, omsluit gevulde vormen en laat een paar stevige, roode, tot boven den elleboog ontbloote armen zien. Zij verouderen echter snel na het huwelijk, wanneer de houten wieg dikwijls maar al te spoedig bezet raakt, verscherpen de trekken, vergrijzen de haren en worden de welgemaakte beenen, zichtbaar onder de korte en zwart gestreepte baaien rokken, mager en stokkerig.

Die vrouwen verdienen zuur hun brood, want ’t is een vracht zoo’n ganschen dag te “leuren mè ’n paer zwaere kurve”; het “venterswerk” mocht wel “veinterswerk” (mannenwerk) wezen en “kraekt minnig wuuf” (breekt menige vrouw). Het is waarlijk niet te verwonderen, dat men nu en dan langs den weg zoo’n troepje vrouwen puffend naast de manden ziet neerstrijken, om zich ’t zweet af te drogen.

Gewoonlijk verlaat de vrouw bij ’t eerste morgenkrieken haar schamel leger. Over “de guus” (het kind) houdt een buurvrouw het oog, wat niet verhindert, dat het jonge volkje den ganschen dag over de straat kruipt, in de modder wriemelt en, als ze wat grooter worden, een ouden klomp, als visschersschuit getuigd, in goot of sloot te water laten. Moeder slaat den ouden, zwarten schoudermantel om, zet een strooien hoed op, legt het juk met de gisterenavond uitgeschuurde “bennen” over de schouders en wandelt naar de “kaaie”. Daar is de visch uitgeladen, door de schippers aangebracht, die nu aan de leursters ieder voor “een partje” wordt verkocht, om, naar oud gebruik, des Zaterdagsavonds af te rekenen.

De manden worden met kabeljauw, schelvisch, tongen of mindere soorten van zeebewoners gevuld en op een eigenaardig, schommelend drafje, om de zware korven in evenwicht te houden, gaan de vrouwen, des zomers meestal barrevoets, in troepjes naar de steden, of somtijds verre het land in. Aan stof tot gesprek schijnt het hun niet te ontbreken en reeds in de verte hoort men ze met lijmend stemgeluid naderen, maar hun gepraat valt moeielijk te begrijpen.

Zoo trekken zij rond, van huis tot huis, dingende en kibbelende bij den verkoop; zoo gaat het altijd door, zomer en winter, in zonneschijn en regen, door aanzienlijke wijken en geringe achterbuurten, onderwijl terende op het brood, dat zij koopen, en op ’n “bakkie” koffie, door goede bekenden geschonken.

En als de visschen in de manden hebben plaats gemaakt voor wortels, uien, kroten en andere groenten, zakjes koffie en thee, en ook wel zoetekoek en suikergoed, waarvan sommigen veel houden, keeren zij des middags, dikwijls laat, naar hun woonplaats terug. Daar wacht hun dan het huiswerk. De kinderen moeten worden verzorgd; er dient te worden gestopt en gelapt, gewasschen en geschrobd. Op deze wijze brengt de vrouw der Arnemuidensche visschers het leven door, volgens een naar de natuur geteekende schets, die Nagtglas er van gaf.

Deze vrouwen worden al vroeg aan een hard leven gewend. Als jonge meisjes beginnen zij reeds op de schorren zeekraal te zoeken. Van het laatst van April tot het einde van Juli kan men hun bij het opgaan der zon in groepen van 30 à 40 in roeibootjes naar de schorren van het Sloe of Kamperland zien roeien, om daar de zeekraal te halen. Op die in wording zijnde landen blijven de meisjes een uur of zes met bloote voeten door slik en water “dobberen”, om de heldergroene, vliezige stengeltjes der zeekraal, die als kleine pijpestelen in ontelbare menigte uit het slijk te voorschijn komen, af te snijden. De gevulde bennen worden tehuis “in ’t ruwe” schoongemaakt, o. a. van de alikruikjes gezuiverd, die meestal weggeworpen, doch in het voorjaar afzonderlijk gerookt en veel gegeten worden. Den volgenden dag wordt de groente als “mooie, vorsche zeekraele”! in “klusjes” uitgeleurd, waarmede een aardig centje verdiend wordt.

Vlissingen.

Thans terug naar Middelburg, om verder de zuidelijkste plaats van het eiland te bezoeken, de havenstad Vlissingen, met 18.900 inwoners, het eindpunt van de spoorweglijn, vanwaar men oversteekt naar Albion. Wij kunnen van Middelburg per spoor, per tram, maar ook gemakkelijk per fiets gaan.

Op een plek ten W. van de tegenwoordige stad, waar in het begin der 19e eeuw het gehucht Oud-Vlissingen nog gevonden werd, dat bij uitbreiding der vestingwerken in 1810 is gesloopt, ontstond Vlissingen. Een overzetveer naar Vlaanderen was waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het vestigen van een nederzetting; en van het oude Vlissingen trokken al vroeg (± 1227) bewoners verder oostelijk, misschien een gevolg van het verloopen der vaargeul, naar de plaats waar het tegenwoordig Vlissingen ontstond.

Vlissingen, gezien van den Boulevard.
Vlissingen, gezien van den Boulevard.

Vlissingen, gezien van den Boulevard.

Schippers en visschers met hun vennooten of maats en huurknapen of bootsgezellen waren voornamelijk de eerste bewoners. Daar de zee voor hen open lag, sloot de handel zich bij het visschersbedrijf aan, gelijk op menige plek in de Nederlanden. De oudste handel was op Vlaanderen gericht. Graaf Willem III begiftigde in 1315 Vlissingen met de Nieuwe haven, welke nog in de stad aanwezig is. Ten O. hiervan werd in 1581 de Pottehaven en in 1612 een dokhaven aangelegd, thans de Marinehaven, onder den naam Oude- of Koopmanshaven. De haringvangst vooral droeg oudtijds veel bij tot den bloei van de stad.

Aanzienlijke voorrechten had Vlissingen te danken aan Prins Willem I, zoowel tot belooning van de dapperheid der burgers als wegens de bevordering der vrijheid door deze stad. De poorters en poorteressen van Vlissingen zouden niet in confiscatie van goederen vervallen, ook al konden wegens misdrijven hun lijfstraffen opgelegd worden. Aan de Vlissinger visschers werd verder vrije vaart op de reede te Arnemuiden, te Middelburg en te Antwerpen toegestaan.

Door deze bevoorrechting werd Vlissingen een belangrijke koopstad, al moest zij ook in aanzien voor Middelburg onderdoen. In oorlogstijd bloeide hier de kaapvaart, die wel groote voordeelen gaf, wel kloeke mannen vormde, maar den eigenlijken handel ondermijnde. En in de laatste helft der 18e eeuw ging ook hier de handel snel achteruit, evenals in de meeste Hollandsche steden.

In de 19e eeuw kwam de stad langzamerhand weer tot ontwikkeling, vooral na den aanleg van nieuwe havens in 1867, mede de beste van West-Europa. Met deze groote werken ontwaakte een nieuwe hoop voor de toekomst der Scheldestad.

O Vlissingen! de breede Noordzeebaren Besproeien trotsch uw welgelegen wal; ’t Is grootsch, haar gang en golving aan te staren En haar gedruisch te hooren overal. Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden, Zij zingt van heil, van handel en vertier, En gij, gij hoort aandachtig naar die woorden En heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.

Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen! Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan: Een handelsschat uit verre zee en ouwen, Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan. Mercurius vliegt ijlings naar uw wallen En plant zijn staf op uw gewenschte ree: Daar zal het lied der koopvaardije schallen, Elk groet u daar als koningin der zee.

Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken, Opdat de vloot der wereld tot u koomt, Die ’t voordeel zoekt en dus naar u getrokken, De winst geniet, waarvan de handel droomt. Niets hindert u; geen barre wintervlagen, Geen wind noch storm versperren uwen wal; O, breid u uit, opdat de stond moog dagen, Die Middelburg met u vereenen zal.

Zoo sprak M. H. de Graaf, uit Antwerpen, in 1871 de stad vol optimisme toe. En hoewel niet al die verwachtingen vervuld zijn, door de vestiging der stoomvaartmaatschappij Zeeland en van de scheepsbouw- en stoomwerktuigenfabriek der Kon. Maatschappij de Schelde is Vlissingen toch tot vooruitgang gekomen, terwijl de spoorwegverbinding, in 1872, voor de stad van het grootste belang werd. Van de 5700 bewoners in 1795, een aantal, in de 17e eeuw veel grooter, was de bevolking van Vlissingen in 1815 geslonken tot 4538. Langzaam nam die weder toe, in 1840 tot 7800, in 1860 tot 10700. Na eenige schommelingen telde de stad in 1890: 13100 bewoners en in 1900: 18900.

Vlissingen maakte vroeger met zijn nauwe straten en meest oude huizen een pover figuur tegenover het ruimer, grootscher en rijker aangelegde Middelburg. Het oude gedeelte van Vlissingen biedt dan ook weinig merkwaardigs aan, al zal men er ongetwijfeld rondwandelen, om de plekken te bezoeken, die aan de jeugd van Michiel de Ruyter herinneren. Wie zal niet den blik slaan naar den toren der St. Jacobskerk, waaraan de legende van den jongensstreek verbonden is; naar het kantoor der Gebroeders Lampsens, 1646, thans kantoor van het Nederlandsch loodswezen? De lijnbaan bij het Waaigat, waar de Ruyter als jongen het wiel draaide, is verdwenen, en het wiel is tot groot leedwezen der Vlissingers naar Middelburg overgebracht. De schoonste huizen in de oude stad staan langs de havens, doch vele belangrijke gebouwen vindt men hier niet. Het oude raadhuis, dat een der schoonste van Zeeland was, een navolging van dat te Antwerpen, geraakte bij het bombardement in 1809 door de Engelschen in brand en werd vernield. Het raadhuis van tegenwoordig is een particulier huis van Anthonie Pieter van Dishoeck, “het Paleis” genoemd, dat in 1812 door de Fransche Regeering werd aangekocht. Daartegenover staat het “Beeldenhuis”, in denzelfden stijl als het raadhuis gebouwd, met beelden in den gevel. De oudheidkamer boven het stadhuis met herinneringen aan de Ruyter, Naerebout, Betje Wolff, Bellamy e. a. is wel een bezoek waardig.

Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.
Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.

Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.

Doch hoofdzakelijk gaat men Vlissingen bezoeken, om de havens te zien en de zee. De eerste liggen in het oosten der stad. Wij willen daarbij niet vertoeven, doch begeven ons naar het westen, naar de Schelde en de zee. De gedempte vesten hebben hier een uitgestrekt bouwterrein geopend, waar een nieuwe stadsaanleg is begonnen, met ruime, breede straten. Hier verrijst op de plek, waar de hoofdstraat van de stad naar het Badhuis zich met den weg naar Middelburg vereenigt, op het Elizabeth Wolffsplein een fontein, ter eere dezer schrijfster en harer vriendin gesticht.

Elizabeth Wolff was te Vlissingen geboren. Een kade in de stad is naar Bellamy genoemd, die ook in Vlissingen het levenslicht aanschouwde (Bellamykade), terwijl een gedenksteen geplaatst is in zijn geboortehuis. Het standbeeld, dat in 1841 voor de Ruyter werd opgericht op de Haringplaats (later de Ruyterplein genoemd) werd in 1894 naar den Westwal, thans Zeeboulevard geheeten, overgebracht, waar de onthulling herhaald is door H. M. Koningin Wilhelmina. Bij het naderen van dit standbeeld zagen wij vreemdelingen zoowel als Nederlanders eerbiedig het hoofd ontblooten en in zwijgende beschouwing het aanstaren.

Zijn roem is aan geen volk of vaderland bepaald; Hij heeft triumfen voor het wereldrond behaald, En welk een landstreek hem het eerst haar taal deed hooren, Hetzij hij Belg of Brit of Spanjaard waar’ geboren, Zijn deugd behoort aan hem, zijn volksnaam aan ’t geval, Zijn eer aan ’t menschdom en zijn grootheid aan ’t Heelal!

Dicht aan zee ziet men de beide societeiten der Nederlandsche en Belgische loodsen naast elkander in sierlijke, flinke gebouwen, een wijd uitzicht over de zee en de Schelde aanbiedend. Daar leven zij een gedeelte van den dag onder de veranda’s, steeds op den uitkijk met hun kijkers, om te zien, of er schepen naderen in de verte, die hun diensten noodig hebben.

Op ongeveer een kwartier afstands ten westen der stad staat aan het vlakke strand, dat uitstekend tot baden geschikt is, het badhuis. Langs de zeewering van den boulevard en den zeedijk is de beweging van vloed- en ebstroomen te sterk, om gelegenheid tot baden aan te bieden. Beschermd tegen noorden- en oostenwind, ligt de strandvlakte, die bij vloed 70 M., bij eb 300 M. breed is en 800 M. lang, met helder en frisch water; zoo biedt de badplaats vele voordeelen. Vooral Antwerpenaars, maar ook Nederlanders trachten hier voor zenuwen en lichaam nieuwe krachten te winnen in het zilte nat en in de zoute lucht.

Hoe heerlijk is het op een stillen zomeravond op een der banken van den boulevard te zitten mijmeren en in de door de dalende zon zoo schitterend verlichte zee te staren. Al is het weer nog zoo rustig, toch zetten de golven hun aanvallen op het strand voort en slaan met kracht op de golfbrekers, die den duinvoet beschermen tegen hun geweld. Indrukwekkender wordt het verschijnsel, als de stormwind hen tot teugellooze machten doet aangroeien, die in woede uitbulderend en schuimbekkend den worstelstrijd voortzetten.

Ik min het schuim der zee, het sneeuwenblanke, Stervende plotseling na zijn geboort; Het is als ’t hemelskind, het bleeke, ranke, Dat niet op deze ruwe aard behoort.

Ik min het schuim der zee, kristallen blaasjes, Waarin het zonnehart zijn wezen spiegelt; Het is als ’t bleeke wichte, zwakjes als een waasje, Maar dat op zonlichtwiek omhoog wiegelt.

Ik min het schuim der zee, millioene atomen, Droppeltjes, gerijgd tot witte beek! Dat zijn aaneengebonden ziels-atomen Van heilge kindren uit Mysteries bleek.

W. van Weide.

Wenden wij den blik van de zee af, dan ligt het Walcherensche land vóór ons. Landwaarts ontwaart men de woeste duinen van Zoutelande en onmiddellijk daarachter het frisch-groene weiland, dat Walcheren als met een tapijt overdekt, zoo hier en daar afgewisseld door het roode van de daken der hoeven, verspreid over het land en in hooge olmen half verscholen; door groote, boschrijke buitens, als Ter-Boedde, Moesbosch en Ter-Hooge; door de huizengroepen en torens van de dorpen en steden.

Het strand en badhuis te Vlissingen.
Het strand en badhuis te Vlissingen.

Het strand en badhuis te Vlissingen.

Van het badhuis zijn heel in de verte naar het Z.W. de hooge huizen van de Belgische badplaatsen Heyst en Knocke zichtbaar en bij zeer helderen hemel ontwaart men zelfs de torens van Blankenberghe. Doch de badgast is daarop niet gesteld. Zooals in het bergland het scherp geteekend uitkomen van de omtrekken der bergen, is ook hier dat vergezicht over zee een voorbode van regen, storm of onweer.

Verder naar het zuiden lijnt de kust van Zeeuwsch-Vlaanderen uit met de torens van Groede, het vuurlicht van Nieuwesluis en Breskens met zijn vervallen forten. En daar vóór ons golven de wateren van den breeden Scheldemond, verlevendigd met de vlaggen van allerlei natiën, en in de verte de visscherspinken met witte zeilen, als een vlucht meeuwen op de golven zwevend. Wij rusten hier en peinzen over verleden en toekomst.

Over het Eiland.

Na een bezoek gebracht te hebben aan de steden van Walcheren, willen wij nog enkele dorpen van het eiland bezoeken. Wij doen dit hier met vlugge schreden, niet omdat de bekoorlijkheden geen nadere beschouwing waard zijn, maar dewijl onze ruimte beperkt is.

Van Middelburg gaan wij een tochtje maken naar het zuiden over Abeele, een uitspanningsplaats, naar Oost- en West-Souburg langs den zoogenaamden “Ouden Vlissingenschen weg”. Deze breede weg, met hoog opgaand geboomte, heeft door zijn vriendelijke kijkjes op gehuchten en dorpen een groote aantrekkelijkheid. Thans is deze weg betrekkelijk rustig. Doch in den goeden, ouden tijd kon het hier rumoerig en druk zijn door het verkeer van handelaars en wandelaars, het geratel van rijtuigen, vrachtwagens en diligences, om de beide handelssteden te verbinden. Dat drukke handelsverkeer is opgehouden, maar toch heeft er nog een geregelde betrekking tusschen beide steden plaats en in den zomer bezoekt menig Middelburger Vlissingen, om daar de zeelucht te genieten.

Oost- en West-Souburg, vriendelijke dorpen met flink geboomte aan de straat, leveren weinig anders merkwaardigs op dan het monument op het graf van Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde, den dichter van het Wilhelmus van Nassouwe, den kloeken strijder naast Willem van Oranje voor staatkundige en geloofsvrijheid. Op initiatief van eenige Antwerpensche heeren is dit gedenkteeken er geplaatst, dat op 3 Sept. 1872 plechtig is onthuld en aan het gemeentebestuur overgedragen. Het bestaat uit een zuil met het opschrift: “Aan Marnix”. Op 17 Dec. 1898 bij den 300-jarigen gedenkdag van Marnix’ dood legde een deputatie van Antwerpensche burgers, met den burgemeester Jan van Rijswijk aan het hoofd, een bronzen lauwertak aan den voet van dit monument. Zoo vereert men in Antwerpen den vroegeren burgemeester dier stad.

Marnix heeft te West-Souburg verblijf gehouden op het Kasteel van West-Souburg, ook naar hem later Kasteel van Aldegonde geheeten, dat in 1780 is afgebroken. Het was een groot gebouw, geschikt tot vorstelijk verblijf. Keizer Maximiliaan hield zich hier op in 1478 en Karel V in 1518, toen zij nog aartshertogen waren en in Walcheren kwamen, om er ’s lands hulde te ontvangen. Ook in 1556 vertoefde Karel V alhier een tijd, toen hij, na afstand gedaan te hebben van de regeering, een goeden wind afwachtte, om de reis naar Spanje te ondernemen. Hier werd door Karel V den 7en Sept. de brief verleend, bij welken hij het bestuur over het Keizerrijk aan zijn broer Ferdinand overdroeg.

Marnix van St. Aldegonde was eigenaar van dit kasteel en vestigde er zich gedurende tien jaren zijns levens. Hij heeft hier in 1591 de overzetting der psalmen uit het Hebreeuwsch in vloeiend Nederlandsch voltooid. Nog werd in de twee laatste jaren zijns levens zijn woonplaatst naar Leiden overgebracht, waarheen hij door de Algemeene Staten was geroepen, om mede te werken aan de overzetting des bijbels. Hier overleed hij den 15en van Wintermaand 1598, doch hij werd te Souburg begraven. Tot zijn nagedachtenis werd een Latijnsch grafschrift vervaardigd, dat in het Nederlandsch luidt:

Waar kon met zooveel roems, waar, Marnix! even veilig, Uw jongste rustplaats zijn als binnen Leydens wal? Dat Leyden, dat als gij, en Mars en Pallas heilig, In beider gloriewerk geen weêrgae vinden zal.

Van hier kunnen wij verder een bezoek brengen aan het dorp Ritthem, een echt Walcherensch dorp, schilderachtig tusschen het geboomte gelegen, met een merkwaardige kerk uit de 15e eeuw.

Een andere weg van Middelburg naar Vlissingen loopt over Koudekerke. Deze wint het in pittoresk en vriendelijk landschapschoon nog van den vorigen. De flink aangelegde, met populieren belommerde straatweg loopt eerst tusschen tuinen door naar het buiten Toorenvliedt, een vierkant gebouw met een koepelvormig, houten torentje, te midden van bosschen. Verderop verrijst het buiten Vijvervliedt en daarna het zwaar geboomte van het Huis Ter-Hooge, een landgoed, in de 14e eeuw aangelegd en met een kasteel bebouwd door een der edelen uit het huis der Van Borselens, dat met zijn twee vierkante torens, van onderen dicht met klimop begroeid, en met zijn breed grasveld aan de voorzijde, waarop enkele beuken en andere boomen zich trotsch verheffen, een werkelijk vorstelijken indruk maakt. Het oude slot, rondom in het water gelegen, stond hoog in aanzien. De aartshertogen Maximiliaan en Filips van Oostenrijk gaven ten gunste van Adriaan van Borsele, eersten heer van Ter-Hooge, onderscheidene privilegiën aan dit slot. Een daarvan was dat van 1485, volgens welk recht alle misdadigers, welk kwaad zij ook begaan hadden, behalve Majesteitschennis, op het plein buiten het kasteel, met een ringmuur omtrokken, een vrijplaats mochten hebben. Aan dit slot was ook de vrijheid verbonden, om het eigen bier te mogen brouwen, zonder daarvoor eenige schatting aan de graaflijkheid te betalen. Het had verder het recht van vrije jacht van “hair en pluim” en van visscherij.

Door graslanden, waarboven van verre in het westen de duinen zich verheffen, voorbij het buiten Steenhove, bereiken wij het vriendelijke dorp Koudekerke, met een klein kerkje, door geboomte omringd, in ’t midden van het dorp op een plein gebouwd. Rondom de kerk vindt men de begraafplaatsen van onderscheidene Engelschen, die in het begin der 19e eeuw op Walcheren het leven lieten.

Van hier gaan wij over het dorp Biggekerke onzen tocht voortzetten naar het dorp Zoutelande. Voor een groot deel is de weg door hagen van hakhout ingesloten en vóór ons zien wij de duinen op niet grooten afstand verrijzen uit het vlakke land. De huizen met hun groen geschilderde vensterluiken, in het midden wit, geven een kleurig uiterlijk aan het landschap. Biggekerke bestaat uit een straat met huizen en tuintjes er vóór, en verder uit een kom met een oud kerkje en hoog torentje. Kort daarna bereiken wij vervolgens Zoutelande.

Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).
Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).

Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).

Het boomlooze dorpje Zoutelande, met zijn roode pannen daken, waarboven kerk en toren uitsteken, ligt schilderachtig tegen de duinen. Sober, uiterst eenvoudig is het plaatsje; het heeft naar ’t uiterlijk niet die netheid, welke men in andere dorpen vindt. Zoutelande is van zeer oude dagteekening en bezit nog een herinnering aan dat verre verleden. Wij wijzen op de put met zijn zuiver en heerlijk water, die aan Willebrord, den grooten Angelsaksischen evangelieprediker wordt toegeschreven. Of men hier misschien aan een heilige bron der oudste bewoners heeft te denken, die later gekerstend werd met de intrede van het Christendom? De put is overdekt, om het instuiven te beletten; rondom den put groeit helm in het aangewaaide duinzand.

Zoutelande was oorspronkelijk weinig meer dan een aanwas bij Werendijke, dat zich weleer tot aan de kust uitstrekte en een kerk had, aan den apostel Jacobus gewijd, benevens een klooster, dat ”’s Hemels poorte” (Porta Coeli) heette. Het behoorde, evenals de Abdij van Rijnsburg, tot de orde der Benedictijnen en was wellicht een stift voor adellijke jonkvrouwen. Doch voorspoedig schijnt het dit klooster niet te zijn gegaan; het is thans totaal verdwenen. Men meent, dat het gestaan heeft op de gronden, waar thans de hofstede “Groot Werendijke” gevonden wordt.

Nadat de visscherij in Zoutelande voor korten tijd geheel te niet ging, is het eenige middel van bestaan voor de bewoners de landbouw, met eenige veeteelt.

Wij trekken verder en langs Boudewijnskerke bereiken wij den uithoek van Zeeland, West-Kapelle.

Vóór wij het dorp bereiken, zien wij een hoogen, zwaar gebouwden, vierkanten toren van Gothische orde, doch zonder spits, op een verlaten kerkhof verrijzen, door wild struikgewas omringd en met enkele lage huisjes in de nabijheid. Dat is de vuurtoren van West-Kapelle, die hier op den westelijken uithoek des lands een geschikte plaats heeft. Een steenen wenteltrap voert naar het plat van den ongeveer 38 meter hoogen toren. Omstreeks 1470 werd deze toren gebouwd als kerktoren; in 1818 werd hij als vuurtoren ingericht. De kerk, welke hiermede verbonden was, is in 1831 door brand vernield en niet weer opgebouwd. Zoo staat de toren alleen, door de kerk verlaten. Maar door het prachtig kunstlicht, dat zijn stralen uitzendt tot op een afstand van bijna 8 uren, is de oude toren een nuttige baak voor hen, die zwerven op de zilte wateren nabij deze gevaarlijke kust.

Het dorp West-Kapelle ligt op den uithoek van Walcheren, tegen den dijk, doch waar in de oudheid de duinen aan den buitenkant een breeder voorland vormden. Wij merkten reeds elders op, dat de duinen door de Noordzee zijn afgeslagen in historischen tijd. Aan den binnenkant van het duin werd hier in de oudheid een nederzetting gevestigd, die al bestond, vóór het Christendom er gepredikt werd. In den tijd, toen Willebrord hier een afgodsbeeld zou verbrijzeld hebben, was het dorp reeds welbevolkt en in 1233 had de plaats beperkte stadsrechten en werd zij een smalstad. In den grafelijken tijd had zij levendige scheepvaart en visscherij. Doch de zee, die dezen onverdedigden zandhoek meer en meer aantastte, noodzaakte de bevolking in 1470 de kerk verder landwaarts te zetten. De plaats nam daardoor af in omvang en ook in beteekenis; handel en scheepvaart verminderen en het stedeke werd een vlek, hoofdzakelijk in de lengte langs een straat gebouwd.

De bewoners van West-Kapelle onderscheiden zich door hun ronde gezichten en iets donkerder haren van de overige bewoners van Walcheren, alsmede door hun kleeding. Dat zich hier Noorsche visschers gevestigd hebben in ’t grijs verleden, die tamelijk op zichzelf bleven staan, schijnt niet onaannemelijk. Thans wonen hier meest dijkwerkers, maar voor dezen valt het te bejammeren, dat de dijk sterker is dan ooit. Als dijkwerkers gewoon onder den invloed der woeste zee te staan en tegen het water te strijden, hebben zij iets ruws in hun voorkomen, iets ongegeneerds, maar tevens brengen die levensomstandigheden hen tot eenvoud. Ook de vrouw, in kleine gebouwen gehuisvest, die de zorg voor een meestal talrijk kroost op zich neemt, heeft niet aan weelde te denken en deze ontbreekt dan ook in haar kleeding. Ook zij is gewoon de ongenade van het weder te trotseeren, waardoor haar brood wordt verschaft, en zij is er in opgevoed, om, als de man het water niet verlaten kan, hem bij te staan, al ware het maar door hem voedsel en dranken te brengen. De kleeding zullen wij niet beschrijven; wij wijzen er enkel op, dat het haar iets verder uit de muts te voorschijn komt; de vrouwen hebben, gelijk men zegt, een grooter “streeksel”.

West-Kapelle.
West-Kapelle.

West-Kapelle.

Als wij door het dorp zijn gewandeld, verheft zich daar vóór ons de zware West-Kapelsche dijk, de welsprekende uitdrukking der Zeeuwsche kracht, die tot den Oceaan zegt: tot hiertoe en niet verder! Als wij denken aan de groote schatten, den arbeid, den tijd en het overleg, aan dit dijkgewrocht besteed, “dan rijst in het onbevangen oordeel het nuttige boven het ijdele”.

Plaats u op dien dijk bij het eerste morgenkrieken, als het groote hemellicht oprijst boven de eilanden en wateren van Zeeland. Zie het dan een tooneel beschijnen van welvaart en leven: akkers met paardenboonen, koolzaad, meekrap en allerlei veldvruchten bezet; weilanden, met rundvee uitgedost; smaakvolle landgoederen; prachtige olmen, die de dijken versieren; schoone steden en dorpen. En dat dit landschap daar zoo idyllisch rustig en onbezorgd nederligt, heeft het te danken aan dezen dijk, zonder welken Walcheren een land van woeste schorren zou uitmaken.

Het zwaartepunt van West-Kapelle is tegenwoordig de zeedijk; hij werd in 1540 wegens den afslag der duinen, met vergunning van keizer Karel V aangelegd. Het nog overgebleven duin werd afgevlakt, aan de zeezijde met zulk een flauwe helling, dat men bij het opgaan de stijging bijna niet kan bemerken; de helling aan de landzijde is sterker. Deze dijk heeft een lengte van ongeveer 4300 meter en sluit zich op beide einden bij de duinen aan; zijn kruin ligt in het westen 5–5.25 M. boven hoog water. Vele jaren werd er niet minder dan ƒ 75,000 kosten tot onderhoud van dezen dijk besteed, welks zekerheid voor Walcherens behoud onmisbaar is. Sterk moet de dijk zijn, want geen punt van onze kust is meer aan de woede der golven blootgesteld dan dit. Bij den stormvloed van 1775 werden zelfs steenen van 3000 en 4000 pond op de kruin van den dijk geworpen. Op den dijk staat een windmolen, die er de volle kracht der luchtbeweging opvangt.

Langs den binnenkant van het duin kunnen wij over een goeden grintweg Domburg bereiken. Eerst loopt de weg over den dijk, later door de schrale duingronden, welke hier nog de bosschen missen, die men ten noorden van Domburg vindt. Wij hebben dien weg genoemd, maar willen hem niet kiezen voor de wandeling, die wij in gedachten maken. Wij keeren terug naar Middelburg, om vandaar den tocht opnieuw te beginnen.

Zeeuwsche wagen van den duinkant.
Zeeuwsche wagen van den duinkant.

Zeeuwsche wagen van den duinkant.

Van hier kan men twee wegen kiezen naar Domburg. De eene loopt voorbij het gehucht Buttinge, met de ruïne eener kerk, die reeds lang gesloopt is evenals het oud-adellijke huis Ravenstein, naar Grijpskerke. Bij dit dorp ziet men de hofstede Munnikenhof, gesticht door de abten van Middelburg, eens de tijdelijke verblijfplaats van Jacob Cats. Grijpskerke is een fraai dorp. Als wij van hier den weg vervolgen naar Oost-Kapelle, zien wij rechts nog het huis Molenbaix, waar Hugo de Groot vertoefde, toen hij naar de hand van Maria van Reigersberg dong. Verder wordt de weg zeer vriendelijk en voorbij het landgoed Molenwijk bereiken wij Oost-Kapelle. Wij nemen thans den anderen weg, die het meest wordt gekozen.

In bevallige kronkelingen slingert de weg van Middelburg over Brigdamme, St. Laurens, Serooskerke en Oost-Kapelle naar Domburg, een afstand van drie uren wandelen. Deze weg was reeds in het begin der 17e eeuw bestraat. Vermogende magistraten en handelaren uit Middelburg hadden aan dien weg onderscheidene buitens en om die beter te kunnen bereiken, werd de straatweg gelegd. De meeste dier buitens zijn thans verdwenen; alleen herinneren de zware gemetselde of hardsteenen pilasters der poorten van de flinke boerenhuizen, met namen als Klarebeek, Swanenburgh, Rijnsburg e. a. er aan, dat hier en daar eens de toegang was tot een aanzienlijke buitenplaats. Doch al zijn de buitens verdwenen, het blijft een schilderachtige weg, die ons echt Walcheren doet zien.

Kasteel Westhoven.
Kasteel Westhoven.

Kasteel Westhoven.

Langs het gehucht Brigdamme, met de ruïne eener in 1562 verbrande kapel, die aan St. Brigatta gewijd was, en langs het kleine dorp St. Laurens, welks aanzienlijk, uit de 13e eeuw dagteekenend slot Popkensburg, dat in de laatste helft der 19e eeuw gesloopt is, bereiken wij Serooskerke, een welvarend dorp aan een kruispunt van wegen, langs de straat gebouwd en met onderscheidene buitenplaatsen in den omtrek. Een zijweg voert van hier naar het hoogste gedeelte van Walcheren, waar het dorp Vrouwepolder ligt, en langs een grintweg komt men verder aan de Oranjezon, een vriendelijke uitspanning in de noordelijkste duinen van Walcheren, die hier met bosch bedekt zijn en een schilderachtige afwisseling bieden.

De hoofdweg loopt verder langs “Vrede Rust”, een nieuw fraai, aangelegd buiten, voorbij Ipenoord, met zwaar hout en mooie waterpartijen, en langs Zeeduin, een aanzienlijk landgoed, door een zware poort aangewezen, naar Oost-Kapelle.

Een flinke hoofdstraat doorsnijdt het dorp, waaruit een zware toren zich verheft. Oost-Kapelle was vroeger een heerlijkheid, bijna geheel in eigendom van de Abten van Middelburg, die het als onsterfelijk leen bezaten. Ook de riddermatige hofsteden Duinbeek en Westhoven alhier waren tot de Hervorming eigendommen van de Abdij; na 1574 werden deze goederen meestal verkocht.

Oost-Kapelle is mede een der mooiste dorpen van Walcheren, in een heerlijke streek, niet ver van de duinen en met onderscheidene boschrijke buitens in de nabijheid. Wij noemden reeds Ipenoord en Zeeduin; wij wijzen verder op Schoonoord, Westhoven, Duinvliet, Overduin, Eikenoord, Duinbeek en Berkenbosch, welker bosschen en duinen tal van schilderachtige gezichtspunten openen. De boschrijke duinzoom ten noorden van Domburg heet de Manteling.

De belangrijkste van deze buitens zijn Overduin en Westhoven. Op het eerste, het eigendom der familie De Jonge van Ellemeet, werd in 1862 Koning Willem III op vorstelijke wijze ontvangen; hier was de eigenaar in 1873, de gastheer van een schaar letterkundigen, bij het Taal- en Letterkundig Congres te Middelburg vereenigd, en Beets zong in de Oranjerie van dit buiten den gastheer toe:

Dat de Overduinsche bloemhof bloei’, Zijn boomgaard ryke vracht doe plukken, Het kunsttrezoor er overvloei’ Van altijd nieuwe meesterstukken; Zijn Eigenaar aan ’t zilvren haar Op ’t hoofd, zoo ongebogen, Nog lang den gloed van ’t leven paar’, Dat tintelt in zijn oogen.

Bij zooveel keurigs, zooveel schats,

Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,

Verhoog’ nog steeds iets nieuws van Cats

Cats’ hooge leeftijd, blijde moed

En hoop op beter leven,

Meer waard dan al der wereld goed,

Zij rijklijk hem gegeven.

Historisch meer beroemd en vooral bekend door Mevr. Bosboom-Toussaints geschiedkundigen roman van dien naam, is Westhoven, een kasteel, waarvan de eerste stichting onzeker is. Sommigen meenen, dat het een grenssterkte is geweest tegen de Noormannen, of misschien wel door dezen gesticht, om hun veroveringen op Walcheren te verzekeren. Men wil ook, dat dit kasteel den Tempeliers tot woonplaats verstrekt heeft, en als dat juist is, moet de stichting tusschen 1118–1314 hebben plaats gevonden. Het kasteel zou vervolgens het eigendom geweest zijn van het geslacht der heeren Van Borsele van Brigdamme, en bij een zoen over een doodslag, gepleegd door Boudewijn van Borsele van Brigdamme, omstreeks 1358 aan den Abt van Middelburg gekomen zijn.

Westhoven verstrekte vervolgens tot lustplaats aan de rijke prelaten van Middelburg, die hier een groot deel van den zomer doorbrachten en er niet zelden vorsten en andere hooge personen, die Walcheren bezochten, als gasten ontvingen. Hier zag men als zoodanig verschijnen in 1500 hertog Filips van Oostenrijk, verder prinses vrouwe Johanna en in 1515 hertog Karel van Oostenrijk, die later, in 1540, toen hij keizer was, dit kasteel nog weer bezocht. De toenmalige Abt, Floris van Schoonhoven, heeft het kasteel veel verbeterd en verfraaid.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings