A. Langs de Nieuwe Maas.
Reading edition
I. Rotterdam.
Wij vangen onze wandelingen en tochtjes langs de groote rivieren van Holland aan bij de Koningin der Maas, de fiere, drukke Rottestad, die door Victor Hugo voor tal van jaren een “marquise” werd genoemd, terwijl hij Amsterdam als een “duchesse” betitelde.
Pas hebben wij Rotterdam betreden, of wij komen onmiddellijk onder den indruk van een levendige handelsstad.
Schier door de geheele oude stad jaagt en drijft het met een onrust en zenuwachtigheid, die spreekt uit de rusteloos dreunende karren op het ruwe plaveisel, uit de bedrijvigheid in de straten en den snellen pas der beurs- en kantoormannen, in één woord, uit alles, wat er verricht wordt. In Den Haag ziet men slenteraars, wier leven schijnt te bestaan in het zoekbrengen van den tijd; in Rotterdam heeft men schier altijd gebrek aan tijd en wandelt bijna niemand; men holt en draaft er. Van het wandelen in den trant der Hagenaars en Arnhemmers heeft de volbloed Rotterdammer een ongeveinsden afkeer; op een gewonen weekdag staat dat voor hem gelijk met tijd verkwistend nietsdoen, een dwaas en doelloos rondloopen zonder geldverdienen. Maar velen, die in het laatste stadium van het hollend leven gekomen zijn en het economische doel, dat zij nastreefden, bereikten, verlaten Rotterdam, om in Den Haag, Scheveningen of elders den bedaarden wandelpas te leeren overnemen, welke aan hun leeftijd voegt en die in de bedrijvige koopstad niet past. Jonge geslachten, krachtige persoonlijkheden, mannen met ondernemingsgeest en energie komen zich te Rotterdam vestigen in de kracht van hun leven, om later elders rust te genieten.
“De stad Rotterdam heeft door dit alles een rusteloos straatleven, met alles volte, met steeds herrie langs havens en kaden, een druk bewegen door nauwe straten, stegen en sloppen. De stad is als een groote machine, voortraderend zonder wil of bewustzijn, gedreven alleen door nooit verslappende kracht van ijzeren noodzaak. Overal doen de straten mee aan het zaken doen. Langs de havenkaden en de steenen wallen der breede rivier, in de handelswijk aan den “overkant”, maar ook tot diep in het hart der oude stad, overal dreunen en rameien de overvolle sleeperskarren en scheurt het vloekend geschreeuw, het “huw!” en “hrt!” der sleepers door de lucht. Aan de rivier en de havens sist de stoom, knarst en rommelt en giert het door de rustelooze lieren, die hun verplaatsingsarbeid onophoudelijk zonder symptoom van moeheid voortzetten tot laat in den nacht.” Aldus schetst Herman Robbers de drukte van Rotterdam.
“Business”, dat is het wachtwoord van den Rotterdammer, “time is money”, dat is zijn lijfspreuk. En met die Engelsche spreuken neemt hij ook de Engelsche taal over. Zooals men in Den Haag zich somtijds in Frankrijk waant door het Fransch, dat ook de Hagenaar tracht te spreken, gelooft men zich op de kaden van Rotterdam dikwijls in een Engelsche stad, daar het zeemans-Engelsch er niet zelden den boventoon heeft. De Rotterdammer moet Engelsch spreken en dikwijls Duitsch, want zijn eene hand is naar het oosten, naar Duitschland, de andere hand naar zee gericht, naar de havens en koopsteden van Albion, en op beide steunt zijn bedrijf. Het Fransch laat hem daarentegen vrij onverschillig.
De eerste opkomst van Rotterdam tot een aanzienlijke handelsstad had een natuurlijk verloop.
Rotterdam is ontstaan op de plek, waar het onbeteekenende landwater de Rotte in de Maas viel. Reeds vóór de 13e eeuw bestond hier een dijk langs de Maas, die van de duinstreek voorbij Vlaardingen en Schiedam liep, zich door het tegenwoordige Rotterdam boog en voorbij het oude slot Honingen, ten oosten van Rotterdam, naar den IJsel liep. De Schie en de Rotte werden door dien dijk afgesloten, zoodat het Maaswater niet in deze stroompjes kon opdringen, terwijl het water uit het land door uitwateringssluisjes onder den dijk wegstroomde. Die uitwateringssluisjes waren te laag, om door de schepen gebruikt te worden, en overtoomen dienden, om de kleine schuiten, welke uit het land kwamen, over de dammen te voeren naar de Maas en omgekeerd, terwijl de grootere schepen moesten overladen. De drukte, hieraan verbonden, deed bij de monden dorpen ontstaan: bij den mond der Schie Schiedam en bij den mond der Rotte Rotterdam.
Wel was het eerst een klein en onbeduidend dorpje, dat daar opgroeide uit de huisjes, langs den dijk gebouwd bij den Rottemond. Die oudste kern van Rotterdam kunnen wij nog terugvinden in de Hoogstraat en den Schiedamschendijk, welke den ouden rivierdijk aanwijzen. Aan dien dijk werd het een dijkdorp, zooals wij er vele in Holland vinden. Doch al spoedig breidde de nederzetting zich uit, naarmate het verkeer levendiger werd, en de verstapeling der goederen van de Maas naar de Rotte of omgekeerd meer drukte gaf.

Schiekade te Rotterdam.
Aan het Rottedorp werd in 1327 een eerste voorrechtsbrief geschonken, en in 1340 gaf graaf Willem IV aan Rotterdam het oudste handvest, waardoor de plaats als stad werd erkend. In hetzelfde jaar ontving Rotterdam het recht, om een vaart van de Maas naar de Schie bij Overschie te mogen graven (zie pag. 27) en aldus kwam Rotterdam in verbinding met den hoofdwaterweg door het hart van Holland, naar Delft en Den Haag, een verkeersweg van veel grooter beteekenis dan die over de onbelangrijke Rotte, zonder dorpen aan de oevers. Op deze wijze verkreeg de handel van Rotterdam een rijk achterland, en hiermede werd het eerst een belangrijke stoot gegeven aan de ontwikkeling van deze plaats als handelsstad. De aanslibbing in de Maas voor Schiedam, waardoor deze stad meer van de rivier werd gescheiden en dieper in het land kwam te liggen, gaf Rotterdam, dat in gunstiger omstandigheden was gelegen, weldra den voorrang op Schiedam.
Een mededinger voor Rotterdam dreigde later nog op te komen aan de Maas. Delft, het bloeiende Delft, wenschte een eigen haven te hebben en liet, zooals wij zeiden, een derden arm van Overschie naar de Maas graven, en aan dien mond bouwde Delft een eigen havenstad: Delfshaven, dat de voorhaven van Delft zou zijn. Doch uit kleingeestige handelspolitiek hield Delft die haven klein en belette haar uitbreiding, om den handel op Delft te blijven concentreeren. Het gevolg was, dat Delft daardoor de opkomst en bloei van zijn machtigen concurrent Rotterdam in de hand werkte. Delfshaven werd door die kleinzielige politiek ook los van zijn moederstad en wilde in 1795 zelfs het gezag van Delft niet meer erkennen. En toen Rotterdam in de negentiende eeuw zich steeds uitbreidde en de grenzen van Delfshaven naderde, werd in 1890 Delfshaven met Rotterdam tot één gemeente vereenigd.
Vermelding verdient het, dat Delfshaven, zwak als het was en niet in staat, zijn zaken goed te ordenen, in 1841 al verzocht, bij Rotterdam te worden ingelijfd. In dien tijd echter was Rotterdam nog niet vervuld van den lateren ondernemingsgeest en werd het aanbod afgeslagen.
De eerste nederzetting te Rotterdam was aldus ontstaan langs den rivierdijk, die door het lage moerasland slingerde, zeiden wij. ’t Was een slappe, onvaste bodem, geenszins door de natuur aangewezen voor den aanleg eener groote stad.
Uit riet en lisch en elzenstutten, Op aan den stroom ontwoekerd land, Verhief zich aan den oeverrand Een schamel dorp van visschershutten, Wier vruchtbre streek een breede plas, Wier rijkdom fuik en schepnet was.
L. v. d. Broek.
Welke ziener zou aan de wieg van dit dorpje zijn ontwikkeling tot een wereldhaven hebben voorspeld? Maar toch, aan het kruispunt der waterwegen nam het verkeer spoedig zoozeer toe en breidde de handel zich zoo sterk uit, dat er meer ruimte voor woningen en opslagplaatsen en beter gelegenheid voor den aanleg der schepen noodig bleek.
Waarheen zou Rotterdam destijds zijn grenzen uitzetten? Buiten den hoofddijk lagen in de rivier twee droogten of platen, die van dag tot dag aangroeiden. De westelijkste van deze platen stond al vroeg den visschers ten dienste.
De oudste haven der stad, nog de Kolk of Oude Haven geheeten, liep tusschen deze beide eilandjes door. Zoo was ongeveer de oudste toestand aan den Maaskant. De aanslibbingen in de noordelijke bocht van de Maas nabij de stad namen steeds toe, en weldra werden nu deze platen met woningen bezet.
Het buitendijksche eilandje ten westen der haven, waar reeds vroeg eenige visschers hun woningen hadden gebouwd, was door hen aan de stroomzijde van een zomerkade voorzien. Reeds vóór 1373 had de stad door een brug gemeenschap met dit “Nieuwland”, en de stad verkreeg omstreeks het jaar 1380 hierover de vrije beschikking. Toen werd de stad ook hier uitgebreid en het nieuw gewonnen land verkreeg den naam van West-Nieuwland. De lange, smalle straat, die aan de zomerkade gebouwd werd, verkreeg naar de oude bewoners den naam Visschersdijk, en de meer noordwaarts gelegen straat werd als Hang aangeduid, misschien doordien de visschers daar hun netten te drogen hebben gehangen.
Ten oosten der haven lag een rijswaard, waarop zich eenige mandenmakers neerzetten, die in het maken van vischkorven het middel van een sober bestaan vonden. Ook dit eiland werd al vroeg door een brug met de stad verbonden, die de Mandenmakersbrug genoemd werd, zeker een herinnering aan het oudste bedrijf der bewoners; het westelijk gedeelte dier waard verkreeg naar het rijshout den naam Rijstuin. Verder oostelijk werd het hout opgeslagen voor den scheepsbouw, waaraan de naam Houttuin nog herinnert. Het oostelijk gedeelte van het eiland was oorspronkelijk te laag, om bewoond te worden; later werd hier een boomgaard aangelegd door de Dominicaner Predikheeren, waaraan de tegenwoordige naam Groenendaal nog te danken is.
Waren de rivieraanwassen in de 14e eeuw aldus uitgebreid en gedeeltelijk bewoond geworden, in de 15e en 16e eeuw zette dit proces zich voort. De banken in de Maasbocht werden steeds grooter en ondieper, en hoewel men er in het eerste vierde gedeelte reeds aan dacht, die ten nutte te maken, werd dit toch nog uitgesteld door de slechte tijden.
Op den plattegrond van Rotterdam door v. Deventer, ± 1563, wordt Rotterdam aan de rivierzijde afgebeeld als door strooken aangeslibd land, platen, waardoor de monding der Rotte liep, welke laatste de haven vormde, van de Maas gescheiden. De gedeelten, welke thans de Noordblaak en de Nieuwe Haven uitmaken, waren nog gedeelten van de stadsgracht. Eerst omstreeks 1580 werd de stad naar die zijde uitgebreid door het afbreken van oude muren en torens en het opwerpen van zeven nieuwe bolwerken, waardoor de beide nieuwe havens, de Blaak en de Nieuwe Haven, een veilige ligplaats aanboden voor de schepen.
Zoo zien wij Rotterdam in den loop der tijden aangroeien ten koste der rivier. Het was een onweerstaanbare en als instinctmatige drang, die de bewoners er toe bracht, om zoo dicht mogelijk bij het levende water gevestigd te zijn. De Rotterdammers begrepen toen al, dat de Maas de hoofdbron van de welvaart, de hoofdfactor voor de ontwikkeling hunner stad zou zijn.
Na het jaar 1572 ving de vijfde uitlegging der stad aan, die zich in de rivier uitbreidde tot de Scheepmakershaven; in 1597 begon de zesde uitlegging in het westen der stad langs de Leuvehaven, en in 1609 volgde een zevende uitlegging, waarbij de Boompjes tot stand kwamen. Hiervoor werd een lengte van 1800 schreden in de Maas gedempt, waarop in 1611 een straat werd aangelegd, die in 1615 met een rij iepenboomen werd beplant en daarnaar den naam Boompjes ontving. Deze straat is in 1661 verhoogd en van een kade voorzien, zoodat in laatstgenoemd jaar de stad voor dit gedeelte haar tegenwoordige uitbreiding verkreeg, naar den kant der rivier.

Plattegrond van Rotterdam in het begin der 18e eeuw.
In denzelfden tijd verkreeg Rotterdam ook de gedaante, welke het tot het midden der 19e eeuw behouden heeft: een gelijkbeenige driehoek met de basis naar de Maas gekeerd en de spits landwaarts. Het was, of de stad in haar vorm een zinnebeeldige voorstelling wilde geven van het feit, dat haar geheele ontwikkeling berustte op de Maas, gelijk dat bij Amsterdam het geval was met het IJ, waartegen de hoofdstad gebouwd was met haar langste zijde.
Gedurende de 17e en in de eerste helft der 18e eeuw stond de ontwikkelingsgeschiedenis van Rotterdam vrijwel stil, zoo zij al niet in enkele perioden achteruitging. Vooral bij den aanvang der 19e eeuw zag het er te Rotterdam evenals te Amsterdam treurig uit met den handel. In den tijd gedurende en volgende op den tachtigjarigen oorlog was Rotterdam reeds tot een belangrijke ontwikkeling gekomen, al kon de Maasstad op verre na niet met Amsterdam vergeleken worden en al zag het rijke, aristocratische Dordrecht uit de hoogte neer op de jong opkomende stad. Rotterdam telde in 1515 nog slechts 1118 huizen, welk getal in 1682 tot 5048 was gestegen, in 1732 tot 6621. In een eeuw tijds nam de stad weinig toe; in 1840 telde zij niet meer dan 7348 huizen.
Rotterdam is eerst een geheel andere stad geworden na 1858. Een kaartje van Rotterdam vóór dat jaar vertoont de stad nog in haar driehoekvorm. Over de Maas, waar zich thans een druk stadsgedeelte uitbreidt met mooie en uitgestrekte havens, reusachtige dokken en grootsche pakhuizen, lag Feijenoord, een eenvoudig eilandje, dat tot een uithoek van IJselmonde geworden was. Oorspronkelijk was dit een gors of naakte plaat in de rivier, die allengs meer en meer opslibde. Zulke gorzen worden als Oorden of Noorden aangeduid. Dat eilandje werd in 1591 voor twee derden en in 1658 voor het overige gedeelte door Rotterdam aangekocht; in 1795 werd het bedijkt, terwijl het door de afdamming van het Zwanengat, den arm der Maas, die het eilandje ten zuiden bespoelde, met IJselmonde werd verbonden.
De stad had op Feijenoord een Pesthuis laten bouwen, dat later tot Militair Hospitaal werd ingericht voor de Marine. Tijdens koning Lodewijk werd hier een kweekschool voor de Marine gesticht, later een industrieschool, en in 1825 werd er de Fabriek der Nederlandsche Stoombootmaatschappij gevestigd, waardoor er eenige bedrijvigheid aan den overkant der Maas ontstond. Die fabriek werd in 1838 uitgebreid, zoodat er 900 man arbeidden. In 1841 werd in het westen op de gorzen van Feijenoord een scheepshelling gebouwd. Omstreeks 1841 vond men hier, behalve de werkplaatsen, een gehucht van 79 woonhuizen, meest bewoond door werklieden en opzichters der fabriek. Havenwerken vond men in 1859 op Feijenoord nog niet.
Wij willen thans een enkelen blik werpen op de handelsontwikkeling van Rotterdam. Rotterdam was vóór de 19e eeuw al een belangrijke handelsstad geworden, maar stond toch ver bij Amsterdam achter. Het had zijn beteekenis als zoodanig te danken aan de ligging in het mondingsgebied van den Rijn, en zoowel de delta-eilanden in het zuiden, de handelssteden op het vasteland van Holland tot den Ouden-Rijn in het noorden, en het Maas-Rijngebied naar het oosten en zuiden vormden het natuurlijk achterland van de haven van Rotterdam, die deze streken met de zee in verbinding bracht. De scheepvaart en handel, in vorige eeuwen zoo nauw aan elkander verbonden, bepaalden zich voor Rotterdam dus geenszins uitsluitend tot die der schepen, welke van zee binnenkwamen. Een aantal schepen van kleiner charter kwamen langs Maaslandssluis voor de stad; een nog veel grooter aantal kwamen van Zeeland, van België, Dordrecht, de handelsplaatsen aan de Waal, Maas en Rijn. En over de waterwegen in het binnenland van Holland, hoe slecht ook in den tijd der gedecentraliseerde Republiek, had toch ook een druk scheepvaartverkeer met Amsterdam en andere steden plaats, en met Hamburg, Bremen en Embden en andere steden op het vasteland stond Rotterdam in vaste betrekking. Over de zee lag Engeland het meest voor de hand en ook aan de vaart en handel op andere landen nam Rotterdam deel.

Fontein op het Burgemeester Hoffmannplein op het Noorder-eiland.
Voor de gewesten in de zuiderlijke helft der noordelijke Nederlanden was Rotterdam aldus de hoofdmarktplaats geworden, en de export-produkten dezer gewesten werden van Rotterdam uitgevoerd. Het vruchtbare deltagebied leverde meekrap en vlas, welke door Rotterdam werden geëxporteerd; de vruchtbare kleilanden van Zeeland en West-Brabant leverden tarwe voor de Rotterdamsche markt, de schoone graslanden ten noorden der Maas boter en kaas, welke van hier veel naar Engeland werden uitgevoerd; het bier, dat in de oudheid over de Maas was uitgevoerd, werd in lateren tijd vervangen door jenever, het produkt zoowel van Rotterdamsche als van Schiedamsche brouwerijen. En tegenover dien uitvoer stond de invoer van vele koloniale en andere produkten van het buitenland, welke van Rotterdam uit over zijn havengebied gedistribueerd werden.
Zoo was het in de 18e eeuw. De 19e eeuw ving onder den invloed van de treurige tijdsomstandigheden ook voor Rotterdam alles behalve rooskleurig aan. Een reiziger, die in 1805 deze stad bezocht, zegt, dat de handel niet meer dan 1/10 van vroeger bedroeg. Meer dan vijf zesden der magazijnen stonden ledig; een groot aantal koopmanshuizen was onbewoond en voor een nietigen prijs te koop, en de bevolking, die vroeger 60.000 bedroeg, was in 1813 beneden 52.000 gedaald.
Met het herstel der Nederlandsche zelfstandigheid begon ook hier de handel weer levendiger te worden. Het eerste tijdperk der Nederlandsche handelsgeschiedenis van 1815–1830 was van veel beteekenis, omdat in dien tijd de eerste nieuwe strijd werd hervat tusschen de havens van Rotterdam, Amsterdam en Antwerpen. Deze laatste stad, gedurende de Republiek door het sluiten der Schelde vervallen, kwam weder op en trok met ijver van haar gunstige ligging partij. Tusschen die twee concurrenten lag Rotterdam. In het begin van dat tijdvak stond Amsterdam als haven nog bovenaan; in 1819 vielen te Amsterdam binnen 3077 schepen, in Rotterdam 1700, en Antwerpen had het reeds gebracht tot 1000 schepen. Maar na dien tijd won Antwerpen steeds meer en meer ten koste van Amsterdam. En al ging Rotterdam niet zooveel achteruit, het kwam toch ook niet tot grooten vooruitgang.
Na de afscheiding van België werd de toestand beter voor Rotterdam, en de Oost-Indische handel, die vóór 1830 hier te niet gegaan was, bloeide er weder op; het aanzienlijke aandeel van Antwerpen werd naar Rotterdam verplaatst.
Maar er dreigden nog donkere wolken aan den horizon voor de Rottestad. Het Brielsche zeegat, de natuurlijke zeepoort van Rotterdam, was meer en meer verondiept, zoodat schepen van 53–55 d.M. diepgang niet anders dan bij kalm weder en onder gunstige omstandigheden konden binnenkomen. De groote bodems moesten hun weg nemen door het Brouwershavensche Gat en over Krammer en Volkerak, langs Dordrecht, over de Oude Maas tot bij Vlaardingen en vervolgens de Maas weder op, om Rotterdam te bereiken, een omweg, waarmede vele dagen gemoeid waren. En dat in een tijd, toen de snelvaart door stoom in opkomst was!
In die omstandigheden zon men op middelen tot verbetering, en in 1829 werd het Voornsche Kanaal voltooid naar Hellevoetsluis, dat daardoor opkwam. Dit was aanvankelijk een vooruitgang, maar duurzaam kon dit kanaal niet aan de behoefte voor Rotterdam voldoen, vooral niet bij den meerderen diepgang der schepen. In de gunstigste omstandigheden kon men langs dat kanaal van Rotterdam in 18 uren de zee bereiken, doch in 1880 waren er dikwijls voor groote schepen 5–8 dagen noodig. Het Brielsche Gat slibde steeds meer aan, zoodat hier geen hoop meer op gevestigd kon worden. De Rotterdamsche handel begon ernstig beangst te worden voor de toekomst der haven, die niet meer voldeed aan de eischen van den nieuwen tijd.
Hoe zal het zijn,—eens—vroeger, later zijn? Zal eens het bed van Maas en Waal en Rijn Verdrogen en van zomerhitte scheuren? Zal eens wellicht een sombre bouwval treuren, Waar nu de Maasstad tiert?—een nieuw geslacht Eens zoeken naar de teekenen dier macht En grootheid, waarvan de overleveringen Nog spreken en nog oude liedren zingen?
aldus zuchtte des Amorie van der Hoeven mistroostig bij ’t aanschouwen der rivier? En hij eindigde met den tot kracht aansporenden uitroep:
Waakt, kindren, waakt!
Rotterdam heeft gewaakt en niet versaagd. Met onvermoeide energie is de kamp der concurrentie volstreden, en bij de hernieuwde opkomst van Neerlands handel, na 1850, onder den invloed van het vrijhandelstelsel, werd ook de grootsche arbeid aangevangen, om Rotterdam een nieuwen en open waterweg naar zee te schenken. Op grond van een ernstig onderzoek in 1857 aangevangen, werd in 1863 een wetsontwerp dienaangaande aangenomen en den 31en Oct. 1866 werd door den Prins van Oranje de eerste spade voor dien reusachtigen arbeid in den grond gestoken, die in Sept. 1870 zoover gevorderd was, dat twee kleine visschersschepen er door in zee konden steken. En op 9 Maart 1872 ging het eerste stoomschip, de “Richard Young”, door den Nieuwen Waterweg naar buiten.
Dat was de morgen van een nieuwen dag voor Rotterdam’s handelsleven. En al werd de opkomende zon nu en dan door enkele wolkjes verduisterd, toch bleef zij stijgen. Tegelijk met de opening van den Nieuwen Waterweg kwam ook de spoorweguitbreiding tot stand. Reeds in 1847 was Rotterdam met Amsterdam door een spoorweg verbonden; in 1850 kwam de spoorwegverbinding met Utrecht en daardoor met Duitschland tot stand; in 1872 werd de aansluiting met Dordrecht en verder met de Noord-Brabantsche en Belgische lijnen verkregen en werden de grootste en moeielijkste spoorwegbruggen over de breede wateren in het moerassige deltaland tot stand gebracht. Wel werd de stad zelf ontsierd door het bouwgewrocht, dat het stoomros langs een zware, smakelooze viaduct over de stad leidt, en het geraas der straten nog versterkt door dat van de dreunende treinen boven de hoofden der bewoners; wel werd menig schilderachtig plekje daardoor bedorven, maar de Rotterdammer is in de eerste plaats bedacht op handelsbelang, ook wat den stadsbouw betreft.
Thans, nu de scheepvaart en de verbinding met het spoorwegverkeer zich recht ontplooien konden, nu de handel voortdurend toenam, was er ruimte noodig, havenruimte in de eerste plaats. En de stad vestigde thans wederom het oog op het land aan de overzijde der rivier. Naast de spoorwegbrug werd door de stad in 1878 de groote Willemsbrug gebouwd voor rijtuigen en voetgangers, om de nieuw te bouwen stad aan de overzijde met de oude te verbinden. Daar werden nieuwe havens gegraven en kaden aangelegd; daar, op het vroeger zoo rustige eiland, namen het verkeer en de beweging een ongekende vlucht. Rotterdam, dat in 1852 slechts 27.7 H.A. havenruimte had, kon zich in 1885 beroemen op 50 H.A. oppervlakte havenruimte, terwijl de kadelengte van 10.3 kilometer tot 21.3 kilometer was toegenomen.
Voortdurend nam het verkeer langs de rivier toe en de havens en kaden bleken steeds meer te klein. Groote havens werden nog ontworpen en zijn thans gereed: de groote Maashaven aan de overzijde der rivier, en de Schiehaven aan den rechterkant. Door deze beide laatst aangelegde verkregen de havens van Rotterdam een oppervlakte van 125 H.A. en de kaden een lengte van 29 kilometer. Dat de havens niet vruchteloos zijn aangelegd, blijkt hieruit, dat de scheepvaartbeweging van Rotterdam, die in 1850 346186 tonnen inklaring bedroeg, in 1900 tot 6326901 tonnen was toegenomen, en van 37 % der totale inklaringen in Nederland in 1850 tot 66.94 % in 1898 was vermeerderd. In 1900 vertrokken 7318 stoomschepen en 278 zeilschepen langs den Nieuwen Waterweg naar zee. Hoofdzaak is het verkeer met Groot-Britannië, dat in 1900 bedroeg 31.66 % van het geheel; daarop volgden de Vereenigde Staten van Noord-Amerika met 14.86 %, Rusland met 11.11 %, Spanje met 10.49 %, Zweden en Noorwegen met 6.67 %, Argentinië met 2.54 %, de Fransche Koloniën met 2.16 % en Frankrijk met 1.56 % der inklaringen.
Met die handelsuitbreiding moest de stad ook naar de landzijde haar grenzen uitzetten en werden weldra onderscheidene naburige gemeenten in de gemeente Rotterdam opgenomen. Dit geschiedde in 1886 met Delfshaven, in 1895 met Kralingen en Charlois. Hierdoor werd Rotterdam van een stad met 72000 inwoners in 1830, tot 106000 in 1859, 116000 in 1869, 148000 in 1879, 201000 in 1889 en 338185 in 1900.
Zoo is Rotterdam in korten tijd tegelijk een groote stad en een wereldhaven geworden. Grootsch en fier, maar toch eenvoudig; oud, maar toch vol jeugdige levenskracht; schier aan het vermetele grenzend in stoute daden, maar die toch bij nader inzien gegrond blijken op zeer zorgvuldige berekening; op een moerassigen, slappen bodem zich opbeurend, maar toch hecht als op rotsen gegrondvest; in een aanslibbend deltaland, maar toch met een rivier, die schepen van den grootsten diepgang naar de haven voert.... Zoo vertoont zich in de ontwikkeling van Rotterdam een reeks van scherpe contrasten, welke de oprechte bewondering voor den arbeidenden geest doen stijgen bij ieder, die deze koopstad in haar ongeëvenaarden vooruitgang gadeslaat. Als door de aanraking met den tooverstaf eener weldadige fee is in minder dan een halve eeuw uit de oude Maasstad het nieuwe Rotterdam verrezen en tot de haven van Midden-Europa geworden. Die weldoenster der stad is de Maasnymph, welke aan Rotterdam haar zegen gaf, maar haar ook toesprak: niet vooruit dan met arbeid! En Rotterdam heeft die woorden in het hart geschreven en gevolgd.
Voorwaarts! dat is het wachtwoord, hetwelk in de Rottestad overal weerklinkt; de natuurlijke verkeerswegen wijzen den weg en de energie der bewoners vormt de levende kracht, die rusteloos de stad voortstuwt op de baan, met zooveel succes betreden. ’t Was geen overdrijving toen de dichter der stedemaagd het lied deed zingen:
’k Heb u lief, Rotterdam, met uw drukte en gewoel, Waar het leven zoo krachtig in bruist, Koningin van de Maas, uit wier golven een lied Vol van glorie en hoop u omruischt. In den wedstrijd van handel en scheepvaart houdt gij Fier de vlag onzer vaadren omhoog, En uw heden is niet van ’t verleden ontaard, Dat met roem Hollands naam overtoog....
En ook wij zeggen haar na:
Met verrukking aanschouw ik de groeiende vloot, Die steeds talrijker havens vervult, Voortgestuwd langs het spoor, voor de waat’ren gebaand Door uw moed, uw beleid en geduld.
Wij mogen ons niet langer ophouden met het schetsen der ontwikkelingsgeschiedenis van Rotterdam en zijn handel, hoe belangrijk die op zichzelf ook moge zijn. Hierop moeten wij echter de aandacht vestigen, dat Rotterdam in de laatste halve eeuw een geheel andere stad is geworden, met een levenskarakter, dat iets heeft van de kenmerken eener groote stad. Het burgerlijke kleed, dat Rotterdam nog lang omhulde, is afgelegd; het ouderwetsche, nationaal eigene der Rotterdammers is verzwonden in internationale opvattingen.

Haagsche Veer.
In 1860 schreef W. N. Peijpers nog in zijn geschiedenis van Rotterdam, dat er “geen stad is in ons vaderland, waar de sporen van het oude Mid-zomerfeest nog zoo lang waren blijven bestaan als in Rotterdam. De St. Jansvuren zijn bij velen nog in herinnering, ja, worden nog hier en daar ontstoken. Hoewel nu de knaap, die het St. Jansvuur stookt, niet meer den welgevulden hoorn door de vlammen zwiert, doet hij dit evenwel met de muts of huppelt langs den gloed. Er is geen plaats in ons land, waar het Pinksterfeest met zooveel heidensche drukte gevierd wordt als te Rotterdam; met zooveel gejoel en geweld, als op den zoogenaamden morgen van luilak! Dan verlaat ieder, die even kan, de stad, om in de vrije lucht te zijn, zingend, jubelend, schreeuwend, ieder op zijn wijze. Hoeveel drukte en beweging gaf dat langs de boorden van Rotte en Delftschevliet, aan de Heul, den Bergweg en te Overschie, waar het kermis was en de Pinksterbollen—de ronde Balderskoeken van weleer—reeds vroeg in den ochtend te koop werden aangeboden. En eindelijk Pinkster drie, wat een drukte langs Blaak en Zeevischmarkt; hoeveel kleur van Pinksterbloemen, zoowel natuurlijke als van papier gevormde, hoeveel gezang en getier! Daar vindt men nog sporen van het oude Baldersfeest, zelfs de brooddronkenheid niet uitgesloten.”
Dat oude Germaansche is geheel verdwenen in de koopmansstad. Men heeft er geen tijd meer voor de natuurfeesten; de sporen van het oogstfeest behoorden er al veel vroeger tot het verledene. De bewoners zijn ook niet meer als voorheen door een band van familiebetrekkingen, die elkander lang kenden, aan de stad en wederzijds verbonden: er heeft een internationale wind gewaaid over de bevolking, die de gemeenschappelijke herinneringen aan het oude deed verstuiven. Van alle kanten kwamen de bewoners hier bijeen, met één doel: geld-verdienen. Dat maakt de stad zaakrijk, realistisch, koud. Vooral de snelle beweging van het verkeer, die niet altijd met evenredige rijkdommen gepaard ging, zooals in het oude Amsterdam, die fluctueerend was, opkomend en neergaand, heeft hier nog niet zulk een stand van rijke koopmanspatriciërs doen ontstaan, als in den bloeitijd der Compagnie de hoofdstad dit zag. Daardoor heeft men in Rotterdam ook nooit den kunstzin zoo vrij den teugel kunnen vieren, als in Amsterdam in vroeger tijden het geval was, en het schilderachtige in aanleg en huizenbouw, dat de Amsterdamsche renaissance zoo aantrekkelijk en bekoorlijk maakt, mist men in de stadsphysionomie van Rotterdam bijna geheel.
Rijk aan bouwkundig schoon is Rotterdam daardoor niet; integendeel, de stad is veelal vlegelachtig groen op architectonisch gebied. Zelfs vele mooie plekjes, die de oude stad had, zijn verdwenen.
Zij waren er nog, toen de zaken den boventoon begonnen te voeren. De vroegere Binnenrotte was een van de meest schilderachtige gedeelten, karakteristiek door de uitbouwsels der huizen boven en de houten tuintjes (vlonders) op het water, met de in de volkstaal zoo goed bekende Lombardsche brug, die altijd “op” was, wanneer iemand een excuus noodig had voor te laat komen. Dit alles is thans vervangen door het leelijke steenen en ijzeren gevaarte van de Viaduct. Dat sluit echter niet uit, dat ons bij het rondwandelen door de stad nog onderscheidene merkwaardige of mooie gebouwen uit jongeren of lateren tijd in het oog vallen en enkele oude stadsgedeelten schilderachtige effecten voortbrengen. Wij wijzen op de afbeelding van het Haagsche Veer. En daarenboven ziet men vooral in den laatsten tijd de opkomst van een beteren smaak ook in deze stad.
Wij vangen onze wandeling aan in het centrum der stad, bij de Groote kerk of St. Laurenskerk. Dit gebouw, dat vóór de hervorming aan den heiligen Laurens gewijd was, werd gebouwd op de plek, waar omstreeks het jaar 1000 de St. Laurenskapel stond, die in 1300 tot parochiekerk werd verheven. Deze kerk was weldra te klein en in 1412 werden de fundamenten voor de tegenwoordige gelegd. Om de middelen voor den bouw te verkrijgen, werden allen, die wegens overtreding of misdrijf gevonnist werden, veroordeeld als boete een hoeveelheid steenen of kalk aan de kerk te zenden. De Hoogheemraden van Schieland werkten eveneens mede tot het doen verrijzen van het godsgebouw, en in 1436 was het eindelijk voltooid.

De Kolk en de Houttuin met de Viaduct en de Groote Kerk op den achtergrond.
In het jaar 1449 werden de fundamenten gelegd voor den toren, waartoe vele stedelingen hun krachten inspanden. Onder het geschal van pauken en trompetten en onder het dragen van het vaandel van den heiligen Laurens werden zij tot den arbeid aangevuurd. De bouw van den toren werd herhaaldelijk afgebroken en weder voortgezet in de jaren 1543, 1613 en 1619. Doch reeds in 1645 bemerkte men, dat het houtwerk zijn kracht verloren had. Daarna werd de toren gedeeltelijk afgebroken en opnieuw opgebouwd. De nieuwe opbouw deed echter blijken, dat ook de fundamenten te zwak waren: de toren zakte scheef. Toen werd de belangrijke taak ondernomen van 1650–1651, om den toren nieuw te omheien; vervolgens werd hij 3½ voet van het noordwesten naar het zuidwesten overgewonden, zoodat hij weder in zijn goede houding kwam te staan. De St. Laurenskerk is het eenige overblijfsel, dat Rotterdam uit den Gothischen tijd behield. Met zijn zwaren, stompen toren (62 M. hoog) staat dit gebouw te midden van een moderne omgeving en naast den koud-realistischen, hangenden spoorweg, als gevoelt het er zich somber te moede. Daarom maakt de Kerk uitwendig dan ook niet meer den rechten indruk.
Binnen de kerk wordt de herinnering aan onderscheidene beroemde personen bewaard. In den kerktoren vindt men de graftombe van den Vice-Admiraal Witte Cornelisz. de Witt; de slag in de Sond, waarbij hij op 28 Nov. 1658 sneuvelde, wordt op de tombe in relief voorgesteld, waarboven de daden van den held, in zwart marmer gebeiteld, vermeld zijn. Het beeld van den Admiraal ligt in volle wapenrusting en krijgspraal neder, doch de twee vrouwenbeelden, Bellona en de Faam, met drie stuks wapenen boven op de lijst, de twee groote beelden van Mars en Neptunus onder het lijstwerk, tusschen een paar gevleugelde kolommen, het schild met zijn grafschrift, waarop zij rusten, vastgehouden door een tweetal geniën en steunende op een wereldkloot, de menigte van oorlogstuigen, scheepsgereedschappen en krijgsversierselen, dat alles geeft een overlading, die den algemeenen indruk schaadt. Dieper is dan ook de indruk der tombe van Egbert Meeuwsz. Kortenaer, die den 14en Juni 1665 in een zeeslag tegen de Engelschen sneuvelde.
De held der Maas, verminkt aan oog en rechterhand, En echter ’t oog van ’t Roer, de Vuist van ’t Vaderland, De groote Kortenaer, de schrik van ’s vijands vloten, De ontsluiter van de Sont, ligt in dit graf besloten,
aldus luidt het grafgedicht. Kortenaer wordt geharnast voorgesteld, het hoofd rustend op een stuk geschut, met den staf in de hand. De tombe heeft een frontespice van zwart marmer, gedragen door vier kolommen, in wier midden een enkel wapen.
Nog vinden wij hier de grafplaatsen van de zeehelden Lambert Hendriksz., bijgenaamd Mooie Lambert, Johan de Liefde, Johan Brakel, Aart en Johan van Nes.
Niet ver van de Groote Kerk, op de Groote Markt, verrijst het metalen standbeeld van “den grooten Rotterdammer”, Erasmus, die in 1466 te Rotterdam geboren was en in 1537 te Bazel overleed. Reeds in 1549, bij de inhaling van Filips II in Rotterdam als erfheer, was de gedachte opgekomen, om den beroemden zoon van deze stad door een standbeeld te huldigen. Men richtte bij die gelegenheid een houten beeld op, dat Erasmus in geestelijk gewaad voorstelde. In 1557 werd het houten beeld door een nieuw van arduinsteen vervangen, doch in 1572, toen de Spanjaarden plunderend en brandstichtend door Rotterdam trokken, werd het beeld van dien ketter en libertijn beschoten, vervolgens van zijn voetstuk gerukt en in het water geworpen.
Eerst in 1621 werd besloten, weder een nieuw beeld voor Erasmus te doen verrijzen, en zoo ontstond het tegenwoordige, het metalen beeld, een gewrocht van Hendrik de Keyser. Bijna drie eeuwen studeert de groote geleerde op het marktplein, starende op het geopende boek. Een der opschriften op het voetstuk luidt:
Hier rees de groote zon en ging te Bazel onder; De Rijksstad eer’ en vier’ dien Heilige in zijn graf; Dit tweede leven geeft, die ’t eerste leven gaf, Maar ’t licht der talen, ’t zout der zeden, ’t heerlijk wonder, Waar met de Liefde en Vrede en God-geleertheid praelt, Wordt met geen graf geëert, nog met geen beeld betaelt; Dies moet hier ’t luchtgewelf Erasmus overdekken, Nadien geen mindre plaats zijn tempel kon verstrekken.
Het beeld van Erasmus wordt door den volkshumor dikwijls de “oudste burger van Rotterdam” genoemd. Veel heeft die “oudste burger” onder zijn oogen zien gebeuren, en men heeft hem deel laten nemen aan de gebeurtenissen op een wijze, waaraan de levende Erasmus, weinig moedig als hij was, niet zou hebben gedacht. Nadat Napoleon I gedreigd had, dit standbeeld tot kanonspijs te bestemmen—wat gelukkig niet geschiedde—las men op een morgen dit opschrift op het beeld:
Ik sta hier nog, gelijk voor dezen, Aandachtig in mijn boek te lezen, Doch had mij eens Napoleon, Zooals hij heeft gedreigd, gegoten tot kanon, Dan had ik, hiertoe afgezonderd, Hem zeker van den troon gedonderd.
Bij de omwenteling van 1813 was Erasmus de eerste, die den 16en November de vereenigingsleus van Oranje droeg, terwijl deze woorden er aan waren toegevoegd:
“Durft niemand nog Oranje dragen, Ik durf mijn ouden kop wel wagen.”
Wij richten ons van deze herinnering aan de wetenschap naar de Beurs. Op korten afstand, door een zijstraatje, bereiken wij het flinke, ruime Beursplein, een der levendigste pleinen van de stad. Het Beursgebouw, zeer ruim en luchtig gebouwd, treft niet door schoonen stijl. Het geheel is een stijf gebouw; de oostelijke en westelijke gevels zijn geheel van Bentheimer steen, volgens Romeinsch-Dorische bouwkunde; langs de binnenwanden van het gebouw zijn vier colonnades van Romeinsch-Toscaansche orde, gedekt door kruisgewelven. Sedert 1829 laat een klokkenspel zich hooren uit den koepel der Beurs.
De eerste Beurs te Rotterdam werd gebouwd in 1597 aan den hoek van de Spaansche Kade en het Haringvliet, N. Z., op de plaats, waar tot 1886 het Admiraliteitsgebouw van de Maas, later Zeekantoor, stond. Nog geen halve eeuw na het stichten van een Beurs had er een gebeurtenis plaats, die een ruimer gebouw voor den handel noodzakelijk maakte. In het laatst der 16e eeuw was het vervaardigen van lakens in Engeland zoo aanzienlijk toegenomen, dat die, in plaats van uit Holland betrokken te worden, gelijk vroeger, in groote hoeveelheid van Engeland naar Duitschland werden uitgevoerd. Dit geschiedde door een maatschappij, bekend als “Marchands avonturiers”.
Tengevolge van een geschil tusschen Keizer Rudolph II en koningin Elizabeth moesten de handelaars Duitschland ontruimen, waarna zij zich te Middelburg en Rotterdam vestigden. Het bestuur van Rotterdam bood zulke aannemelijke voorwaarden aan, dat het ook de lakenhandelaars uit Delft naar eerstgenoemde stad lokte. Den 5en Februari werd een concordaat gesloten met de Societeit der “Marchands avonturiers” van Engeland, ook bekend als “Engelsche Court”, waarbij zij het nog overgebleven gedeelte van het slot Bulgerstein verkregen met eenige daarnaast gelegen erven aan de Korte Hoogstraat tot verblijf en bergplaats hunner wapens, de Waalsche kerk tot uitoefening hunner religie, en een ruimer beursgebouw “tot gerief van dezelve natie en andere negotianten”. De toenmalige Zeevischmarkt werd daarvoor aangewezen.
De bakker-dichter J. Oudaen bezong die gebeurtenis in de volgende regelen:
O, zegenrijke zee! met volheid brengt gij voort, Voor wie dies zegening het waken aan zijn netten Niet toeschrijft! maar die stil, met z’ overboord te zetten, Zeid in vertrouwen: Heer! Wij werpen ze op U woord! Dit maakt een volle beurs. Dies werd dees’ plaats, voor desen Den visscher eigen, nu den koopman toegewezen.
Tengevolge van het verbod van invoer der Engelsche lakens in 1635 verdween de Eng. Court weer uit Rotterdam en uit geheel Holland, waarna de Beurs voldoende schijnt geweest te zijn tot het begin der 18e eeuw, toen de beruchte actie-handel weer een ruimer lokaal noodig maakte voor handelaars, die zich meermalen tot 10 uur ’s avonds en later op de Beurs bevonden en elkaar verdrongen.
In Jan. 1721 werd besloten een nieuwe Beurs te doen verrijzen. Men wilde die maken “tot een ordentelijk cieraad en bequaam gebruijck ten dienste van de commercie en volgens de kunst van de architecture zal bevonden worden te behore”.
Het plan werd opgemaakt door den Rotterdamschen schilder A. v. der Werf. Eerst in 1736 werd het gebouw voltooid, een feit, dat door een fraaien gedenkpenning vereeuwigd is. Die gedenkpenning heeft het volgende opschrift: “Divitias huc terra suas huc transtulit unda ad permutandas urbis et orbis opes, d. i.: Land en water brachten hun schatten herwaarts, om de rijkdommen van de stad en die van de wereld te verhandelen”.
De hoofdvorm der Beurs is een rechthoek; de bebouwde oppervlakte bedraagt 2340 M2. De oostelijke gevel is de voornaamste. Aanvankelijk stond op het midden een bevallig torentje, dat in 1829 vervangen is door een koepel, zooals wij dien heden nog kunnen zien. De vernieuwing is geschied naar aanleiding van het besluit, om het carillon van den afgebroken Raadhuistoren op de Beurs te plaatsen. De luidklok voor de beursbezoekers, die van 1596 dagteekent, heeft reeds dienst gedaan op de eerste Beurs en roept dus meer dan drie eeuwen de koopmanschap samen, om zaken te doen. Of het opschrift der klok “Soli Deo gloria”, dat de gieter er op plaatste, ook het wachtwoord is voor de beursbezoekers, durven wij niet verzekeren.
Van de bovenlokalen der Beurs zijn in 1769 twee, in 1790 nog meer vertrekken aan het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte ten gebruike gegeven. Terwijl Mercurius beneden zijn schepter zwaait, is in de bovengedeelten aan Minerva de heerschersstaf geschonken.
In 1852 werd vóór de Beurs het beeld van Mercurius door Stracké geplaatst, in Rochefort-steen gebeiteld. Eerst in 1867 is de Beurs met een ijzeren bekapping overdekt.
Het Beursplein en de aangrenzende gebouwen vormen een eigenaardig middelpunt van Rotterdamsch leven. Realistisch schetst Herman Robbers dit gedeelte der oude stad en het beursleven met schelle kleuren op zijn palet.
“Daar, waar de enorme blinde-muur van ’t grauwe, zwaar-massieve Beursgebouw schaduwt over ’t ruime, kleurig-lichte plein, het woelige, geluidenvolle centrum van het tramverkeer; tusschen het Spoorstation, wanbouw van steen en roestig ijzer, der eeuwenoude havenstad brutale hoon—een duffe stank van stof en rook walmt altijd van onder de kap en van uit de donkere, vervuilde ingangen; schok-rommelend stuwen de zwarte treinen naar rechts en links over het lage, gedrukte, roet-besmeerde viaduct, dat in z’n holige duisterheden vunze plassen en vuilnis verbergt—tusschen die vormlooze, troostlooze leelijkheid en ’t groot-vierkant van ’t Postkantoor, officieel kantorig, banaal net van bouw, waar de deuren voor ’t ingaand en uitgaand publiek al maar kreunende openzwiepen, dichtzuigen en weer opengestooten worden.... daar is het stadshart, het kloppende, roepende hart van ’t rustloos Rotterdam. Want in een sjofele buurt tusschen de suffende huizen van een verlaten en treurig misvormd plein, sombert de Groote Kerk; het Museum staat verscholen in de duisterende herrie van een nauwe straat vol pakhuizen en zeemanskroegen; stil vegeteert de Schouwburg in een nieuwerige wijk van burgermanswoningen en huishoudelijke winkeltjes.... Maar de zware adem van ’t Beursgebouw gaat over ’t breede, vierkante plein, waar de trammen bellen, de rijtuigen ratelen, de haastende menschen gaan; het staat in de fleurige buurt der dure winkelstraten, de Blaak afsluitend, waar ’t ’s middags parade is van uitgedoste koopmansvrouwen, leegloopers en gymnasiumheertjes. Het is omringd van restauraties en societeiten”.
“Iederen middag, als de zware Beursdeuren geopend worden en het klokkenspel hoog in ’t koepeltorentje waarschuwend klingeltingelt in de drukke, oude stad—in de kantoren, de bier-, sigaren- en koffiehuizen—dan komen de haastende handelsmenschen toeschieten van links en rechts en hoopen zich op in donkere, rumoerige groepen. De trammen bellen, de treinen bomberen aan, ’t gedaver van een stoet logzware sleperskarren overstemt een tijdlang elk ander geluid. En de groepen zwellen, van alle kanten komen de zwarte, bruin en grijze heerenmenschen; zij staan te praten, lachen en rooken, en trekken bij klompen het donkere Beursgebouw in. Van den Maaskant komen de meesten, van de oude “Boompjes” en het nieuwe Feijenoord, van de havens en de kaden, maar ook van de mindere kantoren, die op bovenverdiepingen zijn in zware, lugubre straten. Uit de koffiehuizen vlak bij en uit de verste hoeken der naar alle windstreken om zich heengrijpende zakenstad; de handelaars en de makelaars, de cargadoors en expediteurs, de reeders, de bankiers, de handelsagenten, de commissionnairs, allen komen ze op de Beurs, want daar is hun leven, hun geluk; want daar is hun slag te slaan. Daar is het leven, het handelsleven, de culminatie van zaken doen; koning kapitaal houdt daar zijn hof, verdeelt daar zijn gunsten.... ze verdienen er hun brood en hun sigaren, hun biertjes en dineetjes, hun vrouwen en kinderen, ál hun rijkdom, ál hun pleizier. Ze brengen er het belangrijkste, het meest intense van hun bestaan. Sommigen moeten erg veel moeite doen, moeten vragen, aandringen, lastig zijn, flikflooien, grijnslachen, schreeuwen, druk doen, zich opwinden, maar anderen staan er, zonder gebaar, met een enkel woord uit hun mompelende monden vermogend te worden. Velen spelen er met helsche vreugd, anderen lijden inwendig en geheim, doen wanhoopscoupen met droge oogen en trekkende monden. De Beurs is een somber hol, waar mannen leven, verteerd van onedele passie; een moderne, onbloedige arena, zonder toeschouwers: stads-academie van slimmigheid en “handelsgeest”, duivelstempel der sjaggeraars... Het hart van de zwoegende handelsstad bonst er met zware slagen”.
Op korten afstand bereiken wij de Noord-Blaak, de breede algemeene promenadeplaats, de ziel van de Maasstad, langs de vierkante havenkom gelegen, welke Blaak heet, die vóór 1580 nog deel van de stadsgracht uitmaakte, doch omstreeks dien tijd bij uitlegging naar de Maaszijde in de stad kwam en in een havenkom werd veranderd. Door de ruimte, het licht en het water aan de eene zijde maakt de Blaak een geheel anderen indruk dan de Kalverstraat te Amsterdam, waarmede ze in beteekenis eenigszins is te vergelijken. “Daar heerscht drukte maar geen handelsdrukte; daar heerscht vroolijkheid maar geen volksgejoel; daar heerscht deftigheid, maar met mate; in één woord: de Blaak is voor de Rotterdammers een ideaalbuurt, een wijk om jaloersch op te zijn.” Het is, of een blijmoedige glimlach het gelaat plooit van ieder, die de Blaak overgaat. Ieder neemt zich in acht om op de Blaak, vooral des middags, met zorg te verschijnen, want daar ontmoet men allicht kennissen der schoone sekse, die een inspecteerenden blik slaan op hen, die ze ontmoeten.
Over de Blaak gaande, zien wij spoedig de zeevischmarkt, een ruim en luchtig gebouw, voor het doel met vele gemakken ingericht, en gedurende den morgen tijdens den afslag de plaats, om een eigenaardige taal te bestudeeren, die van het vischvrouwen-Rotterdamsch, welke soms krachtig en origineel is. Een kijkje op de vischmarkt is zeker aan te bevelen.
Achter de vischmarkt strekt zich de breede, drukke Leuvehaven uit, omringd door pakhuizen en magazijnen voor scheepsbenoodigdheden. De Leuvehaven en ook de andere binnenhavens van Rotterdam, die den handel en de scheepvaart door de geheele stad verspreiden, geheel anders dan te Amsterdam, waar op de grachten weinig scheepvaart gevonden wordt, zij bieden tal van typische plekjes aan. De havens en kaden als van het Haringvliet, de Oude- en Nieuwe havens, de Leuvehaven, de Wijnhaven, de Kolkkade, zij leeren ons het echte Rotterdamsche stadsleven kennen voor de mannen van zaken, en openen bij de drukke bedrijvigheid talrijke schilderachtige uitzichten.
Verder onzen weg vervolgend, zien wij spoedig een vierkant gebouw verrijzen op den hoek van den Schiedamschen dijk.
Dit is het Museum Boymans.
Al heeft Rotterdam geen groote musea of verzamelingen, toch mag men enkele kleinere bij een wandeling door de stad niet vergeten. Het Boymans-Museum is bijeengebracht door Mr. Frans Jacob Otto Boymans, die zijn verzameling aan de stad legateerde, welke er in 1847 eigenares van werd. Doch helaas! in 1864 werd het Museum door een zwaren brand geteisterd, waardoor niet minder dan 300 schilderijen verloren gingen. 163 schilderijen werden gered, en deze vormden den grondslag voor de verzameling van het nieuwe Museum, dat in 1864–1867 gebouwd is. Men vindt hier stukken van Rembrandt, Frans Hals, Albert Cuyp, Hobbema, enz. en van onderscheidene moderne meesters.
Achter het Museum verrijst het standbeeld, ter eere van den staatsman Gijsbert Karel v. Hoogendorp, den krachtigen strijder voor den vrijhandel, dien belangrijken factor van Rotterdams ontwikkeling, op het Hogendorpsplein opgericht.

Hoofdingang van de nieuwe Remonstrantsche Kerk, Wester Singel.
Thans wenden wij ons naar de Remonstrantsche kerk, aan den Wester Singel, in 1898 geopend, om een blik te slaan op een merkwaardig bouwwerk van architectonische beteekenis uit den laatsten tijd. Deze kerk is een geheel, dat door lijnen, vormen en afmeting spreekt van kracht, eenvoud, verheven ernst en waarheid. Die beginselen zijn tevens vertolkt in het inwendige, in de binnenruimte met haar afwisselende hoogte, door de plaatsing en afmetingen der sprekende onderdeelen: ramen en deuren en het inwendige organisme van den bouw.
De muren vertoonen een vlakke, massale behandeling, zonder noodelooze onderbreking of voorsprongen. Slechts op enkele punten, in de assen van voor- en zijgevel, zijn hoofdmotieven gevormd tot juist overzicht van het geheel en tot bepaling van de aandacht. Hierin is uitgesproken, door krachtige architectuurlijnen, samenwerkend met plastiek en mozaïek, wat het Remonstrantisme den voorbijgangers te zeggen heeft.
Het centrum van den voorgevel wordt ingenomen door een gekoppelde dubbeltravée, in goudmozaïek het symbool van den godsdienst verzinnelijkend. Het is een gevleugelde figuur, hoog houdende het Evangelie met de alpha en de omega, en waarboven de ster als lichtpunt is aangebracht. Cirkelvormig omlijst zijn de tympanvelden, ter weerszijden ingenomen door stijgende, witte leliën als symbool van reinheid. Zij worden onderbroken door horizontale banden, waarop in gulden letters links glanzende woorden: “Geloof, als bron van elk godsdienstig leven”; rechts: “Onderzoek, als bron van godsdienstige ontwikkeling”. Het geheel, in witte tonen, door matgoud verlevendigd en op teerblauwen achtergrond, is gedragen door een kapiteel, het symbool van eenheid voorgesteld door twee adelaars, hun voedsel nemende uit één nap.
De grondslagen van het Remonstrantisme: vrijheid en verdraagzaamheid, zijn verzinnelijkt door overlevensgroote figuren, die de hoofdpoort bewaken. Op den randboog staat in sierschrift de Remonstrantsche spreuk: “Eenheid in ’t noodige, Vrijheid in ’t onzekere, in alles de Liefde”.
Terwijl de voorgevel een verzinnelijking is van het Remonstrantisme, herdenkt de zijgevel de groote dragers er van.
—Van de belangrijke instellingen te Rotterdam noemen wij nog de Diergaarde met een belangrijke plantenverzameling, het Museum voor Land- en Volkenkunde met het Maritiem Museum “Prins Hendrik”, in het Jachtclubgebouw vereenigd, dat een belangrijke ethnographische verzameling bezit. Het nieuwe Archiefgebouw is prachtig en soliede naar de eischen des tijds ingericht.
De tien vroegere poorten van Rotterdam, waarvan er zes aan de landzijde en vier aan den kant der Maas stonden, zijn op één na alle verdwenen. Alleen de grijze Delftsche poort, een fraai, zwaar gebouw, is gespaard geworden voor des mokers woede en staat aan het eind van het Haagsche Veer nog daar, alsof zij zich verveelt, sedert de muren en grachten verdwenen zijn. Toch mogen wij er ons over verheugen, dat dit bouwstuk bewaard gebleven is.

Delftsche Poort.
De Delftsche poort is een statig gebouw, geheel van arduinsteen opgetrokken, dat tegenwoordig aan de tallooze voorbijgangers een nauwen toegangsweg verschaft van het buiten de singels gelegen stadsgedeelte naar de binnenstad. Zij dagteekent eerst van 1772, en heeft op zijn minst twee voorgangsters gehad. In de 15e eeuw stond daar reeds een poort, die omstreeks het midden der 16e eeuw vervangen werd door een nieuwe, een karakteristiek gebouw, van baksteen opgetrokken en afgewisseld door zandsteen, met ronde hoektorens, in scherpe spitsen en achtkanten bovenbouw eindigend, met een vooruitspringende voorpoort. De laatste werd in 1663 afgebroken; daarvoor in de plaats kwam de ophaalbrug. Doch de poort zelf verviel ook meer en meer, zoodat men ten laatste tot afbraak besloot. In 1768 werd de tegenwoordige Delftsche poort aanbesteed volgens het ontwerp van De Swart. Zij was in 1772 voltooid. Het onderste gedeelte der poort behoort tot de Romeinsch-Dorische, het bovenste tot de Romeinsch-Jonische bouworde; het geheel wordt door een fronton gedekt. Op de hoofdlijst ziet men een kolossale groep van vier beelden, voorstellende de stedemaagd, zittende met een pijlbundel in de linkerhand, rechts achter haar Mercurius, terwijl aan den voet van den zetel de Rotte- of Schienimf, over een urn heen liggend, haar wateren aan een naast haar gezeten Maasgod toevoert.
Aan de Schiezijde van de poort vindt men het stadswapen, geflankeerd door twee leeuwen, terwijl op het slotstuk boven den doorgang een Herculeshoofd prijkt.
Een geheel modern gebouw vormt het hooge Witte Huis (aan de Oude haven,) steil, glad oprijzend met zijn witte muren, als doet het denken aan ijzerconstructie. Een menigte kantoren zijn daarin gevestigd. De top van dit huis biedt een schoon uitzicht aan over de stad en bovenal over de rivier in de nabijheid.

Witte Huis te Rotterdam.
Thans wenden wij ons naar de Maaszijde, naar den
“Zilvren stroom, wiens golfgewiegel Voortrolt van ’t Ardensche woud Tot aan ’t bruisend Noorderzout; Oogbekoorbre waterspiegel, In wiens helder vloedkristal Vesten, breed van schans en wal, Steden, rijk aan kooptrezoren, Blij heur beeltenis zien gloren. Trotsche Maas, wier kabb’lend nat Ook mijn dierbre vaderstad, Uit uw volle kruik komt laven, En haar strekken doet ten haven Voor kasteelen, rijk aan pracht En met keur van schat bevracht Van de rijke morgenlanden, Van de kille nachtschâuwstranden”.
zooals Van der Hoop zegt van de Maas, die hij liefhad, zooals elke Rotterdammer. En terecht! De grootheid en schoonheid van Rotterdam moeten beide aan de rivier gezocht worden. Aangrijpend is de Maas, gezien van de hooge brug, naar het westen, waar zij den oceaan tegemoet snelt, in breede bochten de stad doorsnijdend, die zich thans aan haar beide oevers gelegerd heeft, als trillend en zuchtend onder den last der honderden schepen van allerlei grootte en vormen en van allerlei natiën, die de bedrijvige stad haar op de schouders voert.
En des avonds, als de schaduwen van den nacht zich over de stad uitspreiden, als karren en kranen en fluiten een oogenblik rusten, dan schijnt het een tooverwereld, die ordeloos verspreide menigte van lichten, rustend of als kometen zwevend over het donkere diep, dat zich daar als een sterrenhemel uitstrekt onder onze voeten.
Nog anders is het, wanneer de maan aan den helderen hemel de rivier doet verbleeken tot een matten zilverstroom, golvend en vloeiend, in zachte rimpelingen stoeiend met de bootjes op zijn oppervlakte. Welke Europeesche havenstad heeft zulke riviergezichten!
Aan de Maas heeft Rotterdam zijn beroemde “Boompjes”.

Gezicht op de rivier de Maas te Rotterdam.
“De Boompjes! Wie zal ze beschrijven, die eigenaardige handelskade, met flinke boomen bezet, de glorie der stad, waarheen elke Rotterdammer, zoo hij tijd heeft, den buitensteedschen vriend voert, om hem met trots het ongemeen schouwspel te toonen. Wie, die ooit van Rotterdam vernomen heeft, is onbekend met den roemruchten naam van de “Boompies”. De kade der Boompjes is de aanrakingslijn voor stad en stroom; hier is het tooneel hunner innige verbintenis; hier vlijt zich de rivier met hooger wellust langs de gespierde lendenen van haren krachtigen minnaar.”
En dan het uitzicht van de Boompjes!
“Op het water ligt een onnoemelijk aantal schepen ten anker. Flinke stoomschepen, voortdurend aan den kant, sissend, lossend en ladend. Groepen van schepen, meestal een groote driemaster met veelgerookte stoompijp aan het hoofd, in het midden der rivier; daaromheen andere, kleine stoomers of lange, platte, breede aken en Rijnschepen, op slakken gelijkend, als eilanden onbeweeglijk, muurvast in het stroomende water. Groote, ronde boeien, hier en daar als priktollen drijvend, met een kolossalen ijzeren ring, om ze te hanteeren, deinen, zonder van plaats te veranderen, op den golvenden stroom. Als had een kwistige hand ze los er overheen gestrooid, dringen, schuiven, snijden overal kleine sleepbootjes met korte, zenuwachtige machinestooten, tusschen de hooge, rustige stoomers of voor anker liggende groepen door, breede voren in het water ploegend, den kop hooger dan het achtereind. Platte, snorrende watertorren gelijken zij, nu rechts, dan links schietend in toomelooze vaart, soms gekalmeerd in hun ren door de stevige trossen, waarmede zij nu, vastgemeerd, een grooten, hulpeloozen, onhandigen broeder moeten voortsleepen, maar altoos nerveus jagend, tartend den spitsen kop uit de schuimende baren omhoog stekend. Het rustig schouwspel, dat een breede, uitgestrekte watervlakte biedt, is in vreemde tegenspraak met de voortdurende rusteloosheid van dit tooneel. Overal ziet men beweging: duwen, trekken, schuiven, snellen; overal hoort men dat brommende, gonzende, onbestemde, benauwende geluid.”

De Boompjeskade bij den ingang van de Leuvehaven.
Met deze woorden schetst Plemp van Duiveland de indrukken, door de Rotterdamsche Boompjes teweeggebracht.
Hij, die Rotterdam in zijn ware kracht kennen wil, moet over de Maas nog de havens en kaden bezoeken op Feijenoord, omzoomd met de pakhuizen der onderscheidene veemen en handelsondernemingen, waar de schepen van alle natiën lossen en laden, hetzij door de hulpmiddelen der nieuwere techniek of nog enkel door menschenkracht. Daar hijschen de stoomkranen duizenden kilo’s zware lasten naar boven, als waren het noten; ginds werken de elevatoren, om het graan uit de schepen, bijna zonder menschenhulp, in de pakhuizen te brengen: elders weer ziet men andere hulpmiddelen. Maar dat, ondanks de hulp der machines, toch nog talloos veel arbeiders hier werkzaam zijn, blijkt het best, als de brug over een der havens een oogenblik openstaat en er zich onmiddellijk een menschenmenigte ophoopt, niet van wandelaars, maar alleen arbeiders, die een oogenblik tot rusten genoopt worden. Wij zien daar de Binnenhaven, de Spoorweghaven, de breede Rijnhaven en de nog grootere nieuwe Maashaven, welke laatste het oude dorp Katendrecht geheel heeft opgeslokt.
Tal van bootjes bieden gelegenheid aan, om elk oogenblik van hier de Maas weder over te steken naar de oude stad. Een dergelijk riviertochtje blijft op een schoonen zomerdag steeds aangenaam, en in gedachten maken wij het mede, om af te stappen op een der kaden in het westen der stad en een bezoek te brengen aan het Park.
Aan den kant van Delfshaven heeft Rotterdam voor natuurschoon gezorgd en het Park aangelegd, dat wel niet groot is, maar door zijn ligging aan de rivier en door het schoone plantsoen met zijn waterpartijen toch een liefelijk plekje vormt. In het Park heeft Rotterdam ook zijn dichter Tollens geëerd door een marmeren standbeeld van Stracké, dat tusschen statige boomen op een schoon plekje geplaatst is. Blootshoofds, in eenvoudige kleeding, de linkerhand rustend op een boomstam en in de rechterhand de schrijfpen, staat de beeltenis van den dichter daar; de naam Tollens op het voetstuk spreekt voldoende tot de oudere Nederlanders, om hen hier eenige oogenblikken tot stilstaan te nopen. Want al wordt Tollens’ poëzie door het tegenwoordige geslacht niet hoog meer geroemd, in zijn tijd was hij de volksdichter bij uitnemendheid.
Het Park is door villa’s omringd. Aan den westkant heeft Rotterdam rondom en voorbij het Park zijn huizenmassa’s reeds voortgeschoven tot dichtbij Delfshaven. Vóór een kwart eeuw zag men Delfshaven nog op een afstand van Rotterdam, maar beide steden reiken thans elkander de hand en zijn ook burgerlijk één geworden. Veel bezienswaardigheden heeft Delfshaven niet, maar toch moeten wij dit plaatsje even bezoeken, om een herinnering te doen herleven, want
“Waar Delfshavens kerk en toren Zich heffen boven dijk en dam, Werd de onverschrokken held geboren, Die Spanje’s zilvren schepen nam. ’t Had reeds uw zonen leeren kennen, Toen ’t aan uw mond (de Maas) des Prinsen vlag Na kort beraad en stout berennen Van Brielle’s toren waaien zag”.
Des Amorie van der Hoeven.
In een kleine woning aan een smal straatje van Delfshaven zag Piet Hein hier in 1578 het levenslicht. Een steen in den voorgevel van het eenvoudig huisje, waarin thans een tapperij gedreven wordt, wijst het geboortehuis aan. Het eenige kleine parkje der plaats is naar den zeeheld “Piet Heinspark” genoemd; men heeft dáár ook een standbeeld te zijner eer doen verrijzen.

Zeven molens bij Rotterdam.
Delfshaven geeft in zijn aanleg geheel het beeld van een nederzetting, ontstaan aan een haven, die in een rivier mondt. Langs den mond der Delftsche Schie en om de haven heeft de bevolking zich gegroepeerd, en de meestal burgerlijke huizen der plaats wijzen aan, dat het mannen van zaken waren, die zich hier vestigden.
Wenden wij ons thans naar de andere zijden der stad.
Aan de landzijde is Rotterdam geheel door polderland ingesloten, met hoog loopende boezemwateren, die door hun molens op enkele punten schilderachtige gezichten aanbieden. Ten oosten van de Rotte vindt men hier een hoogen bergboezem, waarop zeven molens het water afmalen.
Ten noorden en oosten van de stad lag vroeger het Ambacht van Kralingen, waar twee adellijke huizen of sloten gevonden werden: het Huis te Krooswijk aan de Rotte en het Huis te Kralingen, later “slot Honingen” genoemd. Het eerste, dat uit den Romeinschen tijd zou dagteekenen, was al voor lang verdwenen; het laatste, in de vroege middeleeuwen gesticht, heeft langer bestaan; in 1672 evenwel werden de laatste bouwvallen daarvan afgebroken. Het terrein van dit slot vormt het tegenwoordige “Park Honingen”, een vriendelijk villapark.
Langs den rivierdijk, hoofdzakelijk tusschen dezen en den Oudendijk, ligt thans Kralingen, dat bij Rotterdam is getrokken en waar meer en meer de stedelingen zich een woning bouwen. Zelfs denkt men er aan, om rondom den Kralingschen plas een breede allee met boomen aan te leggen en alsdan het villapark uit te breiden.
II. Schiedam.
Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog; alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.
De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee op de weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden, die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk, groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen, worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervult.

Langehaven te Schiedam.
Schiedam kenmerkt zich in zijn bouw door een zekere mate van pooverheid, die vooral uitkomt, als men bedenkt, dat deze stad ruim 25000 inwoners telt. Een vergelijking van den stadsbouw met steden van ongeveer dezelfde grootte als Deventer, Zutfen, Zwolle, Delft, Gouda, Middelburg enz. valt beslist ten nadeele van Schiedam uit.
De branderijen ziet men dikwijls de rij van flinke, nette woonhuizen afbreken op een wijze, die het oog onaangenaam aandoet. Dit sluit evenwel niet uit, dat ook Schiedam eigenaardige en bezienswaardige stadsgedeelten bezit, al zal men de plaats juist niet om haar stedelijk schoon bezoeken. De havens in de stad, de centrale lijnen, waaraan zich de bedrijvigheid concentreert, zijn karakteristiek met hun pakhuizen en fabrieken en bieden zoo hier en daar ook schilderachtige gezichten aan en enkele merkwaardige gebouwen.
De Beurs is een flink gebouw tegenover de sluizen, die een verbinding vormen van het water der Schie met dat van de Maas. Daar heeft de jeneverhandel plaats; elken middag wordt de Beurs bezocht door hen, die bij den jeneverhandel geïnteresseerd zijn. De prijzen van moutwijn, jenever en gist worden hier gesteld voor geheel Nederland. En al is het bedrijf iets achteruitgegaan, al verminderde het aantal branderijen van 388, die er nog in 1882 gevonden werden, tot 180, toch is de productie niet in dezelfde mate geslonken. Zij berust tegenwoordig op gezonder grondslag; er wordt door de thans bestaande branderijen meer geproduceerd dan vroeger.
Een typisch, ouderwetsch geveltje vertoont het Zakkendragershuisje met zijn torentje, dat zoo aardig tegenover het water uitkomt, doch, helaas! uiterst vervallen is. Men kan in het oude Schiedam nog op meer typische gebouwtjes of geveltjes wijzen.
Het marktplein der stad is klein. Hier ziet men het stadhuis met dubbel bordes en een gevel van het Vlaamsche cartouche-type, waarop een beeld der gerechtigheid verrijst, terwijl een hoog torentje op het dak uitkomt.

Katholieke kerk te Schiedam.
Een flink gebouw is de Groote kerk, vroeger aan St. Jan gewijd, thans in ’t bezit der Hervormden; de eerste grondslagen hiertoe zijn waarschijnlijk gelegd in 1335, terwijl zij pas in 1425 werd ingewijd. Het is een gebouw in laat-Gothischen stijl. Ten westen is de zware toren tegen de kerk aangebouwd, tot een hoogte van 54 Meter verrijzende.
Aan een der pilaren op toetssteen, omringd door een wit marmeren portiek in Jonischen stijl, vindt men een grafschrift ter eere van Cornelis Haga, die in 1578 te Schiedam werd geboren en zich gedurende 28 jaren als gezant te Constantinopel en later als voorzitter in de hoogste Raadzaal des lands verdienstelijk maakte voor den lande. Schiedam heeft de nagedachtenis van Haga ook door een straatnaam bewaard.
Verder rekenen wij tot de merkwaardige gebouwen de Roomsch-Katholieke kerk, in 1878 gebouwd, waarin nog een reliquie wordt bewaard van de Heilige Liduina, door wier wonderbaarlijk leven en werken Schiedam reeds in de middeleeuwen beroemd was. De kerk is een gebouw in den vorm van een Latijnsch kruis, bestaande uit een hoog opgaanden middenbeuk, die eindigt in een veelhoekige abside en twee daaraan sluitende dwarsarmen van gelijke hoogte, de zoogenaamde transepten. Tegen dezen bovenbouw sluiten zich, aan weerszijden der dwarsarmen, de lager gelegen zijbeuken aan, terwijl bovendien aan de achter- of koorzijde deze beuk zich verdubbelt en het gebouw op deze plaats een doorgaande breedte doet verkrijgen van 5 beuken, alle gesloten door het priesterkoor met de veelhoekige en vlakke altaarkapellen. De toren staat tegenover de as van den langen beuk en vormt het hoofdportaal der kerk. De gewelven zijn alle kruisgewelven, gemetseld van gelen IJselsteen, de ribben in Sibbersteen uit de groeven bij Maastricht.

Oudevest-singel te Schiedam.
Wil men een indruk ontvangen van Schiedam, zooals het voor een paar eeuwen was, dan moet men zich naar de begraafplaats wenden. Slanke molens draaien hier nog lustig hoog in de lucht op de plaats der vroegere vestingwerken. Zij sluiten zich aan bij een reeks, die een cordon vormt om de geheele stad, doch waarvan enkele reeds zijn gevallen in den strijd om het bestaan met de smakelooze, maar economisch voordeeliger stoommolens.
Ook vindt men in Schiedam nog wel vriendelijke, goed aangelegde stadsgedeelten. Hiertoe behoort o. a. de Plantage, een lustoord voor Schiedam, een oase van groen in den heerschenden toon van gele en zwartachtige kleuren. Het is een smal park, dat zich uitbreidt tusschen twee straten, bebouwd met ten deele zeer flinke woningen, die een practisch karakter dragen, doch daarnaast ook met produkten van wansmaak. In het midden der Plantage ziet men de in 1898 gestichte fontein, ter eere van Koningin Wilhelmina’s inhuldiging, een monumentaal stuk, op een rotswerk in een vijvertje geplaatst.
De voornaamste winkelstraat der stad is de Hoogstraat, evenals die van Rotterdam gebouwd langs den grooten rivierdijk, waarin ook de dam van de Schie werd gelegd, de eerste oorsprong der stad; wat ten zuiden van dien dijk ligt, is grootendeels aangewonnen land. De Hoofdstraat leidt door nieuwe gedeelten naar de rivier de Maas. Daar opent zich een landschap voor ons oog, dat door zijn breede, rustelooze rivier, met houtrijke gorzen omkranst, door zijn heerlijke Hollandsche weiden aan den overkant, door het vergezicht op Rotterdam ter linker- en op de zich in de richting van Vlaardingen verliezende rivier ter rechterzijde, een diepen indruk maakt. Dicht bij den havenmond verrijzen de hooge schoorsteenen der kaarsenfabriek “Apollo” en is er nog een terrein open voor nieuw te bouwen fabrieken.
Als brandersstad ziet men in Schiedam eigenaardige typen onder de bevolking en langs de straten, die men elders niet aantreft. De spoelingspompen en spoelingwagens, druipende van de glibberige, bruine spoeling, karakteriseeren enkele grachten in ’t bijzonder. De brandersknecht met zijn mutsje, boezeroen of stijven baaien borstrok, zeildoeken schootsvel, in onderbroek, op klompen of leeren pantoffels, is een eigenaardige verschijning. Verder zijn opmerkelijk de “gistkladders”, die de gist verpakken voor de verzending, de zakkendragers, de graanmeters, en de “stukkenrollers”, die de reusachtige vaten (stukken) soms bij heele troepen door de straten voortrollen.
Schiedam heeft zijn opkomst te danken aan het huis te Rivier, bij de uitwatering van de Schie in de Maas. Op dit huis hield Aleydis, de zuster van den Roomsch-Koning Willem II, dikwijls verblijf. Nabij het kasteel vond men den dam in de Schie, en op deze plaats ontstond een buurt, die in 1264 reeds genoemd werd. Het huis “te Rivier”, d. i. aan de rivier, later het “Huis van Mathenesse” genoemd, heeft gestaan op de terreinen, waar tegenwoordig de H. B. S. gevonden wordt; omstreeks het eerste vierde deel der 16e eeuw was het kasteel reeds tot een ruïne geworden, die in 1688 met verschillende landerijen door de stad werd gekocht. Nog altijd vindt men in den tuin der H. B. S. enkele overblijfselen van het oude gebouw, bestaande in een zwaar muurwerk van dikke steenen, met klimop begroeid, op welks afgebrokkelden bovenkant eenige lage boompjes welig opschieten. Langzaam breidde het dorp om het kasteel zich uit, doch dewijl de Maas aan den oever land deed aanwassen, kwam het verder van de rivier te liggen. De monding van de Schie werd door die aanwassen verlengd, en de stad breidde zich eveneens uit naar de rivier toe, hoewel zij deze niet volgde. Bovenal schijnt er reeds vroeg van hier een aanzienlijke handel op Zeeland te hebben bestaan; misschien werd die onder Floris den Voogd sterk begunstigd. De aanraking met Zeeland moet de overeenkomst van den Schiedamschen tongval met den Zeeuwschen volgens sommigen verklaren.
Aldus oplevende door den handel, werd in 1310 aan de plaats vrijheid verleend, om niet alleen op Vrijdag, maar ook op elken Maandag markt te houden. Handel en visscherij waren verder de belangrijkste bronnen van welvaart in den eersten tijd, totdat Rotterdam een gevaarlijke mededinger werd aan de Maas. Dordrecht echter overtrof beide steden in dien tijd.
De handel in granen en de vischvangst bleven lang voor Schiedam de hoofdzaak, hoewel in de 16e eeuw ook onderscheidene fabrieken in deze stad waren verrezen. In het eind der 16e eeuw werden hier ter stede korenwijnstokerijen opgericht, mede een gevolg van den graanhandel, en weldra namen deze zoozeer de eerste plaats in, dat zij andere fabrieken verdrongen. Wel schommelend, nam toch het aantal stokerijen in de 18e eeuw toe, tot in 1798 niet minder dan 260 branderijen in Schiedam werden gevonden, het grootste aantal, dat in die eeuw bereikt werd. Het aantal der tegenwoordig nog werkzame branderijen noemden wij reeds op pag. 96.
De zeevisscherij, die moeielijke tijden heeft gehad, vertoont ook in Schiedam gedurende de laatste jaren weer nieuwe levensvatbaarheid. In 1900 werd dit bedrijf uitgeoefend door 24 loggers en 17 bommen.
III. Vlaardingen.
Vlaardingen is de derde Maasstad, in historisch opzicht zeker de eerste. Het oude Vlaardingen evenwel, dat als “Flardinghe” in de 10e eeuw genoemd wordt, schijnt te niet gegaan te zijn door de rivier, die hier den oever aantastte, zoodat dieper landwaarts de tegenwoordige stad is ontstaan, met ruim 18000 inwoners.
Vlaardingen biedt als stad weinig merkwaardigs aan. Hoofdzakelijk is Vlaardingen gebouwd langs de haven, die rechthoekig op de richting der Maas in het land dringt. De haven is het glanspunt van Vlaardingen; daar ziet men het karakter der stad, nl. de visscherijstad. Langs de haven vindt men de pakhuizen, de scheepswerven, de kuiperijen: al deze houden het oog gericht op de visscherij, die door Vlaardingen met 169 schepen, waarvan 87 loggers, wordt gedreven op de Noordzee.
De haring is de ziel van Vlaardingens bedrijf; meer dan 300 kuipers vinden hierin de bron van bestaan, en tal van visschers uit Egmond, Scheveningen, Marken en elders varen op de Vlaardingsche vloot, door 2500 personen bemand. ’t Is een eigenaardig, levendig gezicht, als dat bosch van tengere masten de haven vult. En al leven wij niet meer in den tijd, dat men jubelend de vloot inhaalde, die den eersten haring aanvoerde, en waarvan Spandaw’s lied zong:
Triomf, de vreugde stijgt ten top, Hijsch, Holland! vlag en wimpel op En doe den jubeltoon nu daavren langs uw strand. Daar komt de kiel, met goud belaân, Zij brengt ons d’ eersten haring aan; ’t Is feest in Nederland! ’t Is feest in Nederland!
toch blijft de haring nog een belangrijk element in de visscherij, vooral in die van Vlaardingen en Maassluis, waar evenwel ook de vangst van kabeljauw, leng en schelvisch een belangrijke plaats inneemt.

Gezicht op de visschershaven te Vlaardingen.
In Vlaardingen leefde en leeft men nog met den haring. Doch vele oude gebruiken en instellingen, met de haringvangst verbonden of er uit voortkomend, zijn allengs verdwenen. De 46 meter hooge toren te Vlaardingen diende vroeger niet alleen tot sieraad van het kerkgebouw of als drager der klok, maar bovenin den koepel bevond zich doorloopend, zoolang het dag was, een der drie torenwachters, die met den verrekijker steeds het terrein in de Noordzee verkende en in den haringtijd rondblikte, of ook een haringjager, die den eersten haring aanbracht, op komst was. Voortdurend richtten in dien tijd de Vlaardingers—zij mochten bij de visscherij betrokken zijn of niet—hun blikken naar den torentrans, om van daar het sein te verwachten. En als aan den vlaggestok op den hoek van den toren de blauwe vlag werd geheschen, hoorde men plotseling uit wel honderd kelen der schooljeugd het geroep: “een sein op! een sein op!” De torenwachter daalde dan af van zijn hoog standpunt, om op de kantoren het uur van de vermoedelijke aankomst van den eersten haring te berichten.
Als de haringbuizen binnenkwamen, klonk lustig het vroolijke kuiperslied langs de haven:
“De buizen zijn binnen Met haring, zoo vet! Hoevelen beminnen Dat edel banket.”

Gezicht van de draaibrug te Vlaardingen.
Hoewel wij in Vlaardingen zijn en de kuipers zingen van de »buizen«, zult gij toch vruchteloos uitzien naar een dergelijk vaartuig. De buizen n.l. zijn de oudst bekende vaartuigen, die uitsluitend voor de haringvisscherij gebezigd werden. Thans evenwel bestaat er geen enkel van deze vaartuigen meer, en niemand verlangt dat oud-Hollandsch model terug. Maar toch is in Vlaardingen en elders dit oude modelvaartuig, dat aan den gouden tijd onzer haringvisscherij herinnert, niet uit het geheugen verdwenen. De Buisjesdag (vroeger de 15e Juni) is nog de algemeen bekende naam voor den dag, waarop in vroeger jaren de gansche haringvloot uitzeilde. Deze datum is echter door het meerendeel onzer reederijen losgelaten en tegenwoordig zien wij de schepen met het einde van Mei of aanvang Juni reeds zee kiezen.
De dag van het uitzeilen der vloot is een dag van vreugde en van ernst voor de visschersplaats, van hoop en van angst, van verwachting en teedere zielsaandoeningen. Want hoewel de stoere visschers vroolijk ten oogst gaan, op het veld, waar zij oogsten, dreigen voortdurend gevaren, die hun wel voor oogen staan. Het afscheid is hoopvol-weemoedig en het “tot weerziens!” galmt over de watervlakte, zoolang de achterblijvenden de zeilen kunnen nastaren.
De Buisjesdag was vroeger een feestdag, waarop de visschers, feestelijk uitgedost, in rijen rondgingen, om maag en vrienden vaarwel te zeggen.
’t Is feest, ’t is feest! Ziet vlag en wimpel zwieren, Zij waaien reeds, al fladd’rend, noordwaarts op; Ziet d’ achtbre Maas in d’ ochtendglansen tieren, Zij toeft de vloot op ’t statig wassend sop. Zij wenscht als bruid den bruidegom te ontmoeten, Dien ze in ’t verschiet, in feestgewaad gehuld, Haar naad’ren ziet en reeds van ver begroeten Met wuivend doek en hijgend ongeduld.
Ziet oud en jong, van ’tzelfde vuur aan ’t blaken, Daar ’t koudste hart zelfs in de feestvreugd deelt, In rij op rij, in bonten optocht naken, De zorg van ’t hart door hope weggestreeld. Ziet, ’t zonnevuur, reeds hoog ter kim ontrezen, ’t Deelt wijd en zijd zijn rijk verguldsel mee; Ziet weer en wind, ’t wil alles gunstig wezen; Op, visschers, op! ’t roept alles u naar zee!
Aldus bezong een Vlaardinger, Dr. Niermeijer, den belangrijken dag. Op den Buisjesdag verzamelden zich steeds vele vreemdelingen in de stad en werd in de kerken vooraf Gods zegen afgesmeekt op den tocht voor een voordeelige vangst. Thans heeft de Buisjesdag weinig beteekenis meer en wordt hij enkel gevierd door kinderen, die met vlaggetjes rondloopen.
De eerste vangsten van den haring in de maand Juni beteekenen gewoonlijk nog weinig. Dit heeft waarschijnlijk ten gevolge gehad, dat de reederijen een overeenkomst sloten, waarbij drie visschersbooten werden afgehuurd, die met de jaagvlag in top tusschen de visschersvloot kruisten en de aanvankelijk geringe vangsten der schepen verzamelden. Met een bepaalde hoeveelheid zet de eerste der drie zeilers koers naar het vaderland; dat is de eerste haringjager, wiens aankomst met zooveel verlangen verbeid wordt, omdat die ook berichten brengt van de vloot.
De stad Vlaardingen biedt weinig merkwaardigs aan. De Groote Kerk staat op een plein, door iepen omringd. Aan het Kerkplein vindt men ook het Raadhuis, dat van 1650 dagteekent, met een sierlijken voorgevel en een koepeltorentje.
Ten oosten van de stad heeft Vlaardingen het Hof, een vroegere buitenplaats, thans in een plantsoen veranderd, waarlangs een nieuw stadsleven plaatsvindt.
IV. Maassluis en de Hoek van Holland.
Wij vervolgen onzen tocht langs den hoogen rivierdijk, die het heerlijkste grasland van Delfland in het zuiden begrenst, en zien aan den anderen kant van ons over het breede, statige water van het Scheur de dijken en dorpjes van het jonge Rozenburg opdoemen. Weldra bereiken wij Maassluis, een jonge stad, ontstaan bij een der uitwateringssluizen van Delfland in de Maas. Over den hoogen dijk loopt de hoofdstraat, terecht Hoogstraat genoemd, en daarachter breidt de lage stad zich uit langs de Noordvliet. Op den dijk, met het uitzicht op de Havenkom, ziet men het eigenaardig gebouwde, schilderachtige Gemeenelandshuis van Delfland.
Het belangrijkste gebouw van Maassluis is de Groote Kerk, een regelmatig kruisgebouw, in navolging van de Noorderkerk te Amsterdam gebouwd, maar deze in fraaiheid overtreffend. De kerk staat op een eiland buiten den dijk. Op deze plek lag vroeger een fort, dat in 1572 na de inneming van Den Briel door de Watergeuzen op raad van den heer van St. Aldegonde was gebouwd, omdat men de versterking van Maassluis destijds van gewicht achtte. In de laatste jaren van den oorlog bleek die versterking niet meer noodig te zijn en de grond werd aan de Hervormden, die er schijnbaar recht op hadden, afgestaan, om er een kerk op te bouwen (1612). Door verschillende middelen, ook door belasting van een stuiver op iedere ton kabeljauw, schelvisch, gullen, haring, en van de lengen op iedere honderd lengen, welke de Staten tot den bouw der kerk toestonden, werd in 1629 met den bouw aangevangen en tien jaren later werd de kerk ingewijd.

Groote Kerk te Maassluis.
Midden op deze kerk werd een toren gebouwd, rustende op vier pilaren, doch wegens de zwaarte werd hij weder afgenomen en door een klein koepeltorentje vervangen. Tevens begon men aan de westzijde der kerk den tegenwoordigen toren te bouwen, vierkant van onderen, hoogerop met een achtkante spits en eindigend in een open koepeltorentje. In de kerk vindt men een fraai geschilderd houten bord, een geschenk van de visscherij, met onderscheidene zee- en riviergezichten, afkomstig van den beroemden zeeschilder Ary Bakhuizen; de visschen, fraai naar het leven geschilderd, zijn van een anderen meester. Het orgel in deze kerk is een pronkstuk, dat tot de beste in ons land gerekend wordt.
Maassluis dankt zijn opkomst aan de visscherij.
In den Bourgondischen tijd schijnt hier niet meer dan een gehucht aan den dijk te hebben bestaan bij de sluis; na de verdrijving der Spanjaarden uit Holland breidde dit gehucht zich snel uit tot een belangrijke plaats. Tot 1664 was de plaats met Maasland verbonden, doch in dat jaar werd de ambachtsheerlijkheid van Maassluis van die van Maasland gescheiden en werd zij zelfstandig. Door visscherij en een levendige scheepvaart breidde de plaats zich uit. Een tijdperk van stilstand ving aan, toen de scheepvaart op het Sluische diep door den aanleg van het Kanaal van Voorne in 1829 verminderde, doch met de opening van den Nieuwen Waterweg van Rotterdam naar zee bloeide de plaats weder op. Scheepvaart en visscherij vormen de hoofdbronnen van bestaan voor de stad, die door een lange haven met den Nieuwen Waterweg verbonden is.

De haven van Maassluis.
Van Maassluis bereikt men in korten tijd den Hoek-van-Holland, een nog onbeduidend dorp, in het duin gebouwd bij den mond van den Nieuwen Waterweg. Om het dorp zelf bezoekt men deze plek niet. Het snel verkeer van hier met booten naar Engeland brengt vooral leven aan het station, terwijl ook fabrieken en pakhuizen aan de haven verrezen voor den uitvoer, vooral naar Engeland. Het gezicht van hier op de Noordzee, op de reusachtige havendammen, op de levendige scheepvaartbeweging, op de vlaggen van allerlei natiën, welke den mond van Europa’s grootsten waterweg zoeken, om meest in Rotterdam hun lasten aan te brengen, dit alles maakt een zoo grootschen indruk, dat men in de nederzetting niets anders behoeft te verwachten, om haar belangrijk te vinden. En wie zeelucht wil scheppen, kan hier op het breede strand terecht; wie wandelen wil, kan van de hoogten in het Spanjaardsduin prachtige vergezichten over zee en het Westland geopend zien en langs den duinweg ook spoedig ’s-Gravenzande bereiken.