III. Langs den Hollandschen IJsel.
Reading edition
I. Van den IJselmond naar Gouda.
Wij willen thans een tochtje maken langs een oude rivier-grootheid, die in het verre verleden zeker hoog in aanzien stond, maar sedert eeuwen in verval is geraakt, en niet meer dan slechts enkele der laatste overblijfselen vertoont van haar vroegere macht en beteekenis. Wij bedoelen het water, dat men als “Hollandschen IJsel” aanduidt.
Van Rotterdam vangen wij onze reis aan. De weg loopt door den Kralingschen polder en eenige andere polders, niet ver van den hoogen ringdijk om den Alexanderpolder.
Kapelle-aan-den-IJsel ligt op een afstand van eenige minuten, zoodat wij even een kijkje zullen nemen in dit langs den IJsel gebouwde plaatsje en van den hoogen dijk een blik werpen op de kronkelende rivier, welke in haar uiterlijk hier nog iets van haar grootsch verleden bewaard heeft. Deze nederzetting, een echt dijkdorp met eenige industrie, gelijk die zich langs den open IJsel op meer punten gevestigd heeft, trekt weinig onze aandacht. Wij volgen weder den hoofdweg, en als wij eindelijk Nieuwerkerk-aan-den-IJsel op een kwartier afstands aan onze linkerhand zien opdoemen, hebben wij den IJseldijk weder bereikt, dien wij verder zullen volgen. Genoemd dorp ligt op de grens van den Prins-Alexander- en den Zuidplas-polder, twee der grootste droogmakerijen, waarvan de eerste in 1839, de laatste in 1874 is drooggelegd.

Kapelle-aan-den-IJsel.
Een groote verandering heeft dit land door menschenhanden in de laatste eeuwen ondergaan. Het lage terrein tusschen den IJsel en de Gouwe in ’t O. en de lijn Delfshaven, Delft, Den Haag, Leiden in ’t W., dat in de eerste eeuwen onzer jaartelling een moerassig laagveenland vormde, met gras, riet en andere waterplanten begroeid, terwijl wilgen en elzenstruiken in woeste wanorde zoo hier en daar tot bosschage opschoten, en waardoor de Rotte als een onregelmatig veenwater naar de Maas slingerde, was in de tien eerste eeuwen onzer jaartelling nog zeer schaars bewoond.
Langzamerhand trokken de veehouders dit land binnen; zij vestigden zich op de gunstigst gelegen plekken aan enkele wegen en wateren, en er ontstonden aldus dorpen van veeboeren. Maar aangezien dit gewest weldra door een kring van nijvere, welvarende steden werd omringd, deed de behoefte aan brandstof, zoowel voor huiselijk gebruik als voor de vele fabrieken, de laagvenen aantasten en ging men, door tijdelijk voordeel gelokt, er toe over, het land te verturven. Zoo ontstond hier gedurende de middeleeuwen in de veenlanddorpen de turfmakerij op groote schaal, die een ernstige verwoesting des lands ten gevolge had. Ook in de volgende eeuwen werd dat proces voortgezet en aldus werd langzamerhand het land met plassen overdekt, slechts hier en daar door met elzenhout beplante landribben afgebroken, die volgens wettelijke verordeningen onaangeroerd moesten blijven, om het ontstaan van te groote waterplassen te voorkomen. Het land kwam gedeeltelijk weder in denzelfden toestand als het geweest was gedurende de eerste tijden na het ontstaan van het diluvium.
De overgang van den veenplas tot de drooglegging, die niet zelden vele jaren duurt, was altijd de treurigste tijd voor een veenland. Dan zag het er woest en somber uit in de half verlaten dorpen, waar slechts enkele oude veenarbeiders waren achtergebleven, die door hun arbeid hun bron van bestaan hadden vernield en niet meer in staat waren, zich elders te vestigen. Eerst nadat de molens het water weder over de nieuw aangelegde dijken in de boezems hadden gebracht en deze het afvoerden naar buiten, en de ongelijke, ruwe bodem van den drooggelegden plas was geëffend, hier en daar het overgebleven veen nog was verturfd en de landbouwers weder bezit hadden genomen van den eens verwoesten grond, bloeiden de dorpen weder op en ontstonden er nieuwe nederzettingen. Dit is in hoofdtrekken de geschiedenis van al deze plaatsen.
Zoo was ook het dorp Nieuwerkerk vroeger een kleine plaats van veenlieden, die gaarne door jagers en visschers bezocht werd, wanneer zij op of in de wateren van den Zuidplas of den Alexanderplas het waterwild of de water bewoners wilden verschalken. Doch na de droogmaking was dit uit, en kwam het dorp door den landbouw tot nieuwen en hoogeren bloei.
Belangrijks biedt dit dorp voor ons niet aan, en evenmin willen wij ons ophouden in de polders, die, hoewel met enkele liefelijke, bekoorlijke, echt Hollandsche waterpartijen langs de boezems en tochten, toch over ’t geheel niet van groote eentonigheid zijn vrij te pleiten. Wij kiezen thans den IJseldijk tot onzen weg en passeeren het flinke, nette dorp Moordrecht, grootendeels langs den hoogen dijk gebouwd, gedeeltelijk daarachter in het lage land.
Uit de huizenreeks in de laagte verheft zich de oude kruiskerk met haar spitsen toren. Al klinkt de naam van het dorp wat barbaarsch en al heeft de volksetymologie, op den klank afgaande, er aan gedacht, dat hij in betrekking zou staan met “moord”, zelfs gemeend, hem in verband te moeten brengen met de onthoofding of moord van Johannes den Dooper, aan wien de kerk oorspronkelijk was toegewijd, terwijl ook in het zegel van het dorp op soortgelijke gronden op “moord” gezinspeeld werd, toch heeft de naam in werkelijkheid niets te maken met dergelijke lugubere feiten. Hij luidde aanvankelijk “Moerdrecht”, o. a. in 1223 aldus genoemd, en staat in verband met een overtocht naar de venen of moeren. De Hollandsche graven hadden hier een tolrecht, misschien op den IJsel.
De door zware olmen beschaduwde weg loopt over den hoogen IJseldijk naar Gouda. Het aangenaam gezicht
“Van ons gezegend dorp: haar IJselzoete stroomen, Haar straat en wandeling van hoog opgaande boomen, Daar al de wereld rijdt met lust en met pleizier, Van allerhande volk, zelfs Moor en Arabier”,
roemt Pieter Verbrugge in 1729 reeds, sprekende over dien weg, welke een drukke verbindingslijn vormde van Rotterdam over Gouda en Utrecht. Wij zien ook hier aan onzen voet den IJsel nog eenigszins in zijn vroegere beteekenis als groote rivierarm. Tusschen de hooge dijken aan beide oevers ligt de rivier te midden van zoomen aangeslibde gronden, waar de klei wordt uitgegraven voor de steenbakkerijen. Van de Maas dringt hier de vloed met elk getijde nog naar binnen, om bij eb weder af te stroomen, zoodat het water, hetwelk wij er zien, hoofdzakelijk Maaswater is. Tot Gouda is de IJsel eigenlijk een zijarm van de Maas, en soort van spuiboezem.
In de eerste eeuwen onzer jaartelling was dit echter anders. Toen vormde de IJsel een breeden tak van den Rijn, die beneden Vreeswijk met de Lek in verbinding stond en waarschijnlijk door de afdamming van den Krommen-Rijn bij Wijk-bij-Duurstede een groote hoeveelheid water ontving, zoodat de oevers dikwijls overstroomden. Om die reden misschien werd de IJsel in 1291 afgedamd aan het boveneind, waardoor hij geen Lekwater meer ontving. Aan het benedeneind echter drong van de Nieuwe Maas en Lek het vloedwater nog in den IJsel op; in het bovengedeelte bezonken bij gemis van doorstrooming de slibdeelen hoe langer hoe meer, vulden de riviergeul aan, en maakten van den eens breeden rivierarm een vervallen water, echter met vette kleioevers omzoomd, die de grondstof leverden voor de steen- en pannenbakkerijen.
Om nu den IJsel voor geheele opslibbing te bewaren en als vaarwater nog te redden, werd besloten, hem te kanaliseeren en aan het andere eind af te sluiten. Dit geschiedde in 1854–62, toen de sluis ten oosten van Gouda gelegd is. Gouda ligt nu nog aan het open gedeelte van den IJsel en kan in zekeren zin nog een zeestad heeten, zooals het zich in vroeger eeuwen gaarne noemde. Maar verder langs den verlaten rivierarm, waar in de oudheid een reeks van stedekens tot eenigen bloei kwamen, als: Haastrecht, Oudewater, Montfoort en IJselstein, is na het tenietgaan van den waterweg de verdere groei der nederzettingen tot staan gekomen. De oude stadjes bleven onbelangrijke landplaatsen, echter met herinneringen aan een meer bloeiend verleden.
II. Gouda.
Zoo hebben wij het punt bereikt, waar thans de Gouwe, uit het noorden komend, een gedeelte van Rijnlands boezemwater door sluizen en met stoomgemaal op den IJsel loost en van tijd tot tijd hieruit ook water tot verversching ontvangt. Als wij ons in gedachten naar het grijze verleden verplaatsen, zien wij, dat op deze plek een open landwater met veel kronkelingen uit de moerassige weiden te voorschijn kwam, om vrij in den IJsel, toen nog een hoofdrivier, uit te monden. Op het verbindingspunt van deze twee wateren, die een kruispunt van verkeerswegen vormden, en te midden van een vruchtbare landouw, had zich al vroeg eenige bevolking gevestigd en hier werd door een machtig heer een slot gebouwd op de plek, zoo bij uitstek gunstig gelegen, om er voordeelen te trekken van het handelsverkeer. Wat er eerst geweest is, valt moeielijk te zeggen; waarschijnlijk de nederzetting. Maar wij weten zeker, dat omstreeks 1350 hier door Graaf Jan van Beaumont een kasteel gebouwd werd en dat er tollen van de voorbijgaande schepen werden geheven. Zeer waarschijnlijk zal er ook al vroeger een kasteel hebben gestaan. Het nieuwe slot werd echter in 1438 door brand grootendeels vernield, zoodat er weinig van overbleef.

De Hooge Gouwe te Gouda met de Vischmarkt.
De produkten der vruchtbare omstreken en de gunstige ligging voor het scheepvaartverkeer, op de plaats waar de zeeschepen aankwamen en de zeevaart in binnenvaart overging, deden de nederzetting aan de Gouwe spoedig opkomen tot een handels- en industriestad, welke den naam “ter Gouwe” of Gouda kreeg, en in 1272 stedelijke rechten verwierf. In 1356 was Gouda reeds beroemd door zijn markt in granen, die hier van de Zeeuwsche eilanden gemakkelijk konden worden aangevoerd, terwijl ook de weverijen en bierbrouwerijen destijds veel vertier gaven. Doch de bronnen van bestaan en welvaart voor Gouda vloeiden zeer afwisselend en onregelmatig. Toen in de 16e eeuw de bierbrouwerijen te gronde gingen, kwam de tapijtweverij nog tijdelijk op, die eveneens weder verdrongen werd. Alleen de bleekerij, welke eveneens in dien tijd opkwam, heeft zich staande gehouden tot onzen tijd. De pijpenbakkerijen echter, die het produkt leverden, dat naar deze stad zijn naam ontving, en in 1751 aan niet minder dan 3000 personen werk verschaften, zijn meest alle verdwenen; de industrie van pijpen wordt nog staande gehouden, maar meer als herinnering aan ’t verleden.

Stadhuis te Gouda.
Na het midden der 19e eeuw is hier weer nieuwe nijverheid opgebloeid. De hooge schoorsteenen der stearinekaarsenfabriek aan den IJsel, die ons het eerst in het oog vallen, alsmede die van eenige andere fabrieken, leveren hiervan het bewijs. Het marktverkeer voor de boeren is er nog levendig. Hoewel Gouda nog met het getijdenwater van den IJsel in verbinding staat, is het door de scheepvaart allerminst een zeestad meer. Gouda is een ernstige provinciestad geworden (22500 inw.), met nog vele trekken van het vroegere aanzien op het gelaat, met nog teekenen van zijn deftige afkomst, zonder het verval van de doode steden, maar ook evenmin met den bloei van zijn verleden. Er ligt een stemmige, Hollandsche rust over Gouda, die meer behaagt dan drukt, hoewel zij geenszins in den smaak valt van de zonen en dochteren der twintigste eeuw.
Gouda was in de 16e en 17e eeuw een rijke stad, met levendigen nijverheid en handel en een welvarende burgerij, zeiden wij. Hieraan heeft Gouda zijn belangrijkste monumentale gebouwen te danken, waarvan de Groote Kerk en het Stadhuis het meest beroemd zijn.
De oorspronkelijk ongeveer in een cirkel gebouwde stad, door de Gouwe en onderscheidene grachten doorsneden, schier alle met rijen boomen omzoomd, maakt in alle deelen een netten, vriendelijken indruk, welvarend zonder buitengewone grootheid, flink burgerlijk, met tal van schilderachtige uitzichten op enkele bruggetjes en straathoeken, maar zonder veel particuliere gebouwen uit den tijd der Hollandsche renaissance. De fraaiste straten vindt men langs de Gouwe en bovenal aan de Haven.
Het hart van de stad wordt gevormd door het ruime, ongeveer driehoekige marktplein, rondom ingesloten door flinke, burgerlijke huizen, meest van neringdoenden. Midden op de Markt verrijst het Stadhuis, een deftig gebouw met een vierkanten toren in het midden en achthoekige hoektorentjes aan beide zijden van den voorgevel, alle eindigende in slanke spitsen. Het Stadhuis is gebouwd in 1448–1450, maar onderging in den loop der tijden vele veranderingen. Van 1876–1882 werd de voorgevel weder geheel gerestaureerd in zijn oorspronkelijke gedaante, op grond van oude teekeningen. Het uitbouwsel aan den achtergevel dagteekent van 1697 en diende oorspronkelijk tot schavot; onder dit schavot was vroeger de korenbeurs, doch thans de botermarkt, welke evenwel niet levendig is, aangezien kaas het hoofdvoortbrengsel der streek vormt.

De Stadswaag te Gouda.
Achter het Stadhuis valt de Waag in het oog, een deftig, vierkant gebouw, in 1668 gesticht en aan den voorgevel met beeldhouwwerk versierd. Niet ver van de Waag verheft zich een modern gebouw, welks gevelopschrift “Arti Legi” aanduidt, dat het aan kunst en wet is gewijd. In dit gebouw vond men tot voor kort het Stedelijk Museum, een stichting, die haar oorsprong dankt aan een tentoonstelling, in 1872 gehouden bij gelegenheid van het 600-jarig jubileum der stad, doch dat thans naar de Haven is verplaatst. Het belangrijkste stuk van het Museum is de prachtige miskelk, door Jacoba van Beieren, waarschijnlijk naar aanleiding van haar overwinning aan de Gouwesluis in 1425, aan de boogschutters van St. Joris geschonken en door wijlen den heer J. N. Scheltema, destijds archivaris der stad en ook de stichter van het Museum, onder oude papieren gevonden. Wij zullen niet verwijlen in het Museum; wie het bezoekt, wordt ingelicht door den catalogus, waarin o. a. een schutterstuk van Ferdinand Bol voorkomt, en herinneringen aan de Goudsche pijpen-industrie.
Wij richten thans onze schreden naar de St. Janskerk, verscholen achter de huizen, als had zij verstoppertje gespeeld en den weg niet teruggevonden.
De St. Janskerk te Gouda schijnt te zijn gebouwd in den aanvang der 13e eeuw. Zij werd voor de eerste maal bij den grooten stadsbrand in Mei 1361 verwoest. Nog in hetzelfde jaar kon door den krachtigen steun van Jan van Bloys met den wederopbouw worden aangevangen, zoodat de dienst, na de wijding in 1366, met zeven altaren werd hervat. De bouw werd eerst na 1410 geheel voltooid.
Het duurde echter niet lang; den 25en Aug. 1438 werd de kerk met de geheele stad wederom door brand vernield. De kerkbouw, aanvankelijk tot het meest noodzakelijke beperkt, geschiedde gaandeweg op grooter schaal, naarmate de Goudsche burgers tot welvaart terugkeerden. Dit blijkt o. a. uit den bouw van het koor en zijn omgang, welke volgens een inscriptie in 1485 gesticht werden.
Voor de derde maal werd de kerk den 12en Jan. 1552 tengevolge van het inslaan van den bliksem door brand grootendeels verwoest, doch terstond herbouwd. De kerk werd toen in den uiterlijken toestand gebracht, waarin men haar tegenwoordig kent. Het koor had bij den laatsten brand het minst geleden, zoodat dat gedeelte kan gerekend worden nog geheel tot den vorigen bouw te behooren.
Gedurende en kort na den laatsten kerkbouw werd de kerk door de Staten van Holland, verschillende steden en aanzienlijke personen verrijkt met hetgeen, behalve haar prachtig orgel, haar doet uitmunten en beroemd zijn: n.l. de geschilderde en gebrande glazen. Dirk Pietersz. Crabeth, Dirk van Zijl en Wouter Crabeth waren de vermaarde schilders dezer kunstwerken, die niet slechts in ons vaderland eenig zijn, maar door hun coloriet en teekening tot de belangrijkste oude glasschilderingen van geheel Europa moeten gerekend worden en hoedanigheden bezitten, welke maar zelden door moderne glasschilders in hun geheel kunnen worden bereikt.
Als gebouw is de tegenwoordige St. Janskerk in hoofdzaak merkwaardig door haar afmetingen en nationaal karakter. Wat betreft haar lengte is zij de grootste kerk van ons vaderland: 125 Meter lang; in oppervlakte kunnen alleen de St. Janskerk in Den Bosch en de St. Bavo te Haarlem met haar wedijveren. Haar bouwkunst is zuiver Hollandsch en kenschetsend voor de laatste periode der middeleeuwsche bouwkunst. De ruime en hooge schepen, die 3 en 5 M. breed nevens elkander opgaan, zijn door ronde pijlers gescheiden. De weeke toestand van den bodem is aanleiding geweest, dat men geen steengewelven ter overdekking heeft aangebracht, maar zich tevreden moest stellen met een Hollandsche kap, welke inwendig tonvormig is, oorspronkelijk van blank eikenhout.
Dit merkwaardig gebouw verkeerde in een slechten staat; door verrotting werd noodzakelijk restauratie vereischt. Een commissie ving daarmede in 1898 aan en met den steun van de Provincie, de Stad en particulieren wordt thans de herstelling voortgezet.
De St. Janskerk bevat de overblijfselen van onderscheidene beroemde mannen, die te Gouda geboren zijn of er verblijf hielden. In de zoogenaamde IJzeren Kapel vindt men de graftombe van den staatsman en geleerde Hieronymus van Beverningk, in 1614 te Gouda geboren, een der vier staatslieden, die de Fransche Gezant d’Estrades voor onomkoopbaar hield.
In het middelpand der kerk vindt men de grafzerk van Dirk Volkertsz. Coornhert, den trouwen voorstander van godsdienstvrijheid, overleden in Oct. 1590. Op den steen leest men het bekende grafschrift:
NU RUST NOG STIGT
DIENS LUST ZIJN DIGT-
EN VREUGD GESCHRIJF,
WAS DEUGD MAAR ’T LIJF,
EN ’T WAAR, HIER BLEEF ’T,
HOE ZWAAR GOD HEEFT
’T OOK VIEL, DE ZIEL.
Een gedenksteen aan den wand herinnert aan Mevrouw van Meerten Schilperoort, de bekende schrijfster van vele kinderwerkjes, overleden in 1853, door haar vereerders uit liefde geplaatst. De kinderdichter Hieronymus van Alphen werd in 1746 te Gouda geboren.
Nog zouden wij onderscheidene mannen kunnen opnoemen, die, meer of minder beroemd, in deze kerk begraven zijn of binnen Gouda’s muren het eerste levenslicht zagen.
Wij willen hierbij echter niet verder stilstaan, doch wenden ons enkel naar het plantsoen, waar, niet ver van den IJsel, in 1880 een eenvoudig monument werd opgericht ter eere van de gebroeders de Houtman, in Gouda geboren, de eerste Nederlanders, die den zeeweg naar Indië volgden en den grond legden voor den Nederlandschen handel. In de nabijheid verrijst het stoomgemaal van Rijnland, en naar den IJsel ziende, aan de rechterhand vóór ons, verheft zich op een hoogte een windmolen. Deze molen heet het Slot; de naam en de ligging op een heuveltje wijzen ons de plek aan, waar het eenmaal beroemde Goudsche kasteel zijn tinnen verhief. Na den genoemden brand van 1438 was het kasteel grootendeels vernield; in 1577 werd het overige door de burgerij verwoest, een enkelen zwaren toren uitgezonderd, die in de eerste helft der negentiende eeuw werd gesloopt.
Wij mogen niet langer vertoeven in “ter Gouw”’ en evenmin ons in haar geschiedenis verdiepen, maar wenden ons weder naar buiten. Al zijn de omstreken van Gouda niet grootsch of rijk aan afwisseling, toch vertoonen de IJsel en het landschap veel punten met echt Hollandsch schoon.

De Haven van Gouda.
De onafzienbare, effene graslanden rondom Gouda, frisch van kleur, waarop de boerenwoningen verstrooid staan, terwijl reeksen knotwilgen of rietzoomen de slooten en plassen aanduiden, zij wijzen ons de bron aan, waaruit de heerlijke Goudsche zuivel vloeit. De bodem rondom Gouda is laagveenland. Ten noordoosten van de stad, even over den spoorweg, ligt een groep veenplassen, door enkele wegen met onregelmatige landstrooken doorsneden en met rietzoden omringd. Aan een dier wegen verrijzen de kleine huizen van het dorp Sluipwijk. Hier ziet men de landverwoesting nog voor zich, zooals die gedurende eenige eeuwen in Holland plaats vond. Somber is de indruk dier plassen; als de najaarsstormen het donkere water in zwartgrijze golven opzweepen en onder dof gedruisch met het dorre riet spelen, dat de kanten omzoomt, vormen zij echte toonbeelden van verlatenheid.
II. Naar Waddingsveen en Boskoop.
Een klein uitstapje maken wij thans langs de Gouwe naar Boskoop.
In vele bochten slingert zich de Gouwe, als een afgeleefde grijsaard met trage beweging voortkruipend, van den Ouden-Rijn naar den Hollandschen IJsel, een verbinding tusschen beide wateren vormend. Zij loopt als hoog boven het land, doch de dijken, die het water begrenzen, houden haar gemakkelijk in toom. Of de Gouwe, thans een aan alle zijden geketend polderwater, eens een rivier was?
In den aanvang der historie was de Gouwe zeker een natuurlijk landwatertje, dat door het drassige land kronkelde, evenals de Rotte en het water, waaruit de Schie is gevormd, evenals de Amstel en het Spaarne. Doch hoe is dit veranderd in den loop der eeuwen en hoe verschillend werd de beteekenis dier stroompjes! De Schie is reeds door Corbulo vergraven; het Spaarne en de Amstel werden druk bevaren binnenwateren. De Rotte echter, hoewel de aanleiding tot het ontstaan van Neêrlands tweede handelsstad, is niet alleen een stil, kalm watertje gebleven, maar ook rustig, bijna niet bewogen dan door den adem des winds, en slechts enkele schuitjes dragend. Geen stoomboot verstoort er de plechtige stilte der natuur, en het riet langs de oeverzoomen fluistert in geheimzinnig suizen zijn zachte melodij. Zeldzaam zijn zelfs de boerderijen aan de oevers der Rotte; slechts door één gehucht stroomt haar water.
De Gouwe daarentegen is kunstmatig in de lijnen van het handelsverkeer getrokken. Amsterdam en Gouda in de eerste plaats en verder ook Rotterdam hadden er belang bij, dit landwater tot een deel van den scheepvaartweg te maken tusschen het IJ en de Maas.
Onrustig plassen de stoombooten schier dag en nacht door de Gouwe, de watervlakte met hunne schroeven tot regelmatige golven opdrijvend, welke onophoudelijk tegen de oevers slaan, die daarom goed versterkt moeten worden. Wel heeft men van het Merwedekanaal een concurrent gemaakt, die het verkeer op de Gouwe veel benadeelt, maar toch blijft de scheepvaart er nog altijd levendig.
Door dit drukke verkeer gedurende eeuwen, heeft de bevolking zich ook aan de Gouwe gevestigd. Aan beide zijden ziet men woonhuizen langs haar oevers verrijzen, en een tweetal dorpen hebben zich daar ontwikkeld: Waddingsveen en Boskoop.
Allereerst bereiken wij Waddingsveen, gedeeltelijk als een flink dorp in de lengte langs de Gouwe gebouwd, gedeeltelijk op eenigen afstand daarvan aan een landweg in den polder Noord-Waddingsveen. Het eerste gedeelte heeft meer industrie; in het laatste vindt men meest landbouw en veeteelt. De zeer eenvoudige bevolking staat bekend als stijf en conservatief. Vroeger zag men hier talrijke windpapiermolens werken, waarvan er eenige jaren geleden nog slechts één was overgebleven, terwijl er thans een stoompapiermolen arbeidt. Verder is hier eigenaardig de fabrikatie van allerlei klein houtwerk: hooiharken, trappen, tafeltjes, deurkrukken, spiegeltjes voor de marine, knoppen voor gordijnen, kinderspeelgoed, hobbelpaarden, enz. In den laatsten tijd is men hier ook met de boomkweekerij begonnen.

De Biezen te Boskoop.
Als wij over Noord-Waddingsveen den landweg volgen, langs tal van flinke boerenhuizen, welke door hun eigenaardige namen als “Graan voor visch”, “Spruytdam”, “Land van Water” en dergelijke ons wijzen op het lage of ingepolderde land, bereiken wij weldra het eigenaardige gebied van Boskoop, een boschrijke oase in het eentonige grasland, dat overigens enkel door slooten en knotwilgen wordt afgebroken. Het dorp zelf strekt zich uit aan de oevers van de Gouwe, hier veel te smal voor de scheepvaart. De kleine, vriendelijke huisjes zijn aan beide zijden op korten afstand van elkander langs het water gebouwd, en in hoofdzaak evenwijdig met dit water strekt zich de lange, met kastanjes beplante straat uit, waarlangs het aanzienlijkste gedeelte van het dorp gebouwd is. ’t Is een smalle straat, aan den eenen kant meestal door kleinburgerlijke huizen bezet, welker kleine tuintjes aan de Gouwe grenzen, en aan den anderen kant met een sloot, die de grootere kweekerijen van Boskoop afsluit.
Als wij Boskoop in vogelvlucht konden bekijken, zouden wij het dorp aan alle zijden omlijst zien door een schier aaneensluitend veld van heesters, jonge boomen, bloemen en planten van allerlei grootte en kleuren, door breede, rechte slooten, met helder water en door houtwallen omzoomd, in regelmatige vierkanten gesneden.
De tuinen in Boskoop vormen langwerpige, evenwijdige strooken, welke op de smalle dorpswegen uitkomen en door planken, over de slooten gelegd, hier en daar door draaibrugjes, van den weg te bereiken zijn. Een aldus ingesloten strook behoort dikwijls aan onderscheidene kweekers, wier terreinen slechts door naambordjes van elkander gescheiden zijn. Dit is bovenal het geval met het klein-grondbezit der opkomende tuinders, de kleine bazen, die nog half knechts zijn, half eigen zaken drijven, en het opkomend geslacht van zelfstandige ondernemers vormen, zooals men dat hier vindt, gelijk op geen andere plaats. De slooten, welke de tuinen omringen, dienen gedeeltelijk tot bewatering; ook kan men langs deze elk gedeelte der tuinen gemakkelijk met een schuitje, hier “schouw” genoemd, bereiken. Enkele tuinen zijn nog omringd door hagen van licht hout, welke hoofdzakelijk dienen, om de kracht van den wind te verzwakken. Want de wind is de grootste vijand der teedere planten, die hier gecultiveerd worden.

Gezicht van de achterkade op de kweekerijen te Boskoop.
Zoo is geheel Boskoop schier één plantengaarde, met slechts enkele weilanden er tusschen. De Boskoopers zijn een ondernemend volk, zij hebben acht geslagen op den loop der tijden en vol helder inzicht hun bakens verzet, waar dit noodig was. Hierdoor is de ooftboomkweekerij en de teelt van aardbeziën in Boskoop hoe langer hoe meer door de cultuur van sierheesters en bloemen vervangen.
Hier ziet gij keurig verzorgde tuinen, waar in lange rijen of in met zorg aangelegde bedden en kassen de nieuwst verkregen verscheidenheden van Azalea’s, Rozen, Coniferen en andere boomen of heesters in allerlei stadiën van ontwikkeling gevonden worden, planten, die over enkele jaren in de parken en tuinen van Groot-Britannië, Rusland, Duitschland en Amerika zullen prijken.
De Boskoopers zijn door hun uitgebreiden handel echte wereldburgers geworden, democratisch in hun opvatting. Toen wij een bezoek aan deze plaats brachten en de groote gastvrijheid van een der eerste kweekers genoten, zaten wij aan tafel in gezelschap van den zoon des huizes, die met zijn jeugdige echtgenoote, een Française, welke hij in Amerika had leeren kennen, juist van een reis voor zaken uit de nieuwe wereld was teruggekeerd.
Boskoop is een der plaatsen, waar het grootkapitaal nog niet overheerscht in de bedrijven, waar de kweekersknecht niet zelden tegelijkertijd zelf grond huurt voor een kweekerij en zoo op kleine schaal begint, om wellicht tot een welgesteld ingezetene op te klimmen.
III. Naar Haastrecht, Oudewater, Montfoort en IJselstein.
Thans volgen wij van Gouda den hoogen zuidelijken IJseldijk naar Haastrecht en verder naar Oudewater. Een smal, stumperig watertje is hier de IJsel, tusschen de aangeslibde landen binnen de hooge dijken ingekrompen tot een kanaaltje, dat alleen door zijn bochten en thans nuttelooze hooge dijken nog aanwijst, van hooge komaf te zijn. Een vervallen grootheid van adellijken huize, gesteund en onderhouden door burgerlijke hulp, en alleen nog trotsch op den stamboom, in ’t grijs verleden wortelend, op de familiebetrekkingen, die hem niet meer erkennen en vergeten ... dat is de IJsel in onzen tijd.
Even vóór Haastrecht bereikt is, zal den wandelaar langs den vrij eentonigen noorder IJseldijk op korten afstand daarvan een nieuw boerenhuis van eigenaardigen bouw in het oog vallen. Dat is het “Klooster te Stein”, en hoewel sedert lang geen klooster meer, staat het toch nog onder dien naam bekend. Voor enkele jaren is dat gebouw met veel smaak in antieken stijl gerestaureerd. Eens verhief zich op deze plek het Regulierenklooster Emmaus, waar Erasmus door het vleien en dreigen zijner vrienden het geestelijk gewaad aannam. Dat klooster brandde in 1549 tot den grond toe af en werd in een hofstede veranderd. De overlevering meldde, dat hier de kinderstoel van Erasmus bewaard werd, en om dien te zien, werd het huis veel bezocht.
Het dorp Haastrecht, met villa’s aan den IJsel en vele nette huizen, maakt een vriendelijken indruk. Vroeger was Haastrecht aanzienlijker en bedrijviger dan thans; het moet zelfs volgens H. Junius een stadje geweest zijn met twee kloosters en drie kasteelen. Ook bloeiden er de kaashandel, hennephandel en de leerlooierijen, die thans zijn vervallen. Het raadhuis met zijn hooge stoep, dagteekent van 1618.
Wie een typisch plekje polderland wenscht te zien, wandele over Haastrecht een eindweegs naar het zuiden langs de Vlist, een kronkelend water, dat van Schoonhoven tot den IJsel loopt. De Vlist is een boezem, waarop het water uit de omringende polders wordt afgemalen. Dewijl het water in den Vlistboezem niet hoog genoeg is opgevoerd, om af te loopen, wordt het uit de Vlist bij Haastrecht door een 7-tal molens nog hooger opgemalen naar den “hoogen boezem”, een omkaad stuk land, gedeeltelijk met riet begroeid, en van hier kan het eerst afloopen op den IJsel. Bijgaande plaat geeft een afbeelding van dat molenlandschap.

Watermolens aan den Hoogen boezem bij Haastrecht.
Voorbij Haastrecht blijft het landschap geheel hetzelfde; reeksen van boerenhofsteden liggen langs de beide IJseldijken in de schoone graslanden. Aan den noordkant van den IJsel ligt Goe-Jan-Verwellesluis, een eenvoudige buurtschap aan de sluis, die de Dubbele Wierikke met den IJsel verbindt. Hier was het, dat Prinses Wilhelmina, de gade van den Erfstadhouder, in Juni 1787 door de Commissie van Defensie werd tegengehouden, toen zij, om aan de zaken van haar gemaal een gunstiger keer te geven, Nijmegen, waar destijds de Stadhouder tijdelijk verblijf hield, verliet en naar Den Haag wilde gaan. Na eerst in een boerenhuis gebracht te zijn, geleidde men de Prinses naar Schoonhoven, om daar den nacht door te brengen. Het is bekend, dat de Staten van Holland deze daad goedkeurden en dat de prinses, van Schoonhoven naar Leerdam vertrokken, daar het bericht ontving, waardoor zij genoodzaakt werd, zich naar Nijmegen terug te begeven.
Nog een korten tocht over den IJseldijk en wij staan voor het stedeke Oudewater, met ongeveer 2650 inwoners, dat door den IJsel wordt doorsneden. Oudewater ligt op de plek, waar de Linschoten met den IJsel is verbonden, aan de grens van Zuid-Holland en Utrecht; omstreeks de 13e eeuw behoorde het tot Utrecht. In 1265 schonk Bisschop Hendrik van Vianden aan Oudewater stedelijke rechten, doch kort daarop, in 1280, verpandde Bisschop Jan van Nassau de stad aan zijn neef Floris V. Daar deze verpanding nooit werd afgelost, is Oudewater sedert aan Holland gebleven, al was de stad nog herhaaldelijk het slachtoffer van den strijd tusschen de bisschoppen en de graven. In 1346 verkreeg Oudewater het voorrecht, nooit van de grafelijkheid te mogen worden gescheiden, een privilegie, dat in 1404 door Graaf Willem IV werd bevestigd. Door zijn ligging aan de grens werd Oudewater als een der sleutels van Holland beschouwd en goed versterkt.
De stad kwam hoofdzakelijk op als marktplaatsje voor den omtrek, en in verhouding tot zijn gering aantal bewoners is het nog altijd een druk bezocht stadje, dat winkelnering heeft uren in den omtrek en een levendigen kaashandel. De kooplieden te Oudewater koopen veel op de markten te Bodegraven, Gouda en Woerden, alsmede bij de boeren aan huis; de kaasmarkt te Oudewater zelf heeft geen groote beteekenis. Toch wordt de weekmarkt er druk bezocht.
Oudewater vertoont in zijn gevels en woningbouw nog onderscheidene overblijfselen uit den bloeitijd der zelfstandige, Hollandsche bouwkunst. Schilderachtig kronkelt de IJsel door de stad, welke voor een gedeelte met bogen overmetseld is tot marktplein, aan den eenen kant de straat omzoomd met linden langs het water, terwijl aan de andere zijde de huizen uit de gracht zijn opgebouwd. Een prachtige oude gevel vertoont nog het kaaspakhuis tegenover de Waag, met het jaartal 1611.
De Waag staat aan de markt en is volgens het jaartal in 1595 gebouwd. Die eenvoudige, witte, spitse gevel zou, als hij spreken kon, ons veel hebben te vertellen en een stuk beschavingsgeschiedenis blootleggen, waarover wij thans de schouders ophalen. Want in dit gebouw werd vroeger de befaamde heksenwaag gevonden, waar met de weegschaal en gewichten werd uitgemaakt, of iemand in staat was, op bezemstelen of een gezalfd stokje door de lucht te vliegen. Het was een poging, om door exact onderzoek vast te stellen, wie tot het beruchte ras der heksen behoorde, toen de vuur- en waterproeven niet proefhoudend bleken te zijn. Men ging van het vernuftig denkbeeld uit, dat hij, die lichter woog dan zijn gestalte vorderde, noodwendig met den booze in betrekking moest staan. Oudewater nu was van ouds bekend wegens de nauwkeurigheid van zijn “trois” gewicht, en daarom werd zijn waag waardig gekeurd, om over het belangrijke vraagstuk der hekserij te beslissen. Men meent, dat Keizer Karel V aan de stad dat voorrecht gegeven zou hebben, omdat hij vernomen had, dat in Oudewater nooit iemand als toovenaar verbrand was, daar men den beschuldigde op de Waag liet wegen, in plaats van hem, gelijk elders, aan de vuur- of waterproeven bloot te stellen. Daarom reisden velen, die van tooverij werden beschuldigd, zelfs uit veraf gelegen streken, naar Oudewater, vroegen verlof om gewogen te worden, verkregen daartoe altijd vergunning en ondergingen in tegenwoordigheid van een paar schepenen en den gerechtsbode de proef. De bode ontkleedde den gewaanden toovenaar tot op het hemd en deed hem zijn kousen en schoenen uittrekken; als het vrouwen, betrof, werd dit door de stedelijke vroedvrouw verricht. Op deze wijze verkreeg men de zekerheid, dat de gewogene niets bij zich droeg, om zijn zwaarte te vermeerderen.
De kosten van het wegen bedroegen:
Aan ieder der Schepenen 18 st. Holl. ƒ 1.16
Aan den secretaris ƒ 2.18
Aan gerechtsbode, waagmeester, vroedvrouw, ieder 12 st. ƒ 1.16
Tezamen ƒ 6.10
Voor dien prijs ontving de gewogene gewoonlijk het getuigschrift van zijn onschuld. Daar het maximum der zwaarte van een heks op 30 ℔ trois gewicht was bepaald, was er natuurlijk niet één uit de duizenden boven den kinderlijken leeftijd, die op grond van het gewicht in de termen viel, om voor een heks te worden uitgemaakt. De heksenwegerij duurde tot 1729; de laatsten, die hier gewogen werden, waren Klaas Ariens van den Dool en zijn huisvrouw Neeltje Ariense Kersbergen, woonachtig onder Meerkerk. De heksenwaag schijnt door haar exacte proef veel goeds te hebben gedaan in den treurigen tijd, toen het bijgeloof nog zoo algemeen was en tot treurige daden leidde.
Sedert blijkt het aantal heksen te zijn verminderd. Maar, helaas! uitgestorven schijnen zij, volgens het bijgeloof, nog niet. Want al worden er geen vuurproeven meer genomen, toch lezen wij nog telkens, dat ongelukkigen, die van hekserij beschuldigd worden, aan mishandeling blootstaan.
Een prachtig bouwprodukt der westersche renaissance is het Stadhuis te Oudewater, in 1588 gesticht, met een voorpui, gekroond door leeuwen, die wapenschilden dragen, op den hardsteenen gevel der pui rustend.
In den voorgevel is de gerechtigheid afgebeeld en daaronder vindt men de wapens der steden Delft, Oudewater en Alkmaar. Uit het met leien gedekte dak verrijst een laag, vierkant torentje, dat in een achtkant klokkenkoepeltje eindigt. Voor enkele jaren is dit stadhuis gerestaureerd. Vooral de gevel met zijn afwisseling van baksteen en banden natuursteen, met de aesthetische verdeeling der vensters en deuren, maken dit gebouw tot een der fraaiste uit den renaissancetijd.
De vestibule van het stadhuis met eiken zoldering heeft nog een oude vierschaar of schepenbank.
Een merkwaardig gebouw is de Hervormde kerk met een hoogen toren, in den vorm van de Friesche kerktorens. Men weet niet met zekerheid, wanneer en door wien deze kerk gebouwd werd; in 1858 is zij in- en uitwendig vernieuwd. In deze kerk vindt men een marmeren gedenkteeken voor Rudolf Snellius van Royen, overleden als hoogleeraar te Leiden in 1613. Rudolf Snellius was de vader van Willebrordus Snellius, die hem ook opvolgde als hoogleeraar in de wiskunde, en beroemd werd door de nieuw gevonden methode der graadmeting.

Kaaspakhuis te Oudewater
Als wij Oudewater doorwandelen, zien wij nog vele geveltjes uit 1613 en ’14, maskers, wapens en symbolen in de gevels gebeiteld, schilderachtige bruggetjes en watergezichten. Ook de Hollandsche spreukenphilosophie ontbreekt hier niet bij de huizen, gelijk gevelopschriften, als: “Aan Gods zegen, Is alles gelegen” en dergelijke aanduiden.
Gebouwen uit de middeleeuwen vindt men er niet meer; het Oude Kasteel, dat aan de noord-oostzijde der stad verrees, is in 1585 afgebroken.
Van Oudewater gaan wij de grens der provincie Zuid-Holland over naar Utrecht en volgen steeds den IJseldijk. Spoedig bereiken wij het stadje Montfoort, aan den zuidelijken oever van den IJsel gelegen tusschen akkers en weiden. Het is een eenvoudig plaatsje met veel lage, kleine huisjes, in den zomer door gemis van boomen zeer zonnig. De nederzetting dankt misschien haar oorsprong aan het kasteel, in 1170 door bisschop Godfried van Rhenen hier gesticht. Het stadje biedt niets merkwaardigs aan; van het oude kasteel is echter nog een gedeelte in wezen, al werd het in vele opzichten veranderd. In 1672 lieten de Franschen het kasteel van Montfoort springen, zoodat alleen de voorpoort, met een zwaren toren aan beide zijden, bestaan bleef. In de 19e eeuw werd hier eerst een onderwijsinrichting gevestigd. De torens en poort van het voormalig slot vormen thans den ingang van een gesticht voor jeugdige, vrouwelijke veroordeelden, tevens een huis voor verbetering en opvoeding.

Stadhuis te Oudewater.
Meisjes, meest van 13 à 14 jaar, worden hier op een veroordeelend vonnis geplaatst. Het bezoek aan dit gesticht, welks gebouwen in vele opzichten verbetering behoeven, maakt een aangenamen indruk door de moederlijke warmte en volle toewijding, waarmede wij de directrice en eenige onderwijzeressen hun zwaren arbeid zagen volbrengen in een kring van meisjes, die niet zelden in hun eigenlijk “tehuis”, dat voor hen geen tehuis mocht en moest zijn, de oorzaak moeten zien, dat zij zoo spoedig op den slechten weg kwamen. Meer dan verzaakte ouderplicht spreekt uit de geschiedenis van menigeen, die zich dit gesticht tot verblijfplaats ziet aangewezen en van welke er velen gered zouden worden voor de toekomst, wanneer de ouderlijke macht niet als een satan loerde op haar prooi, om hen onder schoone voorwendselen spoedig weder ten verderve te voeren. Menig bezoek der ouders aan deze ongelukkigen gaat met het uitstrooien van slechte zaden in hun zielen gepaard, die welig opschieten en slechts met moeite weer kunnen worden uitgerukt. Doch niet altijd ligt de schuld rechtstreeks bij de ouders. Men ervaart hier, dat de zonde der vaderen zich wreekt tot in het derde en vierde geslacht.
De weg van Montfoort loopt verder langs den IJseldijk naar IJselstein. De oude rivierloop heeft hier tusschen de dijken de klei van eeuwen opgezameld en daardoor de grondstof opgehoopt voor vele steenbakkerijen, terwijl ook klei van hier naar de bakkerijen aan den Ouden-Rijn wordt gevoerd. Het blijft een vruchtbaar landschap, dat zich aan beide zijden langs den IJsel uitstrekt, met de beste graslanden en een bloeiende veeteelt en zuivelproduktie.
Zoo bereiken wij IJselstein, een klein, vriendelijk stadje aan den linkeroever van den IJsel, gedeeltelijk in het geboomte gelegen, dat aan den noordwestkant op den vroegeren wal verrijst. Als wij IJselstein van dien kant binnentreden, valt ons het eerst de mooie, flinke, Gothische kerk der R. K. in het oog, een nieuw gebouw. Bezienswaardig zijn het altaar en de preekstoel met keurig snijwerk, welke laatste uit een oudere kerk in de nieuwe is overgebracht. De rijke boeren in den omtrek schonken klokken aan deze kerk, die echter, als zij gelijktijdig luiden, niet samenstemmen.

Toren der Herv. Kerk te IJselstein.
IJselstein is als de meeste IJselsteden waarschijnlijk opgekomen bij een kasteel, dat der Heeren van IJselstein, afstammelingen van het destijds machtige Huis van Amstel. Wanneer hier het eerste kasteel gesticht werd, valt niet te zeggen, doch waarschijnlijk was het er reeds in 1144. Het slot bestond uit tal van trotsche gebouwen, met zware muren, die in de torens 1½ meter dikte bezaten. Nadat het slot reeds vele veranderingen had ondergaan en gedeeltelijk was gesloopt, werd het overblijvende in 1887 afgebroken. Het bestond destijds uit een aantal gebouwen, rondom een binnenplaats gelegen en afgesloten door een zwaren walmuur met drie verdedigingstorens; het geheel was omringd door een gracht. Over de brug en door een poort had men toegang tot het woonhuis. Daaruit leidde een galerij naar een zwaren toren met een vierkanten Gothischen traptoren er naast. Dit laatste was het belangrijkste gedeelte van het bouwwerk. Deze groote, 8 meter breede en 20 meter hooge traptoren, met dikke muren en verspringende ribgewelven is een zeer fraai en kunstig werkstuk, schier eenig in ons land. Gelukkig is dit gedeelte bewaard gebleven, door het Rijk gerestaureerd en in den ouden staat hersteld.
Bij het zien van dit laatste overblijfsel van het merkwaardige gebouw, thans tusschen aardappelvelden gelegen op de plek, waar zoo vele ridderbedrijven in de middeleeuwen werden afgespeeld, komen ons onwillekeurig enkele historische herinneringen voor den geest. Wij zien in gedachten, hoe in 1297 het slot IJselstein een zware belegering van de Hollanders te verduren had en men alles aanwendde, wat de krijgskunde dier dagen te aanschouwen gaf, om het te doen bezwijken. Bezitter van het slot was destijds Gijsbrecht van IJselstein, maar bij diens afwezigheid werd het door zijn kloekmoedige gemalin, Baerte van IJselstein, een jaar lang met moed en inspanning verdedigd, tot zij eindelijk voor de overmacht moest bukken, en slechts lijfsgenade voor zich en de helft der bezetting kon bedingen. De manschap bestond echter op het oogenblik der overgave, tot groote verbazing der belegeraars, uit niet meer dan 16 personen, van welke 8, door het lot hiertoe aangewezen, meedoogenloos onthoofd werden.
Nog menige belegering moest het slot sedert doorstaan. In 1374 deed de bisschop van Utrecht het plunderen; in 1411 verdedigde Floris van IJselstein het manmoedig tegen de Utrechtenaren, doch zes jaren later werd het door Utrechtenaren en Amersfoorters genomen en verbrand. Een dergelijk lot trof het slot weder, na hersteld te zijn, in 1466 door Adolf van Gelder. Nog werd het in 1482 belegerd door de Utrechtenaren, doch zonder gevolg. Bij de herinnering dier vele geschiedenissen, aan het oude slot verbonden, rijst onwillekeurig
voor het verwonderd oog Opnieuw het burchtgewelf omhoog, Zooals het prijkte in vroeger dagen; Dan krijgt de slotpoort als weleer Zijn ijzren vleugeldeuren weer; Dan wappert van den hoogen toren Opnieuw de blanke baanrol uit; Dan is ’t, of ’t avondzonnegloren Op ’t blank geslepen borstschild stuit En blikkert op de stormhelmetten En ’tflikkrend staal der krijgsgenetten, Die zich verdringen in het krijt En joken naar den strijd!
Dan treedt een sleep de hallen binnen Van edelvrouwen, jong en schoon, Van ridders, vurig in ’t beminnen, Van knapen, vrij en hoofsch van zinnen, En minstreels, die den zang beginnen Voor vrouwengunst en minneloon!
Waar is uw luister heengevaren? Herinn’ring bleef slechts van uw praal!
Ten zeerste juichen wij het toe, dat dergelijke overblijfselen uit vroeger eeuwen thans meer van regeeringswege tegen den ondergang bewaard worden, om daardoor ook in ons vaderland door gedenkstukken het verleden te leeren kennen.

Figuren der graftombe te IJselstein.
De oude Herv. Kerk, te midden van het plantsoen op den wal heeft een fraaien toren, op een zwaar vierkant onderstuk, en met een achtkant bovengedeelte, dat in vier omgangen afneemt. In het koor dezer kerk vindt men een verheven graftombe van vier vroegere heeren en vrouwen van IJselstein. De vier beelden van Namensch marmer, in biddende houding staande, met leeuwen en honden onder hun voeten, stellen voor Gijsbrecht van (Amstel) IJselstein, zijn echtgenoote Bertha van Heukelom, Arnold van IJselstein en Maria, bastaarddochter van Guy van Henegouwen. Een tweede tombe is gewijd aan de nagedachtenis van Aleide van Culemborg, vrouwe van IJselstein, in 1471 overleden; zij wordt voorgesteld in liggende houding, met haar kinderen aan het hoofdeinde, die de handen op het hoofd der moeder leggen.
Thans verlaten wij den IJsel, om onze wandeling langs de Maas en de Lek te vervolgen.