B. Langs de Lek, de Noord en de Merwede.
Reading edition
I. Naar Schoonhoven en Vreeswijk.
Wij maken in gedachten van Rotterdam uit een tochtje langs de Lek, eerst langs den noordoever, ongeveer tot de plaats, waar het Merwedekanaal deze rivier snijdt. Hier laten wij ons overzetten van Vreeswijk naar Vianen, om langs den zuidelijken Lekdijk terug te keeren, vervolgens langs de Noord en de Merwede naar Gorinchem en Loevestein te reizen en dan nog een tochtje te maken langs den benedenloop der Linge, ongeveer tot de grens der provinciën Zuid-Holland en Gelderland.
Een route, zooals wij ons thans voorstellen, zal zelden in deze orde plaatsgrijpen, doch wij wenschen geen Baedekers-rol te vervullen bij onze beschrijving van Nederland. Lang mogen wij ook hier niet bij de bijzonderheden blijven stilstaan. Wij moeten er ons mede vergenoegen, alles meer in vogelvlucht te beschouwen, om bij enkele in historisch opzicht belangrijke plekjes langer te vertoeven.
Van Rotterdam den hoogen, slingerenden Maasdijk volgend, bereiken wij weldra Kralingsche Veer, de bekende zalmmarkt, waar wij ons aan dit heerlijk rivierprodukt te goed kunnen doen. Een prachtig riviergezicht opent zich hier voor onzen blik. Aan den overkant van het breede water, tegen een eenigszins boschrijken achtergrond, verrijst het dorp IJselmonde. Het trotsche kasteel, door hoektorens gekroond en met een kleine spits in het midden, dat tot voor kort hier meer op den voorgrond trad, is thans verdwenen, waardoor IJselmonde veel van zijn schoon verloren heeft. Op de rivier en langs de oevers heerscht groote bedrijvigheid. Van Rotterdam tot Krimpen-aan-den-IJsel wordt de rivier omzoomd door een schier aaneensluitende reeks van fabrieken, scheepswerven, magazijnen enz., met de daaraan verbonden woonhuizen der arbeiders en fabrikanten.
Bij Krimpen-aan-den-IJsel laten wij ons over den IJsel zetten, volgen weder den dijk en komen bij Krimpen-aan-de-Lek bij laatstgenoemde rivier. Het dorp ziet er welvarend en levendig uit; onderscheidene fabrieken en de groote werf geven er veel bedrijvigheid. Ook de zalmvisscherij is er van groot belang. Het dorp is geheel in de lengte langs den dijk gebouwd en heeft daardoor in die richting een groote uitgestrektheid. Wij komen hier in het gewest der dijkdorpen, een type van nederzettingen, dat zich hier bijzonder ontwikkeld heeft, als gevolg van de gesteldheid des bodems.
Wanneer wij onzen weg door dit dorp vervolgen, bereiken wij met weinig overgangen het dorp Lekkerkerk, eveneens een lange reeks van huizen, meest onder langs den dijk gebouwd met een verbreeding van twee à drie rijen in de kom. Ook Lekkerkerk heeft nog eenige nijverheid aan de rivier te danken: een scheepswerf, touwslagerij, kalkblusscherij, teenhandel, zalmvisscherij, enz. Doch meer en meer verkrijgt hier het boerenbedrijf de overhand. Op verderen afstand ligt het dorp Ammerstol, aan den dijk gebouwd, een boerendorp met veel zandwerkers, visschers en teenhandelaars, en eindelijk zien wij het stadje Schoonhoven verrijzen aan de rivier.

Een kijkje op IJselmonde.
Het is een vruchtbaar, welvarend landschap, dat wij ten noorden vóór ons zien uitgestrekt, meest bestaande uit welige graslanden. Het land tusschen Lek en IJsel is het echte kaasland; de Stolksche kaas, naar het dorp Stolwijk ten Z. O. van Gouda, heeft een zekere beroemdheid erlangd. Het polderland is overdekt met onderscheidene boerendorpen, de huizen meest in lange rijën hol gebouwd langs de wegen en wateren, die het land doorsnijden, en doet dikwijls lieve plekjes ontstaan aan de door wilgen omzoomde binnenwateren. De Krimpener- en de Lopikerwaard nemen het land tusschen Lek en IJsel geheel in beslag. De eerste vormt een afzonderlijk Hoogheemraadschap, dat zich tot de grens der provincie uitstrekt, en welks land reeds in 1097 bekend was, daar Floris de Vette toen in een handvest bepalingen maakte omtrent het onderhouden van den dijk. Zeker is deze waard wel een der oudste, zoo niet de eerste der streken, welke hier tegen het water bedijkt zijn geworden.
Dat moest wel. De Lek, oorspronkelijk een kleinere sprank van den Rijn, werd een rivier met aanzienlijker waterafvoer, toen de Rijnloop langs den Krommen-Rijn en den Ouden-Rijn door de verzanding van den mond bij Katwijk zijn afvoervermogen verloor. Na de afdamming bij Wijk-bij-Duurstede moest de Lek al het water van dezen Rijntak afvoeren. Tusschen den IJsel en de Lek lag het lage land van genoemde waarden. Veelvuldig traden die wateren in den oudsten tijd vóór de bewoning dezer gewesten buiten hun oevers: dat bewijst de aanwezigheid van de zware kleizoomen. Doch toen de waterafvoer hier aanzienlijker werd, moesten er in het allengs meer bewoonde land wel dijken gebouwd, of liever, de eerst aangelegde dijkjes moesten wel zwaarder gemaakt worden. Die oude bedijking geschiedde echter niet op goede rivierkundige beginselen. Ginds bij Lekkerkerk naderen de hooge bandijken van beide kanten elkander veel dichter dan hoogerop boven Schoonhoven en verder. Zoo is de Lek bij hoogen waterstand een trechter gelijk; het water kan door de nauwe pijp niet weg en stuwt dan op tot aanzienlijke hoogte, 3 à 5 M., boven het land. De rivier, die wij op dit oogenblik schier in droomerige rust verzonken zien, kan daardoor dreigend worden voor de lage gewesten van Holland, en niet zelden bezweken dan ook de dijken. Als dat boven Vreeswijk geschiedde, liep een groot gedeelte van Holland onder water. Dit had plaats o. a. den 11en Jan. 1724, toen al het land tot Gouda en Schoonhoven en tot Alfen en Woerden overstroomde, en toen men hier het water tegenhield, stroomde het naar Amstelland en zelfs naar Amsterdam. Hetzelfde gebeurde ook in 1672, toen de Franschen den Lekdijk boven Vreeswijk doorstaken en het zoete rivierwater uit de Lek de grachten van Amsterdam vulde, zoodat de bierbrouwers in de stad zelf weder uit de stadsgrachten water voor het brouwen van hun bier konden verkrijgen. Aldus is de Lek een gevaarlijke rivier, die heel wat hoofdbrekens gekost heeft, doch thans in vrij zekeren toestand verkeert.
Wij wenden ons thans nader naar de stad Schoonhoven, een oud stadje, in de ellipsvormige gedaante van een oude vesting, met het smalle eind zoo rustig tegen de rivier gelegd, op de plaats, waar de Vliet, die van den IJsel te Haastrecht naar de Lek loopt, zich met deze rivier vereenigt. Een vesting is Schoonhoven niet meer; de wallen zijn gedeeltelijk in lommerrijk plantsoen herschapen en de grachten hebben hun beteekenis verloren.
Schoonhoven is regelmatig, welgebouwd. Grootsche gewrochten der bouwkunst zoekt men hier tevergeefs; de stad heeft meest lage huizen, enkele met een oud-Hollandsch uiterlijk, in trapjesgevels oprijzend. De voornaamste straat loopt langs de haven, aan beide zijden met linden beplant en door nette, flinke winkelhuizen omzoomd, terwijl eenige steenen boogbruggen de beide kaden verbinden. Hier verrijst ook het stadhuis aan de Steenenbrug, die een voorplein vormt. Het is een sierlijk, oud gebouw van zware, grijze steenen, door een trans, met leeuwen gekroond, omringd; een bordes, op welks leuningen leeuwen schilden dragen, geeft aan den voorkant toegang.

Zijgevel van het stadhuis te Schoonhoven.
In den toren vindt men een kunstig klokkenspel, gegoten van een kanon, dat Olivier van Noort, de eerste Nederlander die een reis om de wereld deed, bij zijn terugkomst in 1601 aan de stad schonk. In de vroedschapskamer vindt men fraai bewerkte tapijten, in Schoonhoven vervaardigd, een afbeelding van Jacoba van Beieren, naar het leven geschilderd, terwijl een halskraag, door de Gravin gedragen, en een tapijt, naar men meent door haar bewerkt, hier bewaard worden.
Aan de Waag op den Dam, in 1617 gebouwd, werd in vroeger tijden veel hennep gewogen, doch deze teelt heeft bijna opgehouden.
De Hervormde kerk is een oud gebouw, vóór de Hervorming aan den H. Bartholomeus gewijd. In deze kerk vindt men de grafplaats van Olivier van Noort, van wien Helmers zingt:
De held, die ’t eerst bij Neêrlands waatrenstoet Om d’aardbol zeilen durft, langs d’ ongekenden vloed, Door Magelhanesstraat de Zuidzee ingevaren, Chili doet siddren voor zijn stoute heldenscharen; De onmeetbre eenzaamheid der Zuidzee eerst doorsnijdt, Den Japannees verschrikt, den Portugees bestrijdt, Na drie jaar ’t vaderland komt als verwinnaar naadren, Verrijkt in wetenschap, in buit en lauwerblaadren.
Op zijn graf ziet men een schip, alsmede een kleed, met sterren bezaaid, waarop een aardbol en daaronder zijn wapen; onder het wapen en kleed leest men in het Latijn: “Hier rust Olivier van Noort, de vierde na Magelhaan, die de geheele aarde is omgezeild.” De toren der kerk is omstreeks 1659 geheel vernieuwd; hij is van Bentheimer steen opgetrokken, maar door zijn zwaarte scheef gezakt naar de oostzijde.
Van de bouwwerken moeten wij de aandacht vestigen op het sierlijke Veerpoortje van 1601, dat van den rivierdijk toegang geeft tot de stad.
Schoonhoven is waarschijnlijk opgekomen als nederzetting naast het slot, dat hier eens gestaan heeft bij de monding der Vlist, en die het eerst wordt genoemd in 1303, toen de plaats nog niet bemuurd was. Het slot, aanvankelijk de verblijfplaats voor de Heeren en Vrouwen van Schoonhoven, werd later de woonplaats der slotvoogden of kasteleins der stad. Waarschijnlijk werd het in 1577 door de inwoners geheel afgebroken; de plek, waar het gestaan heeft, valt niet met zekerheid aan te wijzen.

Veerpoort te Schoonhoven.
Of de eerste nederzetting om het slot gevestigd werd in de “schoone hoven” van het kasteel, zoodat de plaats daarnaar haar naam ontving? Wij durven het niet verzekeren, maar het lijkt niet onwaarschijnlijk. De visscherij op de rivier kwam hier spoedig tot bloei, zooals reeds het geval was in 1274.
Toen de plaats daarbij tolvrijheid in het Utrechtsche Stift verkreeg, breidde de handel zich uit en zoo bloeide zij op tot een levendig stadje, waar in de 17e eeuw de tapijtweverij tot ontwikkeling kwam. Ook de goud- en zilversmederij kwam hier voor een drietal eeuwen reeds tot bloei en in de 17e eeuw vond men de meest beroemde goud- en zilverdrijvers in Den Bosch en Schoonhoven. Adam van Vianen, de beroemdste drijver uit de 16e eeuw, van wien vele bekende drijfwerken afkomstig zijn, heeft hier gewoond. Terwijl verschillende andere takken van nijverheid hier opkwamen en te gronde gingen, bleef de zilversmederij er bestaan tot op onzen tijd, zoodat zij thans nog vele handen bezighoudt.
Wanneer wij Schoonhoven bezoeken, komt onwillekeurig de gedachte bij ons op aan Albrecht Beyling. Hoewel de historische critiek ook aan dit verhaal getornd heeft, verzekerde de archivaris der stad ons toch, dat de naam van den biechtvader en het laatste gebed van den ongelukkige gevonden waren bij oude stukken. Op een hoek van het bolwerk werd ons de plek aangewezen, waar de molen moet gestaan hebben, op welks werf het treurig drama zou zijn afgespeeld.

Polsbroek bij Schoonhoven.
Voorbij Schoonhoven zien wij langs den noorder Lekdijk niets merkwaardigs meer op onzen tocht, wanneer wij de schilderachtige dorpsgezichten uitzonderen, want deze vindt men in groote hoeveelheid in het lage land. Wij geven hier enkel een afbeelding van een gezicht op het dorp Polsbroek in de Lopikerwaard ten noorden van Schoonhoven.
Zoo bereiken wij langs den bochtigen, hoogen dijk de plek, waar het Merwedekanaal door sluizen met de Lek in verbinding staat, bijna onmiddellijk ten westen van het plaatsje Vreeswijk. Vreeswijk is gebouwd aan den Vaartschen Rijn, een kanaal, dat in 1148 gegraven is, om Utrecht met de Lek te verbinden. Het kanaal verkreeg den naam van “de Vaart”, later “Vaartsche Rijn”. Zware sluizen werden in deze vaart gebouwd. Aan den zuidelijken mond ontstond een plaatsje van neringdrijvenden, Vreeswijk, waar in 1217 al een kerk gevonden werd, en dat in de wandeling naar het kanaal “de Vaart” werd genoemd. Het is een eenvoudig, net plaatsje, aan beide zijden van het kanaal gebouwd, doch door het graven van het Merwedekanaal is het drukke scheepvaartverkeer buiten de plaats gebracht; enkele huizen zijn hier reeds aan gebouwd. De sterkte Gildenburg en andere vestingwerken, welke hier waren aangelegd, nadat het kanaal in 1373 verdiept en verbreed was, zijn verdwenen. In de 19e eeuw evenwel werd hier weder een fort gesticht, in verband met de waterlijn, die de vesting Holland in het oosten zal versterken.
Jutfaas is een dorp van nette huizen, in een lange strook ten westen van den Vaartschen Rijn gebouwd, en meest door neringdoenden bewoond. Tegenover het dorp ligt een sterk fort en daarnaast in de bosschen het buitentje Rijnhuizen.
II. Vianen.
Na dit zijuitstapje keeren wij langs den hoogen Lekdijk naar Vreeswijk terug tot de plek, waar de torenspitsen van IJselstein in het noorden op eenigen afstand uit het vlakke grasland verrijzen. Wij dalen den dijk af; de schipbrug voert ons over de rivier en wij staan, na een klein, armoedig voorstadje en een oude poort gepasseerd te zijn, op de breede Voorstraat van het oude stedeke Vianen. De zware, klassieke stadspomp, die hier voor enkele jaren in het midden nog verrees, vindt men er thans niet meer; zij is naar het Rijksmuseum te Amsterdam verhuisd.
De Voorstraat is omringd door flinke, nette huizen. In de eerste plaats valt het Stadhuis in het oog met zijn eigenaardigen hardsteenen gevel en een achthoekig, laag torentje in een zijstraat. Een ruime vestibule, met beelden en zolderbetimmering, geeft toegang tot het gebouw.
De kerk (Hervormde) te Vianen is een groot gebouw met een zwaren, vierkanten toren en een lage, vierkante spits. De eerste kapel te Vianen werd door Zweder van Vianen Huibrechtszoon gesticht, om daarin op een draagaltaar te bidden, te prediken en de missen te lezen. Doch in deze kerk mochten geen kinderen gedoopt, noch dooden begraven worden; de lijken moesten gebracht worden in de kerk te Hagestein (op korten afstand ten oosten), waar ook de sacramenten werden toegediend. Toen Vianen zich uitbreidde, werd de kerk in 1345 tot Parochiekerk verheven, doch onder voorwaarde, dat die te Hagestein als de moederkerk moest erkend blijven. Deze kerk werd ter nagedachtenis van Maria’s hemelvaart ingewijd. Bezienswaardig is in de kerk de aanzienlijke graftombe van heer Reinoud van Brederode (vader van den bekenden Hendrik). Toen deze in 1556 te Brussel was overleden, werd zijn lijk herwaarts overgebracht, waar hij met zijn echtgenoote, Philippote van der Mark, begraven werd. Een houten hek omringt het graf, dat overdekt wordt door een antiek bewerkt gehemelte, op acht kolommen rustend en keurig beschilderd. De tombe zelf rust op een massieve, zwart marmeren grondplaat, waarop een levensgroot mannelijk geraamte op een zeer natuurlijk gebeitelde mat ligt. Rondom staan kolommen van steen en op deze rust een massieve, zwart marmeren plaat met de levensgroote, fijn gebeitelde afbeeldsels der lijken van den Graaf en de Gravinne, rustende op kussens. Vier engelen met tropeeën omringen de slapenden en onderscheidene wapenschilden wijzen den hoogen rang aan van het geslacht der Brederodes.
Vianen is thans een stil, vergeten stadje, met een rustig, landelijk karakter. In verschillende straten wonen zelfs landbouwers. Van de oude vestingwerken is weinig anders meer over dan de Lekpoort, bovengenoemd; eenige kanonnen op den dijk, naar de rivier gericht, zijn hier geplaatst om bij ijsgang dienst te doen.
Het slot Batenstein ten westen van Vianen, doch door een gracht er van gescheiden, dat in 1370 door Gijsbrecht van Vianen gebouwd en naar zijn echtgenoote Beatrix of Bate (dochter van Jan XIX, Heer van Egmond) genoemd werd, met een grooten, zwaren toren, St. Pol of Simpel geheeten, die zonder vensters en van binnen zonder woning was, is in het midden der 18e eeuw door een ongeluk zoo goed als afgebrand.

Stadhuis te Vianen.
Alleen bleef toen nog over:
Een grafelijke toren, Het overschot van vroeger eeuw, Toen Hollands fiere vrijheidsleeuw Zijn brulstem hier deed hooren;
Toen Brederodes edel bloed Vianen als zijn have en goed Veredelde en versierde.
Toen steeds een fiere ridderdrom, De bloem van Hollands adeldom, Langs zijne vesten zwierde.
Die toren spiegelt zich in ’t nat, Des Lekstrooms, die hier bij de stad Op kleinen afstand heenvloeit, Terwijl een schaduwrijk geboomt Langs de aarden wal, die ’t slot omzoomt, Rondomme welig opgroeit.
Zoo was het overblijfsel van het slot nog in ’t begin der 19e eeuw, toen Ockerse er een romance aan verbond. Maar thans is er niets meer van over; in eenige tuinen wordt enkel de plaats aangewezen, waar het trotsche gebouw eenmaal gestaan heeft.
Tegenwoordig levert Vianen weinig belangrijks meer op. Hoepelmakerij, steenbakkerij, mattenmakerijen, landbouw en veeteelt, handel in ooft en kersen zijn de hoofdbronnen van bestaan voor het stille stadje. Enkele historische herinneringen zijn nog aan deze plek verbonden, waarbij wij kortelijk willen stilstaan, vóór wij de plaats verlaten. De twisten der heeren van het slot Batenstein zullen wij niet gedenken; alleen mogen wij er op wijzen, dat de ligging op de grens van Holland en Utrecht Vianen herhaaldelijk in gevaar bracht. In 1567 deed Hendrik van Brederode het slot van Vianen, op raad van den Prins van Oranje, versterken, terwijl de anti-Katholieken het van krijgsbehoeften en mondvoorraad voorzagen. In 1672 werd Vianen door de Franschen bezet en voor 9 à 10.000 gulden gebrandschat; in 1787 werd het geplunderd door de Pruisen. De beroemde generaal La Fayette, een der helden van de groote Fransche revolutie, die na zijn gevangenzetting door de Oostenrijkers te Olmütz in 1797 op vrije voeten gesteld werd, is eenigen tijd op den huize Buitenlust te Vianen woonachtig geweest.
Het land van Vianen was vanouds een vrije heerlijkheid en behoorde aanvankelijk tot het graafschap Teisterbant. De heerlijkheid had haar oorsprong in het bouwen van het slot, Vianen geheeten, door Zweder, een der jongere zonen uit den huize Kuilenburg, in 1213, of volgens anderen reeds in 1190.
Na het bouwen van dit slot breidde zich het in de nabijheid gelegen dorp Heelsloot uit en de Heeren van het slot noemden zich eerst Heeren van Heelsloot, later van Bosichem en eindelijk van Vianen. Nadat dit oude slot was afgebroken, werd in 1370 het slot Batenstein gesticht. In 1418 kwam de heerlijkheid door aanhuwelijking aan het doorluchtig huis van Brederode, aan welk geslacht zij bleef tot 1679, toen Wolfert van Brederode, de laatste uit dit geslacht, ongehuwd overleed. Toen door aanhuwelijking de heerlijke goederen van Vianen eindelijk aan den Graaf van Lippe Detmolt gekomen waren en zijn kleinzoon Simon Hendrik Adolf niet ongeneigd was deze heerlijkheid aan een vreemden vorst te verkoopen, wisten de Staten van Holland en West-Friesland haar door koop te verkrijgen, om te voorkomen, dat een vreemde vorst binnen hun provincie toegang verkreeg. Zoo werd de heerlijkheid Vianen in 1725 met al haar gerechtigheden voor de som van 898.200 gulden verkocht en den 2en November van dat jaar geschiedde met veel plechtigheid de huldiging van den nieuwen Heer.

Het kasteel Batenstein te Vianen (1607).
De Heeren van Brederode hebben de Heerlijkheid Vianen altijd als onafhankelijk beschouwd van eenige oppermacht en verklaarden “dat zij deze alleen hielden van den God van Hemelrijk, Zonne en Maan”, een verklaring, die van de zijde van Utrecht heftig protest uitlokte. De Heeren van Vianen boden op hun gebied ook niet zelden een veilige schuilplaats aan de vijanden van den Bisschop. Toen Karel V, op verzoek van Reinoud van Brederode, Vianen tot een graafschap wilde verheffen, doch op voorwaarde, dat de Heer van Vianen aan den Keizer als Graaf van Holland trouw en hulde zou zweren, in zaken van justitie onder den Raad van Holland zou staan en in alle souvereiniteit daaraan onderdanig, nam de souvereine Heer die voorwaarde niet aan. Herhaaldelijk hebben de Heeren van Vianen hun souvereiniteitsrechten verdedigd tegenover Utrecht, Filips II, Holland e. a. Door deze zelfstandigheid was Vianen een vrijplaats, waar uitgewekenen om schulden een veilig toevluchtsoord vonden. Dat hiervan nogal gebruik gemaakt werd, blijkt uit de spreekwijze: “hij is naar Vianen”, welke wij nog voor een dertigtal jaren in het noorden van ons land hoorden, en die in het begin der 19e eeuw te Amsterdam algemeen was, om een bankroetier aan te duiden, van wiens schulden niets terecht zou komen. Vianen had in den volksmond dien slechten naam vooral gekregen in de periode van den windhandel (1720). In dien tijd toch werd Vianen door hekeldichters met spot genoemd als het toevluchtsoord der actionisten. In een tooneelstukje uit die dagen werden de actionisten voorgesteld als “reisvaardig naar Vianen”, dat het eind der “windnegocie” zou zijn.

Gezicht op Vianen.
Een man antwoordt daarin op de bedenkingen van zijn vrouw over zijn dobbelspel:
Hoor, vrouw, al die napraat dient nergens voor als om mij te verstoren; Ik heb, als al de rest, mijn geld geavontuurd, en ben ik ’t kwijt, ik heb nog moed, Want een eerlijk bankroet of een reisje naar Vianen maakt al die achterstalten goed.
De Heeren van Vianen hadden over deze heerlijkheid een gerechtshof, recht doende in hoogste ressort. Ook die van Ameide, Meerkerk en Tienhoven stonden hiervoor terecht. Vianen, als hoofdplaats der heerlijkheid, had daaraan mede zijn opkomst te danken. Hoewel Holland steeds de souvereiniteit der Heeren van Vianen bestreden had, hield het zelf toch stipt daaraan vast, toen het deze heerlijkheid in 1725 had gekocht, en de Staten van Holland en West-Friesland noemden zich sedert ook “Souvereinen van Vianen, Ameide en onderhoorige Domeinen”.
III. Rondom en door de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden.
Van den hoogen dijk buiten Vianen werpen wij een overzichtsblik op het landschap, dat zich in stillen eenvoud uitstrekt langs de oevers der Lek en waar men nog iets van het oude volkskarakter met het conservatisme, dezen landbewoners zoo sterk eigen, vindt. Wij zien daar land en volk nog bijna, gelijk M. C. van Hall die beschreef in 1811:
Hoeve en land, Vliet en bosschen, rieten daken Door Pomona mild omplant, Waar, in grove pij gedoken, ’t Bruingeel pijpjen aangestoken Nijvre landman koning was, ’t Zij men hem op ’t paard zag rennen, Ceres’ schatten huiswaarts mennen, ’t Zij de meester voor hem las. Waar natuur langs beemd en weien Milde giften lachend strooit, En gezonde maagdenreien Met den blos der onschuld tooit: Waar eenvoudigheid van zeden, Als een godheid aangebeden, Outer en kapel bezat.
Hier, tusschen de Lek in het noorden, de Merwede (Boven- en Beneden-Merwede) in het zuiden en de Noord in het westen, liggen de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, welke laatste in het oosten door den Diefdijk en den Nieuwen Lingedijk worden gescheiden van de Tielerwaard in Gelderland.
Als men over den Lekdijk, den Kinderdijk of den dijk langs de Merwede wandelt en den blik laat weiden over het landschap, valt ons onmiddellijk in het oog, dat de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden een diepe inzinking vormen. Het is, of een machtige hand op de aarde gelegd is, die dat deel nederdrukte, terwijl enkel de rivierdijken bleven staan; of, anders: alsof de groote rivieren met hun dijken rondom de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden hoog boven het land zijn opgebouwd, om de lage landen met een vaste borstwering te omsluiten en tevens aan voortdurend gevaar bloot te stellen. De borstwering der dijken is onmisbaar voor dit ketelland. Thans, op een schoonen, stillen dag, in het hart van den zomer, liggen die rivieren in droomerige rust, vreedzaam hun wateren voortstuwend naar de zee, geregeld zelfs een gedeelte van den dag in het benedengedeelte tegengehouden door den vloed van de zee, die òf de rivierwateren opstuwt, òf zelfs het water van de breede riviermonden nog de rivier doet oploopen, om met ebbe des te sneller af te stroomen. Maar toch, in het oosten van de Waard ligt het land nog bijna 1½ meter lager dan de gemiddelde zomerwaterstand van de Lek, en in het westen, bij Alblasserdam, zelfs tot 2¼ meter lager dan de aangrenzende Lek tijdens zomerstand bij vloed. Wanneer wij hierbij bedenken, dat de Lek bij hoogsten stand soms tot 4 meter boven den gemiddelden waterstand rijst, dan wordt het ons duidelijk, dat bij winterstormen, als de west-orkanen het zeewater niet alleen opstuwen langs onze kust, maar ook opdrijven in de zeegaten en riviermonden, wanneer daarbij gelijktijdig de rivieren een aanzienlijken afvoer van bovenwater hebben, de geheele Alblasserwaard als een schip diep te midden van de woedende golven ligt, die, als zij de overwinning behaalden, het geheele land in een zee zouden herscheppen.
En toch, eens moet er een tijd geweest zijn, dat deze landen door de armen der rivieren vrij doorstroomd werden, niet gebonden door dijken en dammen. Zoo zullen de oudste bewoners deze landen gevonden hebben in den aanvang der geschiedenis. Ongetwijfeld moet de algemeene waterstand der rivieren in dien tijd lager geweest zijn, zooals wij dat ook voor Holland leerden kennen, doch tevens mag men aannemen, dat de eerste bewoners herhaaldelijk tegen het water hadden te strijden, en dat de watertoestand veel te wenschen overliet.
“Strijd tegen het water” was het wachtwoord van de oudste bewoners dezer landen. In de lage Alblasserwaard is de bedijking reeds zeer vroeg begonnen; zeker is deze een der oudste bedijkingen van ons land. Aanvankelijk was de bedijking niet zoo aaneensluitend als tegenwoordig, en de landen van Hardingsveld, met Giesen-Nieuwkerk ten Z.O., en die van Papendrecht, Alblas, Alblasserdam en Nieuw-Lekkerland ten W., waren ieder op zichzelf bedijkt. Het oudste handvest, dat op het dijkrecht dezer landen betrekking heeft, dagteekent van 1277, doch reeds veel vroeger bestonden de afzonderlijke bedijkingen. Die bedijkingen werden van lieverlede uitgebreid door nieuwe, en nadat in 1365 de landen van het watertje de Alblas binnen de bedijking gebracht waren, verkreeg een grooter gebied allengs den naam van Alblasserwaard.
De strijd tegen het water werd ook in deze landen het gemeenschappelijk belang, dat de bewoners vereenigde tot een bepaald doel en binnen een bepaalden kring, doch niet verder en niet in uitgebreider beteekenis. Door die vereeniging van polders ontstond het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard, een hoofdwaterschap, dat alle landen tusschen Lek, Noord en Merwede ten westen van de Zouwe- en Bareldijken en den rechter Lingedijk van Arkelschendam tot Gorinchem omvat, en bij genoemden giftbrief van 1277 erkend werd, doch zeker ouder is.
Ten oosten van de Alblasserwaard tot den Diefdijk, die het water van de beneden-Betuwe bij een mogelijke overstrooming aldaar tegenhoudt, ligt het gebied der Vijfheerenlanden, welk Hoogheemraadschap reeds in 1284 schijnt te hebben bestaan en genoemd is naar de vijf Heeren, die hier oudtijds het gezag uitoefenden, nl. Arkel (boven de Zouwe), Vianen, Hagestein, Everdingen en Ter-Leede (Leerdam).
Deze beide machtige Hoogheemraadschappen hebben de zorg voor de zware waterkeerende dijken in het geheele gebied in handen; zij houden voortdurend den zorgvollen blik gewend op de grenzen van hun rechtsgebied en op den vijand daarbuiten, die nimmer te vertrouwen valt. Zelfs in tijden van watervrede, zooals thans in het hart van den zomer, rusten de Hoogheemraadschappen niet, maar houden zij het “Si vis pacem para bellum” steeds in gedachten en bereiden zich ten strijde. Maar als de stormwind over de gezwollen wateren giert of ijsdammen en kruiende rivieren de banen der stroomen dreigen op te drijven over het lage land en gereed staan, de resultaten van eeuwen arbeids en het bestaan van duizenden bewoners te vernietigen, dan vergaderen de Hoogheemraden in het Gemeenelandshuis op den dijk, dag en nacht de grenzen bewakend en hun leger onder de wapenen houdend, om op het eerste sein van een beslissenden aanval gereed te zijn tot de verdediging van den vaderlandschen grond.
Herhaaldelijk is dit gewest in den loop der eeuwen aan overstroomingen ten prooi geweest. Wij noemen enkel de jaartallen, om een begrip te geven van de geschiedenis van dien worstelstrijd met het element, doch kunnen bij de bijzonderheden dier rampen niet stilstaan. Overstroomingen hadden hier plaats 1 Nov. 1470, in 1530, 1532, 1552, 1565, 1570, 1571, 1573, 1577, 1595, 1599, 1658, 1663, 1682, 1709, 1726, 1740, 1741, 1744, 1809 en 1820. Na 1820 hebben er geen nieuwe doorbraken plaats gehad en acht men er zich vrij veilig. Maar toch zijn enkele oude boeren, door overlevering met het verleden bekend, nog steeds gewoon, om voorzorgsmaatregelen tegen overstrooming te nemen. Zoo vindt men in het plaatsje Nieuwpoort aan de Lek, dat door dijken en hooge ligging bij overstrooming een veilig toevluchtsoord vormt, onderscheidene schuren en huizen; welke het eigendom zijn van boeren uit den omtrek, die er jaarlijks eenig hooi bergen, enkel voor het mogelijke geval, dat overstrooming hen noodzaakt, voor hun vee en hun gezin hier een toevlucht te zoeken.
Wij volgen thans den kronkelenden Lekdijk, die tusschen de schoone graslanden der uiterwaarden en der polders, hier en daar afgewisseld met ruige griendbosschen, in bevallige bochten voortslingert op eenigen afstand van de rivier en van zijn hooge kruin, welke tot 5 à 5½ meter + A. P. ligt, een schoon uitzicht geeft op het thans zoo rustige water en het heerlijke landschap achter den dijk.
Voorbij het gehucht Helsdingen, op korten afstand van den dijk, voorbij het nette dorp Leksmond, met een fraaie Herv. kerk, en langs het gehucht Kersbergen bereiken wij weldra Ameide, in de buurt veelal Ter-Mey geheeten.
Ameide is een net, vriendelijk plaatsje, stadsachtig gebouwd, met nette, burgerlijke huizen aan den binnenkant en tegen den Lekdijk gelegen, met ruim 1500 inwoners, die in mandenmakerij en teenwerken, in landbouw en veeteelt bronnen van bestaan vinden. De paardenmarkt te Ameide wordt wel niet zoo druk meer bezocht als vroeger, maar is toch een der belangrijkste uit de provincie. Van den Lekdijk valt onmiddellijk de breede hoofdstraat van het dorp in het oog, in welker midden het Raadhuis staat, eenigszins in Oud-Hollandschen stijl opgetrokken. Aan den achterkant van het dorp ligt het zindelijk gewitte kerkje, met zijn lagen toren, geheel in de schaduw der olmen, terwijl een ooievaarspaar zijn zomerwoning op de kerk elk jaar getrouw bezoekt.
Ameide was voorheen een stadje, van poorten voorzien; men weet het niet zeker, maar waarschijnlijk werd het reeds in 1527 door de Utrechtschen ontmanteld, toen dezen Ameide namen. In den oorlog tusschen Otto, Heer van Arkel, en Hendrik, Heer van Vianen, werd Ameide geheel in de asch gelegd; eveneens werd het dorp in 1672 door de Franschen afgebrand. Alleen de kerk bleef destijds gespaard.
Langs den Lekdijk bereiken wij na weinige minuten het kleine dorp Tienhoven. Vroeger lag het slot Herlaar, ook wel het slot te Ameide genoemd, tusschen Ameide en Tienhoven, niet ver van den oever der Lek. Eenige notenboomen, ten oosten van Tienhoven, wijzen de plek aan, waar het oude slot gestaan heeft. In het midden der 18e eeuw vond men er enkel nog een stuk muur van het oude slot, waarnaast een nieuw gebouw was opgericht, het “Huis te Herlaar” geheeten, dat thans ook verdwenen is.
Verder den Lekdijk volgende, komen wij voorbij het dorpje Langerak, waar vroeger het adellijk Huis Langerak stond, dat van de 13e tot de 16e eeuw door het geslacht der Langerak’s, later door de Boetzelaar’s bezeten werd, doch in het laatst der 18e eeuw is gesloopt.
Binnen enkele minuten staan wij voor de poorten van Nieuwpoort. Inderdaad heeft dit stadje nog overblijfselen van wallen en grachten, doch de eerste zijn ten deele geslecht en met boomen beplant geworden, waardoor van verre Nieuwpoort als in een bosch verscholen schijnt te liggen. Oudtijds is Nieuwpoort een stad geweest, in 1402 zelfs tamelijk bevolkt; het had bierbrouwerijen en oliemolens. Hoewel Nieuwpoort achteruit ging, heeft het toch lang zijn stadsrechten behouden; in 1673 werd het zelfs opnieuw versterkt wegens den oorlog tegen de Franschen, zooals de poort aan den kant van de Alblasserwaard aanduidt door het opschrift:
PRO DEFENDENDA RELIGIONE ET LIBERTATE PATRIAE HAEC URBS FOSSIS MOENIBUSQUE EST CIRCUMDATA
Ao 1673
d. i. “Ter verdediging van den godsdienst en de vrijheid des lands is deze stad met grachten en wallen omringd. In het jaar 1673”. Herhaaldelijk heeft Nieuwpoort aan belegering blootgestaan en werd het stadje door de rampen des oorlogs geteisterd. Uit een historisch-staatsrechtelijk oogpunt vormde Nieuwpoort een curiosum, daar het eeuwen lang onder twee heeren stond, die zich beiden heer van half-Nieuwpoort noemden: de baronnen van Liesveld en de heeren van Langerak; eerstgenoemden waren leenmannen van Holland, de laatsten van het Sticht. Nieuwpoort behoorde dus half tot Holland, half tot het Sticht. Eigenaardig is de bepaling, dat, als die heeren het oneens waren, de bewoners van Nieuwpoort zich neutraal moesten houden.
Thans is Nieuwpoort een vriendelijk, stil rivierstadje met ongeveer 650 inwoners, die meestal in visscherij, hoepelmakerij en winkelnering hun bestaan vinden. Enkele trapjesgevels geven aan de straten nog een oud-Hollandsch cachet.
Verder leidt de weg over Groot-Ammers, een flink, goed gebouwd dorp aan den Lekdijk, met levendigen kaashandel; over Streefkerk, een schoon dorp, waar men volgens overlevering de kerk heeft opgebouwd van de steenen van het oude slot Schoonenburg; Nieuw-Lekkerland, een dijkdorp, en vervolgens bereiken wij Elshout, een gehucht aan den dijk.
Hier staan wij op een uit een hydrographisch oogpunt belangrijke plek van de Alblasserwaard. Ziet gij daar die sluizen in den dijk en dat viertal evenwijdige kanalen, slechts door smalle dijken of landstrooken gescheiden, die zich te midden van rietlanden in de Waard uitstrekken, enkel met een rij van watermolens omzoomd? Dat is het afwateringsstelsel van de Alblasserwaard.
De dijken langs de groote rivieren houden het buitenwater tegen, om de lage kom geen last te veroorzaken. Doch het overvloedige water, dat binnen die dijken gevallen is, of als kwel door de dijken er binnenkomt, moet eveneens geloosd worden. Dit nu geschiedt langs de watertjes daarginds diep door de Alblasserwaard. De Boezem van de Overwaard, die wij niet verre van de Lek zagen, voert het water naar dit laagste gedeelte in het westen. Maar hier kan het meestal niet op de rivier loozen, omdat die te hoogen waterstand heeft. De windmolens, welke gij daarginds op een rij langs den boezem ziet, voeren dat water eerst één trap naar boven en pompen het uit in die hoogere waterloopen, welke, als zij het aangevoerde water niet kunnen bevatten, zonder schade de ingedijkte rietlanden daarnaast kunnen laten overstroomen. Deze noemt men te zamen den Hoogen Boezem van de Overwaard, omdat daar het water van den Boezem van de Overwaard eerst in wordt uitgestort. En het stoomgemaal, dat gij hier aan den dijk ziet, doet het verdere. Dat brengt het water nog weer één trap naar boven, nl. van den hoogen boezem op de rivier. Zoo wordt het overtollige water trap na trap naar boven gevoerd, en door die reeks van kunstmiddelen is het alleen mogelijk, dit land bewoonbaar te houden.
Die tweede reeks van molens heeft dezelfde taak te verrichten. Uit de Alblas of Graafstroom, een waterschap, dat midden door de Alblasserwaard loopt en waarop het overtollige water van het zuidelijk gedeelte van de Alblasserwaard loost, loopt een zijtak naar dit punt, en die reeks watermolens daar rechts pompen het water hiervan uit op den Hoogen Boezem van de Nederwaard, het water en de rietlanden, welke gij daarnaast ziet liggen omvattend, terwijl het van hier eveneens door een stoomgemaal weer wordt afgepompt op de Lek.
Thans staan wij aan een gedeelte van de Alblasserwaard, dat in economisch en industrieel opzicht het belangrijkste is, nl. den dijk langs de Noord en de Merwede.
De Noord ligt daar vóór ons, een schijnbaar regelmatig verbindingswater, dat de Merwede met de Lek vereenigt. Doch zoo regelmatig als thans dat statige, ernstige water schijnt, is het niet altijd geweest. Dit blijkt ons reeds uit den onregelmatigen loop der hooge dijken, die op enkele gedeelten, zooals bij Ridderkerk aan de overzijde, bij Alblasserdam en ten zuiden van dit dorp, zich in groote bochten van de rivier afwenden, om haar vervolgens weder te naderen. Ook de geschiedenis van de Noord wijst op grond van verschillende mededeelingen aan, dat zich hier in historischen tijd een belangrijk proces van verandering in de rivierloopen moet hebben afgespeeld.

Watermolens bij den Kinderdijk.
Wanneer wij thans den dijk over wandelen, komen wij aan den Kinderdijk, den dijk, waarbij, volgens de overlevering, tijdens den grooten St.-Elizabethsvloed in 1421 een wieg met een kind aanspoelde, door een kat in evenwicht gehouden op de woelende wateren, die de geheele landstreek overdekten. De Kinderdijk sluit zich aan bij Alblasserdam als een lange, schier onafgebroken doorloopende streek van nette en flinke huizen, meest aan den achterkant gebouwd tegen den dijk, zoodat de tuintjes en tuinkamers der huizen eenige meters lager liggen dan de ingang. De walen of gaten in de lage landen achter den dijk, waarvan de Rijzenwaal en de Lammetjeswaal de grootste zijn, wijzen op de vroegere doorbraken van den dijk, waarbij het binnenstroomende water door zijn draaikolken diepe kommen in het land ploegde.
Aan den Kinderdijk en te Alblasserdam vindt men geen grootsche bouwwerken te bewonderen. Toch heeft de natuur er veel eigenaardigs en liefelijk Hollandsch. De riviergezichten van Elshout bij ondergaande zon, wanneer het hemelgoud de kabbelende wateren overdekt en hier en daar zich weerspiegelt in de ruiten van de alleenstaande dijkwoningen, als gloriebladeren op het landschap schitterend, zijn eenig. En in den winter, als het riet en het lage houtgewas van den Hoogen Boezem en langs de slooten in de Waard glinsteren van ijzel en rijm, kan het lage polderland aan de rivieren een natuurschoon aanbieden, zooals men zelden elders vindt. De kleuren des hemels en de physionomie van het wolkenlandschap spreken hier, om den indruk te versterken, zoowel van de lucht als van de wateren, en elke windvlaag doet zich als een zichtbare echo nog eens kennen door de golven. Het waterlandschap stemt in zijn schakeeringen tot overpeinzing, en dan bovenal tot droefgeestige, wanneer een donkere hemel er zich over welft. Zoo zag Charlotte van Herwerden die natuur, toen zij het Lied van den Molen zong.
Tegen wild bewogen nachtlucht, zwart, Roerloos, groot, een molen boven ’t lage Land, de wieken stil, een mensch in smart, Ten hemel de armen, wanhoop-stom geslagen.
Schuur en huizen naast hem leunend laag, Half door dampe’ omsluierd, die opstijgen, Schijnen vrouwe in stil gebed;—geklaag Van wind gaat over hun tooverkring van zwijgen.
Vreemd verwrongen wilgen kreunen, ’t haar Woest schuddend; ’t riet zucht steunend, als gebogen, Angst-gedreevnen vluchten neevlen... Maar De anders door elk minst gewaai bewogen Molen,—nu onder ’t wild wolken-jagen, Tusschen ’t zwiep-gegolf van wilge’ en weiden, Staat onwrikbaar. Beeld van tragisch lijden, Licht bewoogne’ in hoogste smart niet kunnend klagen.
Doch moge dit landschap den dichter tot droomen gestemd hebben, het heeft de bevolking tot kracht opgevoed en voortgestuwd door de volte van het bedrijvige leven. Bovenal is deze streek beroemd door zijn levendige nijverheid en den ondernemenden geest der bewoners. Langs den geheelen weg klopt en hamert en beukt het rusteloos op fabrieken en scheepshellingen, waar zware schepen en krachtige machines naar de nieuwste eischen gebouwd en bruggen, drijvende dokken geconstrueerd en bewerkt worden, en waar een fabriek van verduurzaamde levensmiddelen, een groote garenspinnerij werken naast andere takken van nijverheid. Nederland is geen industrieel land, beweert men, en dit is gedeeltelijk juist. Doch wie van Rotterdam de Maas en verder de Noord opvaart naar Dordrecht, ziet langs deze wateren zooveel fabrieken van verschillenden aard bloeien, met den scheepsbouw in de eerste plaats, dat men niet zonder voorbehoud die uitspraak mag aanvaarden. De groote Rijnschepen worden hier nog altijd het best gebouwd, zelfs voor Duitschland, en ook de baggermachines zijn een produkt der Nederlandsche nijverheid in deze streken.
Toch is de levendige groot-industrie in deze streek niet van ouden datum. Wel bestond hier reeds lang scheepsbouw, doch hoofdzakelijk bepaalde die zich tot het bouwen van hoogaarzen en andere houten schepen. Eerst met den toenemenden bloei der scheepvaart op de Nieuwe-Maas en de ontwikkeling van Rotterdam’s handel trokken enkele ondernemende bewoners van de Noord van de gunstige ligging dezer streek partij en breidden zij hun zaken, die lang op eenvoudige wijze en op kleine schaal gedreven werden, uit, en toen de ijzeren stoomschepen de houten schepen vervingen, draalde men ook niet, om de resultaten der nieuwere techniek toe te passen. Zoo was hier de overgang van den houten tot den ijzeren scheepsbouw voltooid en had hij zijn volledig beslag verkregen in den tijd, toen elders, bijv. in de Groninger veenkoloniën, de houten scheepsbouw langzamerhand uitstierf. In de meest bloeiende jaren voor handel en verkeer, na 1870, had de metamorphose zich hier voltooid en kon men er de vruchten plukken van deze omkeering, toen elders het tijdperk van kwijning aanbrak.

Kattewaal aan den Kinderdijk.
Bovenal was die industriëele omkeer langs de Noord aan enkele ondernemende familiën te danken, welke hier nog gevonden worden, en die daardoor tot de invloedrijkste dezer streek behooren en den toon aangeven. De namen Smit, Lels, enz. zijn in den lande algemeen bekend. In den ondernemingsgeest dier familiën vindt men dan ook de bron van een cosmopolitisme, zooals dat den ouden Hollanders eigen was, die in vreemde landen gaarne den voet drukten. En het behoeft u niet te verwonderen, wanneer u in de nette, flink burgerlijke huizen dezer streek photographieën of aardigheden vertoond worden uit China, Japan, Indië, Kambodja, Amerika, enz., welke de heer des huizes zelf heeft medegebracht van zijn reizen, of dat hij u verhalen doet van een bezoek bij den Vorst van Siam, van zijn kijkje op de Noordkaap, enz. De mannen van zaken slaan de blikken rond in de wereld: in hun jeugd, om de wereld te leeren kennen; als mannen, om de vleugelen van hun ondernemingsgeest dáár uit te slaan, waar te handelen valt. En bij dat wereldburgerschap is een eenvoud bewaard, een samengaan van patroons met werklieden, een praktische geest, om bij de arbeiders ook het sparen aan te moedigen, dat men, als men de hamers niet hoorde dreunen, den Kinderdijk niet voor een fabriekplaats van beteekenis zou aanzien, maar eerder voor een dorp van nette, burgerlijke welvaart en met enkele aanzienlijke huizen.

Huis “te Kinderdijk”, Alblasserdam.
Alblasserdam is een net dorp, hoofdzakelijk gebouwd langs den hoofddijk, met een paar zijstraten langs de Alblas, op het punt, waar dit water door een sluis met de Noord in verbinding staat. Een oude schutsluis, van 1780, met bogen onder den dijk door, geeft hier gelegenheid, om nog water uit de Alblas te loozen, en om met kleine schepen in de Alblasserwaard te komen. Aan de afsluiting van de Alblas door een dam, om het water te keeren, zeker aanvankelijk met een overtoom en een duiker, den oudsten verbindingsvorm in Nederland over de afgedamde wateren aan den mond, was het ontstaan van een dorp te danken, waar bij den uitvoer der produkten uit de Alblasserwaard de schippers eenigen tijd vertoefden. Dat dorpje werd natuurlijk “Alblasserdam” geheeten. Lang vond het plaatsje in dit verkeer zijn bron van bestaan, totdat scheepsbouw en andere nijverheid door de gunstige ligging hier een verblijfplaats kozen en het tot een aanzienlijk dorp maakten.
Naast de sluis staat het Gemeenelandshuis. Den toren der vroegere kerk vindt men nog een eind binnendijks, niet ver van de Alblas; de kerk werd voor een zestigtal jaren door een nieuwe op den dijk vervangen, welke thans weder geheel nieuw is opgebouwd.
Wij kunnen thans de verzoeking geen weerstand bieden, om langs den vriendelijken Graafstroom, die in den zomer zoo bekoorlijk kan zijn, in gedachten even het land in te gaan.
Al bezit de Graafstroom niets buitengewoons, dat de aandacht trekt, toch heeft de natuur hier een lief en aantrekkelijk voorkomen, iets innigs. Hollandsch is haar wezen. Schilderachtig kronkelt in den benedenloop het water door het rustige landschap, waar men van verre de hamerslagen hoort klinken van de levendige Noord; in het bovengedeelte is de Graafstroom meer een rechte waterloop. Bijna over de geheele lengte is het watertje met wilgen omzoomd, die aan de vochtige oevers welig opschietend, hun hangende takken in de effen watervlakte weerspiegelen en ook in rijen langs de slooten het landschap doorsnijden. Het zou niet oneigenaardig zijn, de Alblasserwaard “de Wilgenwaard” te noemen. Langs den Graafstroom vindt men overal de zindelijk gewitte trapjes, die tot het stille water afdalen, waar de vrouwen en jongedochters in de morgenuren het melkgereedschap staan te spoelen en te plassen, over en weer een kort buurpraatje houdend. Alles is er rein en wit geschuurd, tot zelfs de klompen aan de voeten, en de verf, vooral het blauw en groen, wordt niet gespaard: dat zijn de kleuren van den hemel en van het land.
Een reeks van eenvoudige, vriendelijke dorpen rijt zich aan de Alblas, meest alle uit dubbele rijen boerenhuizen bestaande, langs het water gebouwd, ieder op zijn erf. Men betreedt eerst het schilderachtige Oud-Alblas, verder Bleskensgraaf, Molenaarsgraaf, Laag-Blokland en Goudriaan. En wanneer wij van hier langs een landweg verder oostwaarts gaan, bereiken wij Meerkerk, aan het breede Merwedekanaal gelegen, een net gebouwd en levendig dorp, met druk bezochte paardenmarkten.

Oud-Alblas.
Na dezen zijsprong, die in gedachten gemakkelijk, in werkelijkheid minder vlug is te maken, staan wij weder bij het punt, waar wij den dijk aan de Noord verlieten, om dien thans verder te volgen. Na een korte afbreking der huizen langs den dijk bereiken wij Papendrecht, waar wij den Merwede-dijk betreden. Nu eens onmiddellijk langs de rivier, dan weer door gorzen, platen en uiterwaarden van de rivier gescheiden, slingert hier de dijk in onregelmatige bochten langs de Alblasserwaard, die van Giesendam tot Gorinchem bijna geheel door een tamelijk breede strook van grienden omzoomd is, welker jeugdig, frisch groen en bladrijk hout, dikwijls golvend bewogen door den wind, een eigenaardig karakter geeft aan het landschap.
De rij van dorpen van Papendrecht tot Gorinchem, als: Papendrecht, Sliedrecht, Giesendam en Hardingsveld draagt over een afstand van 2½ uren gaans, bijna overal hetzelfde karakter. Het is een lange reeks van huizen, op enkele plaatsen in die gedeelten, welke men de “kommen” der dorpen kan noemen, tot dubbele rijen gezet, welke alle langs den dijk gebouwd zijn, hoofdzakelijk aan den landkant, meestal met tuintjes in de diepte aan den zoom van de Alblasserwaard. Groote afwisseling in bouworde vindt men hierbij niet: over ’t geheel ziet men in deze streek eenvoudige, burgerlijke, welvarende huizen, en er naast vele kleine woningen van arbeidersgezinnen, doch alle even net en zindelijk, terwijl enkele villa’s daartusschen met voornaamheid uitkomen. Zijwegen, dwarsstraten vindt men schier nergens: de dijk is de hoofdwandelweg, waarover men heen en terug drentelt en die op Zaterdagavond en Zondagmiddag echt levendig is. Dan bemerkt men tevens, dat het volkseigenaardige der kleederdracht in deze dorpenrij, evenals in Alblasserdam en aan den Kinderdijk, meestal geheel verdwenen is, dat de jongere burgermeisjes zich liever in het nagevolgde kleed der stadsjuffers steken, dan er prijs op stellen, om de gewoonten en kleeding der vaderen in eere te houden. Alleen de visschers- en arbeidersvrouwen maken, met hun witte, rondom het hoofd sluitende, gehaakte mutsjes hierop nog een uitzondering. Langs de rivier kan men haar op mooie avonden in groepjes van twee à drie zoo hier en daar tegenover het huis vinden, de breikous in de hand, met elkander de nieuwtjes van het dorp besprekend, den blik over de schoone watervlakte weidend, terwijl op korten afstand de mannen zich des Zaterdagsavonds, wanneer het visschen na zes uur is geëindigd of anderen van de werkzaamheden tehuis zijn gekomen, zich daarnaast op den dijk nederzetten, eveneens over de rivier starend. De rivier is de lust en het leven van deze dorpsbewoners; vóór de spoortrein bij Dordt over de Merwede snorde, was het water de eenige verkeersweg; aan de rivier hebben zij nog de hoofdfactoren van hun ontwikkeling, de hoofdbronnen van hun bestaan te danken. De rivier heeft de bevolking tot scheepsbouw gebracht; de grienden langs de wateren hebben hoepelmakerij doen ontstaan; de strijd tegen het water heeft hen tot flinke waterwerkers gevormd, die vooral het zandwerk bij waterwerken uitvoeren, en de ondernemingsgeest en het kapitaal van enkelen heeft dezen aanleg in dienst genomen, om door het aannemen van groote werken overal in den lande en zelfs in den vreemde, tot in Amerika toe, met arbeiders uit deze streek de groote ondernemingen uit te voeren. In den zomer zijn een groot aantal der arbeiders met de aannemers meest naar de groote werken, doch in October keeren dezen met een zuur, doch goed verdiend loon terug, om hier hun winterkwartieren te betrekken. De verdiensten zijn voor hen wel groot, doch in de laatste jaren is er, nu de aanzienlijkste groote werken der spoorwegen in Nederland zijn uitgevoerd, herhaaldelijk met werkeloosheid te kampen.
In de eerste plaats betreden wij Papendrecht, schuin tegenover Dordrecht gelegen, met ongeveer 3000 inwoners. Men meent, dat deze plaats haar naam te danken zou hebben aan een veer of overtocht, behoorende aan geestelijken of papen. De Hervormde kerk is een flink gebouw.
Het grootste dorp is Sliedrecht, met ongeveer 10.000 inwoners, ruim een uur gaans lang, dat meestal uit een dubbele rij huizen bestaat. Het post- en telegraafkantoor is het sierlijkste gebouw; de kerk is ruim gebouwd.
Bijna zonder afbreking der huizenrij komen wij in het dorp Giesendam, gebouwd langs den Merwededijk en gedeeltelijk langs de Giesen, die hier als binnenwater door een sluis met de Merwede in verbinding staat, waar men echter alleen water door inlaat, om het water der slooten binnendijks te ververschen, en kleine schepen doorschut. De Giesen was oudtijds als een kil van de Merwede een open water; zelfs in de 11e eeuw werd aan den mond der Giesen nog een scheepsstrijd geleverd. De afsluiting door een dam en een sluis gaf ook hier aanleiding tot het ontwikkelen van een dorp, dat in de kom ongeveer 1400 inw. telt.
De Giesen is door haar vele bochten een schilderachtig water, rijker aan afwisseling dan de Graafstroom, en wordt ook veel door landschapsschilders bezocht. Langs dit water vindt men de dorpen Giesen-Oudkerk en Giesen-Nieuwkerk, Noordeloos, e. a. Hier lagen in de oudheid aanzienlijke bezittingen der Heeren van Brederode, die de heerlijkheid van Giesen hadden en wier landbezit zoo groot was, dat zij van Noordeloos tot Dordrecht, naar men zeide, over eigen land konden gaan. Men meent zelfs wel, dat hier in ’t bijzonder de heerlijkheid Brederode moet gezocht worden, hoewel dit niet uitsluit, dat ook de bezittingen in Kennemerland daartoe behoorden.
Van Giesendam gaat men onmerkbaar in Hardingsveld over, eveneens over een lengte van ± 1 uur langs den dijk gebouwd, het echte land der grienden, die ge overal ruikt op den dijk, door de hooge mijten van hoep- en teenhout.
De dijk van Hardingsveld heeft een bijzondere beteekenis gehad voor de Alblasserwaard. Na de splitsing was hier de Beneden-Merwede plotseling versmald en bij het losraken der rivier ontstond er licht ijsverstopping. Dit had tengevolge, dat hier oudtijds vele doorbraken in den dijk ontstonden, welke de overstrooming van de geheele Alblasserwaard ten gevolge hadden. Om die gevaren af te wenden, werd in 1738 een dijk gelegd, op een afstand van 200 roeden van Schelluinersloot, die zich weder bij den Bandijk aansluit op de plaats, waar thans het Kanaal van Steenenhoek uitwatert. Die dijk sloot aldus een groot gedeelte van Hardingsveld af van de Alblasserwaard en diende, om bij geval van doorbraak van den dijk te Hardingsveld het water uit de Waard te keeren. Na den aanleg van dezen dijk heeft er bij Hardingsveld geen doorbraak meer plaats gehad; toch was die dijk van dienst bij de watervloeden in de Waard van 1740, 1809 en 1820, toen deze een toevluchtsoord voor menschen en vee aanbood.
Wanneer wij het dorp Hardingsveld gepasseerd zijn, brengt de weg ons naar het Zederikkanaal, gedeeltelijk over genoemden dijk, en verder over den Kanaaldijk, tevens den Bandijk der rivier, die zich tot 6,20 à 6,40 M. boven A. P. verheft en meer dan 6 meter boven het achterliggende land rijst. Zoo bereiken wij
“’t Oord, waar de Merwe den wortel besproeit Van Gorkums ondwingbare wallen, En, ’s winters heur baren verheffende, woelt, Om beemden en wei te overvallen, Met ramp te overstorten den weligen grond, Waar ’t adellijk slot der Van Arkels eens stond”.
IV. Gorinchem, Woudrichem, Loevestein.
Op de plek, waar de Linge het water der Betuwe en der Merwede uitstorte, niet ver van de vereeniging van Waal en Maas tot de breede watervlakte van de Merwede, die zich met zooveel trotschheid tusschen de hooge dijken, door het griendhout in een krans van groen gehuld, zeewaarts beweegt, verheft zich het vriendelijke stadje Gorinchem aan den oever der rivier. Eenig in schoonheid zijn de riviergezichten, welke van het societeitsgebouw aan de vroegere Merwedepoort zich voor het oog ontrollen, de liefelijkheid en kleurentinten van het Hollandsch landschap met de grootschheid van de watermacht vereenigend.

Voormalige Waterpoort, Gorinchem.
Op dit kruispunt van grootere en kleinere waterwegen, waarheen de landbewoners van het Lingegebied al sedert oude tijden afzakten, om er hun produkten ter markt te brengen, die over de rivieren een verderen afzet vonden, had zich al vroeg een nederzetting gevestigd. Wanneer hier de eerste grondslag voor een plaats werd gelegd, is onzeker; sommigen meenen, dat er een Romeinsche legerplaats geweest zou zijn, doch met beslistheid valt dit niet te zeggen. Het oudste bericht, dat wij van Gorinchem hebben, is in het handvest van den Brabantschen hertog Jan I, waarbij de burgers van Gorinchem, toen een plaats in het land van den Heer van Arkel, tolvrijheid door Brabant verwierven, in 1287. Dit voorrecht werd in 1289 belangrijk uitgebreid, toen graaf Floris V den Gorinchemmers ook tolvrijheid verleende in zijn gebied. Die voorrechten deden de welvaart der bewoners toenemen en Gorinchem werd een stadje van beteekenis. Op de grens van Holland gelegen, werd Gorinchem al vroeg versterkt. In den aanvang der 16e eeuw lagen er twaalf bolwerken om de stad, die later nog met andere vermeerderd werden. Aan de landzijde verder door inundatiën gedekt, was Gorkum moeielijk te naderen en aldus werd het als een uitermate sterke vesting beschouwd. Ook thans is Gorinchem nog een sterkte, die deel uitmaakt van de groote verdedigingslinie “de Nieuwe Hollandsche Waterlinie”, welke van Muiden en Naarden over Utrecht, Vreeswijk en Kuilenburg (hier ten O. van den Diefdijk) langs Asperen zich voortzet tot de Waal ten O. van Gorkum, en door inundatiën een laag terrein over een tamelijke breedte in een moerassige strook doet veranderen, welke onbegaanbaar is en evenmin diep genoeg overstroomd, om door platbodemde vaartuigen te worden bevaren. Bij Gorkum gaat die verdedigingslinie over de Merwede, loopt ten oosten langs den Biesbosch, waar Woudrichem een vesting vormt, en verder over de vesting Geertruidenberg naar de versterkingen te Willemstad, fort Prins Frederik in het oosten van Over-Flakkee, naar Hellevoetsluis en Brielle. De ligging aan het zuidelijk einde van het Zederikkanaal, dat in 1823 gegraven werd in aansluiting met de Keulsche Vaart, die van Amsterdam over Utrecht naar Vreeswijk liep, om van hier de verbinding met de groote riviermonden en Antwerpen aan den eenen kant, met de Waal, den Boven-Rijn en Keulen aan den anderen kant tot stand te brengen, een waterweg, die in 1892 verbeterd is door het Merwedekanaal, geeft Gorinchem vooral doorvaart voor den Rijnhandel van Amsterdam en Utrecht.
Hoewel van de oudheid dagteekenend, heeft Gorinchem toch niet zeer veel oude gedenkteekenen. Mooie gevels vindt men nog wel in de stad, bovenal in de Burgtstraat en de Gasthuisstraat, met nog goede overblijfselen uit het midden der 16e eeuw en van de Hollandsche renaissance.
Het oudste gebouw der stad is de toren der Hervormde kerk, waarvan het bovenste gedeelte in 1517 werd voltooid, doch die overigens uit de 13e eeuw dagteekent. Het is een zwaar gevaarte in Gothischen stijl, waarvan de spits ontbreekt. Van zijn top kon men bij helder weder twee en twintig bemuurde steden en tal van dorpen en vlekken overzien. Eigenaardig is het, dat hij tijdens den bouw ongelijk gezakt schijnt te zijn, waardoor hij aanvankelijk in een schuinen stand geraakte. De bovenste helft is vervolgens te lood hierop gebouwd en daardoor maakt hij een zonderlingen indruk.

Dalempoort te Gorinchem.
Bij dezen toren stond vroeger de Groote St. Janskerk, in 1263 door Jan van Arkel gesticht, in haar bloeitijd een prachtig versierde en van rijke altaren voorziene kerk met de graftombe der heeren van Arkel. Het kerkgebouw ging door de Hervorming aan de Hervormden over, doch werd in 1850 afgebroken en door de tegenwoordige kerk vervangen, een ruim gebouw, welks Romaansche bouworde weinig past bij die van den toren. Toen de toren daar zoo eenzaam stond, verlaten door zijn trouwen metgezel, zong Joh. W. A. Kehrer den eenzame een lied toe:
Statig en fier heft ge uw kruin naar de wolken, Reuzige grijze, die de eeuwen belacht! Om u verkwijnden geslachten en volken: Gij—staat nog daar in steeds jeugdige kracht. Ernstig en droef schijnt ge in ’t ronde te staren, Ach, niet een enkelen vriend uwer jeugd, Geen, wien die schittrende riddereeuw heugt, Moogt ge in de verte aan uw voet meer ontwaren! Droef bovenal staart ge neer op den grond, Dien eens uw trouwste vriendinne mocht sieren: Ach, niets dan onkruid en distelplant tieren Nu op de plek, waar zij eertijds bestond! Zusterlijk stond zij u eeuwen ter zijde, De oude St. Janskerk, door de Arkels gesticht, Lang door de zon der hervorming verlicht, Schoon eerst de waskaars den schemerglans spreidde Door haar gewelven.
Verder zijn belangrijke gebouwen het Stadhuis aan de ruime markt, met het wapen van Gorinchem in het frontispice, waarin de spreuk: “Fortes creantur fortibus”, d. i. “van dapperen komen dapperen voort”.

Groote markt te Gorinchem.
In de stad wordt nog het “poortje van Daatselaer” gewezen, een grijs, granietachtig geschilderd poortje, waarvan het karakteristieke voor enkele jaren verloren is gegaan. Hier moet het huis gestaan hebben van Daatselaer, den vriend van Hugo de Groot, waar Elsje van Houweningen, de getrouwe dienstbode, de kist met haar meester liet brengen, die er geopend werd. Het was Daatselaer’s vrouw, die den gevluchte van het metselaarspak voorzag, waarin de geleerde, vergezeld van den meester-metselaar Jan Lambertszoon, met een maatstok in de hand de markt overging. Hier lieten zij zich overzetten. Jan Lambertszoon bracht de Groot te voet naar Waalwijk, vanwaar hij naar Antwerpen ontvluchtte. Deze gebeurtenis werd door Daatselaer in een geschilderd glasraam zinnebeeldig voorgesteld, welk raam later naar het burgerweeshuis is overgebracht.
Als wij verder Gorkum doorwandelen, valt het ons op, dat het een nette, welvarende provinciestad is. Vooral op de marktdagen is het er levendig door de bewoners uit den omtrek. De Gorkumsche paardenmarkten en de veemarkten worden er druk bezocht; de markt van zalm en elft is er belangrijk.
Wie te Gorkum is, kan niet nalaten, over de rivier een bezoek te brengen aan het oude, eigenaardige stadje Woudrichem, om zich vandaar te laten overzetten naar Loevestein.

Toren te Woudrichem.
Een stoombootveer voert ons over de breede Merwede en weldra zetten wij voet aan wal in deze kleine vesting, welker zware, stompe toren reeds van verre over de wallen verkondigt, dat dit eenmaal een merkwaardige plek was. Hier, aan de samenkomst van twee belangrijke stroomen, ontstond reeds in de grijze oudheid een nederzetting, zeker tengevolge van den handel. Zeer waarschijnlijk is het ook, dat het Christendom hier al vroeg verbreiding heeft gevonden, want in 866 komt Woudrichem reeds voor als een marktvlek onder de bezittingen van den Utrechtschen bisschop. Dat de stad eens bloeide en veel grooter moet geweest zijn, bewijst de trotsche toren, te groot voor dit stedeke; het valt ook af te leiden uit onderscheidene gebouwen, die naast sporen van hoogen ouderdom op ’t gelaat tevens blijken geven, dat de eerste bewoners over ruime middelen konden beschikken.
Het stille, schier vergeten stadje is daardoor een bezoek overwaardig. Reeds bij het binnentreden aan de rivierzijde maakt de Waterpoort een schilderachtigen indruk; de steenen kogels, die symmetrisch aan de buitenzijde zijn ingemetseld, vormen een eigenaardige versiering. De Hoogstraat wijst nog prachtige gevels aan uit de jaren 1593–1610, schoone voorbeelden van baksteenbouw en tevens bewijzen van de hoogte, waartoe de baksteenindustrie zich voor een drietal eeuwen al had verheven. Niet alleen, dat de baksteen in dien tijd werd verwerkt tot groote, monumentale gebouwen, maar de gevels der woonhuizen, die aanspraak mogen maken op schoonheid en juiste opvatting van stijl en constructie, geven door den baksteen ook het echt Hollandsche karakter aan onze steden.
De toren der kerk is kolossaal van aanleg, maar onvoltooid of beroofd van het boveneinde; aan de vier zijden is hij versierd met tal van kopjes, gelijkmatig in rijen geplaatst, terwijl het vlechtwerk van baksteen als nisvullingen dienst doet.
Woudrichem is uitermate stil; alleen de riviervisscherij en de vischmarkt hebben er eenige beteekenis.
Ten oosten van Woudrichem bereiken we op korten afstand buiten de poort het punt
Waar Maas en Waal te zamen vloeit En Gorkum rijst van ver; Daar heft zich op den linkerzoom En spiegelt in den breeden stroom Een slot van eeuwen her.
’t Is Loevestein, ’t is Loevestein, Waarvan de wereld sprak,
zooals Tollens het uitdrukt. De vrije samenvloeiing van Maas en Waal zal hier spoedig tot het verledene behooren, als de nieuwe Maasmond geopend is. Voorzeker, van dit slot is veel gesproken; die grijze muren hebben geschiedenissen te verhalen, zooals geen ander gebouw in ons vaderland. “Meer misschien dan eenig ander overblijfsel op Nederlandschen bodem verdient Loevestein voor het nageslacht bewaard te blijven, want als gedenkteeken van voorvaderlijke deugd, van heldhaftigheid, werkzame godsvrucht, vriendentrouw, huwelijksliefde, wordt het wellicht door geen ander overtroffen, terwijl het daarbij als waarschuwende vinger op de klip der tweedracht wijst, zooals die meer dan eenmaal het Nederlandsche staatsschip met vernieling dreigde,” schreef Nijhoff in 1854. Maar hoewel het slot er nog staat met zijn hooge muren, als voorheen zich spiegelend in den stroom, toch is het weinig meer dan een herinnering van hetgeen het vroeger was. Want door afbreken en bijbouwen en herstellen is de oude vorm bijna geheel verloren gegaan. Echter heeft men nog eenige torens uit piëteit bewaard, ook al werd uit het oogpunt der defensie het bestaan dier steenmassa op dit punt niet zeer wenschelijk geacht.
Wel hebben wij omtrent den eersten bouw van Loevestein geen berichten, maar zeer waarschijnlijk moet die omstreeks het begin der 14e eeuw gesteld worden, al is het mogelijk, dat hier veel vroeger een huis werd gevonden. De naam “Loevestein” is er vermoedelijk aan gegeven door Gerard van Hoorne, ridder en heer van Weert en Herlaer, naar zijn eerste vrouw Johanna van Loven, uit het geslacht der hertogen van Brabant gesproten. De namen Loeven en Loven, Loevestein en Lovestein, werden naast elkander gebruikt. Aanvankelijk was het misschien geen sterk huis, want in dit geval zou er allicht melding van gemaakt zijn in de vele oorlogen tusschen Gelderland en Holland gedurende die eeuw. Was het een lusthof of een eenvoudige ridderhofstede? Misschien heeft het gebouw als sterkte zijn aanzien te danken aan Albrecht van Beieren, omstreeks 1386. Door enkelen wordt vermoed, dat deze landhoek destijds een eilandje was, waar een arm der Waal ten oosten en zuiden langs liep, welke later is verloopen.

Slot Loevestein.
Was Loevestein reeds in 1397 belegerd geworden, zijn roem in onze historie heeft het slot toch pas verkregen door Herman de Ruijter, die in 1570, door slechts drie kloekmoedige mannen vergezeld, Loevestein innam. Hoewel de toegezegde hulp van Graaf Willem van den Berg niet kwam opdagen, behield hij het slot toch eenige dagen en verdedigde hij het dapper tegen den Spaanschen kapitein Lorenzo Perea en toen de onderneming niet te redden viel, offerde hij voor de zaak, die hij voorstond, het leven, door in zijn laatste wijkplaats den brand te steken in het buskruit, dat hij op den grond had gestrooid.
Wel kwam Loevestein daardoor weer in handen van de Spanjaarden, maar in 1572 werd het hernomen door de Geuzen. De pogingen der Spanjaarden, om het te herwinnen in 1574 en 1589, mislukten; ook stootten de Franschen hier in 1672 het hoofd.
Loevestein heeft een treurige vermaardheid verworven als staatsgevangenis, waartoe het slot sedert de 15e eeuw herhaaldelijk werd gebruikt. Wat de Bastille was in Frankrijk, de Tower in Londen, de Gräts van Spandau in Duitschland, Chillon in Zwitserland, was Loevestein in Nederland. Gravin Jakoba deed hier in 1417 Otto van Schonauen en andere aanhangers van Willem van Arkel opsluiten. Filips van Bourgondië liet hier Mr. Gozewijn de Wilde, President van Holland, Zeeland en Friesland, onthoofden, in of omstreeks 1447. Het meest vermaard werd Loevestein als de kerker van Hugo de Groot, die van 5 Juni 1619 tot 2 Maart 1621 hier gevangen zat, gevolgd door zijn echtgenoote, de edele en flinke Maria van Reigersbergen, en bijgestaan door zijn trouwe dienaren Willem van de Velde en Elsje van Houweningen. De geschiedenis van Hugo de Groot is bekend, en ook de onsterfelijke roem, dien Maria van Reigersbergen zich hier verwierf, alsmede de flinke hulp van Elsje van Houweningen bij de ontvluchting.
Gewelt van wallen, dubble gracht, Ontruste honden, wacht bij wacht, Beslage poorten, optrekboomen, Geknars van slotwerk, breede stroomen, En d’ onvermurwbre kastelein Verzekerden op Loevestein Den Grooten Huigen, buiten duchten Van in der eeuwigheid te ontvluchten; Ten waar zijn schrandre gemalin, Een dischgenoot en kruisheldin, Een eerlijke uitkomst had gevonden, En hem voor lang verdriet ontbonden.
Eén vrouw is duizend mannen t’ erg. O, eeuwige eer van Reigersberg, De volgende eeuwen zullen spreken, Hoe gij de haat hebt uitgestreken, Nadat ge op ’t droef gevangenhuis, Gelijk Marije neffens ’t kruis, Uw bruigom, onder moordenaren Gerekend, troostte heele jaren. Vergun mijn luite, dat ze speel’ Het bergen van het landjuweel In ’t onweer, dat het roer vermande En ’t groote schip van Holland strandde.
Zoo schreef Vondel opgetogen aan de aanzienlijke vrouwe, toen de mare van de Groot’s ontvluchting bekend werd in den lande.
Gelijktijdig met de Groot zuchtte ook Mr. Rombout Hogerbeets in dezen kerker, om dezelfde reden tot levenslange gevangenisstraf en verbeurdverklaring van zijn goederen veroordeeld, en eveneens door zijn echtgenoote vergezeld, die hier overleed. Hogerbeets bleef hier tot 1626, doch kort daarna stierf hij op zijn slot ter Weer onder Wassenaar (zie I. pag. 108). Vondel stelde onder de afbeelding van dezen waardigen man de volgende regels:
Een vrome, oprechte ziel, en vrij van vuile smetten, Stak in dees waarden man, den kenner van ’s lands wetten; Een kerker was de loon van zijn getrouwigheid. Gods zegen dauwe op ’t graf, daar hij begraven leit.
Van 1621–1631 strekte Loevestein verder tot kerker aan onderscheidene Remonstrantsche predikanten; in 1650 nog tot staatsgevangenis van Jakob de Witt en andere Hollandsche staatslieden; in 1666 van den Engelschen Admiraal Ascue, van 1675–1679 van Abraham Wicquefort, van 1693–1696 en ’97 van den Dordtschen burgemeester Simon van Halewijn en den Franschen schrijver du Plessis, van 1748–1770 van Pieter de la Rocques, gewezen bevelhebber van Hulst, van 1793–1795 van den Graaf van Bylandt, tijdelijk bevelhebber van Breda, van 1809–1813 van eenige Spaansche, Russische en Engelsche krijgsgevangenen, en in 1831 van eenige krijgsgevangen Belgen. Sedert is deze staatsgevangenis gesloten gebleven en daarmede is het belangrijk der geschiedenis van Loevestein geëindigd. Al kunnen nog enkele gedeelten worden aangewezen, waar de beroemde gevangenen hebben gezucht achter de zware muren, op het slot vindt men verder zoo goed als niets, dat aan de toenmalige toestanden herinnert. De vertrekken met hun kale, naakte muren zijn bergplaatsen, meer niet. Enkel het verlangen, om een historisch zoo merkwaardige plek te betreden, voerde velen, evenals ons, naar Loevestein, en wij verlaten de oude sterkte met de hoop, dat de geschiedenissen, waardoor deze plek vooral bekend geworden is, hun analogie niet weder zullen vinden in de toekomst onzer historie.
V. De Zuid-Hollandsche Lingeplaatsen.
Van Gorkum verlaten wij de hoofdrivieren, om onzen tocht te vervolgen langs den benedenloop der Linge, die het zuidoostelijk gedeelte van Zuid-Holland, spelende tusschen hooge rivierdijken met breede uiterwaarden, in bevallige kronkelingen doorsnijdt en dit gedeelte van Holland een bekoorlijkheid geeft als nergens in deze provincie wordt aangetroffen. De Vliet, de Rijn, de Alblas, de Giesen, de Oude Waal en de Linge, zij hebben alle hun eigenaardig natuurschoon, zelfstandig en typisch, zoodat de kenner des lands, die geblinddoekt in een van deze streken geplaatst wordt, onmiddellijk als hij de oogen openslaat zal weten, in welk gedeelte hij zich bevindt, ook al is die plek op zichzelf hem geheel vreemd. De typische vorm der wateren, de plaatsing der dijken, de eigenaardige groepeering van den plantengroei, het karakter van de nederzettingen en de aard der bevolking, de lucht, die men inademt, de natuurkleuren, die ons boeien, en de geuren, die ons vervullen, de vorm van het landbezit en het landgebruik, dit alles werkt samen, om door elk zintuig indrukken te ontvangen, die ons doen zien, gevoelen, ruiken als het ware, waar wij zijn in Nederland.
De Linge is in haar bovenloop een Geldersche rivier. Als wij de Linge van Gorkum langs reizen, zullen wij al spoedig den overgang naar het Geldersche, en wel in ’t bijzonder het Betuwsche, opmerken. Eerst is alles nog echt Hollandsch.
Die fiere, keizerlijke burcht, omringd door lusthoven en boomgaarden, werd in 1412 door Graaf Willem IV in brand gestoken. Doch hij deed een nieuw kasteel ten zuiden der stad verrijzen, hetwelk in 1461 door Karel den Stoute zoozeer verbeterd werd, dat het boven alle Nederlandsche kasteelen uitmuntte. Ook dit kasteel bleef slechts zeer korten tijd gespaard: in Juni 1573 moest het prijsgegeven worden aan de Watergeuzen onder Marinus Brand, en reeds zes jaren later viel het onder de handen des sloopers. De slooping duurde lang; nog in 1600 waren eenige overblijfselen er van te zien, maar sedert verdween ook dat laatste gedeelte, zoodat van de oude kasteelen dier machtige heeren niets over is dan een vage geschiedenis.
Verder onzen weg vervolgend langs de Linge komen wij te Arkelschendam, in vroeger eeuwen Beerendam of Beerenswarande geheeten, doch in den omtrek enkel “den Dam” genoemd. Het dorp bestaat enkel uit zeer eenvoudige burgerwoningen, langs het Zederikkanaal gebouwd aan den weg naar Hoog-Blokland. Het Merwedekanaal buigt zich thans ten noorden van de plaats van het Zederikkanaal af, om verder westelijk naar Gorkum te loopen. Op deze plek had in 1403 een verwoed gevecht plaats tusschen de troepen van Jan van Arkel en Albrecht, Hertog van Beieren. Van het nonnenklooster, in 1499 gebouwd, eerst Mariënhagen en later Oudenhagen geheeten, is niets meer aanwezig; eenige huizen ten oosten van het dorp dragen enkel nog den naam “het Klooster.”
Van hier buigt de Lingedijk zich meer naar het oosten en wij volgen hem over Kedichem, een eenvoudig, vriendelijk boerendorp, gebouwd binnen langs den dijk, dat in 1000 door Fop van Arkel zou zijn gesticht, en over Oosterwijk, eveneens een klein dorp, vriendelijk binnen den dijk gelegen, naar Leerdam.
Hoe vertrouwelijk is thans de Linge met het landschap, dat zij doorstroomt en als het ware schijnt te ontzien. Boven Kedichem buigt zij zich zelfs van den hoogen dijk af, schijnbaar om die zijde te ontwijken, doch bij het dorp nadert zij dezen kant weer met een lach op het gelaat, als ware het een spelemeien van den minnaar met zijn bruid. En toch, dit watertje, zoo onbeduidend en onschuldig thans, dat, naar het ons voorkomt, die zware dijken als uiting van het menschelijk wantrouwen pijnlijk moeten aandoen, is niet zoo vreedzaam, als ’t er uitziet. Hoog kan die rustige Linge hier haar wateren doen opstuwen, de uiterwaarden overstroomend, en, van dijk tot dijk rijzende, die zware borstweringen zelf bedreigen. Ziet gij daar die meertjes beneden Kedichem achter den dijk? Dat zijn walen of gaten, bij vroegere doorbraken van den Lingedijk gevormd. Den 21en Januari 1726 ontstond hier een zware doorbraak van de Linge, waardoor het dorp geheel onderliep; den 3en Januari 1741 brak de dijk op bijna dezelfde plaats weder door, en eveneens in 1809 en 1820. Ook Oosterwijk werd in 1809 en 1820 zeer door doorbraken van den Lingedijk geteisterd.
Het oud-adellijke Huis te Oosterwijk, door grachten en boomgaarden omgeven, dat in het midden der 19e eeuw nog bestond, is in 1854 gesloopt; alleen in de pastorie vindt men daarvan nog enkele overblijfselen.
Langs de oude en nieuwe glasblazerij aan den Lingedijk komen wij vervolgens in het stedeke Leerdam, gedeeltelijk aan den Lingedijk gebouwd, die het met een straat doorsnijdt, gedeeltelijk daarnaast, een plaatsje, dat ruim 5000 inwoners telt. Leerdam maakt bij het betreden geheel den indruk van een oud stadje; de slechte keienbestrating doet meer denken aan een plaatsje van het diluvium dan van de kleistreken aan de Linge. Behalve de hoofdstraat, waar men burgerlijke, nette huizen vindt, ziet men onderscheidene smalle straten met arbeiderswoningen welke geen gunstigen indruk maken; in den laatsten tijd worden er echter nieuwe arbeiderswijken bijgebouwd. Het is in het plaatsje stil en rustig overdag en die indruk wordt nog versterkt door de ooievaars, welke op enkele huizen ongestoord hun nesten gebouwd hebben; als de arbeiders der fabrieken ’s middags of des avonds weder tehuiskomen, is ’t er levendiger. De hoofdbronnen van bestaan voor Leerdam zijn de landbouw en veeteelt der omstreken, maar bovenal de fabrieksnijverheid. De witglasfabriek heeft ongeveer 1000 arbeiders, de flesschenfabriek 600 arbeiders. Een aanzienlijke stoomhoutzagerij werkt met meer dan 100 werklieden; in houtvlotten wordt over de Linge het hout aangevoerd.
Als wij de Kerkstraat doorwandelen, valt ons oog op een liefdadige instelling, een hofje, door Mevrouw van Aarden in 1770 gesticht voor dames en vrouwen van haar familie. Het is een vierkant gebouw met een binnenplaats, waar omheen eenvoudige, nette woningen gebouwd zijn, terwijl aan het eind de regentenkamer gevonden wordt, met eenige schilderstukken van Ruysdael, Frans Hals, Jan Steen, Rubens e. a. Door een 15tal vrouwen wordt dit hofje thans bewoond.

Poortje van Leerdam.
Op de plek van dit hofje verhieven zich oudtijds de zware muren van het kasteel van Leerdam, dat in het begin der 16e eeuw werd afgebroken. Aan de overzijde van de straat valt hier een merkwaardig poortje in het oog, met het opschrift: “Vryheyt is met gheen Ghelt te coop”. Het is een dier mooie poortjes, waarmede de Nederlandsche steden in vroeger eeuwen zoo kwistig waren bedeeld, uitmuntende door rijke ornamentatie. Waarschijnlijk dagteekent deze poort uit de 16e eeuw. Zij vormde vroeger een der ingangen van het zoogenaamde Drostenhuis, dat als een jachthuis der graven van Leerdam gesticht moet zijn. De sierlijke bouworde bevestigt deze meening. Immers, rijker edelman dan Frederik van Egmond, die in 1492 door den Roomsch-koning Maximiliaan tot eersten graaf van Leerdam verheven werd, kende Holland in dien tijd niet. Toen door het huwelijk van Prins Willem van Oranje met Anna van Egmond dit graafschap aan ’t huis van Oranje kwam, werd dit jachthuis de bestendige zetel der drossaards, die tot 1795 de belangen der Nassaus te Leerdam behartigden. Het drostenhuis prijkte voortaan, behalve met deze poort, met tal van vorstelijke wapens, in arduinsteen gebeiteld. De overlevering verhaalt, dat in dit huis de gemalin van Prins Willem V, Frederika Sophia Wilhelmina, den brief aan haar broeder, den koning van Pruisen, geschreven heeft, om hulp tegen de Patriotten te vragen, wat aanleiding gaf tot de komst der Pruisen in 1787. In het tegenwoordige huis vindt men nog een goudleeren behangsel, dat aan den vroegeren tijd herinnert.
Leerdam is een oud stadje. Volgens de overlevering zou hier door Fop van Arkel in 1008 een dorp gesticht zijn, terwijl hij, die van zijn moeder veel goud en zilver geërfd had, nog vier andere dorpen aan de noordzijde der Linge stichtte, welker eerste naamletters tezamen den naam Arkel vormden, nl. Arkel, Rietveld, Kedichem, Eterwijk (nu Oosterwijk) en Leerdam. Nabij de grens van Gelderland gelegen, kwam Leerdam herhaaldelijk in het bezit der Gelderschen; in 1496 werden de stad en het kasteel door de Gelderschen veroverd. Doch Albrecht, hertog van Saksen, verscheen daarop met een groote macht te Gorinchem, legde sterke bezettingen in Asperen en Heukelum, sloeg een blokhuis op te Leerdam en dwong de Gelderschen tot overgave.
Wij noemen dit feit uit de geschiedenis, omdat het ons wijst op de betrekking, die hier tusschen Gelderland en Holland bestond, op de afwisseling en vermenging van Hollandschen en Gelderschen invloed, die hier te bemerken valt en sterk uitkomt bij vergelijking van den bouw der boerenwoningen te Heukelum, dat nog tot Zuid-Holland behoort, te Acquoy en Rhenoy (Geldersch) met die van de westelijker gelegen dorpen.
In een regelmatige ronding buigt zich de Lingedijk van Leerdam naar Asperen en sluit zich hier aan bij den Diefdijk, die van de Linge tot de Lek niet alleen de provinciale grens vormt, maar tevens de hydrographische en de ethnographische scheiding tusschen het Hollandsche en het overheerschend Geldersche element. Ten O. van den Diefdijk ziet men schier onmiddellijk de Geldersche kenmerken in den woningbouw (Acquoy en Rhenoy, zooals wij zeiden), en de volkselementen met zuiverder Frankische kenmerken dan in het aangrenzende Zuid-Hollandsche gedeelte, hoewel misschien Saksische of andere invloed nog iets stijfs en houterigs er bij heeft ingesmolten, waardoor de bewoners der Betuwe van het Noord-Brabantsche type zijn te onderscheiden.
Wij zullen ons thans enkel op het Hollandsch gebied ophouden. Na een langen omweg bereiken wij Asperen, dat reeds even buiten Leerdam als in de nabijheid vóór ons lag, maar waar de weg zich in een cirkel omheenboog. Asperen is een plaatsje met ruim 1400 inwoners. Het dorp is zeer regelmatig ten zuiden van de Linge gebouwd; het bestaat uit twee evenwijdige straten en nog een derde straat, te midden van boomgaarden gelegen. Na den brand van 1896 vindt men er nette, nieuw gebouwde, burgerlijke huizen, vooral aan de Voorstraat. Het belangrijkste gebouw is de Hervormde kerk, welker muurwerk bij den brand bewaard bleef. Het is een fraai, Gothisch kruisgebouw met kleine, in lood gevatte ruitjes, dat zich verheft aan het eind van het dorp op een lagen heuvel, die uit de kleilanden oprijst, te midden van schaduwrijke olmen op een klein kerkhof. Na den brand van 1896 werd de kerk geheel gerestaureerd. Ten westen van de kerk staat de zware en sierlijke toren, die ver in den omtrek overal in het oog valt.
Asperen is een oude nederzetting. Of men hieronder het oude Caspingium van Peutingers reiskaart heeft te verstaan, durven wij niet beslissen. Het is wel bekend, dat in den tijd, toen de Arkelsche heeren hier regeerden, Asperen als een sterke vesting werd beschouwd. Herhaaldelijk klonken de krijgsklaroenen van deze muren en werden er de wederzijdsche krachten gemeten.
In 1204 werd Asperen door Graaf Willem I van Holland belegerd, die het eene kasteel slechtte; in 1480 werd het door de Bourgondische krijgsknechten bezet en geplunderd; in 1497 had het veel last van de Hollandsche soldaten, die de stad en de omstreken beschermden tegen de Gelderschen. Nog zwaarder werd Asperen getroffen, toen in 1517 de Zwarte Hoop op deze plaats afkwam, de dapper verdedigde stad stormenderhand innam en ze tot een roofnest maakte, vanwaar de plunderaars Holland afliepen. Toen de Graaf van Nassau, stadhouder van Holland, hun dit stroopen wilde beletten en den toevoer van Asperen afsneed, moesten zij eindelijk met hun buit opbreken uit de stad. In 1574 namen de Spanjaarden Asperen in; in 1672 viel het in handen der Franschen. Voor zeker een reeks van historische herinneringen, welke men niet bij een dergelijk plaatsje zou verwachten.
Van het oude Asperen is zoo goed als niets over. De muren bestaan niet meer, en de twee kasteelen, welke hier eens verrezen, zijn sedert lang verdwenen. Het eene zou, meent men, gestaan hebben aan den kant van Gellikum, waar vroeger de Gellikumsche poort was; het andere, Waddestein, hebben de Franschen later in 1672 in de lucht laten springen. Doch hoewel geen vesting meer, ligt Asperen nog in de inundatielijn tusschen de Lek en de Merwede. Ten zuiden van den Diefdijk ziet men hier een rij van forten, die den toegang tot de Vijfheerenlanden van het oosten beletten, waarvan een tweetal bij Asperen gevonden worden.
Over ’t geheel is Asperen een stil en rustig landstadje, doch wanneer de paardenmarkten gehouden worden, die reeds vanouds beroemd zijn, is het levendig en druk in de stille dorpsstraten door het gedraaf en gejaag der rossen en het loven en bieden van opgewonden kooplieden tegenover de kalme boeren.
Van Asperen keeren wij terug. Langs de kerk komen wij op een weg, die midden door vruchtbare bouwlanden loopt, met kostelijk graan en bieten beteeld, vanwaar wij in de verte als een groen eiland uit het landschapsgoud een statig geboomte zien oprijzen. Het is het kasteel van Heukelum, dat zich aan den zuidelijken Lingedijk verheft te midden van dicht geboomte van eiken, beuken, olmen en esschen. Het nieuwerwetsche, eenvoudige, vierkante gebouw wordt door een gracht geheel omsloten, waarover een ophaalbrug naar den kant van Heukelum aan het eind van een laan toegang verleent. Op deze plek heeft reeds in zeer vroegen tijd een kasteel gestaan, dat in oude leenbrieven Merckenburgh genoemd wordt en bestond vóór het stadje. Dit kasteel is door Friezen, Denen en Noormannen verwoest, doch Jan van Arkel herbouwde het in 1200. In het midden der 18e eeuw was het zeer in verval en later werd het tegenwoordige huis gesticht.
Een iepenlaan over den Lingedijk voert binnen korten tijd naar het oude stadje Heukelum, aan de Linge gelegen. Het is een stil, eenvoudig gebouwd, dorpelijk plaatsje, met niet meer dan 600 inwoners in de kom van het dorp, zonder eenige merkwaardige gebouwen. Enkele boerenwoningen, die wij hier zagen, deden het oude Frankische karakter van den bouw uitkomen.
Heukelum was vroeger een vesting met poorten en muren; langs de Linge had het oudtijds een muur met vier waterpoorten, doch sedert lang niet meer. Deze plaats is, evenals de meeste Linge-steden, herhaaldelijk door overstroomingen geteisterd, o. a. in 1748, toen de Gorkumerpoort bijna geheel wegspoelde; in 1809, toen 25 huizen onder het rechtsgebied der stad werden vernield; in 1820 en 1827. Bij de doorbraak van 1820 tusschen Asperen en Heukelum ontstond er een grond-gat in den dijk van 68 voet diepte met aanzienlijke verzakkingen; bij die gelegenheid rees er een groot stuk veengrond op met den kop van een olifant, van 100 K.G. zwaarte, die later in het kabinet der Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem bewaard werd.
Wanneer wij ten slotte nog een algemeenen blik over de bevolking in het land tusschen Lek en Merwede werpen zal ons in ’t oog vallen, dat hier over ’t geheel een buitengewoon behoudende geest heerscht, met afkeer van al het nieuwe. Op kerkelijk gebied openbaart zich dit door een streng Calvinistische richting, die overheerschend is, terwijl er weinig Katholieken gevonden worden.
De oude nationale kleeding bij de boeren is echter bijna geheel verdwenen. Doch de oud-Hollandsche boerenwagen, welke er vooral gebruikt wordt om het hooi binnen te halen, vindt men er nog. Het zijn schilderachtige voertuigen, rijk in hun kleuren en vormen, met uitdrukkingen der boerenphilosophie in spreuken en rijmpjes op voorkist en achterkant. In den laatsten tijd ziet men ook tal van nieuwmodische wagentjes, als tilbury’s, brikken, enz. bij het marktbezoek in gebruik komen.
Het gemeenschappelijk dorschen van koolzaad bleef hier nog lang in zwang en was in enkele streken een waar oogstfeest. Zoo o. a. tot voor kort te Oosterwijk aan de Linge.
Op een open plek op het veld werd een dorschkleed gespreid, waarop het koolzaad warm uit de zon werd aangevoerd en gedorscht. Dit geschiedde door de mannen, en eenige families hielpen daarbij elkander, den eenen dag bij A, den volgenden dag bij B enz. De meisjes uit die families, met een rooden doek over de schouders, welke voor de borst naar beneden liep, en die daarnaar “roodborstjes” genoemd werden, brachten bier en spijzen aan de dorschenden, terwijl de huismoeders rijstenbrij kookten om te gebruiken na afloop.
Als het laatste kleed gedorscht was van een boer, namen de jongelieden het kleed op, plaatsten een persoon er midden in, die met een groene struik in de hand in de hoogte werd geworpen en als de koning van het feestje werd beschouwd, dat daarna gevierd werd. Want des avonds vereenigden zich allen om een gemeenschappelijken disch, waarbij op zoute visch met boter en rijstenbrij met suiker getrakteerd werd. Van de rijstebrij werden zelfs ook schotels rondgebracht bij den predikant, den onderwijzer en enkele anderen in het dorp. Een rondedans en een boerenliedje was gewoonlijk het eind van dit oogstfeest. Een week lang hielden die dorschpartijen en feesten gewoonlijk aan, als het weer goed was. Hierdoor werden de bewoners nog eenigszins nader met elkander in aanraking gebracht. Het nivelleeringsproces heeft deze nationale gebruiken thans uitgewischt; met het koolzaad is ook het oogstfeest verdwenen en ieder werkt op zijn akker, op zijn land. Nog een enkel overblijfsel herinnert aan de maaltijden der vroegere oogstfeesten, al is het ook slechts als een spoor. Op enkele dorpen wordt bij ouderwetsche boeren nog aan het eind van den hooioogst rijstebrij gekookt en met boter, suiker en kaneel gegeten; hiervan brengt men ook thans nog wel rond bij enkele ingezetenen.
En hiermede nemen wij afscheid van het Zuid-Hollandsche land tusschen de Lek en de Merwede. Wij volgen voorbij Heukelum weder den rechter Lingedijk naar Gorinchem en wachten daar op een boot, om hiermede den breeden, statigen Merwedestroom af te zakken naar de oudste en eens de voornaamste handelsstad van het Hollandsche delta-gebied, het eerwaardige, aristocratische Dordrecht.