B. Zeeland.
Reading edition
I. Ontwikkeling der Provincie en enkele Opmerkingen.
Hebben wij in ons algemeen overzicht het delta-land als één natuurlijk geheel beschouwd en Zeeland met de Zuid-Hollandsche eilanden vereenigd, om de betrekkingen tusschen land en volk aan te toonen, toch bestaat er verschil tusschen beide als een gevolg van de eeuwenlange staatkundige opvatting en van den Vlaamschen invloed, die zich in Zeeland sterk op de bevolking deed gelden, zooals o.a. blijkt uit de bouwkunst en enkele oude wetten.
Zeeland vormt het oudste gedeelte van het deltaland, de Zuid-Hollandsche eilanden zijn grootendeels jonger. In de oudste stukken, die op deze landen betrekking hebben, wordt dan ook al van de Zeeuwsche eilanden gesproken. Schouwen wordt reeds genoemd in een brief van 976 als een afzonderlijke gouw Scaldis, aan de Golda (Gouwe), en van Beveland (pagus Bevelanda) wordt in dienzelfden tijd melding gemaakt. Ook Brumsole of Borselen wordt daarbij genoemd.
Van Walcheren zijn echter duidelijker berichten overgebleven; dit eiland treedt het eerst in de geschiedenis op. Reeds Alcuinus noemt, in het leven van Willebrord, Walcheren een eiland. De Scaldis of Schelde was den Romeinen bekend, en het eiland Schouwen (Scaldis) heeft daaraan zijn naam te danken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Ooster-Schelde destijds als de hoofdmond werd beschouwd, al had die ook op verre na nog niet de breedte van thans. In het algemeen kan men aannemen, dat in den Romeinschen tijd Zeeland, hoewel door waterarmen doorsneden, nog niet die breede inhammen der zee had als thans. Het is echter niet mogelijk, de geographische gesteldheid des lands in dien tijd in bijzonderheden te leeren kennen.
Wie de oudste bewoners van Zeeland waren, valt niet te zeggen. De opgegraven gedenkteekenen, als beelden der godin Nehalennia, welke in het strand gevonden werden, en die aan een vrouwenvereering doen denken, wijzen op vóór-Germaansche bewoners, misschien wel van Keltischen oorsprong, gelijk wij zeiden. Dat de Kelten bij het voortschuiven der Germanen naar het westen, gelijk dat ook in Frankrijk en Britannië kon worden waargenomen, in een uithoek nog standhielden en eindelijk zich vermengden met de voortstuwende rassen, is niet onwaarschijnlijk.
Tot ongeveer het begin der 9e eeuw behoorde Zeeland tot het land der Friezen, die, zij het ook niet oorspronkelijk, dan toch als volkplantingen zich hier gevestigd hadden. De oude Friesche wetten spreken van de uitbreiding van Friesland tot aan de Sinefal in het zuiden, waaronder het thans verdwenen water het Zwin in Zeeuwsch-Vlaanderen moet worden verstaan. Uit de verbinding met Friesland zijn in Zeeland, behalve in de kleeding (zie pag. 176), nog eenige sporen van Friesche instellingen bewaard, zooals de verdeeling der landerijen naar het aantal vee, gelijk die in de oude charters voorkomt. De Zeeuwsche taal wordt beschouwd als een Friesch-West-Frankisch dialect. Ook in den lichaamsbouw wil men bij de Zeeuwen Friesche elementen zien, al komt de Friesche grondvorm er nergens zuiver voor den dag. Na den Frieschen invloed heeft in Zeeland de Zuid-Frankische gewerkt en deze heeft meer zijn bijzonderen stempel op de bevolking gedrukt.
De Friesche invloed in Zeeland hield spoedig op; in 839 strekte Friesland zich niet verder uit dan tot de Maas, zoodat Zeeland er niet toe behoorde. Zeeland kwam in nadere betrekking tot het West-Frankische Rijk en vooral tot Vlaanderen, waarmede het ook door handel en verkeer in relatie stond. Daardoor verkregen de Zeeuwsche rechten later meer overeenkomst met de Frankische en wel de Salische, dan met de Friesche, zoodat Zeeuwsch recht en Frankisch recht wel als hetzelfde werden beschouwd.
Zeeland komt als graafschap voor tusschen Vlaanderen, Brabant, Holland en Voorne gelegen, in het N. zich uitstrekkende tot de Grevelingen en de Krammer.
De vrije Heerlijkheid Voorne lag in het noorden tusschen Zeeland en Holland. In de 9e eeuw waren de eilanden van Zeeland in handen van Deensche vorsten, die het in leen hadden van Frankische koningen. Na dezen, doch niet vóór de 11e eeuw, zien wij de graven van Vlaanderen en Holland in het bewind over Zeeland. Lang een twistappel tusschen beiden, daar het in eilanden verdeeld gebied geschikt was, om bij gedeelten genomen te worden, was er in Zeeland weinig eenheid tusschen de eilanden en bestreden de Vlaamsche en Hollandsche vorsten elkander herhaaldelijk de rechten op de deelen van Zeeland. Sedert 1246 noemden de graven van Holland zich ook graven van Zeeland, doch eerst in 1323 deed graaf Lodewijk van Vlaanderen ten behoeve van graaf Willem III van Holland afstand van zijn rechten op Zeeland bewesten de Schelde (de zuidelijke eilanden). Tijdens den laatsten graaf, Filips II, bestond het graafschap Zeeland uit de eilanden Walcheren, Borsele, Zuid-Beveland, Noord-Beveland, Wolfaartsdijk, Schouwen, Duiveland, Tolen, St. Filipsland, benevens de heerlijkheid Sommelsdijk op Overflakkee en de heerlijkheid Nieuw-Vosmeer en Hinkelenoord op den Brabantschen wal.
In den tijd der Republiek maakte Zeeland een provincie der Unie uit, die zich van de Grevelingen en de Krammer tot de Wester-Schelde uitstrekte, terwijl ten zuiden der Wester-Schelde het veroverd gebied tot de Generaliteitslanden behoorde. Eerst in 1815 verkreeg Zeeland als provincie haar tegenwoordige grenzen, toen Staats-Vlaanderen als Zeeuwsch-Vlaanderen bij Zeeland werd gevoegd.
Als zelfbewuste eenheid is Zeeland eigenlijk eerst opgetreden in den tijd der Republiek. Toen gevoelden de Zeeuwen zich solidair met Holland en hun stoere, zelfstandig en individualistisch ontwikkelde krachten op de verschillende eilanden vereenigden zich met andere tot bevordering der vaderlandsche onafhankelijkheid. Hebben wij de namen der helden reeds genoemd, wij laten toch een Hollander daarover nog spreken, die dit erkennend, in 1836 zong:
’k Heb Zeeland lief, den grond, die mannen teelde, Door ’t wereldrond om trouw en deugd vermaard, Die, waar de driekleur van zijn vanen speelde, Den schrik verspreidden over de aard.
Wien hunner zal mijn luit naar eisch bezingen?
Die ’t eerst den trots van Arragon kon dwingen,
Medina’s vloten heeft vergruisd?
Of Hollands redders, toen ’t aemechtig Leyden
Welhaast in ’t wee, te lang geduld, verzonk,
Toen bij den lof van ’t nameloos verblijden
De stoute ziel ontvlieden dee?
Den lofzang van geheel een wereld waard;
Verdedigd door hun leeuwenaard.
In ’t midden prijkt, gelijk bij minder lichten Aan ’t helder zwerk de zilverblanke maan, De Ruyter, voor wiens staf de volk’ren zwichtten, De schrik van d’ ouden Oceaan!
In Zeeland klonk in de benarde oogenblikken der Republiek het eerst de roepstem des volks tot de Oranjes om hulp, en dat niet tevergeefs. Dit geschiedde in 1672, toen te Veere den 21en Juni de wethouderschap gedwongen werd, de belofte af te leggen, den Prins het stadhouderschap aan te bieden, en van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Een herhaling hiervan had plaats in 1747, toen, terwijl uit niets bleek, dat de groote menigte belang stelde in de verheffing van den Prins tot Stadhouder, bij het naderen van den oorlog uit de zuidelijke Nederlanden tot onze grenzen de schutterij van Veere den wensch te kennen gaf, om den Prins tot Stadhouder te verkiezen, waarna de vroedschap een besluit nam in dien zin. De overige steden in Zeeland volgden weder op het sein van Veere, hier met, daar zonder opschudding, en den 28en April 1747 werd door de Staten van Zeeland de Prins tot Stadhouder aangesteld, waarna weldra andere gewesten eveneens hiertoe overgingen. De Oranjegezindheid in Zeeland was geen politieke: zij welde op uit den boezem des volks.
Zeeland was in de eerste plaats door de natuur voorbestemd tot een land voor de ontwikkeling van scheepvaart, handel en visscherij. Reeds in den Romeinschen tijd bloeiden hier enkele gedeelten door den handel; Domburg schijnt destijds reeds een druk bezochte zeehaven te zijn geweest, zooals blijkt uit gevonden geloftesteenen. Walcheren was zeer welvarend in den tijd der Noormannen, die het in 837 brandschatten, en onderscheidene welvarende en rijke steden ontstonden hier in de middeleeuwen en in de eerste periode der nieuwe geschiedenis. Voor Zeeland geldt meer dan voor eenig ander gedeelte des lands, wat Heye schreef:
Uit zee hebt gij uw grond gewrocht, O Nederland—en wat onze oogen In uw landouw bewondren mogen, Uw rijkdom hebt ge in zee gewrocht, En uit haar diepe, wilde golven De reinste parels opgedolven.
Als visschersvolk staakt gij in zee En bracht, na strijd van tachtig jaren, Als oorlogsschatting van de baren Euroop’de Vrijheid en de Vree, En zaagt voor ’t dundoek van uw kielen Elk volk in vreeze en eerbied knielen.
Zeeland was als landbouwgewest al vroeg beroemd. Toen elders op de kleigronden nog weinig akkerbouw kon gedreven worden wegens gemis van goede afwatering, kon op de Zeeuwsche eilanden, waar de ebbe elk etmaal tweemaal een lagen stand deed ontstaan van het buitenwater, het overvloedige water des lands op eenvoudige wijze zonder hulp van kunstmiddelen geloosd worden en was het land voor akkerbouw goed geschikt. Watermolens ziet men er nog weinig. De Zeeuwsche tarwe had dan ook steeds een uitstekenden naam, en in den tijd van keizer Karel V vond men hier zulke fijne moes- en ooftsoorten, dat zij, volgens den keizer, die der zuidelijke landen overtroffen.
Een belangrijk produkt van Zeelands landbouw is sedert oude tijden vele eeuwen de meekrap geweest.
Geen boekweit siert der Zeeuwen erf, Schoon ze elders de oogen vleit Door ’t levend wit, met rozenverf Bekoorlijk overspreid, Maar Zeelands kleigrond voedt een plant, Wier schoon, wier heilzaam rood Voor eeuwen reeds aan ’t vaderland Een tak van welvaart bood.
Nog bloeit die tak, schoon kwijnend, voort: De meekrap, hier zoo schoon, Spreidt nog in ’t afgelegenst oord Haar kleur vol zwier ten toon.
Zoo zong de dichteres Petronella Moens in 1836. Thans echter is de meekrapteelt zoo goed als opgehouden en mede door bietencultuur vervangen.
De veeteelt is van minder beteekenis dan de akkerbouw; daarom wordt de opbrengst van de zuivel dan ook op onderscheidene eilanden niet anders beschouwd dan als een huishoudgeld voor moeder de vrouw. De schapenteelt is er echter van groot belang; de ziltachtige kruiden op de bij hoogen vloed onderloopende gorzen en schorren geven een bijzonder smakelijk vleesch.
Verder geeft de zee zelf een plantenvoedsel in de zeekraal (Salicornia herbacae), ook wel kaalkruid, krabbekwaad en hanepoot genoemd, die in Zeeland als groente gebruikt wordt en tevens als heilzaam geneesmiddel tegen scheurbuik dient. Het verzamelen hiervan beschrijven wij later.
Wij zullen thans onze wandelingen over de Zeeuwsche eilanden voortzetten, aanvangende bij de noordelijkste rij.