Over de Merwede naar Dordrecht.
Reading edition
Een watertochtje op de Hollandsche groote riviermonden is iets eenigs, dat geen waar vaderlander mag verzuimen, eens of meermalen in zijn leven te maken, ook al is zijn woonplaats verre van die gewesten. Ga niet den Drachenfels beklimmen, vóór gij den Nederlandschen Rijn gezien hebt, zooals hij zich met statige fierheid langs de Geldersche heuvelen buigt; ga niet naar het Schwarzwald en Schaffhausen vóór gij de wateren kent, die met trotsche majesteit het lage deltaland van Holland besproeien. Hoewel kinderen der hooge gedeelten van Europa, spreiden eerst in het lage land de rivieren de grootschheid ten toon van hun machtig scheppingsvermogen naast de wilde vernielingskracht. Spelend met dat, wat zij zelf uit liefde voortbrachten, vernietigend hetgeen zij schiepen, om het daarna weder met gelijken moed op te bouwen, zoo omslingeren de groote wateren het delta-land, de meest tegenstrijdige gevoelens opwekkend bij de bewoners.
Wij stappen te Gorinchem op den steiger, zien een der booten, die op Rotterdam varen, met statigen zwaai zich wenden naar den wal, om den steiger te halen, en stappen aan boord, om op het dek plaats te nemen.
De nederzettingen aan beide zijden glijden wij rustig voorbij en weldra schuurt naar het Z.W. een landtong met een seinpaal vooruit in de rivier, als om die te scheiden. Nog weinige oogenblikken, en wij zien links voorbij Werkendam een breeden waterarm zich afscheiden van de Merwede. Dat is de Nieuwe-Merwede, thans een kunstmatig kanaal, door dijken ingesloten, dat een gedeelte van het Merwedewater naar het Hollandsch-Diep voert. Met den aanleg dier kanaalwerken is aangevangen na 1850, ten einde door dat kanaal de Boven-Merwede, waar bij hoogen rivierstand het water hoog kon opstuwen en dat door den meer en meer aanslibbenden Biesbosch niet voldoende kon wegloopen, te ontlasten.
Vóór 1421 was de Merwede een onverdeeld doorloopende rivier tot bij Dordrecht. Een hooge dijk liep van Woudrichem tot Dordrecht door en beschermde de Groote Zuid-Hollandsche Waard, een vruchtbaren polder met bloeiende dorpen overdekt. Herhaaldelijk was het gebleken, hoe gevaarlijk deze Waard lag. In 1288 was zij reeds gedeeltelijk overstroomd, zooals blijkt uit de Rijmkroniek van Melis Stoke, die zegt:
Suuthollant verdronc ooc mede Ende ic ne weet ghene stede, Bi der see, en ghinc al onder,
waar met Suuthollant de Hollandsche Waard bedoeld wordt. Nog hadden hier overstroomingen plaats in 1379, 1393 en 1396, maar telkens werden de wateren weder bedwongen.

Ruïne van den rechterhoektoren van het oude kasteel te-Merwe.
Doch de zwaarste ramp trof de bewoners in den nacht van den 18en Nov. 1421. Toen de westerstorm het zeewater in de riviermonden dreef en het stroomend water der gezwollen rivieren opstuwde tot boven de kruin van den dijk, ontstonden er doorbraken van de Merwede beneden Werkendam, gevolgd door andere doorbraken in het westen van de Waard. De geheele Zuid-Hollandsche Waard, de Tiesselenswaard en onderscheidene dorpen langs den noordrand van Noord-Brabant lagen weldra geheel onder de golven. Van Dordrecht en de Merwede tot Zevenbergen, Geertruidenberg en Waalwijk was het land in één bare zee veranderd; 48 kerkdorpen lagen geheel onder water en de dorpen aan de dijken, hoewel niet overstroomd, leden veel. In ’t geheel zijn door deze ramp 23 kerkdorpen met hun kerken voor altijd verdwenen. Het aantal menschen, dat hierbij omkwam, wordt op ongeveer 10000 gerekend, wat te meer beteekent, als wij weten, dat geheel Holland omstreeks 1514 slechts circa 300000 zielen telde.
Deze overstrooming verwoestte een groot gedeelte dezer landstreek geheel en al en bracht duizenden tot de diepste armoede. Vroeger rijke edellieden, wonende op hun kasteelen te midden van de voor hen arbeidende bevolking, werden tot den bedelstaf gebracht; de haveloos geworden bewoners vormden, door nood gedrongen, bedel- en rooversbenden, die het land onveilig maakten.
Toen de elementen tot rust gekomen waren, zag men, dat de Merwede een nieuwen arm gevormd had. Bij Werkendam stortte de rivier zich in een breede, ronde kom van het weggeslagen land, die wel niet diep was, maar toch geheel onder water lag. Daar groeiden in de ondiepste gedeelten weldra riet en biezen en hiernaar verkreeg het nieuw gevormde water den naam van Biesbosch.
De Merwede had de Zuid-Hollandsche Waard grootendeels vernield, doch arbeidde vervolgens weder, om het landverlies te herstellen. Zij voerde voortdurend het slib aan, dat zich aan het riet en de biezen in ’t bijzonder vasthechtte, en zoo ontstonden er weldra slibbanken, vervolgens ondiepe platen in den Biesbosch, welke eerst afzonderlijk uit het water opdoken als kleine eilandjes en eindelijk door nieuwen aanwas zich meer bij elkander aansloten. Zoo werd langzamerhand de onregelmatige archipel van vruchtbare eilandjes in den Biesbosch gevormd, die zich echter van jaar tot jaar uitbreidden en de scheidingswateren verminderden of geheel deden dichtgroeien. Dat proces zet zich ook thans nog voort bij de overgebleven eilandjes, die wij daar voor ons zien, door ondiepe kreeken en gaten gescheiden, welke laatste hun ondergang dag aan dag meer tegemoet gaan. Zoo is het eiland van Dordrecht, dat wij links van ons waarnemen, en hetwelk kort na 1421 slechts tot een klein stadsgebied beperkt was, sedert dien tijd langzamerhand uitgebreid met vele nieuwe polders.
Als wij Dordrecht naderen, zien wij op niet verren afstand van de stad aan de linkerzijde der rivier, te midden van het grasland, aan den dijk en omringd door ruw opschietend struik- en boomgewas, eenige oude muurresten hun grijze massa in eenzaamheid opbeuren. Dit is de ruïne van het oude Slot-te-Merwede. Omtrent den tijd van den bouw van dit slot verkeert men in het onzekere, doch velen zijn van meening, dat het niet later dan uit de 12e eeuw dagteekent. Al weten wij niet, hoe het in zijn oorspronkelijken toestand geweest is, toch blijkt uit de overblijfselen, welke een deel van den westelijken zijvleugel met fragmenten van een toren en een trap uitmaken, dat het een sterk gebouw was. Merkwaardig is het blinkende verglaassel, dat de muren aan de westzijde overdekt, waardoor dit muurwerk tegen den invloed van het weer gevrijwaard is gebleven.
Ook dit kasteel is tenondergegaan in den St.-Elizabethsvloed van 1421. De hevige stroom, die bij dezen vloed om de muren bruiste, heeft een groot gedeelte der fundamenten ondermijnd en vernield, en ook latere overstroomingen en ijsgang hebben er nog groote schade aan toegebracht.
Het Huis-te-Merwede staat in den Merwedepolder. Toen de aanwassen in dezen polder in 1815 door de stad zijn verkocht, werd hierbij deze voorwaarde gesteld: “De stad Dordrecht reserveert aan zich den eigendom van den grond, alwaar het Huis-te-Merwede op staat, te meten met Rijnlandsche maat, vijf roeden uit den oost- en zuidmuur van voorschreven huis van de rivier de Merwede zuidwaarts aan, van de kille van het Huis-te-Merwede oostwaarts aan”. Door die gelukkige bepaling is de bouwval bewaard gebleven, die zoo eigenaardig past in deze streek, als om de oude historie dezer landen een teekenend relief te geven.

Gezicht op Dordrecht van Zwijndrecht af.
Nog eenige oogenblikken en wij bevinden ons op de bedrijvige rivier vóór Dordrecht. Als de stad zich daar van verre het eerst in haar sierlijke lijnen ontplooit, treft ons de machtige silhouet van de oude Hoofdkerk, die reeds mijlen in den omtrek het landschap domineert en het oog boeit door kracht van lijn en kleur. Aan den voet haast omspoeld door den breeden stroom en aan twee zijden begrensd door Dordrechts teekenachtige havens, rijst de kerk schilderachtig boven het gewirwar van daken en groen. “Een wijding van rust en kracht uit een tijd, toen geen verschillen de godsdienstigen nog in tal van groepjes scheidden, toen gansch een volk een kunstwerk stichtte en de machtige gewelven met zijn lofzang vulde”, aldus laat de heer Mr. Overvoorde zich uit over dit bouwwerk.
Wij zetten thans den voet aan wal in de Merwedestad en willen in de eerste plaats haar opkomst nagaan.
Dordrecht is in de oudste tijden waarschijnlijk opgekomen als een buurt van visschers, jagers en veehoeders, die zich aan den deels door de rivier bespoelden, deels door welige landouwen omringden dijk, (de tegenwoordige Voor- of Hoofdstraat) hadden neergezet. Onder de bescherming van het Slot-te-Merwede breidde die buurt zich van jaar tot jaar uit; zij verkreeg beteekenis als een marktplaats, doch werd door de Noormannen verwoest. Opnieuw opgebouwd werd de nederzetting door Graaf Dirk III in het begin der 11e eeuw tot een poort bevestigd. Sedert breidde Dordt zich spoedig uit als een belangrijke handelsstad. Wel negenmaal moest de stad in vroeger eeuwen vergroot en uitgelegd worden.

De Rozijnkorf. Voorstraat No. 250.
Reeds bij een oppervlakkige beschouwing van de kaart van ons land zal men spoedig tot het besluit komen, dat Dordrecht door zijn ligging aan de hoofdmonding van den Rijn, den arm, die gedurende de geheele geschiedenis het best bevaarbaar is gebleven, en door zijn betrekking met het Zuid-Hollandsch delta-land, zelfs nabij den waterarm van dat eilandengebied, die door de natuur nog het best als een toegang uit zee voor groote schepen werd bewaard (Goereesche gat, Haringvliet, Hollandsch-Diep, Dordtsche Kil), door de geographische gesteldheid eigenlijk aangewezen was tot de hoofdhandelplaats van Nederland aan den Rijn op Duitschland, tot de transito-haven van Nederland bij uitnemendheid voor het achterland van het Maas- en Rijngebied. Wanneer wij de geschiedenis van Dordrecht overzien, blijkt ook, dat de stad eeuwen lang de handelsheerscheres is geweest in dit gebied, een rang, haar in de eerste plaats door haar geographische ligging toegedeeld. Doch daarenboven begunstigden de Hollandsche graven de stad met de privilegiën van stapelrecht en tol, waardoor iedere Rijnschipper gedwongen werd, zijn waren in Dordrecht te koop aan te bieden, een voorrecht, dat medewerkte, om haar te maken tot een rijke plaats, tot de “koningin van den Rijnmond”, tot een stad, die zich van haar waarde bewust was. Dordrecht gedroeg zich reeds in 1444, zooals koningin Isabella, de echtgenoote van Philips den Goede, zeide, “als ware zij zelve Heer in Zuid-Holland”, en bewerkte, dat 40 dorpen en zelfs de stad Geertruidenberg werden gedwongen, daar hun turf en koren ter markt te brengen en hun bier te koopen. In Dordrecht vloeiden de voordeelen van den Rijn- en den Maashandel samen, zooals later die van den handel op Indië in Amsterdam, en de bewoners der stad gaarden schatten op. De nakomelingen dier echte Dordtenaren worden nog altijd beschouwd als een rijke bevolking; Dordrecht geldt voor een stad van patriciërs. Bij een wandeling door Dordt zijn de sporen van den rijkdom, die er toenmaals zetelde en zich uitte in kunstzin, nog te ontdekken in talrijke bouwgewrochten.
Dordrecht kon in vele opzichten als het evenbeeld van Amsterdam in het zuiden beschouwd worden, ja, het was Amsterdam zelfs vóór: zijn geslachtsboom klimt tot hooger oudheid. Dat gevoelden de Dordtenaren steeds; zij stelden zich altijd hoog boven de Rotterdammers. De dichters der 17e eeuw noemden de handelsstad aan de Merwede vleiend “de kroon”, “de koningin der steden”, “de roem van Holland”. Niet minder dan de handel en scheepvaart werden ook kunsten en wetenschappen er aangekweekt. Ten tijde van Cats en de Witt bezat Dordt een bloeienden dichter- en schilderskring en een beroemde Illustre school, terwijl zijn invloed op de hooge staatsaangelegenheden, als eerste stemhebbende stad der provincie, zeer groot was.
De aristocratie van het oude Dordrecht blijkt uit de bevordering, welke kunsten en wetenschappen daar vonden. Aanzienlijke Dordtenaren stelden er een eer in, als Maecenassen der kunst op te treden. Wij wijzen op de Blijenburgers, van Beverens, Beelaertsen en Pompes uit vroeger tijd. Onder hun begunstiging werkten de eerste meesters der schilderkunst, en de salons in de stad hunner inwoning werden met kostbare doeken voorzien. Ook de welvarende burgerij moedigde deze kunst aan door het koopen van kabinetstukjes, waarmede zij de wanden harer pronksaletten versierde, en in de woningen der geringe poorters mochten evenmin schilderijen ontbreken. Zelfs op de hoeven van welvarende boeren vond men niet zelden een “Cuypie”.
Zoo was het in de 17e eeuw. Na de kwijning der kunst in het midden der 18e eeuw brak te Dordrecht in de daaropvolgende het eerst een nieuw tijdperk der kunstgeschiedenis voor Nederland aan en werd de Merwedestad weer “een paradijs der const”. De oude liefde herleefde; de aristocratie en de rijke kooplieden legden weder kabinetten aan; de neringdoende burgers wenschten weder schilderijen te bezitten. Evenals voorheen stelden de aanzienlijken, ook de vrouwen van rang, er roem in, den eernaam van voorstanders en voorstandsters der schoone kunsten te dragen.
Verder was Dordrecht in de 17e eeuw beroemd door de taalkennis zijner burgers. Men kon in dien tijd noch in den staat, noch in de kerk eenig ambt bekleeden, of men moest de oude talen meester zijn. Het was zelfs geen zeldzaamheid, jonge vrouwen aan te treffen, die Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch verstonden en in die talen schreven en verzen maakten. Dordrecht nu stond in de beoefening der oude talen in de Nederlanden bovenaan; geen stad, waar bij den aanvang der 17e eeuw voortreffelijker Latijnsche dichters en uitstekender beoefenaars van de oude talen gevonden werden dan in Dordrecht, en de roem dezer stad wegens haar geleerden verbreidde zich over geheel Europa. De beroemdste mannen der wetenschap uit Frankrijk, Duitschland, Engeland en Italië reisden naar Dordrecht, om daar de kenners der klassieken te begroeten; de Dordtsche Illustre school hield men voor de uitnemendste van alle, waar Latijnsche dichters gevormd werden.

Gezicht op de voormalige Spoeij of Spuipoort.
Ook die klassieke geest begon na een tijd van verzwakking in Dordrecht te herleven met den aanvang der negentiende eeuw.
Was Dordrecht aan den eenen kant aristocratisch aangelegd, daarnaast bleven ook nergens oude zeden en gebruiken zoo lang in stand als hier. De ligging op een eiland kan daarvan niet uitsluitend de oorzaak geweest zijn, omdat men in de druk bezochte stad geenszins geïsoleerd stond; het verschijnsel is eerder te verklaren uit den zelfstandigen volksgeest, zoowel geestelijk als economisch. Gedurende het eerste gedeelte der 19e eeuw was hier de wijze van leven bij de aanzienlijken nog als in de eerste helft der 17e eeuw, zegt Dr. Schotel van de stad zijner geboorte. Nog gingen de eerzame burgers in dien tijd des zomers tusschen thee- en koffie- of na koffietijd naar hun tuintjes en werkhuisjes aan de singels, of zaten in de schemering, de vrouwen in hare peliezen met de breikous in de hand, de mannen in de poederjas of japon met den gouwenaar in den mond, op de banken hunner stoepen. De Latijnsche scholen waren nog ingericht als in den tijd, toen Jan en Cornelis de Witt er ter schole gingen. Op Kerstmis at men korseweggen, op Paschen bont-gekleurde paascheieren, die ook aan den meester werden vereerd; op Hemelvaartsdag sloeg men den dauw; op Pinksteren gingen de pinksterbloemen rond; men vierde pinksterdrie op het veld van Mars en den eersten Mei danste men om den Meiboom. De volkstaal was nog dezelfde gebleven; de burgers spraken nog in het oude dialekt of liever plat Dordtsch. Nog zei men “jochie”, “koeksie”, “meissie”, “mannechie”, “ien stiene hoisie”, “een blaachie roiie koil”, “voile geuten”, enz. Zoo was men er gehecht gebleven aan het volkseigene, dat zich hier had ontwikkeld.
Hoe lang Dordrecht ook uitblonk boven Rotterdam in wetenschap, kunstzin en rijkdom, in hoogen naam der oude familiën, toch is het in de 19e eeuw op handelsgebied niet de eerste gebleven. De Merwedestad heeft zich door de Maasstad de kroon laten ontnemen. Dordrecht was rijk geworden door de stapelrechten, maar in den tijd, dat de vrijhandel in de Nederlanden zijn gunstigste resultaten gaf, klemde Dordrecht zich te angstvallig vast aan de verkregen middeleeuwsche rechten, die gedurende de 17e en 18e eeuw meer en meer in verval kwamen. Tot 1795 heeft Dordrecht zijn stapelrechten in naam behouden; de wind der Fransche revolutie evenwel deed ook de laatste overblijfselen van dit feodale recht verstuiven.

Gezicht op het Steiger.
Bij dien strijd om het behoud van het stapelrecht was de stad niet medegegaan met de economische eischen des tijds; de bakens waren niet verzet, toen het getij verliep. Andere steden kwamen op en wisten het aandeel in den wereldhandel te verwerven, waarop Dordrecht door zijn ligging aanspraak kon gemaakt hebben. Dordrecht had de meerdere kunnen blijven; het was ook in de 19e eeuw aangewezen door zijn prachtige riviersituatie, om de eerste havenstad van Holland te zijn. Het beschikte tevens over groote financieele kracht. Maar het beleid, om die te gebruiken, heeft Dordrecht ontbroken; het liet zich alles door Rotterdam ontnemen, tot zelfs in den laatsten tijd zijn marktverkeer met het omringend eilandengebied. Het heeft zich bijna zonder protest laten afsluiten door een spoorwegbrug en daarmede een dam laten stellen in zijn vrij verkeer met de zee. En al is het nog een welvarende plaats, toch is de stad van 18000 zielen in 1796 tot niet meer dan 39000 aangegroeid, terwijl Rotterdam bij minder gunstige ligging veel sterker toenam (zie II pag. 75).
Dordrecht is ontstaan op een hoek van de Groote Zuid-Hollandsche Waard, op het land, ingesloten door de Maas, die toen nog haar ouden loop had vóór het ontstaan van den Bieschbosch in 1421, en de Merwede, terwijl de Dubbel dit land nog doorsneed en de Tiesselens waard in het westen afscheidde.

Wijnbrug (Voorstraatshaven), naar een aquarel van J. van Leksmond.
Door de overstrooming van 1421 zijn de geographische gesteldheid en de omstreken der stad geheel veranderd en werd Dordrecht een eiland. Aan den noord- en noordwestkant stroomde de diepe rivier; aan den zuidoostkant lagen ondiepe plassen, waaruit op korten afstand ten zuidoosten van de stad een laag, vlak eilandje oprees, dat weldra met riet begroeide, terwijl enkele gedeelten van den verwoesten zuidelijken Merwededijk en de muren van het oude Huis-te-Merwede treurig en verlaten boven de uitgebreide watervlakte uitstaken. Zoo vertoont zich de gesteldheid des lands nog op een kaart, door Pieter Sluiter in 1560 geteekend.
Langzamerhand veranderde de toestand weder in de omstreken van Dordrecht. De rietgors ten zuidoosten van de stad werd in 1589 weder met een zomerkade bedijkt en in 1620 door een volledige bedijking omringd. Hier verrees sedert het dorp Dubbeldam, vriendelijk langs den weg gelegen te midden van bouw- en graslanden. In 1630 werd hier weder een kerk gebouwd. Na dien tijd breidde de aanwas zich uit en in de eerstvolgende veertig jaren werden talrijke polders bedijkt.
Het Eiland van Dordrecht is aldus langzamerhand aangewassen tot zijn tegenwoordige gedaante en talrijke dijken, de grenzen der afzonderlijke polders, welke vroeger het buitenwater keerden, doch die thans midden in het land liggen en met hun groene ruggen of boombeplantingen het land in schilderachtige lijnen doorsnijden, verleenen het eiland een eigenaardig cachet.
De bodem is vruchtbaar door de zware kleilagen en wordt grootendeels voor bouwland, ten deele voor grasland gebruikt. De iepeboomen langs wegen en dijken geven het land een boomrijk karakter, terwijl overal langs de scheidingsslooten der landen de knotwilgen en populieren verrijzen; aan de rivierkanten spitsen de scheepsmasten over de dijken heen. Ook om de groote boerenwoningen, welke meestal geïsoleerd staan te midden van het land, vindt men doorgaans kleine boomgroepen. Dit alles schenkt aan het landschap een vriendelijke afwisseling, niet geteekend door scherpe contrasten, maar echt Hollandsch, rijk aan frissche kleuren en schilderachtige effecten, die onder den eenigen Hollandschen hemel zoo teekenachtig uitkomen. Daardoor is het eiland een lievelingsplek geworden voor schilders, die uit alle oorden van Europa en Noord-Amerika hier eenigen tijd vertoeven, om het landschap te bestudeeren, dat het penseel van zoovele groote kunstenaars heeft bezield.
Dordrecht heeft in zijn naasten omtrek een vriendelijke omgeving. Aan den eenen kant stroomt de grootsche rivier in een boog om de stad, met de schoonste vergezichten op het levendige water en op de dorpen aan den overkant, en aan de landzijde wordt Dordrecht omringd door een krans van villa’s met geboomte en tuinen. Ten Z.O. van de stad ligt het park Merwestein met hoog en laag geboomte, met een hertenkamp, enz. Vroeger was dit een buitenplaats, die door de gemeente werd aangekocht. Daarnaast ligt het Oranjepark, een villapark.
De intrede der stad van het station langs moderne gebouwen en villa’s geeft nog niet het echte stadskarakter te zien, dat Dordrecht beroemd heeft gemaakt. Daarvoor moet men zijn in het oude Dordrecht, met zijn schilderachtige grachten en zijn talrijke mooie gevels.
Eenig waren de echte oud-Hollandsche steden met een bouwstijl, die de uitdrukking was van een opgewekten geest, een gezonden humor. Wie gevoelt in onzen tijd niet den weldadigen indruk dier schilderachtige geveltjes, sommige met den eenvoud tot eenig sieraad, andere in volle gratie van kleur, lijn en plastiek? Daarbij is het merkwaardig, dat het niet alleen enkele openbare gebouwen zijn, die als monumenten van oude architectuur het karakter der oud-Hollandsche stad bepalen.
Dordrecht was in de bouwkunde de meeste Hollandsche steden nog vooruit. Hier zag men vóór 1500, toen er nog bijna uitsluitend houten gevels voor de particuliere gebouwen in de steden werden aangetroffen, ook in Amsterdam, reeds verschillende particuliere steenen gevels aan beide zijden van de Oude Haven. De oude particuliere gebouwen van vóór 1500 zijn echter alle verdwenen.
Van de latere bouwprodukten vindt men in Dordrecht nog overblijfselen uit verschillende tijdperken.
Uit den laat-Gothischen tijd heeft men te Dordrecht twee uitstekend bewaarde steenen trapgevels, Groenmarkt 43 en Wijnstraat 59. Uit den overgang tusschen Gothiek en Renaissance dateeren de fraaie gevels van de huizen “de Sleutel” aan de Groenmarkt en “de Rozijnkorf” aan de Voorstraat, (zie de fig. pag. 148) die reeds de hoofdlijnen van het Dordtsche type vertoonen.

Poortje Aarent-Maartenshof.
Uit het begin der Renaissance stammen grootendeels de gevels met houtconstructie, waarbij de steen slechts als vulling dient en de draagkracht gevormd wordt door het houten geraamte van stijl- en regelwerk, waarbij de constructie tevens de omtreklijnen van de vensters vormt. Hiervan vindt men nog voorbeelden aan den achterkant van de haven, tusschen het Schefferplein en de Leuvebrug.
Het meest domineerende type is daarbij het burgerwoonhuis in den stijl, die ook wel eens de Zuid-Hollandsche genoemd wordt, omdat Dordrecht en Delft de middelpunten daarvan waren. Het sterkst typeerende deel van die huizen zijn de gemetselde rondbogen, die eenigszins vooruitspringen en in hun zware profileeringen nog terugwijzen naar den tijd der Gothiek. De uiteinden der rondbogen rusten in den regel op gebeeldhouwde kraagsteentjes van zandsteen in den vorm van koppen, kapiteelen en pilastertjes, terwijl het halfronde veld, dat binnen den boog besloten is, klaverbladvormig is ingeschulpt.

Muntpoort.
Ziedaar het algemeene type. Maar welk een verscheidenheid in de details! Hier schilderachtige mozaïeken van zand- en baksteen: sterren, kruisen, bloemen, vlammen; daar een rijke ornamentatie van koppen en cartouches; ginds weder keurig bewerkte friezen, afwisselend met een overstelpenden vormenrijkdom voor het varieeren van den ontlastingsboog, die meestal de vierkante vensters overwelft. Dit algemeene type van den trap- en tuitgevel wisselt af met den door pilasterstellingen ingedeelden gevel en met den tuitgevel van een later tijdperk.
Verleenen de in kleuren- en vormenrijkdom als met elkander wedijverende gebouwtjes reeds op zichzelf een schilderachtig karakter aan de oude stad, nog bekoorlijker is hun verschijning, waar zij, langs de havens geschaard en als het ware daaruit oprijzend, hun teekenachtige lijnen en vroolijke kleuren in het water doen weerkaatsen.

Oude of Groothoofdspoort.
Merkwaardig is in dit opzicht de Voorstraathaven, die de stad van oost naar west in boogvorm doorsnijdt. Overal, op elke brug, uit ieder slop, van alle steigers, levert de haven den meest imposanten aanblik. Ieder detail van die eigenaardige geveltjes, een balkonnetje, een balustrade, een uitbouwtje, een vooruitstekende goot, krijgt waarde voor de schilderachtigheid van het geheel; elk bosje gras, dat tusschen de steenen woekert, ieder boompje, dat uit een achterplaatsje het hoofd naar de haven vooruitsteekt, zet nieuwe bekoring aan het stadsgezicht bij. Aldus beschrijft een kunstkenner dit stadsbeeld (Zie de plaat pag. 153).
Uit den aard der zaak zijn vele der mooie geveltjes in Dordt, evenals elders, verdwenen. Vooral in de winkelhuizen zijn zij in de ondergedeelten verbouwd. Niet zelden kan men onder een fraaien trapgevel moderne winkelramen in het benedengedeelte vinden. Een vereeniging tot behoud van de oude gebouwen is sedert enkele jaren in Dordrecht werkzaam, om zooveel mogelijk het karakteristieke en fraaie der oude stad te bewaren.
Bovenal in de Voorstraat, aan den kant van het Groothoofd, vindt men nog vele antieke gevels tusschen de moderne huizen; verder ziet men ze in de Groote Kerksbuurt, aan de Groenmarkt, in de Wijnstraat, Steegoversloot, de Nieuwstraat, enz.
Dordrecht herinnert nog aan onderscheidene belangrijke gebeurtenissen uit de historie dezer landen, al zijn de gebouwen, waaraan die herinneringen verbonden zijn, niet alle met evenveel zorg bewaard gebleven. Dit is onder andere het geval met het gebouw, waar in 1618–19 de bekende “Synode” bijeenkwam, en naast veroordeeling van de leer der Remonstranten, die der Nederlandsche Hervormde kerk werd vastgesteld, een bijeenkomst, zoo veelbeteekenend voor onze geschiedenis. Door deze Synode is Dordt in den volksmond tegenover Rome geplaatst. Doch wie het gebouw wenscht te zien, waarin zulke belangrijke besluiten werden genomen, gelijk met buitenlanders zoowel als Nederlanders dikwijls het geval is, zoekt het tevergeefs. Op de plek, waar het stond, verrijst thans de cellulaire gevangenis. De Synode werd gehouden in den Kloveniers Doelen, in 1530 gesticht; de maaltijd, waarmede deze plechtigheid eindigde, had plaats in de historische herberg “de Pauw”; het was een feestelijk samenzijn, waar de zorgen en zwarigheden onder muziek en Rijnschen wijn werden afgespoeld, zooals de Arminianen schreven. Dit is in elk geval waar, dat de maaltijd, waaraan 130 personen deelnamen, den Staat 1219 ponden en 18 schellingen van 40 groot kostte.
Na de afschaffing van de gilden werd de Kloveniers Doelen aan vendumeesters en herbergiers verhuurd; de Synodezaal, ironie der historie! diende vele jaren tot danszaal, tot groote ergernis van velen. Alleen de fraaie, gebeeldhouwde schoorsteen wordt in het gemeentelijk Museum nog bewaard. Ook de groote lindeboom vóór het gebouw, waaronder na de Hervorming eerste gedoopt werd, is verdwenen.
Voorheen werd de Munt van Holland te Dordrecht gevonden; men meent, dat het muntrecht reeds in 1064 aan Dordrecht werd gegeven; zeker is het echter dat Jan van Beieren in 1418 de Munt van Holland uitsluitend te Dordrecht heeft gevestigd. Het Muntgebouw stond aan de Voorstraat. Van de vele vertrekken, waaruit het bestond, moet de rekenkamer hebben uitgemunt. Na de verlegging der Munt naar Utrecht, onder Koning Lodewijk, diende het gebouw voor belastingkantoor. Het mooie poortje van de Munt aan de Voorstraat (zie pag. 156) is uit de vroeg-Renaissance-periode (1555); ’t is het eenige, wat van het oude gebouw is overgebleven. Nog vindt men andere artistieke poortjes in deze stad. Van het Poortje van het Arent Maartenshofje gaven wij een afbeelding op pag. 155.
Van de oude poorten is de Groothoofdspoort of Merwedepoort aan de Merwedekade nog overgebleven, een merkwaardig gebouw der Renaissance, dat in zijn tegenwoordige gedaante dagteekent van 1618, toen het vernieuwd werd. Deze poort wordt algemeen gerekend tot de werken van Th. de Keyser, aan wien ook het Muntpoortje wordt toegeschreven. De Groothoofdspoort behoort aan de stadszijde tot het pilastertype met barokke versiering; de waterzijde is geheel decoratief ontworpen met groot medaillon en zwaar omlijste, groote vensterkozijnen. De koepel en de rocaille-voorpoort zijn latere toevoegsels. Boven den ingang aan de rivierzijde is deze poort met fraai beeldhouwwerk in zandsteen versierd. Het stelt voor de Dordtsche maagd, in een tuin gezeten, omringd door de wapenen harer banierdragers, d. i. der steden en dorpen, die met haar optrokken ter bedevaart. Het opschrift luidt:
“Floreas nobilis urbs Semper te bona pax amet Et semper amantibus Cedant omnia recte Pax civium et concordia Tutissime urbem munient”.
d.i.
Moogt gij bloeien, edele stad, Moge een heilzame vrede steeds uw deel zijn, En moge het den voorstanders daarvan in alles goed gaan: Dan zullen vrede en eendracht der burgers het sterkste bolwerk zijn der stad.
Ook aan de landzijde vindt men prachtig beeldhouwwerk aan deze poort, benevens de wapens der burgemeesters, onder wie deze poort werd gesticht.
De poortdoorgang, met zijn ingewikkelden gewelfbouw, is nog een overblijfsel der oudere poort; de koepel en de door een boog verbonden pilasters aan de rivierzijde, zijn in de 18e eeuw aangebracht.
In de poort is sedert 1894 een Museum gevestigd van oudheden, betrekking hebbende op de geschiedenis van Dordrecht, alsmede van penningen.
Buiten de Groothoofdspoort opent zich een prachtig panorama van de Merwedekade op de rivieren. Van rechts stroomt de statige, breede Merwede op de stad aan, ingesloten door haar groene boorden, aan de noordzijde begrensd door een reeks van aaneensluitende dorpen langs den dijk en verlevendigd door tal van Rijnschepen en stoombooten; vóór ons buigt de Noord zich van den hoofdstroom af, van verre zich tijdelijk splitsend om den groenen Sophia-polder, en links stroomt de Merwede als Oude Maas verder, met zachte bocht zich ten zuiden langs de Zwijndrechtsche Waard buigend.
Zwijndrecht zien wij aan de linkerhand, een eenvoudig dorp, over de rivier gelegen, met onderscheidene fabrieken; achter de huizenreeks strekt zich een uitgebreid gewest van tuinbouw uit. Valt het te verwonderen, dat deze kade de gezochte wandelplaats van het oude Dordt is?
Doch thans richten wij onze schreden weder stadswaarts.

Overtuin der villa Rozenhof (thans bebouwd bouwterrein).
Wij moeten nu in de eerste plaats, als op onzen weg liggend, de aandacht vestigen op het Museum. Al mogen wij daarbij wegens den aard van ons plan niet verwijlen, toch wijzen wij er op, dat Dordrecht een kleine, maar zeer merkwaardige en zich voortdurend uitbreidende collectie schilderijen bezit uit den bloeitijd der Nederlandsche schilderkunst, alsmede van moderne meesters. Dordrechts Museum is bovenal door aanzienlijke schenkingen tot stand gekomen. De vereeniging “Dordrechts Museum” werd opgericht in 1842; aanvankelijk was de Scheffer-afdeeling, bestaande uit stukken van Ary Scheffer en copieën naar de werken van genoemden kunstenaar, die in 1795 te Dordrecht geboren was, de hoofdzaak. Dordrecht heeft voor dien burger in 1862 een standbeeld opgericht op het Schefferplein. Door een legaat van ƒ 100,000, haar geschonken door den Dordtschen maecenas L. Dupper, heeft de verzameling een groote uitbreiding verkregen. Van de beeldhouwwerken noemen wij de buste van Johan de Witt door Artus Quellinus.
Een eigenaardig museum in deze stad is het Zuid-Afrikaansche Museum, bijeengebracht door den heer Hidde Nijland, waarin een rijke verzameling van merkwaardigheden betreffende land en volk uit Zuid-Afrika en herinneringen aan den Boerenstrijd, de huldebewijzen, President Kruger aangeboden, enz. gevonden worden.

De Groote Kerk te Dordrecht.
Thans wenden wij ons naar de Lieve-Vrouwe of Groote Kerk, die wij reeds van verre bij onze aankomst zagen, een hoogst merkwaardig bouwkundig monument. Gelijk met vele Katholieke kerken het geval is, werd ook de bouw van deze met een sluier van legenden omhuld. De kerk zou gesticht zijn door een vrome maagd, die rijk aan geloof, maar arm aan aardsche goederen was, want zij bezat slechts drie penningen. Doch de vurige begeerte, om der Moedermaagd een kerk te stichten, die een monument kon worden, dat op zichzelf reeds een gebed zou zijn tot den Hoogen, deed haar in gebeden verzinken. En op wonderdadige wijze werd zij geholpen bij haar vroom doel: de drie penningen waren ternauwernood uitgegeven, of drie andere kwamen in haar bezit en zoo ging dat voort, tot met de stichting der kerk kon worden aangevangen.
Wij laten deze legende voor hetgeen zij is. Doch dit zal ieder moeten toestemmen, dat de kerk te Dordrecht een der grootste en voortreffelijkste bouwwerken met spitsbogenstijl in Nederland is. De aanvang van den bouw moet hebben plaatsgegrepen in 1080 of 1090 onder de regeering van Graaf Dirk V. Uit historische berichten blijkt, wat elk bouwkundige bij nauwkeurige beschouwing gemakkelijk kan opmerken aan het inwendige, dat het koor met zijn omgang van later dagteekent, hoewel de verschillen zeer gering zijn. Want door de geheele kerk heen heerscht over ’t geheel dezelfde stijl, verdeeling en profileering, zoodat men mag aannemen, dat bij de voltooiing van het geheel het oorspronkelijke plan is gevolgd. Terwijl het koor ongeveer een 75tal jaren later gebouwd is dan het schip, werd het zoogenaamde Vrouwenkoor aan de noordzijde waarschijnlijk in de tweede helft der 13e eeuw er bijgevoegd.
Zoodra men de kerk binnentreedt, komt men onder den indruk van het genre des bouwmeesters, doch onaangenaam treft ons de kilheid van toon en de smakelooze, geel gekleurde schutten aan de zijden der transepten en bij het orgel, die de stemming van wijding bederven. Ook de afschuwelijke loges, waarvan die boven het graf van De Witt nog slechts van 1850 dagteekent, getuigen van veel wansmaak en overtreffen hierin nog de zoogenaamd in stijl uitgevoerde gaskronen, die in 1865 de sierlijke oude bolkronen uit de jaren 1604–1663 vervingen.
Kil en hard van toon is de witkalk der muren, die het kostbaar en kleurrijk bouwmateriaal overdekt. In 1590 is men met witten begonnen en sedert voortgegaan. En waar het witsel is weggenomen ter herstelling, blijkt een laagje cement te zijn aangebracht, waarop de voegen der steenen zijn geschilderd.
De geschiedenis van het inwendige der kerk geeft stof tot ernstige overwegingen.

Preekstoel in de Groote Kerk te Dordrecht.
Als men bedenkt, hoe rijk begiftigd de O. L. V. kerk is geweest na de inwijding—in 1182 door Bisschop Baldewijn van Utrecht—hoeveel rijker nog zij zich na den brand in 1457 heeft voorgedaan, toen de vlammen de offers der vroomheid van bijna vier eeuwen verteerden en van het trotsche gebouw enkel de naakte wanden overlieten—hoe haar altaren hebben geschitterd van goud, zilver, juweelen, haar wanden versierd waren met kostbare schilderijen en zij mild gezegend was met voorrechten, overblijfselen van mirakelen; als men bedenkt, dat haar kapellen, kort na de inneming der stad door de Watergeuzen, van de altaren en de kostbare versierselen ontdaan, tot prachtige begraafplaatsen werden ingericht—dat de wanden dezer kapellen toen werden bedekt met wapenkassen en wapenschilden, de vloeren werden gevormd door kunstig gebeeldhouwde zerken, waarin familiewapens waren uitgehouwen, de ingangen afgesloten door steenen of houten, met beeldwerk en opschriften beladen hekken; als men weet, dat van deze prachtige monumenten en schitterende vaandels en blazoenen sedert 1795 niet veel is overgebleven, ja, de geslachten, eenmaal zoo trotsch en fier op die gewelven, meest alle zijn uitgestorven, door andere opgevolgd, of hun nakomelingen na 1829 elders zijn ter ruste gelegd, dan komt het somber gevoel van den indruk der vergankelijkheid over ons. Doch wij geven daaraan niet toe: de hooge spitsen der gewelven wijzen naar boven, niet naar de bedruktheid der aarde.
Daar staan wij voor het prachtige koorhek met de marmeren hoofdpijlers en borstwering en de bekende vormen der barokperiode, uit een legaat van Philippe Diodati, in 1681 te Dordrecht geboren. Geen gedeelte der kerk is zoo belangrijk als dit koor, wegens de historische herinneringen hieraan verbonden.
Daar zien wij nog de zitplaatsen der voormalige geestelijken, keurig beeldhouwwerk, dat wel veel geleden heeft, maar toch nog te beschouwen is als het schoonste, wat Nederland uit het tijdperk der Italiaansche vroeg-Renaissance bezit. Zij zijn in 1538 en ’39 vervaardigd; het kunstig snijwerk is afkomstig van den beroemden beeldsnijder Jan Terwen. De banken aan de noordzijde vertoonen het wereldlijk gezag, die aan de zuidzijde de zegepralende kerk.
Van de tot grafplaatsen veranderde kapellen gaan wij o. a. langs het sierlijke hek der Meerdervoortskapel, in 1648 vervaardigd door H. de Vos, langs de St. Apollonia-kapel, insgelijks met een prachtig hek van de Vos afgesloten.
De wit marmeren preekstoel bezit uitmuntende bas-reliefs, alsmede marmeren trap en leuning. Hij is niet, zooals wel wordt beweerd, uit één stuk marmer vervaardigd, maar de verschillende stukken zijn zoo zuiver aan elkander gezet, dat men met moeite de voegen kan ontdekken.
Op de drie groote paneelen zijn tafereelen voorgesteld uit het leven van Christus, en wel: Jezus, door Johannes gedoopt; Jezus in den tempel te Jeruzalem, en de bergrede; op de vier afgesneden hoeken zijn voorgesteld: geloof, hoop en liefde en standvastigheid.
Wie de kerk bezoekt, ziet gewoonlijk ook het kostbare gouden vaatwerk voor den doop en het avondmaal, kunstig drijfwerk, door legaten verkregen in 1738.