Inleiding
Reading edition
Wanneer het echter op de uitvoering aankomt, blijkt er niet zelden eenig overleg noodig; want niet genoeg is het dat die naam eens gegeven wordt: hij moet ook heel het leven door gedragen worden; en de dragers ervan zijn evenzeer kinderen van een gemeenschappelijk Nederlandsch vaderland als kinderen van de Katholieke Kerk. En zoo behoort dan ook deze dubbele eigenschap zich zoowel bij het geven als bij het dragen van den naam kenbaar te maken.
De keuze dan van den naam regelt zich naar het gezegde verlangen der H. Kerk, maar ook naar de vaderlandsche zede, dat de kinderen tevens genoemd worden naar de voorouders of bloedverwanten en bijzonderlijk peters en meters. Niet zelden echter komt het voor, dat deze twee belangen moeilijk te vereenigen blijken, voor zoover namelijk niet juist genoeg geweten wordt, welke kerkelijk-latijnsche naam beantwoordt aan den verlangden vaderlandschen vorm. En deze vraag komt wel het veelvuldigst voor bij de Friezen, wijl zij meer dan de andere Nederlanders aan de voorvaderlijke namen gehecht zijn.
Toch behoort datzelfde hier in een kort overzicht te worden saamgevat.
Zelfs in de drie volgende eeuwen waren de Heiligennamen in de westersche Kerk nog volstrekt niet algemeen in gebruik. Ook na de bekeering van westelijk Europa hebben de Heiligen hun deel onder de doopnamen maar langzaam aan verkregen. Blijkbaar is het overgeleverde gebruik om de kinderen naar de voorouders te blijven noemen bovenmate taai en sterk geweest, zoodat ook bij de volkomen Christene volkeren de oud-germaansche heidensche namen in gebruik bleven. Het bewijs daarvoor wordt gemakkelijk gevonden in de Heiligen-lijsten welke door schrijvers zooals Butler naar tijdsorde zijn opgesteld. In de vijf eerste eeuwen der Kerk zijn van de Heiligen de persoonsnamen die niet-grieksch of niet-latijnsch luiden zeer gering in getal. Van de zesde eeuw echter af nemen ze meer en meer toe totdat in de achtste eeuw de klassieke namen uitzonderingen worden. En zoo blijft het doorgaan heel de middeleeuwen door.
Met de zestiende eeuw daarentegen verdwijnen de Heiligen die germaansche namen dragen zeer opmerkelijk, blijkbaar door den invloed van humanisme en klassieken geest, die de oud-germaansche namen als barbaarsch begonnen te verachten.
Dat taai voortbestaan der oud-heidensche namen bij de Christenvolken behoeft ons echter hoegenaamd niet te verwonderen, want dat zulks niets meer dan natuurlijk is, wordt zeer eenvoudig bewezen door het feit, dat de Roomsche Heiligennamen nog altijd trouw in gebruik zijn gebleven bij onze eigene onkatholieke landgenooten. Immers, wat sinds de zestiende eeuw met de persoonsnamen onder ons plaats had, mag ook vermoed worden geschied te zijn bij de kerstening onzer voorouders. Hoe ging het hier te lande tijdens en sedert de Hervorming? Vader verliet de Moederkerk, maar behield natuurlijk zijn doopnaam, gelijk ook de kinderen. En al ontvingen de nakomendende kinderen geen eigenlijken doopnaam meer: ze bleven toch geregeld en hoofdzakelijk naar grootouders of naaste verwanten genoemd worden. Dat leeren ons de doop- en grafboeken der protestantsche kerken, gelijk ook de verdere archieven. Uitzonderingen waren schaarsch; men kan er de gilde-schilders- en regentenlijsten over naslaan tot bewijs. En ook thans gaat het nog niet anders, met uitzondering alleen van de Friezen; maar dezen hebben altijd, ook in de roomsche eeuwen, het minst gebruik gemaakt van de Heiligennamen der Martyrologiën.
Het zal nu mijne taak zijn, voor die nog gangbare Nederlandsche namen de noodige en geschikte Heiligen aan te wijzen. En nu kan ik al aanstonds verklaren, dat, meer dan ik verwacht had, de vervulling van die taak mij gemakkelijk is gebleken door de bevinding, dat er uit den overvloed van namen welke Förstemann verzamelde, zeer vele door middeleeuwsche Heiligen gedragen zijn, en dus nog heden als doopnamen kunnen worden toegekend.
De verzameling van Leendertz is thans reeds veertig jaar oud, en die van Winkler vijf-en-twintig. Niet onwaarschijnlijk derhalve, dat menige naam in die Lijsten voorkomend in onze dagen alreeds buiten gebruik is geraakt. Vervolgens is het een feit, overigens zeer natuurlijk te verklaren, dat onder de Friezen de oud-germaansche voornamen minder voorkomen bij de roomsche dan bij de protestantsche bevolking. Om al deze redenen moet ik wel vreezen, dat mijne Naamlijst, die toch haar grootste doel vindt in het katholieke doopboek, eer te uitgebreid dan te bekrompen zal worden bevonden. Toch geloof ik, dat het minder erg zal zijn te misdoen door een te-veel dan door een te-weinig; immers, ik mag rekenen, dat ook buiten het belang van het doopboek om, mijne studie nog eenig nut kan hebben voor de geschiedenis van onze vaderlandsche taal.
Vóór alles zal het nuttig zijn hier een goed en recht begrip te geven van de oud-germaansche persoonsnamen.
Wijl mij nu gebleken was, dat dit werk een betrouwbare grondslag zou zijn, waarop de verlangde Lijst van doopnamen kon worden gevestigd, mag het dienstig geacht worden hier uiteen te zetten, op wat wijze dat boek door mij gebruikt is.
Zooals pas gezegd werd, vinden we de oudgermaansche namen tweeledig samengesteld. Het eerste lid kan hoofdstam, het tweede bijstam worden genoemd. Tot bewijs van den overvloed aan hoofdstammen diene, dat Förstemann er onder de letter A niet minder dan 58 en onder B niet minder dan 68 gerangschikt heeft en nog meer groepsgewijze onderverdeeld. De bijstammen zijn minder in getal doch duiden op hunne beurt grootendeels aan, of we met een mansnaam dan wel vrouwennaam te doen hebben. Zoo zijn de mannelijke kenbaar aan de bijstammen: bald, bercht, bod, brand, bord, dag, frith, funs, gang, gar, gard, gast, gis, gisil, grim, hard, hari, hath, helm, hraban, hroc, hrod, laic, laif, land, man, mar, mod, mund, nanth, nod, rad, ric, rid, scalc, stain, thanc, thiu, wald, ward, wig, win, wulf. Als vrouwelijke bijstammen worden aangetroffen: balda, berga, burga, berta, drudis en trudis, fledis, garda en gardis, gildis, gunda en gundis, haid en heid, hilda, hildis, lind, lindis, sind en sinda, swind, widis en wis. Met den hoofdstam ATHAL b.v. werden gevormd de mannelijke voornamen: Athalbald, Athalbert, Athalfrid, Adelfuns, Athalger, Adalhard, Athalwulf enz., en de vrouwelijke: Adalberga, Adaldrud, Adelgardis, Adalhaid, Adalhildis, Adallindis, Adalsind enz.
Wanneer derhalve een patroonheilige werd verlangd bij een oudnederlandschen persoonsnaam, had ik te zoeken onder welken hoofdstam die te rangschikken zou zijn, en vervolgens of onder de groepen der met bijstammen gevormde namen een Heilige van dien naam gevonden wordt, nogtans met dien verstande dat de eene bijstam in de plaats van den andere kan treden (dit blijkt dikwijls onvermijdelijk) ja ook wel zóó dat toevlucht moet genomen worden tot een aanverwanten hoofdstam.
Niet altijd is het mij gelukt een passenden Heilige aan te geven, wiens naam tot een Germaanschen hoofd- of bijstam terug te brengen is. In zulke gevallen heb ik dan bij aanpassing eenen Heilige opgenoemd, wiens naam naar den vorm voldoende aan den Nederlandschen nabijkomt. Op enkele, slechts 3 plaatsen, heb ik eenen naam geplaatst die in zijn Latijnschen vorm eene vertaling bevat van den Nederlandschen (N. 168, 257, 812), en ja, in 2 gevallen bleek mij geheelonthouding de veiligste weg (N. 244, 247).
Met opzet ben ik niet karig geweest in het opnemen van verschillende vormen die aan de bijstammen hun bestaan danken. Doch er zijn bovendien nog andere redenen. Vooreerst toch getuigen deze vormen voor de omwisseling die er zoo vaak tusschen de letters, klinkers zoowel als medeklinkers plaats greep en waardoor a en e, e en i, o en u b en p, d en t, f en v werden omgezet. Men zal zien dat zulke omwisselingen menigmaal van veel beteekenis zijn.
Vervolgens durf ik vertrouwen, dat nog wel menig lezer, die oude naamvormen van genoeg taalkundig belang zal achten om er kennis mee te maken.
Ten derde bleek mij eene ietwat ruime vermelding dier vormen, ook al staan zij met de Heiligennamen in geen rechtstreeksch verband, toch nog daarom nuttig, wijl er uit blijken kan, dat er van de oudgermaansche persoonsnamen nog vele resten zijn overgebleven in de hedendaagsche geslachtsnamen. Reeds al van zelf werd mijne aandacht op dit feit gevestigd doordien Förstemann aan het eind van zijn werk een “Register neuhochdeutscher Familiennamen” heeft laten volgen. En ik moet bekennen, dat dit “Register” mij menigmaal bij het nazoeken goeden dienst heeft bewezen, in verband met de letterwisseling waarvan zoo even spraak was. B.v. ik had den voornaam Bamme te behandelen. Dien vond ik ook als hedendaagschen Duitschen geslachtsnaam vermeld, doch met verwijzing naar Pammo, Pamo als “koseform aus unbestimbaren Quellen” (Zie N. 78). Of, soms trokken Hoogduitsche geslachtsnamen van dat Register toevallig mijne aandacht, als vroeger of thans nog voorkomend in ons eigen land. (Men zie b.v. N. 113, 182, 212, 526). Om deze laatste reden dan werden hier en daar hedendaagsche geslachtsnamen bijgevoegd, nogtans zonder hoegenaamd eenigen toeleg op volledigheid; deze toch zou de Naamlijst al te zeer hebben uitgebreid. Maar de toevoeging bedoelt slechts een opwekken tot aandacht en belangstelling. De lezer trouwens zal gemakkelijk zelf kunnen aanvullen.
Wijl het te omslachtig en plaatsroovend wezen zou, wanneer in de Naamlijst elke Nederlandsche naam naar zijn letter van het ABC zou moeten voorkomen, wordt elke namengroep van een eigen nommercijfer voorzien, dienstig voor een opzoeken in den algemeenen Naamwijzer, die aan het einde volgt. Raadzaam daarom, het zoeken allereerst te beginnen met het naslaan van dezen Naamwijzer.
Tot hiertoe over de vraag: hoe er bij het geven van den doopnaam overeenstemming kan betracht worden tusschen Vaderland en Kerk. Maar ook bij het dragen van den voornaam, heel het leven door, komen deze beiden met elkaar in aanraking. Hier hebben we te maken met de verschillende omstandigheden en eischen van het leven, zooals daar zijn: inschrijving in doopboek en burgerlijken stand, afkondiging in de kerk, kennisgeving in de leesbladen, en het dagelijksch gebruik in den huiselijken, gezelligen en vriendschappelijken kring. En nu wil het mij altijd voorkomen, dat ten opzichte van dat alles onze Nederlandsche katholieken wel het een en ander te verbeteren, of althans ernstig te overwegen hebben.
Al aanstonds moet in het licht gesteld, dat er sedert het laatste paar eeuwen bij ons Nederlanders een eigenaardige gewoonte is ontstaan, waardoor wij eene uitzondering maken op alle natiën om ons heen. Onder de knappe burgerij, vooral de katholieke, wordt, naar het wel lijkt, een Nederlandsche naamvorm als iets minderwaardigs gerekend, of althans niet fatsoenlijk, niet deftig genoeg. Men schijnt zich in te beelden, dat Nederlandsche vormen niet veel meer zijn dan verbasteringen van de Heiligennamen welke we als roomschen leerden kennen uit de deftige levens der Heiligen, uit de Allerheiligen-litanie en de Kalenders. De waarheid is echter deze, dat we in de laatste eeuwen der “deftigheid” de goede vormen hebben verwaarloosd, waarmee ons katholiek voorgeslacht gewoon was Gods lieve Heiligen te noemen. Gevolg is geweest, dat we als Nederlandsche namen niet veel meer dan de afgekorte vormen van het alledaagsche gebruik hebben overgehouden; en deze vinden we natuurlijk “te ordinair”. Andere volken echter schamen zich niet hunne vóórnamen, ook bij de meest officiëele gelegenheid, in het gewaad der moedertaal te kleeden, zooals: Jean, Johan, John, Giovanni, Pierre, Peter, Pietro, Jacques, Jacob, James, Giacomo enz. Zij staan er zelfs op, in onze kerken afgelezen te worden met hunne eigene Fransche, Duitsche, Engelsche, Italiaansche voornamen. Wij echter meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend, eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsch, waardige vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn helaas, door onverstand in minachting geraakt als waren ook zij slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn, en ze zijn gelijk gesteld met de verkorte, gemeenzame vormen van den alledaagschen omgang.
Ook moge hier tevens een goed woord gesproken worden tot aanbeveling der namen van onze vaderlandsche Heiligen, mannen en vrouwen die op onzen grond, geleefd, gestreden en geleden hebben. Daarom zal men in achterstaande Naamlijst die namen bijzonderlijk herdacht vinden zoo voor Zuid- als voor Noord-Nederland.
Vervolgens zijn er ook afkondigingen van onze namen in de kerken te doen. Dit is, het moet bekend, een teer punt. Maar vooreerst dient in het oog gehouden, dat we begonnen zijn met onderscheid te maken tusschen waardige Nederlandsche vormen en de afgekorte, gemeenzame van het dagelijksch verkeer. Vervolgens komt vaak in aanmerking het onderscheid van plaats, stand en geslacht. Doch wanneer het gelukken mocht, een algemeen gebruik van den Nederlandschen naam in den eenvoudig netten vorm in te voeren, in der maniere zooals het in den vreemde gebruikelijk is; wanneer dus de deftigheid van het Latijn zou worden aan kant gezet, dan juist zou op de eenvoudigste wijze een eind komen aan den last, welken de gevoeligheden, grillen en aanmatiging van sommigen aan de parochiepastoors bereiden kunnen. In de groote steden weliswaar komt dit niet zoo licht voor, omdat aldaar, naar ik vermeen, als regel gehouden wordt: alle namen Latijn. Doch, al is dit nu gemakkelijk: het is voor het volk niet altijd naar behooren verstaanbaar en begrijpelijk; en het brengt het bezwaar mede dat daardoor de dwaze uitzondering die we in de wereld maken nog altijd meer bestendigd wordt. In de kleine steden echter en ten platten lande—bij eenvoudiger zeden en algemeener bekendheid der personen maar ook bekrompener opvatting—doet het verschil van stand met zijne aanspraken zich te gemakkelijker gelden. Doch ook daar juist behoort opgekomen te worden tegen het evenzeer dwaze als onvaderlandsche dwaalbegrip, alsof de namen der eigene moedertaal goed genoeg zouden zijn voor boerenknecht en daglooner maar te onfatsoenlijk en te gemeen voor den gezeten boer of burger. En bovendien, goed begrepen, klinkt het ten platten lande zelfs heel niet aardig wanneer een goed bekende Dirk, Frans of Toon tot een witgedasten Theodorus, Franciscus of Antonius worden opgeschikt.
We komen tot de aankondigingen in de dagbladen bij overlijden enz. Daarbij plegen wij, hetzij dan juist niet opzettelijk, voor onze katholiciteit te getuigen door onze Heiligennamen in het Latijn te schrijven. En ik vrees dan ook al de opwerping te hooren: “Met Nederlandsche namen te onderteekenen staat zoo gereformeerd.” Daar is inderdaad iets van aan, doch juist door eigen schuld. Maar zoo pas heb ik al met een enkel woord besproken wat er om onze schuwheid voor vaderlandsche vormen tegen ons opgeworpen wordt, als waren we geen echte vaderlanders. Derhalve komt het mij voor, dat er in dit geval meer reden bestaat om te getuigen voor onze vaderlandsliefde dan voor ons Roomsch geloof. Waarlijk men kan den ijver om als katholiek op te treden gerust voor betere gelegenheden bewaren. Immers, als we in katholieke bladen onze kennisgevingen plaatsen, dan getuigt dit alleen reeds dat we Roomsch zijn. Onkatholieke bladen met advertentiën te begunstigen en te steunen komt eigenlijk heel niet te pas.
Intusschen begint er eene betere richting op te komen, die van de vormelijkheid der Latijnsche namen gaat afwijken, niet zoozeer in de namen der personen die als overleden enz. worden aangekondigd, maar in de vóórnamen der familieleden die onderteekenen, en die daarbij het gebruik aannemen om hun eigenlijken doopnaam voluit te schrijven. Dit kan niet anders dan navolgenswaard genoemd worden. Vooreerst geschiedt daardoor te meer hulde aan den Patroonheilige; en vervolgens klinkt het veel vriendelijker en hartelijker dan met de simpele en saaie beginletters alleen. Doch, in het voorbijgaan gezegd, dan moest men ook tevens de vóórletters der overige namen maar inhouden; immers het schrijven van bijv. Herman J. L. H. of van Frans C. J. W. enz. maakt maar een erg peuterigen indruk. Bovendien zou het in onzen tijd, die door het groot aantal van opkomende instellingen en vereenigingen, waarlijk van beginletters ál te breed haar deel krijgt, een winst zijn als er in het opsommen van vóórnaamletters wat opruiming plaats vond. En tegelijk moge hier nog gevraagd worden, of het ook niet in handel en bedrijf aanbeveling verdienen zou, dat bij aankondiging en onderteekening doorgaans niet meer dan één voornaam, maar dan voluit, geschreven werd?
Nu zal ik hier niet komen vorderen dat de stadsmenschen zich bij hunne kennisgevingen als Aagtjen, Betjen of Kaatjen zullen aandienen. Wanneer men op de “teekenen des tijds” wil letten, kan men gemakkelijk begrijpen, dat persoonsnamen die met diminutieven d. i. verkleiningsuitgangen gevormd worden, bij veel vrouwen uit den booze zijn; maar daarom heeft ook de nieuwe Naamlijst de bedoeling, aan te geven, op wat wijze de Latijnsche doopnamen naar den eisch van staat en stand in beschaafd Nederlandsch kunnen worden weergegeven. Onze katholieke voorouders hebben dat in de middeleeuwen vaak niet ongeschikt uitgevoerd als zij den Latijnschen naam een weinig naar den eisch der moedertaal wijzigden en bijv. Aagte zeiden en schreven voor Agatha, Barbele voor Barbara, Baarte of Berte voor Bertha, Geertruide voor Gertrudis enz. En zoo zijn er ook thans nog namen genoeg, die in den vaderlandschen vorm toch waardig en deftig genoeg klinken om bij den burgelijken stand, bij afkondigingen en aankondigingen heel niet “ordinair” te heeten en met eere gedragen te worden. Ziehier eene kleine opsomming: Adriaan, Aagte, Agniete, Albert, Ambroos, Andries, Antoon, Antonie, Bernard, Barend, Bastiaan, Boudewijn, Catriene, Cornelis, Diederik, Ernst, Evert, Ferdinand, Fernand, Filips, Frank, Frans, Frederik, Frits, Geerte, Geertruide, Gijsbert, Godfried, Govert, Herman, Huibert, Jacob, Jan, Jasper, Jeroen, Joost, Karel, Kasper, Koenraad, Laurens, Leendert, Lidwiene, Liesbet, Lodewijk, Maarten, Machtelt, Maurits, Max, Meindert, Pauwels, Roelof, Rombout, Sanne, Steven, Volkert, Winand, Wilbert, Willem, Wouter. Beginnen we maar vrij en kloek dergelijke namen te gebruiken, dan zal spoedig de onredelijke noot van “te ordinair” ervan afraken. Mij dunkt ook dat de groote namen onzer vaderlandsche geschiedenis toch waarlijk aanzien en voornaamheid genoeg bijzetten aan Arnoud en Diederik, aan Floris en Karel, aan Maurits, Frederik, Hendrik en Willem, zooals we onze graven en vorsten nog altijd met eere noemen. En dan zullen we misschien ook nog aanleeren liever Wilhelmiene, of waarom zelfs niet Willemiene en Juliane, te schrijven en te zeggen dan het toch altijd wat gemaakt-deftig Wilhelmina en Juliana.
Hoort toch dat gestamel eens aan!
Addy Aly Amy Annie Betsy Carry Conny Corry Dolly Dorry Edi Eddy Emmy Fanny Ferry Florry Henny Hetty Jenny Jettie Kitty Leni Lizzy Lotty Maddy Madzy Minny Molly Nelly Pommy Rossy Sitty Soezie Teddy Tilly Toetie Tommy Wally Willy Wimmy
Voor het overige moet natuurlijk aan een ieder vrijheid blijven voor de wijze waarop hij in het dagelijksch verkeer eenen doopnaam wille vereenvoudigen, bekorten, samentrekken, vloeiend en vleiend maken. Men kan hier zeggen: maak het zooals ge wilt; doch ééne voorwaarde moet gesteld blijven, dat alles geschiede naar den aard der vaderlandsche taal. Uit den aard der zaak echter kan ook aan deze vormen geen plaats worden ingeruimd in de achterstaande Naamlijst. Ook past hier nog een bijzonder woord tegen alzulke afkortingen die nergens anders in bestaan dan in het half doorsnijden van een Latijnschen naam met behoud van Latijnsche spelling, zooals: Dorus, Janus, Kobus, Manus, Theo. Dit zijn wanspellingen die aan het Latijn evenzeer als aan het Nederlandsch op dwaze wijze te kort doen.
Boven is reeds gesproken over de verkleinende achtervoegsels die bij de Friezen in veelvuldig gebruik zijn, en die trouwens ook al in de oudgermaansche namen zijn na te wijzen. Ook de hedendaagsche, zoogenaamd Romaansche talen hebben met ons het vermogen om kinderen- en vrouwennamen aanvallig te maken door een verkleiningsuitgang. De Franschen b.v. hebben on, ine en ette; de Italianen: ino en ina, ello en ella, etto en etta. En wij hebben, (van Friesland niet gesproken) nog maar alleen je (oorspronkelijk jen, gen en ken), waarnaast de Duitschers chen.
Nog behoort hier eene algemeene opmerking plaats te vinden, om teleurstelling te voorkomen bij vele lezeressen die hare H.H. patronessen zullen zoeken onder de -dina’s, -mina’s, -sina’s en -stina’s. Ook deze naamvormen hebben naar mijne bevinding oud-germaanschen oorsprong en werden gewis sinds eeuwen gedragen, doch in den vorm ongeveer waarin ze onder ons voortbestaan als Dientjen, Mientjen, Sientjen en Stientjen. Zóó gingen ze oorspronkelijk in eenvoudige volksdracht gekleed; maar ze werden in de laatste tijden naar Fransche mode opgesierd als juffers die eerst aan den uitheemschen vleivorm op ine, welke aan een mansnaam werd aangehangen, haar fatsoen mochten danken. Vandaar onder ons een bedenkelijk aantal Arnoldines, Gerardines, Albertines, Wilhelmines, Clasines, Ernestines enz. enz., die onder de Heiligen niet te vinden zijn. Geschikte patronessen nu zal men aantreffen onder de Nrs. 149, 546, 711, 736 en 866.
Natuurlijk mogen in de nieuwe Naamlijst ook de eenvoudige vormen niet ontbreken, welke door onze eerzame landbouwers- en handwerkersstanden gelukkig nog zonder schroom gedragen worden. Namen als: Aart, Fop, Jaap, Klaas, Krijn, Leen, Thijs enz. getuigen voor eenvoud van zeden, zij spreken van opene trouwhartigheid; en, kort en krachtig als ze zijn, verzinlijken ze niet ongeschikt den stevigen grondslag die landman en werkman altijd voor de maatschappij zijn, en blijven zullen.
Zoo moge dan de Naamlijst, behalve den dienst, dien zij, naar ik verhoop, bewijzen kan voor eene juiste keuze en gepaste toekenning van den Heiligennaam, tevens opwekking geven tot nadenken, en vooral tot het begrip, dat een katholiek vaderlander zorg behoort te hebben om, naar den eisch van plaats, stand en geslacht, zijn doopnaam te dragen in beschaafd Nederlandsch, van vreemde smetten vrij.
Overveen “Duinrust.”
S. Aagtendag 1914. J. J. GRAAF.