Note 4 — Inleiding
Reading edition
Welke is de geschiedenis der voornamen (praenomina) bij de Westersche Christenen? In de drie eerste eeuwen, die der vervolging, droegen zij namen die deels niet onderscheiden waren van die der heidenen maar ook deels een Christelijk kenmerk droegen. Voor het eerste gedeelte kunnen ze onder wel vijftien hoofden worden gerangschikt:4 1º naar godheden: Apollinaris, Bacchius; 2º naar waarzegging: Augurius, Auspicius; 3º naar getallen: Primenius, Secundinus; 4º naar kleuren: Albina, Fusca; 5º naar dieren: Agnes, Aquila; 6º naar landbouw: Cicercula, Rustica; 7º naar bloemen: Florentius, Liliosa; 8º naar zeevaart: Marinus, Navalis; 9º naar rivieren: Cydnus, Nilus; 10º naar landstreken: Cyprianus, Dalmatius; 11º naar maanden: Decembrina, Martius; 12º naar lichaamsvorm: Callistus, Longina; 13º naar geaardheid: Constantia, Generosus; 14º naar slafelijke afkomst: Servilius, Vernacula; 15º naar historische personen: Apelles, Pompeius. Voor het andere deel kunnen ze gerangschikt worden: 1º naar geloofswaarheden: Redemptus, Anastasius; 2º naar feesten: Epiphanius, Paschasia; 3º naar deugden: Charitas, Elpis; 4º naar vroomheid: Deicola, Pientia; 5º naar strijd voor het geloof: Valens, Victricius, en vreugd om het geloof: Gaudentius, Hilaritas. Deze echt Christelijke namen waren de belijdenis van het begrip, dat de bekeering uit het heidendom en het ontvangen van het H. Doopsel de mystieke beteekenis hadden van een sterven en begraven van den ouden mensch en eene wedergeboorte door Christus. Van eene naamgeving naar eenen Heilige is in deze eeuwen maar zelden spraak, of het mochten Apostelnamen zijn, meest nog die van St. Jan.