← Table of contents
Nederlandsche Doopnamen

Note 9 — Inleiding

Reading edition

Doch om hem beter daartoe in staat te stellen worde hier nog het volgende gezegd. Algemeen bekend is, dat tal van familienamen niet anders zijn dan een oude vadersnaam die van het oorspronkelijk aangehechte: ’szoon alleen nog maar son, sen of de enkele s als tweeden-naamvalsvorm overhield: Janson, Jansen, Jansz, Jans. Minder is het bekend, dat er ook een tweeden-naamvalsvorm op en bestaan heeft, die ook nog hier en daar voortleeft, onder anderen in het zoogenaamde “Strand-hollandsch” onzer zeedorpen, waar men spreekt van Krynen dochter voor Krijns dochter. Het minst algemeen bekend is wel, dat in den oudsten tijd het achtervoegsel ing of ink gediend heeft om het zoonschap aan te duiden. Zoo beteekent dan Alink zoon van Ale, Bedding zoon van Bedde, Poppink zoon van Poppe. “Dit gebruik om patronymika (vadersnamen) met ing “te formen, stierf na ’t jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankische volksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.”9 Het zijn daardoor in onze dagen meer bijzonder de friesche en twentsche geslachtsnamen die aan ing of ink kenbaar zijn. Doch, meer algemeen gesproken, zoo iemand thans een familienaam draagt, uitgaande op s, op en, bijzonderlijk op ing of ink, dan heeft hij kans om door vergelijking met de oude persoonsnamen, de germaansche afkomst van zijn geslacht op te voeren tot aan het jaar 1100, want de naamvormen door Förstemann bijeengebracht zijn niet jonger dan de elfde eeuw. Van de zoo geheel eigene tweede-naamvalsvormen der Friesche vadersnamen, uitgaande op inga, ia, a, ma, na en sna, kan ik zwijgen, wijl zij van zelf kenbaar zijn en ook te groot in aantal om plaats te verkrijgen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings