← Table of contents
Lord Lister No. 0352

Wie het laatst lacht.…..

Reading edition

Raffles en Charly verlieten haastig het gebouw en voegden zich weder bij Henderson, die geduldig had staan wachten.

„Nu kunnen wij tenminste weer naar Londen terugreizen, Mylord!” zeide de reus handen wrijvend. „Ik zal blij zijn, als ik weer eens een goed warm bad kan nemen.”

„Je zult dat verlangen nog een tijdje moeten temperen, Henderson, want wij bezitten geen rooden duit!” hernam Raffles.

„Wat is dat? Heeft de schobbejak geweigerd, u het geld terug te geven?” riep Henderson uit. „O, wacht eens even, dat zal ik hem anders gaan vertellen!”

Nog juist bijtijds grepen Raffles en Charly den reus ieder bij een arm beet, om hem te weerhouden, zijn onzinnig plan ten uitvoer te brengen!

Inderdaad, het Raadhuis wemelde van officieren en soldaten en niemand zou aarzelen van zijn wapens gebruik te maken, als men moest vreezen, dat er een aanslag zou gepleegd worden op den generaal.

Esterházy was niet bepaald bemind onder zijn inferieuren, maar hij was een uitmuntend legeraanvoerder, hij had zeer veel invloed, men moest hem te vriend houden in deze tijden van onrust en bloedige woelingen.

„Luister eens, Henderson, bega geen dwaasheden!” zeide Raffles op strengen toon. „Je moest begrijpen, dat het tot niets zou dienen, wanneer je daar als een wildeman zou binnenstormen, om den fielt te dwingen ons het afgenomen geld terug te geven. Je zoudt zijn neergeschoten, vóór je tien stappen gedaan had!”

„Maar gij zijt toch niet van plan, Mylord, om het hierbij te laten?” hernam de reus.

„Ik denk er niet aan, Henderson!” zeide Raffles. „Ik verlaat Hongarije niet voor die bandiet mij mijn dertien duizend pond sterling weder heeft terug gegeven, goedschiks of kwaadschiks en bovendien nog een kleinigheid van het andere geld dat hij gestolen heeft, om mij schadeloos te stellen voor mijn moeite! Maar, ik herhaal nogmaals, met geweld bereiken wij niets, wij moeten list te baat nemen!”

Charly knikte nadrukkelijk eenige malen met het hoofd en zeide overredend:

„Zoo is het, Henderson! Wij zouden hier met ruwe kracht niet veel doen!”

Raffles had een blik op zijn horloge geworpen.

Het was nu vier uur in den middag.

Over een paar uren zou de zon ondergaan en als de duisternis gevallen was, zou het drietal een poging kunnen wagen, weder in het bezit te geraken van het geld.

Dat Esterházy het op het oogenblik in zijn bezit had, dat het geld zich bevond in dezelfde kamer, waar hij zooeven geweest was, dat stond voor hem als een paal boven water.

Maar ook begreep hij, dat hij zich in acht zou moeten nemen, die Esterházy was een gevaarlijk man, en Raffles achtte hem er best toe in staat, dat de schurk hem en zijn vrienden eenige soldaten achterna zond, met de opdracht een gevecht uit te lokken en hen neer te schieten, om aldus bevrijd te worden van een paar lastige getuigen.

Er zouden altijd wel een paar gewetenlooze schobbejakken te vinden zijn, bereid om voor een bloedprijs dit werkje op te knappen.

Het zou dus zaak zijn, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, en zich niet bloot te geven.

Voor alles besloot Raffles, dat de drie mannen zich zouden vermommen, zoo goed als het ging, onder de gegeven omstandigheden.

In de valiezen, welke zij bij zich hadden, bevonden zich weliswaar de noodige middelen, om hun gelaat te kunnen veranderen, maar de kleeren hadden zij niet.

En zoo besloot Raffles, dat zij zich allereerst die kleeren zouden gaan verschaffen.

De drie mannen namen hun valiezen op en gingen het dorp uit.

Maar zij waren nog niet tot de laatste huizen genaderd, of zij bemerkten, dat zij van het gemeentehuis af gevolgd waren door drie soldaten van de Witte garde, waarvan ieder politierapport ter wereld met recht zou hebben kunnen getuigen, dat zij „een hoogst ongunstig uiterlijk” hadden.

Zij droegen een volledige uniform, bijna nog nieuw, en alle uitrustingsstukken, grijslederen koppels, de bajonet in de schede op zijde en het geweer over den schouder.

De drie Engelschen hadden elkander al eens een blik vol beteekenis toegeworpen en nu sprak Raffles:

„Voor iets dergelijks was ik al bevreesd. De ellendeling heeft ons een paar gehuurde moordenaars achterna gezonden! Hij is dus een nog grooter schurk dan ik eerst vermoed had!”

„Maar intusschen zou ik wel eens willen weten, hoe wij ons de kerels van het lijf moeten houden, als wij op zoek zijn naar den een of anderen inwoner, die ons aan de noodige kleeren kan helpen!” merkte Charly op.

„Heel eenvoudig, mijnheer Brand! Ik zal hen tegen den grond slaan!” zeide Henderson met zijn goedige basstem.

„Een prachtige inval, Henderson, maar om dat te doen, moet je bij hen zijn, en voor je bij hen bent, zullen zij je waarschijnlijk een kogel door de hersens hebben gezonden!”

„Daar had ik zoo gauw niet aan gedacht, mijnheer Brand, dan moet Mylord het maar zeggen!” kwam Henderson verlegen.

„Mij dunkt, dat het beste is, wanneer wij doen, alsof wij hen niet zien, en hen dan naar een of andere afgelegen plek lokken! Dan zou Henderson zich van ons kunnen afscheiden en terwijl wij, schijnbaar niets vermoedend, met de drie soldaten een gesprek beginnen, zou onze brave reus hen onverhoeds kunnen overvallen en als het noodig is, spreken onze revolvers dan ook nog een woordje mee!”

Aldus werd afgesproken en de drie mannen gingen het dorp uit.

De zon verdween juist achter de toppen der bergen in het Westen, toen zij den zoom bereikten van een klein bosch, waardoor de straatweg zich slingerde.

En hier was Henderson plotseling verdwenen, alsof hij door den grond was gezonken.

Maar Raffles en Charly liepen kalm door en vervolgden langzaam hun weg.

De drie soldaten behoorden waarschijnlijk niet tot de snuggersten, want zij doorzagen de hinderlaag volstrekt niet, of zij vertrouwden al te zeer op hunne geweren, want zij liepen verder en verhaasten nu hun schreden, om spoedig in het bosch te zijn, dat hun misdadig opzet zou verbergen.

Maar nauwelijks waren zij de eerste boomen voorbij en een kromming van den weg gepasseerd en hadden zij Charly en Raffles tot ongeveer vijftig meter genaderd, toen Henderson eensklaps te voorschijn sprong uit het boschje, waarin hij zich verscholen had, en het volgend oogenblik als een bom midden tusschen de drie onthutste moordenaars viel.

Nog voor zij hun geweer in den aanslag hadden kunnen brengen, had Henderson aan twee der mannen hun geweren ontrukt en met een van deze wapens sloeg hij den derde, die juist den trekker wilde overhalen, zoo hard op het hoofd, dat de man als een zoutzak neerviel, om nooit meer op te staan.

De twee ellendelingen hadden hun bajonet getrokken en wierpen zich met een gebrul als van wilde dieren op den reus, maar Henderson deed een geweldigen sprong achteruit, zwaaide het geweer als een rietje rond en trof er de beide aanvallers zoo hevig mede tegen het hoofd, dat zij zonder een kreet te slaken neerstortten.

Nog vóór Raffles en Charly op de plaats van het gevecht waren aangekomen, was alles reeds afgeloopen.

Henderson leunde op het geweer en zeide bedremmeld:

„Ik weet niet, of het de bedoeling was, Mylord, maar ik schijn hen wel een weinig ruw te hebben aangepakt!”

„Min of meer!” zeide Raffles sarcastisch. „Zij zijn dood!”

„Is het erg, Mylord?” vroeg de reus, zich achter het oor krabbend.

„Volstrekt niet, Henderson,” antwoordde Raffles koeltjes. „Die gehuurde moordenaars verdienden niet beter. En ik zeg je dank, dat je weder ons leven hebt gered! Zonder het te weten, heeft Esterházy door ons deze sluipmoordenaars op het dak te sturen in onze kaart gespeeld, want wij wilden immers kleederen hebben? Welnu, daar zijn zij!”

„Waarachtig!” riep Charly uit. „Je hebt gelijk, het kon niet mooier! Er is een heel groote kerel bij en misschien zal Henderson zijn uniform wel kunnen aantrekken.”

In een ommezien waren de drie moordenaars van hunne uniform ontdaan en de drie mannen begonnen ze aan te trekken.

Gelukkig was het bosch op dit uur van den dag geheel verlaten en de invallende schemering was nog maar juist toereikend, om Raffles te veroorloven de gelaatstrekken van zijn makkers en van zich zelf zoo goed mogelijk op die van de drie verslagen moordenaars te doen gelijken.

Daarop sleepten zij de drie lijken der nietswaardige ellendelingen in een soort kuil terzijde van den weg, bedekten ze met bladeren, en wachtten toen rustig af, tot dat de duisternis geheel zou zijn gevallen.

Een uur later trokken zij weder in de richting van het dorp.

Maar alvorens nu daar binnen te treden, begaven zij zich naar een groote hoeve, waar Raffles reeds twee uren geleden een boerenwagen en een flink paard had zien staan.

Hij trof den boer op het erf aan en ofschoon de man geen woord Duitsch verstond, was de zaak spoedig beklonken, en had Raffles paard en wagen voor een zeer hoog bedrag gehuurd. De boer zou zijn eigendom zelf besturen, en moest zich gereed houden, om half twaalf in den nacht te kunnen wegrijden.

Raffles wist, dat dan alles in het hoofdkwartier reeds ter ruste zou zijn, want de dag was zeer vermoeiend geweest.

Zij moesten nog eenige uren wachten en gingen toen het dorp binnen, waar zij zich dadelijk naar het gemeentehuis wendden.

Hun vermomming scheen voortreffelijk geslaagd te zijn, want niemand hield hen aan en eenige soldaten wuifden hen in het voorbijgaan toe.

Zij waren echter slechts zeer weinig in aantal, want alles sliep reeds in het dorp.

Nog altijd liep een schildwacht voor de deur van het gemeentehuis op en neer, het geweer op den schouder.

Raffles verzamelde al zijn kennis van de Hongaarsche taal, trad op den man toe en zeide fluisterend: „De generaal, dadelijk!”

Zonder zich een oogenblik te bedenken opende de schildwacht de deur met een grooten sleutel, dien hij uit zijn zak haalde en de drie mannen gingen binnen, bestegen de trap, kwamen in het voorvertrek, waar twee ordonnances zaten te knikkebollen, die slechts half wakker werden, en werden door deze in het vertrek van den generaal gelaten, misschien vermoedden zij wel eenigzins de taak van deze drie soldaten en meer dan waarschijnlijk had Esterházy last gegeven, dat zij onmiddellijk bij hem moesten toegelaten worden, zoodra zij zich aanmeldden.

De generaal zat achter zijn schrijftafel, in zijn hemdsmouwen, en met een sigaar in den mond.

De flesch port was, op een klein restantje na, geledigd, hetgeen zeer duidelijk te zien was aan de gelaatskleur van den bevelhebber.

Zoodra zij de deur waren binnengekomen, draaide Raffles den sleutel in het slot om en zeide op zachten toon in het Engelsch een paar woorden tot Henderson.

De generaal draaide zich op zijn stoel om, keek de drie gewaande soldaten met onzekeren blik aan en vroeg toen in het Hongaarsch:

„Is alles goed gegaan, kindertjes?”

„Uitstekend, vadertje!” antwoordde Raffles spottend.

„Ik geloof waarachtig dat de kerel mij uitlacht!” kwam de generaal, die zijn ooren niet scheen te kunnen gelooven.

„Dat doe ik ook, vadertje!” hernam Raffles, „en wie het laatst lacht, die lacht het best!”

Hij knikte Henderson toe, die zich onmerkbaar wat dichterbij den generaal had begeven en een seconde later zat de ijzerharde vuist van den reus op de kin van den ongelukkige Esterházy, met het onvermijdelijk gevolg, dat deze zonder een kreet te slaken in zijn stoel achterover zakte en een zucht liet, als een speelgoed ballonnetje, waarin men een speld geprikt heeft en dat plotseling leegloopt.

De drie mannen lieten geen tijd verloren gaan.

In een oogwenk had Raffles schrijftafel, kisten en kasten doorzocht en binnen vijf minuten had hij niet alleen zijn eigen portefeuille teruggevonden met al het geld er in, maar bovendien nog een groot bedrag aan Duitsch, Oostenrijksch en Fransch geld.

Hij stak alles bij zich en daarop aanvaardden de drie soldaten kalmpjes den terugtocht, bromden iets tegen de alweder slapende ordonnancen en stonden een oogenblik later weder op straat.

Zij snelden naar de hoeve, vonden daar den wagen reeds aangespannen en daarop reden zij den donkeren nacht tegemoet, naar Temesvár, waar zij veilig en buiten het bereik van generaal Esterházy zouden zijn.…

De volgende aflevering (No. 353) bevat:

De Indische Goochelaar.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings