De tien millioen verwisselen opnieuw van eigenaar.
Reading edition
Om twee uur begaven de vluchtelingen, want anders kon men hen niet noemen, zich ter ruste, en om zes uur werden zij plotseling weder gewekt door kanongebulder.…
Raffles was de eerste, die de versleten deken van zich wierp en opsprong uit het eenvoudige withouten bed, beter gezegd een soort krib, die hem tot legerstede had gediend.
Hij zat een oogenblik aandachtig te luisteren, maar het was hem onmogelijk met juistheid de richting te bepalen, waaruit het kanongedonder klonk.
Nu ontwaakte ook Charly, die Raffles vragend aankeek, zich de oogen uitwreef en met een slaperige stem riep:
„Ik droomde waarachtig, dat er alweer geschoten werd!”
„Dat droomde je niet, zij schieten inderdaad, Charly,” zeide Raffles laconiek.
Charly was met een wip overeind, luisterde eenige oogenblikken en riep toen:
„Ja, je hebt gelijk! Zij zijn alweer aan den gang! Het is hier een bij uitstek lief land, en wanneer de heeren zijn uitgevochten, zal ik graag nog eens terugkomen, maar op dit oogenblik zou ik niets liever wenschen, dan met bekwamen spoed te vertrekken! Ik zou onwaarheid spreken, als ik zeide, dat ik aangename herinneringen aan dit uitstapje behoud! Het klinkt misschien een weinig onkiesch, maar ik leef letterlijk van het ongedierte! Is dat met jou ook het geval?”
„Ik zie geen enkele reden, waarom de luizen van dit land speciaal voor mij een uitzondering zouden maken!” antwoordde Raffles droogjes. „Wij zullen aanstonds ergens een bad trachten te nemen, wij zullen onze kleederen aan een nauwkeurige inspectie onderwerpen en dat is alles, wat wij er tegen kunnen doen. Het spijt mij, dat ik het zeggen moet, maar het ongedierte en de Balkanstaten schijnen nu eenmaal onverbrekelijk met elkander verbonden te zijn!”
Charly ging dadelijk op onderzoek uit, maar in het geheele dorp was niets wat op een badinrichting leek.
Sterker, men keek hem aan, alsof men meende, met een gek te doen te hebben toen de jonge man zich van de gebarentaal bedienend, informeerde naar de aanwezigheid van een badhuis.
Zeep was beter bekend, tenminste van vroegere tijden, maar daar een klein stukje honderd zestig kronen kostte, speende men zich liever van dit kostbare reinigingsmiddel!
Maar gelukkig liep er een helder stroompje langs het dorp en niet zoodra had Charly dit ontdekt, of hij ging Raffles en Henderson waarschuwen en in een ommezien hadden de drie mannen zich naar het riviertje begeven en ontkleedden zich achter een dicht boschje, waarop zij zich in het frissche nat stortten en met onzegbaar welbehagen in het kristalheldere water rondspartelden, zoodat alle ongenoode gasten van dien nacht het leven lieten.
Zij kleedden zich weder aan, na hun kleederen duchtig te hebben uitgeschud en begaven zich naar het logement, waar zij baron Palocza reeds in de gelagkamer aantroffen, bleek en ongerust en in gesprek gewikkeld met Pusto, die zich thans vertoonde als een zwaar gebouwd man, met het gelaat van een goedigen buldog en vuurrood haar.
Het schieten was juist een weinig bedaard, toen de drie mannen de gelagkamer binnentraden.
Zij begroetten Palocza, den reisgenoot, met wien zij op zulk een onverwachte wijze in aanraking waren gekomen, en deze vroeg aanstonds:
„Hebt gij het artillerievuur gehoord?”
„Wij zijn er door wakker geworden, baron,” antwoordde Raffles. „Wat is er eigenlijk gaande?”
„Ik vermoed dat de Witten versterking hebben gekregen en tot een tegenoffensief zijn overgegaan,” antwoordde Palocza. „De Rooden hebben in geen geval zooveel artillerie en bovendien, het geluid wordt sterker, een bewijs, dat de kanonnen in deze richting oprukken, en dat kan niet anders het geval zijn, dan wanneer de Rooden wijken!”
Als om deze woorden te bevestigen, barstte opnieuw een hevig geschutvuur los, en thans merkbaar dichter bij het dorp.
„Laten wij gaan zien, wat het is!” stelde Raffles voor. „Maar eerst moeten wij ontbijten, wie kan zeggen, wanneer wij er weder toe in staat zijn!”
Zoo snel mogelijk gebruikten de mannen het ontbijt, dat bestond uit tamelijk goed brood, donker van kleur, schapenkaas, een soort melkspijs en een klein stukje schapenvleesch.
De drank bestond uit Hongaarschen wijn, en hij was voortreffelijk.
Raffles en Charly stopten hun pijpen en daarop verlieten allen het logement om zich te begeven naar een hoogen heuvel, die zich ten Noorden van het dorp verhief en vanwaar men een zeer ver uitzicht had.
Toen zij daar aankwamen, vonden zij reeds bijna de geheele bevolking van het kleine plaatsje op den heuveltop verzameld, maar er was ruimte in overvloed om wel zesmaal het aantal inwoners te bergen, en zoo hadden de vier mannen geen moeite, zich een goede plaats te veroveren, zoodat zij de vlakte konden overzien.
Heel in de verte, op minstens drie kilometers afstand, zagen zij de granaten in de stellingen der Rooden inslaan.
De projectielen ontploften met een soort gebrul en verwekten een zwarte rookwolk, die echter spoedig door den vrij hevigen wind in flarden werd uiteen gereten.
De Rooden bleken ook over eenige stukken te beschikken en waarschijnlijk was het de klank van dit geschut, hetwelk de reizigers hadden vernomen.
Het was een batterij van niet meer dan vier stukken veldgeschut, welke stond opgesteld achter een boerderij, terzijde van de toeschouwers op den heuvel, en ongeveer één kilometer naar voren gelegen. Men kon heel duidelijk in de heldere morgenlucht zelfs met het bloote oog het bewegen zien van de manschappen, die de stukken bedienden.
De Rooden schoten wat zij konden en het was duidelijk, dat zij tot het uiterste zouden trachten stand te houden.
De strategische waarde van deze stelling was onmiskenbaar en als zij haar verloren, zou wellicht hun geheele front aan het wankelen worden gebracht.
Klaarblijkelijk zochten de Witte artilleristen naar de plek, waar de Rooden hun geschut hadden opgesteld, zonder het aanstonds te kunnen vinden.
Maar eensklaps verscheen er, hoog in de lucht, een vliegmachine.
Men behoefde er niet aan te twijfelen, dat zij van den kant der Witten kwam, teneinde de vijandelijke stelling te verkennen.
Zij cirkelde eenigen tijd op een hoogte van bijna achthonderd meter boven de loopgraven der Rooden, kwam toen dichterbij, en moest nu de opstelling van de vier kanonnen reeds ontdekt hebben.
Er ploften snel achter elkander eenige zwarte rookwolkjes uit de vliegmachine, zeker het afgesproken sein, want een paar seconden later sloeg onder donderend gekraak, dat hier op den heuvel duidelijk verneembaar was, een granaat van zwaar kaliber in de boerderij, waar achter de vier stukken waren opgesteld.
„Dat is de hoeve van Matusec!” zeide een der dorpbewoners, op gedempten toon. „Die arme Matusec, hij was pas een maand gelegen getrouwd en hij had de hoeve gekocht van zijn spaarduitjes! Wij worden zwaar beproefd, zwaar beproefd!”
Dadelijk stemden anderen met deze klacht in en allerwege werden vervloekingen en heesche woorden van drift en woede vernomen.
En intusschen bleef het granaten hagelen op de ten ondergang gedoemde hofstede.
Zij was niet groot, en na dertig treffers was zij met den grond gelijk gemaakt.
Men moest den Rooden geven wat hun toekwam, zij vochten als leeuwen, en zelfs toen hun artilleriestelling ontdekt en geheel ontbloot was, bleven zij doorvuren, tot dat één voor één alle stukken waren vernield.
Toen had er een hevige ontploffing plaats, een granaat van de tegenpartij was in een kleinen stapel projectielen geslagen, en toen was alles stil.
De vliegmachine verscheen opnieuw, als een roofvogel boven de stelling zwevend en scheen zich te overtuigen dat het werk goed gedaan was!
Weer seinde zij door het uitlaten van een paar zwarte rookwolkjes en toen keerde zij terug.
Een dof gerommel werd nu hoorbaar, dat was het geschut van de andere partij.
De granaten sloegen in voortdurend grooter aantal in de loopgraven der Rooden in en toen kwam er, zonder dat men kon zien van waar, eensklaps honderden en nog eens honderden kleine figuurtjes aanstormen, die weer even plotseling als door de aarde werden verzwolgen.
„Dat is de aanval, Mylord!” zeide Henderson op ernstigen toon. „Ik weet, wat het is, ik ken de verschrikkelijke gevechten in de loopgraven!”
Ongeveer tien minuten verstreken en met gezichten, bleek van aandoening, staarden de menschen op den heuveltop naar dit schouwspel.
De kanonniers van de Witten hadden hun vuur meer vooruitgebracht en bestreken nu het terrein, dat achter de loopgraven van de tegenpartij was gelegen.
Nu liet zich ook het razend snelle getik van de mitrailleurs hooren en daar tusschen klonk het doffe gebonk van de werpmijnen, als zij ontploften.
En plotseling werd het terrein, dat achter de loopgraven was gelegen, levendig, een paniek had de Roode troepen eensklaps aangegrepen, een wilde vlucht was begonnen.
De aanval was blijkbaar volkomen geslaagd, de Witten waren tot diep in de stelling der Rooden doorgedrongen en de bezettingen van de meer achterwaarts gelegen loopgraven hadden den schok niet durven afwachten, wierpen hun wapens weg en trachtten door de vlucht het veege lijf te redden.
Men zag hen, alleen, of groepsgewijze, over de vlakte snellen, en telkens werden er achterhaald door de kogels uit de meedoogenlooze mitrailleurs of door een ontploffende granaat, die hunne ledematen uiteenrukte, en ze soms bij troepjes van vijf of acht man als een wervelwind van de aarde vernietigde.
Een half uur later kwamen de eerste vluchtelingen door het dorp Sipec snellen, aangegrepen door een wilde paniek, waanzinnig van ontzetting, en niet langer in staat om weerstand te bieden.
Nu zij hun geschut kwijt waren, schenen de troepen eensklaps door ontmoediging te zijn aangegrepen en de zaak als verloren te beschouwen.
Na de infanterie kwamen afdeelingen van den trein, die in woesten galop door de straten joegen en waarvan de bestuurders als waanzinnig op de paarden losranselden.
En nu werden ook eensklaps de bewoners van het dorp door verbijstering en schrik aangegrepen!
Het zou niet lang duren, of de steeds dichterbij neervallende granaten zouden hun woonplaats bereikt hebben!
Maar de Witten schenen te begrijpen, dat zij zooveel mogelijk de plaatsen moesten sparen, waar lieden woonden, die hun zaak waren toegedaan en daarom spaarden zij het dorp.
Hun cavalerie, ter sterkte van ongeveer een half regiment, zou de vervolging op zich nemen en de gedemoraliseerde troepen geheel uiteenslaan.
Reeds kwamen in snellen galop de ruiters aanrennen en hun sabels blonken in het licht van de zon, die nog niet lang boven de kim stond.
Raffles en zijn drie metgezellen hadden hun observatie-post niet verlaten, toen het geschutvuur begon te zwijgen, want zij wisten wel, dat de Rooden er niet aan konden denken, onder deze omstandigheden stand te houden!
Nog telkens kwamen er vluchtelingen voorbij en door zijn kijker kon Raffles waarnemen, hoe de Rooden bij troepjes tegelijk werden gevangen genomen, en zelfs meende hij te zien, hoewel hij het niet zeker durfde zeggen, dat zij bij tientallen tegelijk op de plaats zelve werden gefusilleerd.
Met bleek gelaat bleven de mannen toezien, toen zij zoo ongedacht getuigen waren van een tooneel uit den vreeselijken burgeroorlog.
„God geve, dat ons land hiervoor gespaard blijve!” zeide Charly met bevenden stem. „Het is afschuwelijk.”
„Ja Charly, dat is het!” zeide Raffles op ernstigen toon. „En het ergste is, te bedenken, dat dit alles tot niets leidt, dat het geen nut hoegenaamd heeft, omdat alles toch, in eenigzins gewijzigden vorm misschien, bij het oude zal blijven!”
Daar kwam reeds de ruiterij der Witten voorbij stormen, die den weg volgde, welke langs den voet van den hoogen heuvel liep en even later was zij tusschen de huizen van het dorp verdwenen.
Maar een afdeeling infanterie rukte aan en begon den heuvel te beklimmen vanwaar men het geheele dorp gemakkelijk kon overzien, en die dus een voortreffelijk strategisch punt opleverde.
De afdeeling stond onder bevel van een luitenant en deze was niet weinig verbaasd, toen hij daar op den heuveltop vier mannen aantrof, waarvan er drie oogenschijnlijk vreemdelingen waren, die daar zoo rustig stonden toe te zien, alsof zij getuigen waren van een bioscoopopname in plaats van een gruwelijk gevecht!
De luitenant, een jonge man nog, met een fijn besneden gelaat, bleek voortreffelijk Duitsch te kennen, en richtte zich tot Raffles met de vraag:
„Wilt gij mij zeggen, hoe gij hier komt, mijnheer?”
„Met het grootste genoegen, luitenant,” antwoordde Raffles. „Maar ik zou deze vraag liever richten tot dezen heer, Horváth de Palocza, want hij is uit deze streek geboortig, ik ben slechts een vreemdeling en hij zal u beter alles kunnen mededeelen, dan het mij mogelijk is!”
De jonge luitenant wendde zich met een vragende uitdrukking op zijn gelaat tot zijn landgenoot en nu deelde Palocza hem mede, op welke wijze hij in aanraking was gekomen met graaf Grasham, en wat er sedert zijn komst geschied was.
Hij sloeg geen enkele bijzonderheid over, behalve die van den uitgeholden schoenhak, want zijn taktgevoel zeide hem, dat de Engelschman er volstrekt niet op gesteld zou zijn, dat deze bijzonderheid nog aan anderen bekend werd.
De luitenant had met aandacht geluisterd en zeide nu:
„Dan moogt gij van geluk spreken, graaf! Ik geloof niet, dat alles zoo goed zou zijn afgeloopen, wanneer onze aanval niet met succes bekroond ware! Voor uw vrijgeleide geef ik geen heller! En nu kan ik u iets mededeelen, wat u waarschijnlijk wel genoegen zal doen, tijdens den aanval hebben wij een groote afdeeling der Rooden van het gros kunnen afsnijden, die zich hadden geïnstalleerd op een groote buitenplaats bij Berény.”
„Dat is de mijne, luitenant!” riep Palocza uit.
„Dat had ik wel kunnen vermoeden uit uwe mededeelingen, baron,” hernam de jonge luitenant. „Welnu, wij vonden den aanvoerder van dien troep in het bezit van ruim twaalfduizend pond in Engelsche bankbiljetten en bovendien nog eenige tienduizenden kronen, alles in een geellederen portefeuille, die van een grafelijk wapentje voorzien was, ongetwijfeld de uwe!” zoo wendde hij zich tot Raffles.
„En mag ik weten, wat men met het geld gedaan heeft?” vroeg deze.
„Natuurlijk heeft de generaal het aanstonds in beslag genomen, graaf!”
„Het is dus weder tot mijn beschikking?”
„Dat is iets, waarop ik u tot mijn spijt niet kan antwoorden!” gaf de luitenant te kennen. „Maar mij dunkt, dat gij het hem slechts te vragen hebt, waarschijnlijk zal hij het u aanstonds teruggeven.”
Raffles had den jongen man aandachtig gade geslagen, toen hij dit zeide en hij verbeeldde zich, een verlegen uitdrukking op het gezicht van den luitenant te zien, alsof hij zelf niet heel zeker was van hetgeen hij zeide.
Raffles kon zich echter volstrekt niet voorstellen, wat er in hem kon omgaan.
Het sprak immers van zelf, dat men hem het geld weder zou moeten teruggeven dat hem door de Rooden was afgenomen!
Maar nu vroeg baron Palocza:
„Hoe is de naam van uwen generaal, luitenant?”
„Esterházy, baron.”
„Hm!” was alles wat Palocza zeide.
Raffles trok zijn wenkbrauwen op, en keek van den een naar den ander.
Toen wendde hij zich tot zijn gastheer van den vorigen dag en vroeg: „Ben ik onbescheiden, baron, wanneer ik u vraag naar de beteekenis van dat korte tusschenwerpsel?”
„De zaak is, ik weet eigenlijk niet.…” stamelde Palocza. „Gij zult het zelf wel zien.”
„Neem mij niet kwalijk, dat ik aandring, baron,” hernam Raffles. „Gij moet begrijpen, dat ik tot iederen prijs mijn geld terug wil hebben, nu het een maal weder in handen is der partij, in welker midden wij ons nu bevinden. Gij echter zoudt in mij het vermoeden wekken, dat er moeilijkheden verbonden zouden zijn aan de terugvordering van mijn eigendom, en ik zou gaarne weten, waarin die kunnen bestaan.”
Nog scheen de baron te aarzelen, en hij wierp een snellen blik op den luitenant, die zwijgend terzijde stond, en op zijn fijnen, zwarten knevel beet.
Toen vervolgde hij fluisterend:
„Ik kan het u niet zeggen, terwijl een luitenant van dien man er bij is, hij is in ieder geval zijn meerdere, en hij zou niet behoeven te dulden, dat in zijn tegenwoordigheid van dien meerdere kwaad werd gesproken, al is het dan stellig wel verdiend!”
„Gij maakt mij nieuwsgierig, baron. Laten wij dan een weinig terzijde gaan, en de gevoelens van dien jongen man sparen!”
De twee heeren verwijderden zich een weinig van de anderen, en daarop begon Palocza, zoo zacht, dat de overigen hem onmogelijk zouden kunnen verstaan:
„Ik ken dien Esterházy niet persoonlijk, en ik zou hem ook niet willen kennen, maar wat ik van hem gehoord heb uit den mond van volkomen geloofwaardige vrienden, dat is niet veel goeds! Ik sta uit den aard der zaak aan den kant der Witten, maar ik wil hier onmiddellijk aan toevoegen, dat zij zekere elementen in hun midden hebben, die geen fatsoenlijk man tot zijn vrienden zou willen rekenen. En daarvan is die Esterházy wel de ergste, de man is wreed als een tijger, onvermurwbaar tegenover iederen Roode, die hem in handen valt, en hij rooft en steelt als de ergste struikroover! Alles onder het voorwendsel, geld en kostbaarheden voor de Rooden in veiligheid te brengen. De burgeroorlog is nu voor hem niets anders dan een bloedige tijdpasseering, een soort sport, die hij met even veel vermaak beoefent, als de jacht op herten en wilde zwijnen.”
„Dat alles neem ik gaarne aan, baron,” zeide Raffles, die aandachtig had toegeluisterd. „Maar ik kan niet inzien, waarom ik mij daarvan iets zou aantrekken. Mijn geld bevindt zich thans in handen van generaal Esterházy en ik zou wel eens willen zien, dat hij het zou wagen, het te onthouden aan een Engelsch onderdaan!”
„Denk vooral niet, dat uw nationaliteit u zou beschermen, graaf!” hernam Palocza hoofdschuddend. „Hij heeft niet lang geleden, toen de opstand op zijn hevigst was, zelfs een Duitscher uitgeschud. Hij weet heel goed, dat men te Berlijn, te Londen en te Parijs thans wel aan andere dingen te denken heeft dan aan een strafexpeditie! Bovendien, zoo zou men de Rooden immers in de kaart spelen!”
„Maar het is mij volkomen onbegrijpelijk, baron, dat men van dit alles te Boedapest onkundig schijnt te zijn!”
„Men is daar niet onkundig van, graaf!” zeide Palocza rustig.
„Wat! Men weet het, en men laat het kalm toe?” riep Raffles uit, die zijn ooren niet gelooven kon.
Maar de baron haalde weder de schouders op, een beweging, welke men zich in dit land en in deze tijden al heel spoedig aanwendde en antwoordde:
„Men doet alsof er niets gebeurt! Esterházy is een schurk, maar een voortreffelijk veldheer, een der beste van het Hongaarsche leger, en daarenboven heeft hij zeer grooten aanhang, ook op politiek gebied. Ja, ik zie, dat gij ongeloovig de wenkbrauwen fronst, maar dat is alleen, omdat gij uit een land als Engeland komt, waar dergelijke dingen eenvoudig ondenkbaar zijn.”
„Inderdaad, ik moet zeggen, dat ik verstomd sta!” hernam Raffles. „Dat het zoover moest komen met dit schoone land.”
„Men laat te Boedapest heel wat toe, ten einde den strijd tegen de communisten tot iederen prijs te kunnen winnen!” hernam Palocza op bitteren toon. „De hulp van Esterházy is onontbeerlijk, en daarom ziet men van hem heel wat door de vingers.”
„En zou men het ook door de vingers zien, dat hij een Engelschman berooft voor een bedrag, dat de 13,000 pond sterling te boven gaat?” riep Raffles toornig uit.
Palocza zweeg, maar dit zwijgen was welsprekender dan woorden het konden zijn.
Raffles keek hem een oogenblik strak aan, en zeide toen:
„Het is goed, baron, ik dank u voor uwe waardevolle inlichtingen, ik weet nu, waaraan ik mij te houden heb! En ik weet tevens, dat ik geheel op mij zelf aangewezen zal zijn, om mijn eigendom terug te krijgen!”
„Ik hoop van harte, dat gij er in zult mogen slagen, uw geld uit de handen van dien schelm te krijgen, graaf!” hernam Palocza. „Maar als gij hem zult kunnen overreden, dan zoudt gij waarschijnlijk de eerste zijn!”
„O, er zijn nog wel andere middelen!” zeide Raffles koeltjes. „Als overreden niet helpt, wel, dan zal ik dien mijnheer Esterházy eens toonen, hoe een Engelschman zich weet te helpen!”