← Table of contents
Lord Lister No. 0352

De kennismaking met generaal Esterházy.

Reading edition

De beide heeren begaven zich langzaam weder terug naar het kleine groepje dat zwijgend bijeen was blijven staan.

De luitenant, die natuurlijk zeer goed begreep, waarover het gesprek had geloopen, en die er in het geheel niet naar uitzag, alsof hij de zonderlinge methodes van zijn onmiddellijken chef goedkeurde, begon aanstonds over andere dingen te spreken.

Hij wendde zich tot baron Palocza en zeide:

„Wanneer gij soms naar uw buitenverblijf mocht willen terugkeeren, baron, staat niets in den weg. De Rooden zijn er gelukkig uit verdreven, voor zij den tijd hadden kunnen vinden, iets te vernielen.”

„Ik zal er niet terugkeeren, luitenant!” zeide Palocza op ernstigen, droeven toon. „Ik vertrek. Het landgoed is verkocht aan graaf Grasham, dien gij hier voor u ziet. Tenminste,” zoo wendde hij zich tot Raffles, „wanneer gij niet van gedachte zijt veranderd.”

„Geenszins, baron!” antwoordde Raffles. „Ik moet er u alleen opmerkzaam op maken, dat.… ik geen geld heb, om u te betalen.”

„Laat u dat niet verontrusten!” zeide Palocza met een flauwen glimlach. „Natuurlijk heb ik bij deze en gene van mijn Engelsche vrienden naar den kooper, die op mijn advertentie antwoordde, geïnformeerd, en die inlichtingen konden niet beter en gunstiger zijn! Ik weet, dat graaf Grasham een onbeperkt crediet heeft op de Londensche bank, ik wil en kan hier niet langer blijven, ik zou in staat zijn, mijn landgoed ten geschenke te geven! Ik vertrek nu aanstonds naar Boedapest, en daar zult gij mij nog veertien dagen kunnen vinden, want zoolang zal het wel minstens duren, voor ik mijn passen en andere papieren in orde heb gemaakt. Het spijt mij waarlijk, dat ik niet langer uw gastheer kan zijn, maar gij zoudt toch bitter weinig aan mij hebben!”

„Ik wil u volstrekt niet ophouden, baron, en wij zullen dan afspreken, dat wij elkander te Boedapest weder treffen. Geef mij slechts uw adres.”

„Ik logeer in het hotel de La Promenade.”

„Uitstekend! Dan wensch ik u een goede reis, ofschoon wij nog wel eenigen tijd bij elkander blijven, tot wij het hoofdkwartier van generaal Esterházy hebben bereikt. Ik denk, dat daar onze wegen zich wel kunnen scheiden!”

„Wanneer ik u van dienst kan zijn door u een paar manschappen mede te geven, graaf, dan ben ik gaarne tot uwe beschikking!” kwam nu de jonge luitenant, terwijl hij hoffelijk salueerde.

„Wij nemen uw aanbod gaarne aan, luitenant, en zeggen er u dank voor!” antwoordde Raffles.

„Hebt gij soms een voertuig?” ging de luitenant voort.

„Ja, wij zijn hier met mijn rijtuig gekomen, het eenige, wat de Rooden mij wel hebben willen laten!” zeide Palocza.

„Dan zou ik daar maar gebruik van maken,” hernam de luitenant. „De afstand is vrij ver, en gij zoudt het niet kunnen loopen. Is er plaats voor twee mannen meer?”

„Dat zal wel gaan,” antwoordde Palocza. „De paarden hebben een geheelen nacht en een gedeelte van den morgen goed gerust, en een maal haver gehad, een zeldzaamheid voor de arme dieren!”

„Dan kunt gij, als gij wilt, aanstonds vertrekken.”

De luitenant wees twee mannen aan, die zich bij de reizigers voegden, en de terugtocht naar het dorp en het logement werd aanvaard, nadat de luitenant snel een vrijgeleide voor de reizigers had geschreven.

Marek werd bij de paarden gevonden.

Die schenen hem wel zooveel belangstelling in te boezemen, dan de zooeven in het voordeel der Witten besliste strijd!

De dieren werden weder voor het rijtuig gespannen, de waard werd vorstelijk beloond, de reizigers drukten den vriendelijken luitenant de hand, en de paarden trokken aan.

Het rijtuig reed het dorp weder uit, en volgde den weg, dien het een dag te voren was afgereden, maar nu in tegenovergestelde richting.

Nu en dan gaven de soldaten aan Marek te kennen, welke richting hij moest volgen.

Al spoedig kwamen de reizigers afdeelingen Witten tegen, en dan moesten zij telkens hunne papieren toonen.

Palocza scheen echter algemeen bekend te zijn bij de officieren, want hij werd allerwege hartelijk begroet, en zijn aanwezigheid was de anderen van wezenlijk nut.

Maar ook reden de mannen in het wagentje langs tal van lijken, meerendeels Rooden, langs stukgeschoten mitrailleurs en overblijfselen van wagens die door een granaat waren getroffen.

De gansche gruwel van den oorlog ontvouwde zich hier voor de reizigers, die stil en ontdaan door zooveel ellende neerzagen op deze wrakstukken van den broederkrijg.

Een kwartier later begonnen de paarden eensklaps te snuiven.

Men reed juist langs een langen muur, die een grooten tuin omgaf.

En aan den voet van dien muur vlak naast elkander lagen een dertigtal onbewegelijke lichamen.

Ter hoogte van een paar meter vertoonde de muur talrijke plekken, waar kogels de steenen hadden getroffen.

„Gefusilleerd!” zeide Raffles zachtjes. „Ik had dus zooeven wel goed gezien. De mannen hebben geen van allen een geweer, en zij zijn gebonden!”

Hij wendde zich tot Palocza en vervolgde:

„Wij lezen altijd van de onnoemelijke gruwelen door de Rooden bedreven, ik kan niet nagaan, in hoeverre die verhalen al of niet overdreven zijn, maar hier zie ik met eigen oogen, hoe de Witten den strijd voeren, baron!”

Palocza knikte eenige malen zwijgend, en mompelde:

„Allen, allen verdierlijken in dezen afschuwelijken strijd van Hongaar tegen Hongaar! Deze worsteling kweekt monsters, meedoogenloozer dan de oorlog het heeft kunnen doen!”

Zwijgend werd de tocht voortgezet.

De weg liep nu langs een reeks granaatkuilen en hier en daar was ook de weg zelf opengereten door een granaat, en moest Marek met de grootste voorzichtigheid de paarden besturen.

Maar nu werd de voormalige stelling van de Witten bereikt, en men ontmoette de eerste voorposten, bij het hoofdkwartier behoorend.

Men bevond zich nu dicht bij het plaatsje Berény, en een der soldaten van de Witte garde deelde mede, dat generaal Esterházy daar zijn staf had gevestigd.

Nog een kwartier en toen reed het wagentje het stadje binnen, eigenlijk niet veel meer dan een groot dorp.

Bij de eerste huizen liet Palocza het wagentje stilhouden.

Hij richtte zich tot Raffles en zeide op ernstigen toon:

„Hier scheiden zich onze wegen, graaf, tenminste voorloopig. Ik ben er niet op gesteld, in aanraking te komen met dien man. En ik ben er van overtuigd dat mijn woorden heel weinig gewicht in de schaal zullen leggen. Ik zou niet eens onder eede kunnen getuigen, dat gij de koopsom werkelijk aan de Rooden hebt afgestaan, want ik heb die som niet in uw portefeuille gezien. En daarom ga ik aanstonds verder en tracht Temesvár te bereiken, waar ik, naar ik hoop, een trein naar Boedapest zal vinden.”

„Hoe denkt gij Temesvár te bereiken, baron?”

„Wel er zal hier wel ergens een wagen te krijgen zijn,” zeide baron Palocza onzeker.

„Dat is niet zoo zeker, en daarom zou ik u wel willen voorstellen, om met uw eigen rijtuig verder te gaan!” hernam Raffles.

„O neen! Het rijtuig en de paarden behooren bij den inboedel van het kasteel. Dat is immers uitdrukkelijk bedongen?”

„Dat herinner ik mij niet zoo nauwkeurig, baron!” kwam Raffles. „Maar ik weet wel, dat ik nooit zal toestaan, dat gij hier met uw ouden bediende blijft zoeken naar een rijtuig, terwijl gij er hier kant en klaar een hebt!

„Als gij dan volstrekt het paard en het rijtuig bij den inboedel wilt rekenen, stal ze dan te Temesvár en laat het adres van den stalhouder ergens voor mij achter. Later zal ik dan het rijtuig met de bespanning wel terug laten halen.”

Palocza stak Raffles de hand toe en zeide:

„Ik dank u, graaf, ik neem uw aanbod aan, zonder veel omwegen, want ik wil u wel erkennen, dat het niet zoo gemakkelijk zou vallen, hier een rijtuig te krijgen.”

De baron drukte ook Charly Brand de hand, knikte Henderson toe en verliet in galop het gezelschap, terwijl Raffles zich naar de verblijfplaats van generaal Esterházy begaf, die zich met zijn staf had gevestigd in een der groote huizen van het plaatsje.

Maar de brave Marek werd niet vergeten en Raffles drukte hem twee biljetten van duizend kronen in de hand, die voor hem toch niet veel meer waard waren dan twee pond sterling.

De beide soldaten brachten de drie mannen naar het einde van het dorp, stonden daar stil op een tiental meters afstand van een groot huis, dat er wel eenigzins uitzag als een raadhuis, en wezen er naar.

Zij zeiden geen woord, maar Raffles begreep natuurlijk dadelijk, dat hij aan het doel van zijn tocht was gekomen.

„Een van u beiden moet mij vergezellen, en om de waarheid te zeggen, waarde Henderson, zou ik liever mijnheer Charly Brand mede nemen, want ik vrees, dat je je door je drift zou laten medesleepen en denk je eens in onzen toestand wanneer je je zoudt laten verleiden, een Hongaarschen generaal op een plak slaag te onthalen.”

„Maar waarom zou ik dat doen, Mylord?” vroeg Henderson verbaasd.

„Dat is waar ook, je kunt het nog niet weten!” hernam Raffles. „Het gesprek is in het Duitsch gevoerd, en op verren afstand! Welnu dan Henderson, mijn geld is in handen van den generaal, dien ik nu ga bezoeken, en het schijnt, dat er moeilijkheden aan verbonden zullen zijn, het weer uit die handen los te krijgen.”

„Dan kan ik niet anders zeggen, Mylord, dan dat gij groot gelijk hebt, om mij maar liever hier te laten!” zeide de reus langs zijn neus weg. „Want generaal of niet, ik zou dat heerschap eens hardhandig aan het verstand hebben gebracht, hoe ik over hem denk.”

Raffles moest zich omwenden om den glimlach te verbergen, die bij deze woorden om zijn lippen speelde.

Daar stond een man, die in talrijke avonturen den Grooten Onbekende terzijde had gestaan, van wiens eigenaardig beroep hij toch uitstekend op de hoogte was, en hij maakte zich driftig, omdat een ander het waagde, een deel van dat zonderling verworven geld zich toe te eigenen!

Maar hij begreep het spoedig, hier sprak eenvoudig het instinct der rechtvaardigheid bij den braven reus!

Hij kende de middelen en de doeleinden van zijn meester, aan wien hij het leven en meer dan dat verschuldigd was, en de ander, hij mocht dan generaal zijn of niet, was voor hem slechts een ordinaire dief!

Raffles had zich tot Charly gewend en zeide nu:

„Ga mede, jij zult wel getuigenis af moeten leggen, denk ik! Liever had ik gehad, dat baron Palocza ook aanwezig geweest ware, maar ik heb niet willen aandringen, zijn gemoedstoestand was van dien aard, dat hij wel aan andere dingen te denken had, dan een vreemdeling bij te staan!”

De twee vrienden liepen op het groote huis toe, waarvoor een schildwacht op en neer liep, die hen dadelijk aanhield en vroeg, wat zij wenschten.

De vraag was in het Hongaarsch gesteld en de beteekenis was duidelijk.

Raffles antwoordde in het Duitsch.

„Wij wenschen onmiddellijk generaal Esterházy te spreken!”

„Ik weet niet, of dat zoo gemakkelijk zal gaan, mijnheer,” zeide de schildwacht. „Want ik meen, dat de generaal nu aan het werk is. Maar ga slechts naar binnen en laat u aandienen.”

Raffles en Charly gingen het huis binnen, dat inderdaad een gemeentehuis bleek te zijn en liepen al spoedig een anderen militair tegen het lijf, die aan zijn tressen kenbaar was als adjudant.

Ook deze officier bleek voortreffelijk Duitsch te spreken, want hij antwoordde in die taal op de vraag van Raffles:

„Ik zal u bij den generaal brengen, tenminste wanneer gij inderdaad iets van gewicht met hem te bespreken hebt!”

„Van zeer groot gewicht, mijnheer!” antwoordde Raffles.

„Wees dan zoo goed mij te volgen!”

De adjudant ging de beide Engelschen voor door een aantal breede en holklinkende gangen, bracht hen toen naar een vertrek, waar nog eenige andere officieren gezeten waren, stak dit vertrek in zijn geheele lengte over en klopte op een deur, die waarschijnlijk toegang gaf tot een ander lokaal.

Daarop opende hij de deur, sprak eenige woorden naar binnen, deelde den naam van den vreemdeling mede, en toen hij zijn hoofd terug trok, lag er een uitdrukking van verlegenheid en teleurstelling op zijn gezicht.

„Het spijt den generaal bijzonder, mijne heeren, maar hij heeft het te druk, hij kan u onmogelijk te woord staan. Hij laat u verzoeken, over eenige dagen nogmaals uw bezoek te herhalen!”

Maar toen gebeurde er iets, wat zeker uniek was in de annalen van het Hongaarsche militarisme, want Raffles duwde den adjudant eenvoudig beleefd, maar beslist terzijde, onder het uiten van de woorden:

„En mij spijt het, mijnheer adjudant, dat ik geen gevolg kan geven aan deze uitnoodiging, omdat ik een weinig haast heb!”

En vóór de verblufte adjudant nog iets had kunnen zeggen, stonden Raffles en Charly in het vertrek tegenover den generaal, die hen met woedende blikken scheen te willen doorboren, een poging, die hij gerust achterwege had kunnen laten, want zij had niet de minste uitwerking op de beide Engelschen, die daar kalm en rustig midden in de kamer stonden en hem onbevreesd aankeken.

Aan alles was te zien, dat het vertrek in allerijl was ingericht tot slaapkamer, die tevens tot werkkamer kon dienen, want oorspronkelijk was het oogenschijnlijk een archiefkamer geweest, daar het vol stond met langs den wand geplaatste loketkasten.

In een der hoeken stond een fraai ledikant, dat waarschijnlijk door de kwartiermakers ten behoeve van den generaal was opgevorderd bij een der rijkste ingezetenen.

Dicht bij het raam stond een schrijftafel, die ook wel niet tot het meubilair van het gemeentehuis zou hooren en dan stond er nog een groote rustbank, benevens eenige gemakkelijke stoelen.

Generaal Esterházy zat achter de schrijftafel en had zoo juist de pen neer geworpen.

Hij was een man van een jaar of vijftig, met een ruw, pokdalig gezicht, gitzwarte oogen en een geweldige snor, die met haar twee afhangende punten bijna tot op zijn borst neerviel.

Snor en hoofdhaar waren gitzwart, maar deze kleur had haar oorsprong waarschijnlijk te danken aan het bemiddelend ingrijpen van den kapper.

Hij had groote gele tanden, als van een paard en kauwde daarmede op een reusachtige sigaar, waarschijnlijk genomen uit een kistje, dat geopend voor hem stond.

Op een hoek van de schrijftafel stond een blad, waarop een flesch port, een glas water en een kurketrekker vreedzaam bijeen waren.

En voorts zwierven op deze tafel een spel kaarten, een dienstrevolver, een sabel en een paar stafkaarten.

Generaal Esterházy had zich achterover in zijn stoel geworpen en keek de beide bezoekers van onder zijn borstelige wenkbrauwen met een kwaadaardigen blik aan.

„Hebt gij niet gehoord, mijne heeren, wat mijn adjudant u gezegd heeft?”

„Er was geen enkele reden om het niet te hooren, generaal, uw adjudant spreekt werkelijk heel goed Duitsch en wij zijn de taal ook een weinig machtig.”

„En toch waagt gij het hier binnen te dringen?” ging de generaal voort.

„O, het was zulk een groot waagstuk niet,” ging Raffles kalmpjes voort. „Waarom zou het ook? Wij komen slechts een kort gesprek met u voeren en u iets terugvragen!”

„Zoo,” hernam Esterházy op grimmigen toon. „Zoo, zoo, zijt gij die Engelschman?”

„Ja, ik ben graaf Grasham, en ik kom u de dertien duizend pond sterling terugvragen, welke mij eerst door de Rooden zijn afgenomen en aan hen weder door uwe troepen, die u het geld ter hand hebben gesteld.”

„Wel, wel! En hoe zijt gij aan die wijsheid gekomen?” vroeg de generaal op spottenden toon, maar zijn oogen hadden een dreigende uitdrukking.

„Dat doet er minder toe, generaal,” antwoordde Raffles koeltjes. „De hoofdzaak is, dat ik het zeer nauwkeurig weet. Wij zullen niet veel woorden verspillen, ik verzoek u mij mijn geld terug te willen geven!”

„Gij schijnt in het geheel geen rekening te hebben gehouden met de mogelijkheid, dat ik wel eens zou kunnen weigeren, of zou ontkennen, het geld onder mijn berusting te hebben!”

„Gij hebt gelijk, generaal, ik heb er natuurlijk geen oogenblik aan gedacht, dat een generaal, en zulk een hooggeplaatste, van het Hongaarsche leger een schoft zou kunnen zijn!”

Esterházy stond halverwege uit zijn stoel op en maakte een onwillekeurig gebaar in de richting van zijn revolver.

Hij wist zich echter te beheerschen en hernam:

„Gij durft nog al veel zeggen, graaf! Maar nu zult gij mij wel willen veroorloven, op mijn beurt eenige opmerkingen te maken, nu gij toch eenmaal hier zijt binnengedrongen! Wij strijden tegen een bende bloeddorstige bandieten. En daarbij komt gij zoo plotseling uit de lucht vallen, met zooiets van twaalf millioen kronen in uw zak en die worden u hier afgenomen door de Rooden! Gij zult toch wel inzien, dat het noodzakelijk zal zijn, dat alles een weinig aannemelijk te maken!”

Raffles deed dreigend een stap naar voren en vroeg op gesmoorden toon:

„Gij houdt mij dus voor een leugenaar?”

„Dat woord heb ik niet gebruikt! Maar gij zult het mij ten goede houden, als ik nadere bewijzen vraag! Iedereen zou mij immers zulk een verhaal kunnen opdisschen?”

„Ah zoo, waait de wind uit dien hoek?” zeide Raffles minachtend. „Wel, ik zal u de volle maat geven! Luister dan naar het relaas van wat ons hier wedervaren is!”

En nu deelde Raffles generaal Esterházy, die zenuwachtig met zijn penhouder speelde en zijn sigaar voor de helft had opgekauwd, mede, wat er geschied was van het oogenblik af, dat hij door baron Palocza met zijn rijtuig van het station te Temesvár werd gehaald.

Generaal Esterházy had met klaarblijkelijk ongeduld toegeluisterd, maar aan de uitdrukking van zijn gelaat kon Raffles zeer goed zien, dat hij dit alles reeds wist.

Toen hij gereed was, besloot de Groote Onbekende:

„Ik geloof niet, dat ik hieraan nog iets behoef toe te voegen, generaal! Het geld is mijn eigendom, ik wensch er over te beschikken, geef het mij terug!”

„Een oogenblik, graaf!” riep de generaal uit. „Waar is baron Palocza op dit oogenblik?”

„Op weg naar Temesvár!”

„Hij zou dus uw verklaring niet door zijn getuigenis kunnen bevestigen?”

„Neen, die wordt alleen door mijn woord als edelman bevestigd en door de getuigenis van mijn secretaris!” antwoordde Raffles.

„Komaan, en dat moet mij voldoende zijn, dunkt u?” riep generaal Esterházy op sarrenden toon. „Laat mij u dan zeggen, dat het mij volstrekt niet voldoende is! Gij zegt, dat de Rooden u uw geld ontnomen hebben, en dat wil ik ook wel aannemen, ofschoon de hoogte van het bedrag mij verdacht voorkomt! Maar het is een foute veronderstelling, als gij meent, dat het daarna weder in andere handen is overgegaan!”

Raffles deed met gebalde vuisten een stap naar den schurk toe en zeide op doffen toon:

„Gij weigert dus mij mijn eigendom terug te geven?”

„Ik moet wel weigeren, want ik bezit het niet!” antwoordde Esterházy.

„Hebt gij wel eens bedacht, generaal, dat dit voor u zeer ernstige gevolgen zou kunnen hebben, dat ik mij zou kunnen wenden tot den Engelschen zaakgelastigde te Boedapest?”

Esterházy haalde de schouders op, dat het bloed van Charly Brand aan het koken bracht.

„De Engelsche zaakgelastigde zal ook wel begrijpen, dat hij er niets aan kan doen! Vergeet niet, dat de streek in staat van beleg is, ik ben hier almachtig! En als ik u een goeden raad mag geven, blijft dan niet langer hier, dan volstrekt noodzakelijk is, maar keer zoo spoedig mogelijk naar uw land terug! Als u wilt, zal ik u een vrijgeleide geven tot Temesvár. Daar kunt gij den trein nemen, geloof mij, gij doet het best, als gij u in uw verlies schikt.”

De generaal had dit alles op zoetsappigen toon gezegd, maar in zijn zwarte oogen glinsterde een valsch licht.

Hij trommelde spelenderwijs met zijn vinger op het tafelblad, maar vlak in de nabijheid van de electrische schel.

Raffles begreep, dat hij zich aan een zeer groot gevaar zou stellen onder deze omstandigheden te trachten, zijn bezit met geweld in handen te krijgen.

Bij de eerste verdachte beweging zou de generaal op de bel drukken of schreeuwen, de officieren, tien in getal minstens, zouden komen toestormen, en men zou hen waarschijnlijk onmiddellijk als gevaarlijke indringers fusilleeren of op zijn best gevangen zetten.

Raffles bedwong zich dus en wisselde een snellen blik met Charly Brand, die op het punt scheen te staan, zich op den generaal te werpen.

Zijn stem had haar gewonen klank behouden, toen hij op zakelijken toon zeide:

„Dat alles klinkt zeer vriendelijk, generaal, maar ik hoor in uw woorden een duidelijke bedreiging! Ik weet, waartoe gij in staat zijt, en voor het oogenblik hebt gij aan het langste eind getrokken. Maar ik begeef mij nu aanstonds naar Boedapest en ik zou wel eens willen zien, of de zaakgelastigde van mijn land werkelijk niet in staat zou zijn, het gestolen geld weder uit uw handen los te krijgen!”

En daarop maakten de beide Engelschen rechtsomkeert en verlieten het vertrek weder, terwijl de generaal hen met een hatelijken grijns op de dikke lippen nakeek.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings