← Table of contents
Lord Lister No. 0352

De aanval op het landgoed.

Reading edition

De plantengroei was reeds eenigen tijd weelderiger geworden, en de Poeszta lag reeds ver achter de reizigers.

Zij reden voorbij wijnbergen, langs malsche weiden en voorbij uitgestrekte akkers, waar het graan in vollen bloei stond.

Graaf Grasham liet zijn blikken over het landschap waren, en hij zag al spoedig, dat de gevraagde prijs zeker niet te hoog was als men hem omrekende in Engelsche ponden.

De akkers waren goed onderhouden, de wijnbergen leverden zeker een voortreffelijken wijn op, en het landschap was blijkbaar zeer uitgestrekt. En als het woonhuis nu ook goed was, dan zou hij zeker niet aarzelen den gevraagden prijs te betalen, al lag het goed dan ook in een gebied, waar het wonen alles behalve een genoegen kon worden genoemd.

Maar wie was nu wel de zonderling, die er op stond, op dit tijdstip, onder deze onzekere omstandigheden een landgoed in Hongarije te koopen?

Die zonderling was.… John Raffles.

De vreemdeling, die hier met zijn beide metgezellen gekomen was, om er iets te doen, waarvoor de meeste zijner landgenooten hem zeker tot een krankzinnige zouden bestempelen, was de groote vijand van Scotland-Yard, het Londensche Hoofdbureau van politie, de man op wiens aanhouding nog altijd een premie van niet minder dan duizend pond sterling was gesteld, en die nog altijd verdiend moest worden.

Ja, de befaamde Gentleman-Inbreker, die nu den naam van graaf Grasham had aangenomen, had er zijn zinnen opgezet ook in Hongarije een plaats te bezitten, waarheen hij in geval van nood de wijk zou kunnen nemen, of die hem tot een soort basis zou kunnen strekken, wanneer hij eens naar Hongarije zou reizen, om daar een zijner stoutmoedige ondernemingen op touw te zetten, ondernemingen, welke strijdig waren met de geldende wetten, maar die voor Raffles de reden van zijn bestaan vormden.

De twee mannen, die nu in zijn gezelschap reisden, waren Charly Brand, die te Londen de taak van secretaris van Lord William Aberdeen vervulde, onder welken naam John Raffles in een fraai huis in de Regent-Street woonde, en Henderson, zijn chauffeur, wiens ongelooflijke lichaamskracht reeds menigmaal een avontuur tot een gelukkige oplossing had gebracht, dat in het nadeel van den Grooten Onbekende, zijn meester, dreigde af te loopen.

Raffles had in een der groote bladen de advertentie gelezen, waarin baron Horváth de Palocza zijn landgoed te koop aanbood, en daar de prijs hem niet overdreven voorkwam, had hij dadelijk geseind, dat hij het landgoed kocht, onder beding van voorafgaande bezichtiging.

Reeds een dag later had hij zich met zijn beide metgezellen op reis begeven, maar de tocht was moeizaam, want door verschillende oorzaken, als staking in Duitschland, versleten materiaal, slechte steenkolen en anderszins, hadden de drie mannen bijna zes dagen gedaan over een reis, welke onder normale omstandigheden niet langer zou geduurd hebben dan ten hoogste anderhalve dag.

Zeker, Raffles had een dier voertuigen kunnen gebruiken, welke hij bezat, zooals zijn wonderbaarlijke electrische vliegmachine, welke een ongehoorde snelheid kon ontwikkelen, nog door geen enkel toestel bereikt, dat met benzine werd voortbewogen, en men zou haar hier trouwens niet dan met gevaar kunnen gebruiken, en het reizen met een auto door Duitschland en Oostenrijk, om van Hongarije in het geheel niet te spreken, ging met de grootste gevaren gepaard.

Maar nu had men dan toch de plek van bestemming bereikt, en als gevolg van zijn eigen telegram had baron Palocza den kooper van zijn landgoed van het station Temesvár afgehaald.

De oude koetsier had het rijtuig van den straatweg op een goeden grintweg gebracht, die eveneens met een flauwe stijging opwaarts liep, en aan het einde daarvan ontwaardden de reizigers de tinnen van een fraai kasteel, die hoog oprezen boven het omringend geboomte.

Nog tien minuten en toen zwenkte het rijtuig een breeden oprijweg in, en stond even later stil voor het terras van een heerenhuis, een kasteel, dat volgens Charly Brand uit het begin van de achttiende eeuw moest dateeren.

Palocza was het eerst van den wagen gesprongen en zeide, met een droeven glimlach om de lippen:

„Nog geen twee jaaren geleden zouden twintig bedienden op het terras hebben gestaan, om u te verwelkomen, graaf, thans is Marek de eenige, die mij trouw is gebleven. Alle anderen zijn of gedood, of zij hebben zich aangesloten bij de Roode troepen of zij hebben de vlucht genomen. Wij beiden zijn de eenigen, die hier zijn achtergebleven. Ik ben verplicht, volkomen eerlijk tegenover u te zijn, ik vrees, dat uw bezit in den eersten tijd nog wel zeer onzeker en onveilig zal zijn!”

„Ik zal het zoo goed mogelijk trachten te verdedigen, baron, en ik denk toch niet, dat de menschen zich zullen vergrijpen aan het eigendom van een vreemdeling, een Engelschman!”

„Ik hoop het, maar ik zou het niet durven verzekeren, graaf!” hernam Palocza.

Marek was intusschen niet zonder moeite van zijn hoogen bok geklommen, en geleidde nu de paarden aan den toom naar den stal, die even door het dichte gebladerte van den grooten tuin heenschemerde, die wel een park mocht worden genoemd.

Het was volkomen duister tusschen de eeuwenoude boomen, maar in de gang van het kasteel brandde een helder licht, dat door een ovaal venster boven de deur naar buiten scheen.

Palocza opende deze deur met een zwaren sleutel, en liet de drie mannen voorgaan.

Maar Henderson vroeg bedaard:

„Neem mij niet kwalijk, baron, ik behoor hier niet. Gij wilt mij zeker wel toestaan, vriend Marek op te zoeken. Ik ben een jaar in Duitsche krijgsgevangenschap geweest en ik brabbel een weinig Duitsch. Wij zullen elkander dus heel goed kunnen verstaan.”

Palocza keek Raffles vragend aan, maar deze zeide:

„Deze man is meer voor mij dan een gewone bediende, baron. Maar ik heb hem altijd zijn zin gegeven, als hij, zelfs midden in de woestijn, zijn eigen weg verkoos te gaan!”

„Nu, als het zoo is, gij vindt mijn trouwen bediende in het achterhuis, vriend!” zoo wendde hij zich tot den reus. „De deur staat meestal open en anders behoeft gij slechts aan te kloppen.”

„In orde, baron!” zeide Henderson.

En daarop verdween hij in de duisternis.

De drie mannen gingen binnen, maar op het oogenblik, dat de baron de deur weder zou sluiten, klonk heel in de verte een dof gerommel, waarvan de aard niet te miskennen viel, het was kanongebulder.

Een oogenblik bleven de drie mannen zwijgend luisteren, en toen deed Palocza zuchtend de deur dicht.

„Mijn arm, arm land!” zeide hij op zwaarmoedigen toon. „Verscheurd, uiteengerukt, bloedend, arm en hongerig! Mijn God, wanneer zal er aan dit alles een einde komen!”

„Dan pas, baron, wanneer de menschen zich hun menschenaard wat beter zullen herinneren!” zeide Raffles op bitteren toon. „Slechts dan, wanneer iedereen weder gaat inzien, welk onvergelijkelijk genot de arbeid oplevert voor ieder gezond man. Slechts dan, wanneer broeders van één stam niet langer elkanders bloed bij stroomen vergieten!”

Met gebogen hoofd, en schijnbaar zonder te luisteren, ging Palocza door de ruime vestibule, opende een deur, draaide een schakelaar van het electrische licht om, en zeide:

„Gij zijt natuurlijk hedenavond en van nacht mijn gasten; mijne heeren! Trouwens het zou immers niet anders gaan. Mijn naaste buren wonen hier een paar kilometers van daan! Gij zult het dus wel met een schamel maal en onder dit dak voor lief moeten nemen! Morgen hoop ik u het landgoed geheel te laten zien.”

Raffles boog zwijgend.

Zijn blikken rustten op een prachtig schilderij in een zware, vergulde lijst, dat boven den monumentalen schoorsteenmantel hing, en dat een vrouw in den vollen bloei van haar schoonheid voorstelde.

„Mijn lieve vrouw!” zeide Palocza als in antwoord op een onuitgesproken vraag.

Raffles bekeek eenigen tijd met stille aandacht het schoon gelaat, en zeide toen zacht:

„Ik begrijp nu, baron, waarom gij dit land wilt verlaten. Ik zou in uw plaats waarschijnlijk hetzelfde gedaan hebben. Niets rest u hier meer dan de herinnering aan vervlogen geluk. Gij hebt den besten weg gekozen …”

De drie mannen gingen verder en traden nu een tweede vertrek binnen, waar een groote tafel, gebeeldhouwde stoelen en een prachtig, zwaar buffet stond.

De ramen van deze eetzaal zagen uit op het park, dat zich achter het heerenhuis uitstrekte.

Thans waren zij door gordijnen gesloten, die in zware plooien nederhingen.

Juist trad Marek binnen, om de tafel te dekken, maar hij was vergezeld van Henderson, die hem volstrekt wilde helpen.

En alsof hij het reeds jaren gedaan had, begon de brave kerel de tafel in orde te maken.

De drie heeren begaven zich naar een kleine rookkamer, die zich naast de eetzaal bevond, en spoedig waren zij in een gesprek verdiept, waarvan de beklagenswaardige toestand van het ongelukkige Hongarije het voornaamste onderwerp vormde.

Een half uur later klonk de gong in de gang, ten teeken dat er was opgediend.

Palocza glimlachte even, toen hij zeide:

„De goede Marek doet nog, alsof alles bij het oude is gebleven! Hij zou ook op de gong slaan, al kon hij mij niets anders meer voor zetten dan een paar knolrapen uit den moestuin.”

„Ik ben van oordeel, dat dit voor hem pleit, baron!” zeide Charly. „Zulke bedienden vindt men niet veel meer.”

De drie mannen waren opgestaan en begaven zich naar de eetzaal, waar een eenvoudige maaltijd was aangericht.

„Wat gij hier thans zult eten, mijne heeren, dat groeide of leefde alles op mijn landgoed en ik heb het wild zelf moeten schieten! Er is geen middel meer, om iets uit de naaste stad te laten komen. Men is hier thans geheel op zich zelf aangewezen, en als gij het goed koopt, dan zou ik u ten sterkste aanraden, goede krachten uit uw eigen land hier te laten komen, om het land te bewerken, en al het andere noodige te doen.”

„Dat was ik voornemens, baron!” zeide Raffles. „Bij ons zijn gelukkig de Boljewistische beginselen nog niet doorgedrongen!”

„Mag ik u vragen of ge voornemens zijt het landgoed aanstonds te betrekken, verondersteld natuurlijk dat gij het koopt?” ging Palocza voort.

„Dat zal geheel en al van de omstandigheden afhangen, waarde baron! Wanneer de Witte Regeering den toestand hier kan beheerschen, dan denk ik wel hier eenigen tijd te blijven, maar gij zult mij toegeven, dat een oponthoud hier minder aangenaam zou zijn, wanneer wij hier tusschen twee vuren zouden geraken.”

„Dat kan ik mij voorstellen,” zeide baron Palocza zuchtend. „Indien ik dit alles had kunnen voorzien, zou ik u natuurlijk eerst nog gewaarschuwd hebben zoodat ge uw bezoek tot een latere gelegenheid had kunnen uitstellen. Maar nu gij toch hier zijt, hoop ik slechts, dat gij veilig weder ons land zult kunnen verlaten. Hebt gij niet zeer veel moeilijkheden met uw passen ondervonden?”

„Dat was niet zoo erg, baron. Het is ten huidige dage moeilijker zijn eigen land weder binnen te komen dan er uit te vertrekken.”

Henderson en Marek hadden intusschen den maaltijd opgediend, die bestond uit een koolsoep, een reebout, groenten, gebak en eieren en een meelspijs, eigen aan het land, benevens eenige heerlijke vruchten, allen afkomstig van het landgoed van den baron.

Het diner naderde zijn einde, en Marek had juist een kistje fijne sigaren binnengebracht, toen weder het kanongebulder klonk, maar thans veel duidelijker.

Palocza hield midden in een zin op en zeide op gedempten toon:

„Het kanonvuur komt naderbij. Mijn hemel, de Witten zullen toch niet retireeren?”

„Moeten zij dan dezen kant uitkomen?”

„Ja, graaf! Als zij terug moeten dan is het in de richting van Temesvár.”

Geruimen tijd bleven de drie mannen luisteren naar het gebulder van het kanon.

En eensklaps hield dit op, zoo onverhoeds dat het was, alsof een geheimzinnige macht plotseling alle kanonniers had nedergeslagen.

Het bleef nu stil, en na eenigen tijd stonden de drie mannen van tafel op en begaven zich naar de biljartkamer, die op een hooger gelegen verdieping was gelegen.

Er werd onder het spelen weinig gesproken en Raffles en Charly begrepen dat zij te doen hadden met een man, wiens geheele geest nog slechts werd beheerscht door het verlangen de streek te verlaten, waar hij zoo gelukkig en zoo nameloos rampzalig was geweest.

Het was omstreeks tien uur, toen er plotseling op de deur werd geklopt en Marek met een bleek gelaat binnentrad.

„Wat is er?” vroeg de baron hem, terwijl hij zich van de Hongaarsche taal bediende.

„Ik geloof dat daarginds de Witte troepen aankomen, heer,” antwoordde de grijze bediende.

„De chauffeur van den graaf zegt, dat hij het gedaver van de stukken duidelijk kan onderscheiden, hij is in den oorlog geweest, hij heeft er verstand van.”

Dadelijk snelde de baron naar het venster, en wierp het open.

Raffles en Charly voegden zich bij hem, en allen luisterden met aandacht.

Henderson had goed gehoord, heel in de verte klonk het onbestemde gerommel van een aantal kanonnen en kruitwagens, die over den straatweg naderden, welke in het licht van de maan, die zoo juist was opgekomen, flauwtjes zichtbaar was op een afstand van tien minuten gaans.

Het gelaat van baron Palocza was bleek, en zijn trekken waren verwrongen van wraakzucht en woede.

„Ja, zij retireeren!” riep hij op gesmoorden toon.

„En gij, blijft gij hier?” vroeg Raffles. „Zoudt gij niet aanstonds vluchten?”

„Wat, voor de Roode bandieten?” riep de baron op woesten toon. „Nooit! Liever liet ik mij dooden. Zij hebben mij het liefste ontroofd, wat ik op de wereld bezat, en zij hebben mijn vrouw en mijn kinderen vermoord, en ik weet niet wat mij nog aan het leven bindt. Neen, ik blijf hier, al staken zij mijn kasteel boven mijn hoofd in brand. Maar als gij wilt vertrekken, graaf, ik denk er natuurlijk niet aan om u terug te houden.”

„Wij blijven!” zeide Raffles kalm. „Rooden of Witten, ik zou wel eens willen zien, dat zij zich durfden vergrijpen aan Engelschen. En trouwens, gij kent mij niet, als gij denkt, dat ik u aan uw lot zou overlaten.”

„Ik dank u, graaf, dat is edel van u! Ik hoop dat zij zullen standhouden, en al wilden zij mijn landgoed als steunpunt gebruiken, ik zou hen laten begaan! En als het moest zou ik daarvoor gaarne als een arm man de wereld ingaan.”

Het geraas van de naderende troepen werd intusschen hoe langer hoe duidelijker hoorbaar, en nu klonk het doffe gedreun van de voetstappen van een zeer groot aantal soldaten, die over den straatweg trokken.

Even later kwamen de eerste colonnes aan, en zij schenen volstrekt niet van zins te zijn, zich bij het kasteel op te houden.

Integendeel, de drie mannen zagen hen haastig, als in een vlucht en in ordelooze gelederen voorbijtrekken, naar het Noordwesten.

Op dezen afstand en met de heerschende duisternis was het onmogelijk, hun regimentsnummer of een ander onderscheidingsteeken te herkennen, maar dat het Witte troepen waren, dat was zeker, want men kon duidelijk de volledige uniformen zien, welke alle soldaten droegen, in afwijking van de Roode troepen, waarvan de manschappen een zonderling allegaartje droegen, militaire pantalons met daarboven een colbert, of een jockeypet, sandalen en een uniformjas.

Ongeveer een half uur lang bleven er onophoudelijk troepenafdeelingen voorbijtrekken, en het was maar al te duidelijk, dat de Witten een ernstige nederlaag hadden geleden en in volle vlucht waren.

Weer een kwartier later was er niets meer te hooren, dan het verre gerucht van de duizenden voetstappen en het wegstervend gedreun van de stukken.

Nog een oogenblik bleven de drie mannen aan het venster staan, maar niemand hunner had lust om de partij biljard te gaan hervatten.

Iedereen begreep dat de gebeurtenissen een ernstige wending hadden genomen en baron Palocza gaf uiting aan hetgeen allen bezielden, toen hij zeide:

„De Rooden zullen hen wel achtervolgen, maar wie kan zeggen, of zij op hun beurt mijn bezitting zullen voorbijgaan.”

Reeds een half uur later zou het antwoord op die vraag komen.…

Weder naderden er voetstappen langs den straatweg, en uit dezelfde richting, maar thans waren het geen soldaten van het witte leger, het moesten Rooden zijn.

Een afdeeling marcheerde door, maar een tweede groep scheidde zich af, en kwam den grintweg op.

Er waren er zeker onder den troep, die volkomen op de hoogte waren van de plaatselijke gesteldheid, misschien wel voormalige bedienden van den baron, want zij weifelden geen oogenblik, maar verspreidden zich dadelijk in het park en stelden zich verdekt op achter de boomen, de heggen en de terreinplooien.

En zonder eenige inleiding begonnen zij een geregeld vuur te openen op het landhuis.

Snel traden de drie mannen terug van het venster waarvoor zij weder hadden plaats genomen, ditmaal in de eetzaal, die gelijkvloers was gelegen, waar de kogels reeds door het vertrek vlogen.

„Ik kan hun gedrag niet heldhaftig noemen,” zeide Raffles minachtend. „Zij kunnen toch niet anders denken, of gij zijt heel alleen, en slechts vergezeld van uw ouden bediende.”

„Dat kunnen zij heel goed weten graaf, want zij hebben mijn lieve vrouw en kinderen gedood,” zeide de baron op woesten toon. „Zij kunnen ook weten, dat al mijn bedienden gevlucht, vermoord of in de gelederen getreden zijn.”

En hij snelde naar een wapenrek dat aan den wand hing en rukte er een jachtgeweer af.

Hij ijlde weder naar het raam terug en wilde het opentrekken, toen Raffles hem in den weg trad en op ernstigen toon vroeg:

„Wat wilt gij doen, baron?”

„Vraagt gij dat nog? Denkt gij, dat ik mij zonder verweer zal laten dooden?”

„Maar gij kunt immers niets uitrichten tegen die overmacht,” zeide Raffles overredend. „Er zijn minstens veertig of vijftig mannen in uw park, nog voor het raam geopend is, voor gij een schot zult hebben kunnen lossen, zullen zij u hebben neergelegd, want gij zult scherp afteekenen tegen de hel verlichte kamer.”

„Maar wat wilt gij dan? Moet ik mijn huis laten vernielen door die wilde beesten, en gij zelf, zult gij u niet verweren?”

„Pardon, baron, met ons is het iets anders,” antwoordde Raffles, „en gij vergeet dat die lieden daarginds in het geheel niet weten, dat wij hier zijn. Als gij het toestaat, zal ik hen daar even opmerkzaam op maken, en op die wijze zal uw huis zeker gespaard blijven voor hun woede.”

„Daar ben ik zoo zeker niet van, graaf. Zij zouden u ook wel eens kunnen dooden.”

„Dat zullen zij niet doen!” antwoordde Raffles kalm. „Het is in Boedapest en Temesvár bekend, dat wij hier heen zijn gegaan, en die lieden zouden zich aan een groote straf blootstellen wanneer zij ons een haar op het hoofd zouden krenken.

„En wij moeten het in ieder geval probeeren, want als zij eenmaal het huis bestormen, dan zouden zij wel eens niet meer voor reden vatbaar kunnen zijn, verblind door hun bloeddorst en woede.”

En zonder verder de toestemming van den baron af te wachten, trad Raffles in de vestibule, opende de voordeur, haalde zijn zakdoek te voorschijn en begon er mee te zwaaien.

Het electrisch licht in de vestibule verlichtte zijn gestalte duidelijk en dadelijk hield het vuren op.

De Rooden schenen met elkander te beraadslagen, en een oogenblikje later doemde er een groepje mannen op uit de duisternis van het park, die langs het breede tuinpad kwamen aanloopen en met het geweer in den aanslag de vestibule binnendrongen.

Zij bleven echter verbaasd stilstaan bij het zien van den vreemdeling, die met een witten doek gezwaaid had, en een hunner vroeg in slecht Duitsch:

„Wie zijt gij? Wat doet gij hier in het huis van den vervloekten kapitalist?”

„Ik kom het koopen!” antwoordde Raffles lakoniek.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings