Nog eens van den os op den ezel.
Reading edition
Deze mededeeling verwekte niet weinig opschudding onder de vijftig soldaten van het Roode leger, toen de man die Duitsch sprak het antwoord van Raffles vertaald had.
„Zoo, zoo! Dus nog zulk een geldwolf!” hernam de aanvoerder op grimmigen toon. „Komt gij het landgoed van dien bloedzuiger koopen?”
„Ja, en ik betaal contant,” antwoordde Raffles langs zijn neus.
De aanvoerder zette groote oogen op en deed een stap achteruit, waarop hij uitriep:
„Gij betaalt het contant! Gij hebt dus dat geld bij u?”
Raffles zag aan de uitdrukking in de oogen van den man, dat hij een onvoorzichtigheid begaan had, maar het was nu te laat om die ongedaan te maken.
Alleen stoutmoedigheid zou hem nog kunnen redden.
Trouwens als hij ontkende, zouden de revolutionairen hem aan den lijve onderzoeken, om zich te overtuigen, of hij de waarheid had gesproken.
En daarom klonk kalm zijn antwoord:
„Ja, ik heb het geld bij mij.”
„Hoeveel?”
„Tien millioen kronen.”
De omstandigheden waren er wel niet naar, maar het scheelde nu toch weinig of de aanvoerder had een luchtsprong gemaakt, zoozeer verraste hem de hoogte van dit bedrag.
Waarschijnlijk gaf hij er zich geen rekenschap van, dat dit bedrag in Engelsch geld omgerekend, niet hooger was dan twaalfduizend pond.
Hij wisselde op zachten toon een paar woorden in de Hongaarsche taal met zijn metgezel en daarop ging er een terug, om een oogenblik later met tien van zijn makkers terug te keeren.
De aanvoerder, die geen oog van Raffles had afgehouden, trad nu weder op hem toe en vroeg:
„Zijt gij hier alleen?”
„Met twee metgezellen!”
„Van welken landaard zijt gij?”
„Engelschen!”
Dat antwoord scheen den aanvoerder minder te bevallen, tenminste hij bromde iets in zich zelf dat voor Raffles niet verstaanbaar was.
Toen hernam hij op dreigenden toon:
„Waar is die schurk van een Palocza?”
„Ik ken wel een baron van dien naam, maar het verbaast mij uit uw mond te hooren dat hij een schurk is,” hernam Raffles op kouden toon.
„Wat weet gij daarvan?” vroeg de aanvoerder ruw. „Gij kent hem niet zooals wij hem kennen.”
„Wat hebt gij dan tegen hem in te brengen? Waarop steunt uw beschuldiging dat hij een schurk is?”
„Waarop? Op alles! Hij is schatrijk!”
„Ei zoo, en dat is volgens u een afdoend motief om iemand voor een schurk uit te maken,” zeide Raffles ironisch.
„Hij is een dief, want hij bezit land!”
„Heeft hij dat dan gestolen?”
„Niet in den eigenlijken zin, maar hij heeft het ten geschenken gekregen van zijn vader, die het weder van zijn vader had, en dat is juist hetzelfde als diefstal! Heeft hij het soms met zijn zweet verworven? Heeft hij er voor moeten strijden? Heeft hij niet honderd, ja duizendmaal te veel! Hadden er niet honderd gezinnen gelukkig en tevreden op zijn landgoed kunnen leven?”
„Dat alles mag zoo zijn, en voor een gedeelte kan ik uw gedachtengang zelfs volgen,” hernam Raffles bedaard. „Maar dit alles is niet de schuld van baron Palocza, het is krankzinnigheid, om hem voor dien toestand persoonlijk verantwoordelijk te stellen, en het is een laffe, beestachtige wreedheid, om zijn vrouw en zijn twee onschuldige kinderen daarom te vermoorden.”
De aanvoerder klemde de tanden op elkander, en zeide toen op norschen toon:
„Dat heeft onze afdeeling niet gedaan, dat is het werk van de zwervende benden geweest. Wij kunnen niet overal tegelijk zijn, en als gij wist wat het boerenvolk hier eeuwenlang te lijden heeft gehad, dan zoudt gij zulk een daad, zoo niet verontschuldigen, dan toch in ieder geval begrijpelijk achten. De menschen zijn hier verbitterd, en tot helsche woede geprikkeld. Gij zijt een vreemdeling en weet van onze zaken niets af. Gij leest in uw bladen van de Witte Terreur, maar gij kunt u geen voorstelling vormen van wat het werkelijk beteekend heeft, en nog altijd beteekent in streken, waar zij ons nog onder den duim hebben. Duizenden socialisten en ook gewone burgers, die slechts verdacht werden met de denkbeelden van Bela Kun te sympathiseeren, of die door wraakzuchtige verklikkers waren verraden, hebben hun leven aan den galg moeten eindigen. En nog eens dat aantal is versmacht van honger, dorst en mishandeling in de vunzigste kerkerholen, holen, waarvan ge u in uw beschaafd Engeland geen voorstelling kunt maken.”
De man had bevend en wit van drift gesproken, terwijl hij de kolf van zijn geweer met een onbewust gebaar streelde.
Raffles had ernstig toegeluisterd en hernam nu:
„Ik veroordeel u niet, ik betreur het alleen, dat het niet anders kon zijn. Gij weet niet wat gij doet, gij brengt uw land aan den rand van den afgrond, gij zoowel als de aanhangers der reactie.”
Maar de aanvoerder der Roode afdeeling haalde de schouders op en hernam:
„Als wij maar eens eerst aan het bewind komen, dan zal alles goed gaan.”
Er lag een gloed van fanatisme in zijn oogen, toen hij dit uitriep.
Maar Raffles schudde het hoofd en zeide:
„Daar is geen sprake van! Gij zoudt juist hetzelfde doen, hetgeen gij nu aan de Witten verwijt, en opnieuw zal het bloed in stroomen vloeien, dan zullen de Witten u weder ten onder brengen, het schouwspel zal zich opnieuw weder herhalen, en over een paar jaar zal de laatste Witte den laatsten Rooden hebben doodgeslagen, of omgekeerd misschien. Maar nu genoeg over deze dingen gepraat. Zeg mij nu wat gij wilt!”
„Wij willen Palocza!” antwoordde de ander ruw.
„Met welk doel?”
„Wij willen hem dooden! Hij verdient het dubbel en dwars!”
„Gij zijt gek!” hernam Raffles op kouden toon. „Gij zult hem geen haar op zijn hoofd krenken, zoolang ik hier ben, en gij zult het niet wagen, een Engelsch onderdaan een stroobreed in den weg te leggen.”
Raffles wist dat hij boud sprak, want de Rooden zouden zich zeer waarschijnlijk al bitter weinig gelegen laten liggen aan een schriftelijk protest, of zelfs een dreigende nota van de Engelsche regeering.
Zij wisten maar al te goed, dat Londen op dit oogenblik toch weinig of niets tegen hen kon uitrichten.
Maar de vastberadenheid, waarmede Raffles sprak, scheen toch indruk te hebben gemaakt op den aanvoerder.
„Waarom springt gij voor dien man in de bres? Waarschijnlijk omdat hij een soort collega van u is?” vroeg hij op schamperen toon.
„Neen, eenvoudig omdat ik het niet zou dulden, dat men in het bijzijn van drie Engelschen een weerloos man laaghartig vermoord.”
„Gij durft veel zeggen, vreemdeling!”
„Dat is zoo mijn gewoonte!” hernam Raffles kortaf. „Gij doet mij dus hier de plechtige toezegging, dat gij dien ongelukkigen man niet zult deren, wiens vrouw en kinderen door uw gelijken zijn vermoord! Anders sta ik niet voor de gevolgen in.”
„Maar wij moeten zijn huis hebben!” riep de aanvoerder. „Zijn huis, de akkers en alles wat er bij behoort.”
„Pardon, dat alles is niet meer van hem, hij heeft het aan mij verkocht.”
„Daarmede houd ik mij niet op,” ging de aanvoerder schouderophalend voort. „Gij kunt het toch niet betalen!”
„Ik zeg u toch, dat ik de koopsom bij mij heb.”
„Nu nog, maar over een kwartier zult gij haar niet meer hebben!”
„Wat! Zoudt gij mij haar durven ontrooven?” riep Raffles uit.
„O, daar is niet veel moed toe noodig,” antwoordde de ander koeltjes. „Wij zijn met vijfenveertig man, en gij zult wel zoo verstandig zijn, geen tegenstand te bieden! Bedenk wel, dat wij in een wanhopige positie zijn, dat wij ditmaal moeten winnen, en dat wij zeer veel geld noodig hebben. Tien millioen kronen is voor ons een reusachtig bedrag en gij kunt zelf de gevolgtrekking wel maken.”
„En als ik weiger u dat bedrag af te staan?”
„Dan zou ik genoodzaakt zijn geweld te gebruiken!” antwoordde de aanvoerder der Roode troepen. „Gij zult zelf wel inzien, dat wij in onze positie weinig consideratie kunnen gebruiken. Het is voor ons, er op of er onder. Ik zou u ernstig in overweging willen geven, geen verzet te plegen, want wij zijn tot alles in staat, tot alles, verstaat gij?”
Een blik in de oogen van den man was voldoende, om hem te overtuigen, dat hij geen looze bedreigingen uitte.
Hij meende blijkbaar wat hij zeide, en hij begreep dat zij groot gevaar liepen, wanneer zij inderdaad zouden trachten tegenstand te bieden, nu de Rooden eenmaal wisten, welk een kostbare buit hun zoo eensklaps in den schoot was geworpen.
Charly, die het laatste gedeelte van het gesprek had gehoord, begreep opeens aanstonds, dat er niet aan te denken viel, aan deze overmacht van goed gewapende, tot alles in staat zijnde mannen het hoofd te bieden.
Weigerden zij het geld af te staan, dan zou ook stellig de ongelukkige Palocza het leven moeten laten.
Het was wel een hard gelag om zooveel geld te moeten afstaan, maar het lag er nu eenmaal toe, en men zou het beste doen, de zaak van den wijsgeerigen kant te beschouwen.
En het was maar goed, dat Henderson zich in het achterhuis bevond, want de reus zou waarschijnlijk dadelijk alles bedorven hebben, door zich op de vijf Revolutionairen te werpen.
„Wanneer ik u het geld geef, zult gij mij dan een vrijgeleide geven voor mij, mijn metgezellen, en baron Palocza,” zoo wendde Raffles zich opnieuw tot den aanvoerder.
Deze dacht even na, en antwoordde toen:
„Gij zoudt natuurlijk toch van hier moeten vertrekken, en ik wil wel een vrijgeleide geven, maar ik waarschuw u, dat mijn macht hier niet verder strekt, dan een tiental mijlen in het rond. Ik kan u dus volstrekt niet waarborgen, dat een andere afdeeling der Roode Garde u ongehinderd zal laten door gaan!”
Dat was zeker een minder aangenaam vooruitzicht, maar er viel niets aan te doen, en hier zou men in geen geval kunnen blijven, want het was duidelijk dat deze vijftig man nog slechts de voorhoede van een veel grooter leger was, hetzelfde leger, dat de Witten dien dag een zware nederlaag had toegebracht, en dus thans in een gevaarlijken overwinningsroes zou zijn.
Zonder verder nog een woord te spreken, stak Raffles zijn hand in zijn binnenzak, haalde er zijn portefeuille uit, en wilde er de Engelsche banknoten uithalen.
Maar de aanvoerder trok hem de portefeuille eenvoudig uit de hand, en zeide spottend:
„Geef u niet zooveel moeite. Het is volstrekt niet noodig, dat er nog iets in achterblijft.”
„Gelooft gij?” kwam Raffles, zonder zijn kalmte een oogenblik te verliezen, „misschien zoudt gij toch wel zoo goed willen zijn, mij althans mijn passen en andere onmisbare papieren terug te geven?”
De aanvoerder bromde iets, opende de portefeuille, zocht er even in, en overhandigde Raffles toen eenige documenten, waarna hij de dikke portefeuille in zijn eigen zak liet glijden.
Met de woede in het hart had Charly dit gade geslagen, maar Raffles scheen er zich niet al te veel van aan te trekken, en voor de zooveelste maal bewonderde de jonge man de kalmte des gemoeds waarmede de Groote Onbekende alle gebeurlijkheden des levens aanvaardde.
Baron Palocza was al dien tijd in het vertrek achtergebleven, en zat daar met het hoofd in de handen en schijnbaar onbewust van alles wat er om hem heen gebeurde.
Maar nu werd de deur geopend en Raffles trad binnen met den aanvoerder der Roode Garde.
„Baron Palocza,” begon hij, „die man zal ons hier een vrijgeleide geven, tot zoover zijn macht grenst. Gij ziet nu wel, dat wij allicht beter hadden gedaan met het leger der Witten te retireeren.”
Palocza was opgestaan en kwam met gebalde vuisten en gebogen hoofd op den aanvoerder toe.
Hij scheen niet eens te hebben gehoord, wat Raffles zeide en schreeuwde: „Gij, gij hebt mijn vrouw en mijn kinderen vermoord. Wat doet gij hier? Wilt gij mijn leven ook? Neem het dan maar! Ontroof mij ook dat nog, het heeft voor mij toch geen waarde meer. O, hoe gaarne zou ik u met deze handen wurgen, gij ondier!”
Met een paar passen was Raffles tusschen de twee mannen in en riep nu met een bezwerend gebaar:
„Beheersch u baron! Gij kunt toch niet allen voor de daad van een enkeling aansprakelijk stellen. Schik u in uw lot, gij zoudt ons hier allen laten uitmoorden!”
Palocza wreef zich met de handen over het voorhoofd, alsof hij een gedachte wilde verdrijven, die hem hinderde en hernam toen:
„Ik vraag u vergiffenis, graaf, dat ik u in dezen toestand heb gebracht. Er is nu zeker geen sprake meer van, dat gij mijn landgoed koopt?” voegde hij er op een toon van bitteren spot aan toe.
„Ik zou het niet meer kunnen koopen, baron, deze heeren zijn zoo goed geweest mij van al mijn contanten te ontlasten.”
„En dat neemt gij zoo kalm op?”
„Waartoe zou het dienen, als ik mij driftig maakte?” vroeg Raffles bedaard. „Het zou mij niets verder brengen nietwaar? Ik hoor daarginds in de verte al de stappen van een groot aantal andere soldaten, en ik heb menigmaal tegenover heete vuren gestaan, maar ik ben er ditmaal niet op voorbereid, om den strijd tegen een paar regimenten op mij te nemen. Beloof mij, op de spoedigste manier te vertrekken! Ga naar Temesvár, wacht daar betere oogenblikken af, wie weet hoe spoedig de kans weder keert.”
Raffles had dit laatste op fluisterenden toon gezegd, zoodat alleen de landeigenaar hem kon verstaan, terwijl de aanvoerder der Roode Garde zich aan een kleine schrijftafel had nedergezet, en daar met grove letters een formulier invulde.
Hij onderteekende het, stelde het Raffles ter hand en zeide:
„En nu zou ik u aanraden, zoo spoedig mogelijk uw hielen te laten zien, want anders zoudt gij wel eens tusschen twee vuren kunnen geraken en van den regen in den drup.”
„Of van den os op den ezel,” voegde Raffles er laconiek aan toe.