← Table of contents
Lord Lister No. 0352

De vlucht.

Reading edition

Een kwartier later was het geheele huis in handen van de Roode troepen.

Raffles bleef met opzet zoo dicht mogelijk in de nabijheid van den grootgrondbezitter, daar hij vreesde, dat de ongelukkige in een vlaag van wanhoop een daad zou begaan, die hun allen noodlottig zou kunnen worden.

Maar het geleek wel, of de baron eensklaps versuft was geworden.

Nu hij inderdaad het landgoed ging verlaten, waar hij sedert zijn kindsheid had gewoond, leek het wel, of alles hem volkomen onverschillig was geworden.

Hij keek toe, hoe de trouwe Marek een paar valiezen pakte, zonder een woord te spreken.

Raffles zette den ouden bediende met een paar vriendelijke woorden tot spoed aan, want niemand kon zeggen, of de Rooden niet ter elfder ure van idee zouden veranderen en hen allen om het leven brengen, teneinde geen last te hebben van ongewenschte getuigen, als het later bekend mocht worden, dat drie Engelschen van tien millioen kronen waren bestolen.

Het wagentje was weder ingespannen, en de valiezen werden er in geladen.

Buiten in den nacht klonk opnieuw het doffe gerommel van het geschut.

Naar het scheen hadden de Witten thans nieuwe stellingen betrokken, en de strijd was weder met hernieuwde hevigheid ontbrand.

Onder deze omstandigheden viel er natuurlijk niet aan te denken, een poging te ondernemen, teneinde zich onder bescherming van de Witten te stellen.

Lang voor zij het front bereikt hadden, zouden zij opnieuw zijn aangehouden door afdeelingen der Rooden, en deze mochten hen onder geen omstandigheden „Niemandsland” laten oversteken, op gevaar af, dat de vreemdelingen aan de Witten hunne stellingen zouden verraden, hun getalsterkte, de wijze van bewapening en andere wetenswaardige zaken.

Raffles begreep dit zelf zeer goed en hij moest er zich in schikken, dat hij niet alleen niet naar Temesvár zou kunnen terugkeeren, tenminste niet, voordat de toestand zich volkomen gewijzigd had, maar dat hij nog verder naar het Zuiden zou moeten gaan, dat wil zeggen, nog dieper binnendringen in een streek waar het oproer opnieuw het hoofd had opgestoken.

Hij had vreeselijke dingen hooren verluiden omtrent de Witte Terreur, die geruimen tijd in Hongarije geheerscht had, maar in ieder geval zou hij, als Engelsch graaf, die met een secretaris en met een bediende reisde, niets te vreezen hebben van de Witten, terwijl hem integendeel van den kant der Rooden alle denkbaren gevaren aangrijnsden.

Hij had echter geen keuze, de omstandigheden waren ditmaal sterker en het zou krankzinnigheid zijn zich met geweld te willen verzetten tegen een legermacht van eenige duizenden goedgewapende mannen, waaronder bovendien talrijke elementen schuilden, die tot de uiterste woede geprikkeld waren en zeker geen seconde zouden aarzelen.

Wat Charly betreft, de jonge man kookte letterlijk van drift en hij kon zich volstrekt niet begrijpen, dat Raffles de zaak zoo kalm scheen op te vatten.

En toch hadden de Rooden hem zooeven niet alleen den koopprijs van het landgoed afgenomen, maar bovendien ook zijn reispenningen!

Zij hadden hun niets overgelaten dan de noodzakelijke papieren, passen en andere documenten en het vrijgeleide, en dat strekte nog maar alleen zoover als de macht reikte van den man, die het met een onleesbaren naam onderteekend had.

Zeker, Charly had zelf wat geld in zijn zak, want hij was gewoon, alle kleine uitgaven te betalen, wanneer hij met Raffles op reis was, en deze de rol vervulde van Lord Aberdeen, of van een anderen graaf.

Maar die paar duizend kronen zouden hen zeker niet veel verder brengen met het oog op de waanzinnig hooge prijzen, welke men in dit land zelfs voor de eerste levensbehoeften zou moeten betalen.

De reizen met den spoorweg waren duur, maar zij waren in ieder geval nog te betalen, maar met duizend kronen zou men niet veel uitrichten, als men daar het logies voor drie mannen van wilde betalen in een behoorlijk hotel.

Hij vroeg zich dan ook in vreeze af, op welke wijze zij uit dit ongastvrije land zouden kunnen vertrekken, en hij zag de toekomst vrij duister tegemoet.

Raffles daarentegen stond daar nog altijd glimlachend toe te zien, hoe de valiezen in het rijtuigje werden geladen, terwijl hij tevens een wakend oogje hield op Palocza.

Eindelijk was alles voor het vertrek gereed, en de oude Marek had weder op den bok plaats genomen.

Zijn gelaat was droevig vertrokken, want ook hij ging de plek verlaten, waar hij zijn geheele leven had doorgebracht, van zijn vroegste kindsheid af, en wie zou kunnen zeggen wat het lot zou zijn van het prachtige landgoed.

Misschien zou het wel in vlammen opgaan, zooals zoo vele andere bezittingen van gegoeden in de omstreken.

Het was reeds ver over middernacht, toen het rijtuig zich eindelijk in beweging stelde, uitgeleide gedaan door de Roode Gardisten die spottend of dreigend, of lachend het rijtuigje nakeken, zooals het daar wegreed over den breeden grindweg.

Een half uur verder waren zij buiten het bereik van het gros van het Roode leger, maar in dien tijd hadden zij reeds driemaal hun vrijgeleide moeten toonen aan kleine patrouilles en het bleek reeds aanstonds, dat de Rooden een voortreffelijken bewakingsdienst hadden georganiseerd en dat het zeer moeilijk zou vallen, door de mazen van het net te ontsnappen.

De eenige hoop van de drie reizigers bestond hier in, dat de krijgskansen opnieuw zouden keeren, maar dan bleef toch altijd het gevaar bestaan, dat zij opnieuw tusschen twee vuren zouden geraken.

Echter bestond dan de mogelijkheid, dat de Witten zoo vlug zouden oprukken dat de drie Engelschen en de ongelukkige grondbezitter zich bij hen zouden kunnen voegen.

Maar voor het oogenblik was het nog lang zoo ver niet en Charly vroeg zich in angst en vreeze af, wat het einde van deze reis zou zijn, die onder zulke gelukkige omstandigheden begonnen was, maar zulk een onverwachten en hoogst onaangenamen keer had genomen.

„Waar gaat deze weg ergens heen?” vroeg Raffles toen zij een half uur gereden hadden, terwijl hij zich tot Palocza wendde, die naast hem zat.

„Naar Nagy Becskerek.”

„Is dat ver hier vandaan?”

„Ruim tachtig kilometer!”

„Drommels!” riep Raffles verschrikt uit. „Wij zullen met deze paarden niet ver komen!”

„Wij slaan aanstonds een anderen weg in, graaf,” hernam Palocza, „want het is ook niet mijn bedoeling, u naar de zooeven genoemde stad te brengen! Ik wilde liever naar Versecz gaan, welke stad op nog geen zestig kilometer van mijn landgoed is gelegen!”

„Is het een groote stad?”

„Ja!”

„In welke richting ligt zij?”

„In zuidelijke richting.”

„Intusschen is zestig kilometer nog veel te veel voor deze arme, ondervoede paarden, baron. Zij kunnen ons onmogelijk langer dan een paar uren trekken en vergeet ook niet, dat de dieren ons ook niet lang geleden van het station hebben gehaald!”

„Wij zouden ook onmogelijk in één stuk door naar Versecz kunnen rijden, graaf,” hernam Palocza. „Ja, als ik mijn auto’s nog maar had, ik ben menigmaal in drie kwartier van mijn landgoed naar de stad gereden! En ik deed het ook wel eens per rijtuig met deze zelfde paarden, toen zij nog krachtig en vlug waren, en dan kon ik den afstand gemakkelijk in drie uren afleggen, maar thans zouden wij er zeker een etmaal voor noodig hebben!”

„Maar er moet toch een trein naar de stad loopen?” reep Charly uit.

„Wij zullen er maar niet op rekenen, mijnheer, dat er thans treinen loopen,” gaf Palocza schouderophalend te kennen. „Natuurlijk hebben de Rooden daar reeds beslag op gelegd, en van een geregelden dienst is geen sprake meer, trouwens, ook onder normale omstandigheden liepen er zoo laat in den nacht toch geen treinen. Wij zijn geheel aangewezen op de paarden!”

„Maar zijn er hier nergens auto’s te huren?” ging Raffles voort.

„Misschien zijn er hier in de buurt nog wel auto’s en misschien kunt gij ze ook wel huren, maar gij zoudt er een onzinnig hoogen prijs voor moeten betalen, onder de tienduizend kronen zoudt gij zeker niet ver komen, en de Rooden hebben u al uw geld ontstolen!”

„O, maar ik heb nog wel eenige zaken bij mij, die evenzeer van waarde zijn,” hernam Raffles luchtig.

Hij bukte zich, reeg zijn schoen los, nam hem in de hand, en tot groote verwondering van den baron schroefde hij een gedeelte van den hak los, waardoor een holte te zien kwam, waarin een klein pakje lag.

Raffles nam het er uit, wikkelde het los, en daarna glansde in het licht van de lantaarns een zestal buitengewoon fraaie diamanten, volgens de waarde van het inheemsche geld zeker verscheidene millioenen kronen waard!

„Gij zult het wellicht een weinig vreemd vinden, baron,” zeide Raffles, „maar wanneer men zich naar Hongarije begeeft, dan neemt men eenige voorzorgsmaatregelen. Het is een oude truc, maar ik ben verheugd, dat ik haar heb toegepast!”

Charly zeide niets, maar nu begreep hij de kalmte van Raffles, toen hem al zijn gereed geld werd afgenomen!

Maar toch, het zou moeilijk zijn, deze steenen te verkoopen in een land waar het geld bijna geen waarde meer had en men waarschijnlijk wel aan andere dingen zou denken, dan aan het koopen van juweelen!

Wanneer het in Boedapest geweest was, dan zou het nog wat anders geweest zijn, maar Versecz was in ieder geval een stad van den tweeden rang.

Er viel echter niet te aarzelen, men moest het wagen!

Palocza had de steenen vol aandacht en bewondering bekeken, en riep toen uit:

„Die zes steenen zouden zelfs in Engeland een klein fortuin vertegenwoordigen, graaf! Zij zijn van het zuiverste water en zeer groot, terwijl zij bovendien onberispelijk geslepen zijn!”

„Denkt gij, dat ik er hier een paar millioen kronen voor zou krijgen?”

„Een paar millioen?” herhaalde de baron. „Veel meer, graaf! Deze steenen zouden volgens de waarde van ons geld, wel ongeveer twintig millioen moeten opbrengen!”

„Kom, kom, gij overdrijft!” hernam Raffles.

„Ik zeg u dat het zoo is, juist voor diamanten worden tegenwoordig in ons land buitensporige prijzen betaald! En weet gij waarom? Omdat het het eenigst bezit is, dat men met kans op welslagen kan verbergen en dat steeds zijn waarde blijft behouden.”

„Deze steenen zouden ons dus uit den nood kunnen helpen?”

„Natuurlijk, voorzoover zij niet door de Rooden ontdekt worden,” antwoordde Palocza.

„Dat zullen wij zoo lang mogelijk trachten te voorkomen!” hernam Raffles, terwijl hij de diamanten weder in het vloeipapier wikkelde en ze weder zorgvuldig in de holte van den hak verborg, waarop hij het lederen deksel, dat met ijzer beslagen was, weder op zijn plaats bevestigde.

Daarop vroeg de Groote Onbekende:

„Is er voor Versecz geen stad, of een groot dorp, waar wij kunnen overnachten?”

„Het eerste plaatsje van eenige beteekenis is Sipec. Wanneer het niet in de handen der Rooden is, of tenminste van lieden, die om ons vrijgeleide niets geven, dan zouden wij daar wel kunnen overnachten!”

„Hoever is dat plaatsje hier van daan?”

„Nog bijna een uur rijden!”

„Laten wij dan onzen weg voortzetten, tot wij Sipec bereikt hebben. Het dient tot niets, om ons zoo onzinnig te vermoeien, en mijn secretaris zal nog wel genoeg geld bij zich hebben, om het logies in een eenvoudig logement te betalen. Er valt natuurlijk niet aan te denken, om daar mijn diamanten aan den man te brengen!”

„Daarin zoudt gij niet slagen, graaf, al hadt gij er slechts één en al was hij zoo klein als een zandkorrel,” zeide Palocza. „Sipec is een dorp en niets meer, met een boerenbevolking, en de versierselen, die men daar draagt zijn hoogstens van goud. Mocht echter het geld van uw secretaris niet toereiken, dan verkoopen wij het wagentje en de paarden.”

„En hoe zouden wij dan verder moeten komen?” vroeg Charly, die nog slechts dacht aan de beste wijze, om hier snel en veilig vandaan te komen.

„Wij zouden een boerenwagen kunnen huren, mijnheer,” antwoordde Palocza.

Intusschen had het rijtuig zijn weg vervolgd en de koetsier moest hier wel goed bekend zijn, want wat de drie Engelschen betreft, zij konden geen hand voor oogen zien, daar de maan weder achter de wolken was verdwenen, en men thans te midden van een dicht bosch reed.

Maar de oude Marek vertrouwde op het instinct zijner paarden en daaraan deed hij verstandig, want nog geen uur later reed het rijtuig het dorp Sipec binnen, waar alles wonderlijk rustig was en waar niets scheen te duiden op de aanwezigheid van Roode troepen.

En toch moesten zij er zijn, want nog geen vijf minuten vóór zij het dorp binnenrukten, hadden de reizigers opnieuw hun vrijgeleide moeten toonen.

Van den strijd echter, die nu op hevige wijze tusschen de Rooden en Witten moest gevoerd worden, was hier niets te vernemen.

Alles was rustig en stil, alles sliep.

Bij het eerste logement liet Marek het rijtuig stilstaan en klom van den bok.

Alles was daarbinnen donker, maar desniettemin klopte hij aan en sloeg, toen er niet spoedig genoeg werd opengedaan, met het uiteinde van zijn zweep op de deur.

Eindelijk werd er boven in het logement een raam geopend, een hoofd kwam naar buiten steken, bedekt met verwarde haren en een schorre stem vroeg in de landstaal:

„Wie klopt daar voor den duivel, als een dronkaard op mijn deur? Pak je weg, of ik zal je toonen, dat ik een geweer hanteeren kan!”

„Ik kan niet zeggen, dat de ontvangst bijzonder vriendelijk is!” zeide Raffles glimlachend.

Palocza verhief zijn stem en riep:

„Wij willen bij je overnachten, vriend Pusto! Ken je mij niet meer?”

„Zijt gij het baron?” liet de stem zich opnieuw hooren, maar met een geheel veranderden klank. „Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd! Ik kom aanstonds bij u, maar met de Roode honden in de buurt moet men zich in acht nemen.”

Het hoofd verdween en een paar minuten later werd de deur geopend en kwam er een man naar buiten, die een groote kaarslantaarn droeg.

Hij hief haar in de hoogte en zeide:

„Hebt gij vrienden bij u, baron? Ik weet niet, of ik wel ruimte voor de heeren heb.”

„O, wij zijn niet veeleischend, vriend Pusto!” antwoordde de baron. „Wij zijn op de vlucht, en deze heeren, die mijn vrienden zijn, zullen zeker geen hooge eischen stellen.”

Raffles, die den zin van het gevoerde gesprek wel had begrepen, zeide nu, in het Duitsch:

„Wij kunnen met zijn drieën gemakkelijk in één kamer slapen, baron, als gij wist, welke ontberingen wij wel eens doorstaan hebben op onze reizen in vreemde landen, dan zoudt gij dit begrijpen.”

Reeds was Henderson uit het rijtuigje geklommen, en droeg nu de valiezen naar binnen, het was duidelijk dat de brave reus in geen geval genoegen zou hebben genomen met een weigering van den logementhouder om hen op te nemen!

En oogenblik later was het rijtuig gestald, de paarden deden zich te goed aan een weinig haver, door Pusto als voorzorgsmaatregel uit een geheime bergplaats te voorschijn gehaald, en de vier reizigers gebruikten het avondmaal in de holle gelagkamer, slechts door de lantaarn verlicht, en in een niet bepaald opgewekte stemming.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings