← Table of contents
Lord Lister No. 0352

Van den os op den ezel.

Reading edition

De zon stond op het punt onder te gaan, toen één der weinige treinen die nog met tamelijke regelmaat liepen, het station van Temesvár binnenreed, komende uit Boedapest.

Onder normale omstandigheden zou de trein over dien afstand zeker niet langer gereden hebben dan een uur of vijf, maar thans was hij bijna den geheelen dag onderweg geweest, want telkens had hij moeten ophouden, nu eens, omdat het spoor volkomen versperd was door een rij, voor het meerendeel ledige goederenwagens, dan weder, omdat het niet veilig zou zijn door te rijden daar men volstrekt niet wist, of de Rooden een kilometer verder het spoor niet hadden opgebroken.

Want er kon niet aan worden getwijfeld, sedert eenige weken en ondanks het meedoogenloos optreden van de reactie, die in Hongarije weder aan het roer wist te komen, dat de revolutie opnieuw het hoofd opstak en dat in sommige gedeelten van het zwaar bezochte land de Rooden opnieuw naar de wapens hadden gegrepen.

Want hoe zorgvuldig het land ook afgezocht was door de patrouilles der Witten, toch hadden de revolutionairen blijkbaar nog vele duizenden geweren, millioenen patronen en zelfs mitrailleurs weten te verbergen.

Van een georganiseerden opstand was wel geen sprake, maar toch waren op heel wat punten tegelijkertijd opnieuw opstanden uitgebroken, niettegenstaande het schrikbewind, door de reactie uitgeoefend en men kon er niet aan twijfelen, of er moest hier gedacht worden aan onderlinge afspraak.

Op enkele punten was deze poging der Communisten, om weder de macht in handen te krijgen, in bloed gesmoord, maar elders hadden zij wanhopigen tegenstand geboden en zelfs eenige voordeelen weten te behalen.

Ten Zuiden van Temesvár, ten tijde, waarop ons verhaal een aanvang neemt, werd reeds eenige dagen hevig gevochten en ook de Rooden maakten daar zelfs gebruik van kanonnen, waarvan zij zich bij verrassing hadden weten meester te maken.

Zij hadden zich verschanst in het woeste gebergte en namen daar een stelling in, waarvan de sterkte niet te miskennen viel.

Al deze troepen bestonden uit mannen, die een duren eed hadden gezworen, dat zij liever zouden ten onder gaan, dan hunne stellingen prijsgeven, en tegen soldaten, die bezield zijn met zulk een geest, is het moeilijk vechten!

De Witten hadden reeds getracht met stikgassen, met bommen uit vliegmachines en met andere middelen, de Rooden te verdrijven, maar het gas had geen uitwerking, daar de stelling der revolutionairen zich op een hoogte van bijna twee-honderd meter boven de vlakte bevond, waar de Witten zich hadden moeten ingraven, zeer tot hun nadeel en de bestuurders der vliegmachines moesten werkeloos blijven, want de onderkomens der Rooden waren in de rotsen uitgehouwen en bij het minste teeken van onraad konden zij daar binnen vluchten en de bommen hadden op de rots weinig of geen uitwerking.

Aan een bestorming viel in het geheel niet te denken, want dan zouden de Witten een halven kilometer ver geheel onbeschut over de vlakten moeten voortstormen en zij zouden door het mitrailleurvuur zijn weggemaaid, lang voor zij den voet van het gebergte zouden hebben bereikt.

Alleen bij verrassing, door een omtrekkende beweging, zou de stelling genomen kunnen worden, en dan nog slechts ten koste van groote en bloedige offers.

Zoo stonden dus de zaken op een twintigtal kilometers ten Zuid-Oosten van Temesvár, toen de trein uit Boedapest daar eindelijk binnenreed, na een reis van bijna veertien uren.

Het was buitengewoon druk op het perron, waar het krioelde van verschrikte vluchtelingen, die voor de zooveelste maal een goed heenkomen trachtten te zoeken, opgejaagd door hun vrees voor het Roode gevaar.

Men zag daar vertegenwoordigers van alle Balkanvolkeren, en niet alleen inheemsche: Tsjechen, Galicische Joden, Roemeensche Boeren, Serviërs, Turken en Armeniërs, Slowaken, bewoners van Moravië en van de andere Hongaarsche grensgebieden, Grieken, Montenegrijnen, en dan vertegenwoordigers van het oorspronkelijke Magyaarsche ras, met groote vurige oogen en lange, gitzwarte, omlaag wijzende snorren.

En dat alles schreeuwde en tierde door elkander, belegerden den wanhopigen stationschef, die eenvoudig geen raad wist en klommen als bezeten in alle leegstaande wagons, welke er maar te vinden waren, in de dwaze verwachting, dat die van zelf wel ergens heen zouden gaan rijden.

Waar, dat kwam er niet op aan, als zij maar wegkwamen uit dit oord van verschrikking, waar men nu en dan duidelijk het gebulder van het zware geschut kon hooren.

Er zaten niet veel reizigers in den trein, en deze hadden de grootste moeite zich uit hun coupé te werken, die nog vóór het stilstaan van den trein bestormd werd door de wachtende menigte.

Onder deze reizigers waren drie mannen, van wie het op den eersten aanblik ten zien was, dat zij in deze streek niet thuisbehoorden en afkomstig waren uit Noordelijker landen, waar vaker mist en regen heerschen, dan lieflijke zonneschijn.

Een van de drie mannen stak bijna een half hoofd uit boven den grootste van de twee anderen, en die mocht toch werkelijk tot de groote mannen gerekend worden.

Hij was bovendien gebouwd als de Hercules van Farnese en zijn schouders, zijn armen, de wijze, waarop hij het hoofd droeg en zijn voeten neerzette, wezen op een meer dan buitengewone spierkracht.

Hij had een breed, gevuld gelaat, waaruit twee donkerblauwe oogen goedmoedig en vriendelijk de wereld inkeken.

De man droeg een paar zware valiezen met het grootste gemak voort.

De reiziger, die in lengte op hem volgde, was een man van een jaar of veertig, met een lenig en door sport gespierd lichaam, doordringende grijze oogen en een energiek gelaat, dat getuigenis aflegde van een stalen wilskracht en een ondernemingslust, die voor niets terugdeinst.

Hij droeg het hoofd hoog opgericht, als een bewijs, dat hij gewend was, te bevelen, en te zien, dat die bevelen werden opgevolgd.

Hij droeg een donkergrijs reiscostuum en een geruiten reispet en hield een gummi regenjas over den arm.

De derde van het driemanschap was een nog jonge man, sierlijk gebouwd, met vlugge bewegingen en een rond, blozend gelaat, waarin twee groote blauwe oogen schitterden.

De drie mannen hadden zich een weg gebaand door de menigte, waarbij de reus als het ware als ijsbreker fungeerde, hetgeen hem menig scheldwoord op den hals haalde, wat hij echter met de grootste blijmoedigheid verdroeg, daar hij er toch niets van begreep en bereikten zoo den uitgang.

„Ik kan mij niet begrijpen, dat men op het Strand van drukte kan spreken,” zeide de jonge man met de blauwe oogen, in het Engelsch. „Het is hier waarachtig voller dan Zaterdags om één uur in den Underground!”

„Nog een paar minuten geduld, beste Charly en dan zullen wij het doel wel bereikt hebben!”

„Als nu die man met dien onuitsprekelijken naam ons maar niet in den steek laat en gekomen is!” zeide de jonge man zuchtend.

„Horváth de Palocza meen je,” zeide Raffles glimlachend. „Hij zal er wel zijn, hij verdient tien millioen kronen aan ons, als alles in orde komt en daar de man blijkbaar niets liever verlangt, dan dat geld zoo spoedig mogelijk in zijn bezit te krijgen, zal hij er wel zijn!”

„Zeg eens eerlijk, Edward, zou je die reis ondernomen hebben, als je bij voorbaat geweten had, wat ons hier te wachten staat?”

„Nu, ik geloof, dat ik mij dan nog wel eens bedacht zou hebben!” antwoordde de aangesprokene. „Het reizen is hier toch al niet bijzonder aangenaam en onder de gegeven omstandigheden is het bepaald een plaag! Maar wij behoeven hier niet langer te blijven dan wij volstrekt wenschen! Wij kunnen terugkeeren, zoodra wij het landgoed gezien en betaald hebben!”

„Dat hoop ik, Edward, dat hoop ik!” riep de jonge man uit. „Het is waar, tien millioen kronen is maar twaalf-duizend-vijf-honderd pond sterling op het oogenblik, maar ik vind het volstrekt geen veilig gevoel met een zoo groot bedrag aan contanten bij ons te loopen, nog afgezien van onze reispenningen, terwijl wij bekneld zitten tusschen de Rooden en de Witten en nog wel in een land als Hongarije! Op mijn woord, hoe eerder wij hier weer vertrekken hoe liever het mij zal zijn. Ik heb trouwens altijd iets gehad tegen een land waar eens de kellner mij op de vraag, hoe hij heette, geantwoord heeft, dat zijn naam was Darányi de Pusztaszentgyörgy! Neem mij niet kwalijk, maar dat is geen Christelijke naam! Wat zeg jij er van Henderson?” zoo wendde hij zich tot den reus, die zich onverstoorbaar een pad baande door de dringende menigte.

„Ik zou het hier geen uur uithouden, mijnheer Brand,” antwoordde de reus, zonder om te zien. „Als ik hier de menschen bij hun naam moest aanspreken, dan zou ik binnen dien tijd mijn tong verstuikt hebben! Ze zeggen, dat Chineesch een moeilijke taal is, maar het is niets, vergeleken bij Hongaarsch!”

De drie reizigers hadden nu juist den uitgang bereikt en daar zagen zij een man uitkijken, voor het tourniket staande en die dadelijk met zijn zakdoek begon te wuiven, zoodra hij de drie vreemdelingen in het oog kreeg.

En toen zij in het bereik van zijn stem waren gekomen, riep hij, in tamelijk goed Engelsch:

„Heb ik het genoegen met graaf Grasham te spreken?”

„Die ben ik, baron!” antwoordde Raffles.

Het volgende oogenblik waren zij het tourniket gepasseerd en stonden nu tegenover een man met een gebruinde gelaatskleur, bijna zoo groot als de reus, die in hun gezelschap was, en eenvoudig gekleed.

Zijn gelaat was bleek en had een droevige uitdrukking.

„Eigenlijk verbaast het mij, dat gij gekomen zijt, graaf!” zeide hij. „Natuurlijk zult gij nu wel kennis dragen van den toestand hier?”

„Ja, baron, maar toen ik tot die kennis kwam, was het reeds te laat om terug te keeren, ik vond het althans de moeite niet meer waard!”

„Mijn rijtuig wacht buiten het station, zoudt gij mij willen volgen? Ik waarschuw u echter, dat gij in mijn huis geen gul onthaal zult vinden, graaf! Ik ben alleen, de Rooden hebben mijn vrouw en mijn twee kinderen vermoord, toen zij op weg waren van mijn schoonouders naar mijn landhuis, en nu weet gij ook de reden, waarom ik mij tot iederen prijs wil ontdoen van mijn bezitting! Het is minder nog de vrees voor die beesten, dan de onduldbare herinnering aan mijn vroeger geluk, die mij uit mijn vaderland verdrijven. Ik wil trachten, naar Amerika over te steken, misschien vergeet ik daar!”

„Uw voorbeeld staat niet alleen, baron,” zeide Raffles op ernstigen toon. „Het is een vreeselijk denkbeeld, nu de wereldslachting gedaan is, dat menschen van één stam en van één geslacht, elkander nog altijd naar de keel vliegen, om een droombeeld, want de mensch zal altijd mensch blijven en in den grond zal er niets veranderen, of iedereen zelf een klein stukje land en wat geld heeft of niet!”

De drie mannen hadden nu het plein voor het station bereikt, waar een paar schamele huurrijtuigen stonden, bespannen met schonkige paarden en twee of drie automobielen, zoo wrak en verveloos, dat de drie reizigers zich verbaasd afvroegen, hoe het mogelijk was, dal deze vehikels zich konden voortbewegen.

Ook de gevel van het station zag er plekkerig, dik met stof bedekt en smerig uit.

Het was duidelijk te zien, dat men zich hier bevond in een land, waar men nog steeds aan heel andere dingen dacht, dan aan het onderhoud van openbare gebouwen, en waar de verf nog steeds schrikbarend duur was.

Voor den hoofdingang van het station stond een soort jachtwagen op vier dunne, hooge wielen, die wel eenigszins geleek op het voertuigje, hetwelk door de Engelschen een „spin” wordt genoemd.

Het werd echter door twee paarden getrokken, vroeger zeker krachtige en schoone dieren, maar die er thans ondervoed en haveloos uitzagen.

De koetsier, die op den bok zat, was zeker minstens zeventig jaar, krom en spierwit, ongetwijfeld een van die bedienden, die een halve eeuw bij het zelfde gezin in dienst geweest en vergrijsd zijn.

Hij nam eerbiedig zijn hoofddeksel af, toen hij zijn meester met de drie vreemdelingen naar het rijtuigje zag komen en daarop klommen allen in het wagentje.

„Nu wil ik u nog waarschuwen, graaf,” begon de baron Horváth de Palocza, „dat onze rit misschien onderbroken kan worden! Toen mijn trouwe bediende Marek en ik hierheen onderweg waren, om u af te halen, hebben wij reeds herhaaldelijk in de verte geweervuur gehoord!”

Maar de kooper van het landgoed haalde de schouders op en sprak:

„Wij zijn nu eenmaal onderweg, baron, en wij zijn er niet de mannen naar om een onderneming, eenmaal begonnen, weder prijs te geven, zelfs al betreft het maar den aankoop van een landgoed in Hongarije!”

„Als gij er zoo over denkt, graaf,” hernam Palocza met een matten glimlach, „dan heb ik natuurlijk niets tegen te werpen!”

„Ligt het landgoed hier ver van daan?”

„Vroeger kon ik het met mijn auto gemakkelijk in twintig minuten rijden, maar ik heb geen auto meer, die is mij afgenomen en de paarden, de arme dieren, doen er bijna een uur over! Het landgoed ligt niet ver van de Boganis, een van de belangrijkste rivieren in dit gedeelte van ons land. Misschien zult gij den prijs nog rijkelijk hoog vinden, graaf, maar als gij het goed gezien hebt, zult gij met mij instemmen, als ik zeg, dat het met tien millioen kronen niet te duur betaald is!”

„Ik ben overtuigd, dat gij niet overvragen zult, baron,” zeide de ander eenvoudig.

Het rijtuigje was de stad nu uitgereden en volgde een tamelijk goeden weg, goed voor Hongarije wel te verstaan, want hij was niet te vergelijken met de prachtige wegen in Engeland.

De paarden liepen in een matigen draf voort, en hadden blijkbaar moeite, het lichte rijtuig met de vijf mannen er in voort te trekken.

De Boganis kwam spoedig in het gezicht.

Men passeerde tal van villa’s, die echter voor het meerendeel door de bewoners verlaten waren, voortgejaagd door de vrees voor de Rooden.

Het land lag daar zwijgend en somber, en toch was pas zooeven de zon ondergegaan, en kon men nog op verren afstand de dingen onderscheiden.

De weg liep nu dwars door de Poeszta, de steppen van Hongarije, en heinde en verre zag men niets dan het hoog opschietende gras, hier en daar afgewisseld met kleine boschjes.

Hoog in de lucht cirkelde een groote vlucht zwarte vogels, en hun aanwezigheid op deze plek voorspelde niet veel goeds.

Zij hadden zich bij groote troepen begeven naar de plaats, waar duizenden menschen elkander naar het leven stonden, bezield door een fellen haat, feller nog, dan die hun bezielde, toen zij tegen onderdanen van een ander land streden.

Maar nu werd het landschap heuvelachtiger, het gebergte in het Zuid-Oosten liet zich reeds raden.

Langzaam begon de duisternis te vallen.

Bijna een uur hadden de reizigers gereden en nog waren zij niemand tegen gekomen.

Slechts tweemaal hadden zij een boer gezien, die in alle kalmte des gemoeds zijn akker bewerkte, alsof er geen burgeroorlog bestond, en alles pais en vrêe was.

De weg begon nu een weinig op te klimmen, en men kon een groot gedeelte van de rivier overzien, die hier bijna een halven kilometer breed was, gezwollen als zij was door de hevige regens van de laatste dagen.

Toen strekte baron Palocza de hand uit en zeide op gedempten toon:

„Daar, bij dat boschje begint mijn landgoed.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings