Rumor in casa.
Reading edition
Graaf Carwood, ziedend van drift, en nauwelijks beseffend, dat hij zich in tegenwoordigheid van den prins bevond, had het vertrek verlaten, na met geweld zijn ruiker tegen den grond te hebben gekwakt.
De prins, die van het geheele tooneeltje getuige was geweest, kwam nu op zijn adjudant toe en zeide op koelen toon:
„Ik hoop, graaf, dat dergelijke voorvallen mij voortaan bespaard zullen blijven! Als gij twist zoekt met andere heeren, mij wel, maar wacht daar dan mede, tot gij alleen met hem zijt! Wat uw duel betreft, ik behoef u zeker niet te zeggen, dat ik dat in geen geval zal toelaten!”
„Maar Uwe Hoogheid, de graaf heeft mij diep beleedigd!” riep de adjudant op klagenden toon.
„Dat is wel mogelijk, maar wij zijn hier niet in Frankrijk!”
Maar Marja dacht hier heel anders over!
In een duel zag zij een reclame, zooals zij er geen betere kon wenschen!
Wat zou er niet over haar gepraat worden, als het bekend werd, dat twee graven met elkander geduelleerd hadden, die in haar vertrek twist hadden gekregen, en nog wel in bijzijn van den prins!
Dat was bijna nog beter, dan de erkende minnares van prins George te zijn!
En daarom trad zij vleiend op den prins toe, legde aanhalig haar arm om zijn hals en zeide: „Kom prinsje, zoo erg zal het toch wel niet zijn! Die tweegevechten hebben hier toch immers ook niets te beteekenen!”
„Ik mag het niet toelaten, madame!” zeide de prins.
„Ook niet om mijnentwille? Kom, de heeren zouden elkander zoo graag een klein prikje geven, waarom zoudt gij hun dat genoegen niet gunnen? Dan doet gij maar net, of gij van niets weet! Mijnheer de graaf zal ook wel weten te zwijgen, nietwaar?” zoo wendde zij zich tot Raffles, die bedremmeld bij de deur was blijven staan.
„Wat mij betreft, madame, graaf Carwood heeft mij bloedig beleedigd en desnoods zou ik met hem naar Frankrijk trekken, om daar voldoening van hem te eischen! Maar natuurlijk zou ik zwijgen, de zaak behoeft niet ruchtbaar te worden!”
Dat was nu weder in het geheel niet naar den zin van de Variété-danseres, want juist in de ruchtbaarheid lag voor haar de reclame!
Maar zij overwoog, dat zij volstrekt niet de verplichting op zich had genomen, te zwijgen, en als het duel eenmaal had plaats gehad, zou zij wel zorgen, dat alle bladen er den volgenden dag van onderricht werden!
De prins had reeds zijn hoogen hoed gegrepen, en wendde zich nu tot Marja met de woorden:
„Het spijt mij meer, dan ik u zeggen kan, madame, dat ik u nu reeds moet verlaten! Maar een dringende vergadering vraagt mijn aandacht, en gij zult u ook wel naar den schouwburg moeten begeven!”
„Ik wil u niet langer terug houden, prins, maar ik hoop toch, dat dit niet ons laatste onderhoud zal zijn geweest!” zeide Marja, terwijl zij den prins een vurigen blik uit haar violet-zwarte oogen toewierp.
„Wees verzekerd, dat ik niets liever verlang, dan u herhaaldelijk te bezoeken,” antwoordde Charly galant.
Hij kuste het kleine handje, dat hem werd toegestoken, en wendde zich toen tot zijn adjudant:
„Mijn auto, graaf!”
„Aanstonds Uwe Hoogheid!” zeide Raffles volijverig.
Hij maakte een diepe buiging voor de schoone vrouw, en verliet haastig het vertrek, na Charly een vluggen wenk te hebben gegeven.
Zijn scherp oor had buiten de luchtige schreden opgevangen van de kamenier, en om velerlei redenen was het gewenscht, dat de beiden het hotel zouden hebben verlaten, alvorens het lieve kind binnentrad.
Charly treuzelde dan ook niet, maar haastte zich, op zijn beurt afscheid te nemen, met de belofte, dat hij zoo spoedig mogelijk terug zou komen.
En Marja bleef achter, met een gevoel van volkomen zegepraal.
Zij had niet durven hopen, dat de prins zoo spoedig bezweken zou zijn voor haar bekoorlijkheden, en vol trots bekeek zij zich in den grooten spiegel, een vroolijk wijsje neuriënd.
Maar toen bedacht zij met schrik, dat het hoog tijd was, om zich naar den schouwburg te begeven.
Juist ging de gangdeur open, en het kamermeisje trad binnen.
„Mirza, snel mijn mantel en hoed!” beval de schoone jongevrouw. „En mijn auto. Het is al laat! Breng meteen mijn ringen mee, ik weet niet waar zij zijn, ik geloof in mijn handschoenendoos!”
Het meisje verdween in de zijkamer.
Maar zij was er nog geen volle minuut of Marja werd opgeschrikt door een luiden gil.
Zij ijlde naar het boudoir en vroeg toornig:
„Ben je gek geworden, Mirza? Waarom schreeuw je zoo? Je maakt mij aan het schrikken!”
„U zoudt ook zijn geschrokken, madame!” riep Mirza, die met bleek gelaat en een doos in de handen bij de tafel stond. „Al uw juweelen zijn weg!”
Nu slaakte de diva zelve een gil, die in niets onderdeed voor den kreet van het kamermeisje en met koortsachtige haast begon zij alle doozen en kistjes te doorzoeken, terwijl zij ondertusschen afgebroken zinnen liet hooren.
„In dit doosje, ik weet het zeker, mijn ringen, en in dat kistje, ik wil er wel een eed op doen, mijn armband! En die doos, ook leeg, en die lade, ook niets meer in! Bestolen, bedrogen, en mijn geldkistje.…”
Zij snelde naar de kleerenkast en nam er het ijzeren kistje uit.
Zij kon het deksel open klappen zonder den sleutel noodig te hebben.
In het kistje lag niets meer dan haar contract.…
De jonge vrouw gaf een schreeuw als een gewonde leeuwin, en snelde naar de electrische schel.
Zij drukte er op, alsof zij den knop wilde verbrijzelen en liet zich toen met bleek gelaat in een stoel vallen.
Maar eensklaps sprong zij weder op, en krijschte schor van drift:
„Dat moet die graaf geweest zijn, het kan niet anders, vijf minuten voor hij en de prins kwamen, was alles er nog, daarop durf ik zweren. En hij is ruim een kwartier hier alleen in de kamer geweest! O, die schelm, die bandiet! En dat is een Engelsche graaf! Maar dat gaat zoo niet! Wacht maar, ik zal je wel vinden, graaf Colebrooke!”
Er werd op de deur geklopt en een etagekellner trad binnen.
„U heeft gebeld, madame?” vroeg hij.
„Ja, haal de politie!”
„De politie, madame?” herhaalde de kellner verbluft.
„Versta je geen Engelsch? Ja, de politie! En dadelijk! Ik ben bestolen! Voor een waarde van minstens zevenduizend pond sterling aan geld en juweelen! En misschien wel tienduizend!”
De kellner trok een ontsteld gelaat en zeide:
„Ik zal dadelijk den gerant waarschuwen, madame!”
„De gerant kan mij niet schelen!” schreeuwde Marja Ivy. „Ik wil de politie! Ik weet wie de dief is geweest! Graaf Colebrooke is het geweest! Sta mij niet als een idioot aan te staren, man, maar loop, loop!”
De kellner vloog weg, en een oogenblik later was de gerant van het feit in kennis gesteld.
Hij snelde de trappen op, en trad buiten adem het vertrek van de variété-danseres binnen.
„Is het waar, madame, wat de kellner mij daar vertelt?” vroeg hij opgewonden. „Ik denk toch wel, dat gij u vergist! Graaf Colebrooke! Het is immers onmogelijk!”
„Hij en niemand anders, zeg ik u!” snerpte de jonge vrouw. „Hij is in die kamer geweest terwijl ik bezoek ontving van prins George, een kwartier lang, en hij moet mijn geld en mijn juweelen hebben gestolen! Alles was er nog, toen hij binnentrad, dat wil ik voor alle rechtbanken van Londen bezweren!”
„Onze naam! Onze goede naam!” kermde de gerant. „Ik bezweer u, madame! Zwijg over dit alles, tot wij volkomen zekerheid hebben!”
„Zwijgen?” herhaalde Marja Ivy met krijschende stem. „Zwijgen? Van de daken zal ik het schreeuwen! Ik zal het aan de groote klok hangen! Politie! Dadelijk!”
Marja Ivy was een practische vrouw.
Zij had een zeer groot verlies geleden, maar zij begreep ook aanstonds, dat hierin weder een kostbaar element van de beste reclame school, welke zij zich maar kon wenschen.
Dat was nog iets anders dan de gefingeerde diefstallen, waarvan de beroemdheden als Emma Nevada, Sigrid Arnoldson, Sarah Bernard, en anderen het slachtoffer heetten te zijn geworden!
Neen, zwijgen zou zij zeker niet, dat nam zij zich stellig voor!
Een echte graaf, die een dief bleek te zijn, en die haar had bestolen, zulk een gelegenheid bood zich zeker nooit weer aan!
En daarom herhaalde zij stampvoetend, telkens opnieuw:
„De politie! De politie! De politie!”
De gerant maakte een wanhopend gebaar.
Er stond een schandaal voor de deur, zooals men er in Londen in langen tijd geen had bijgewoond.
Dat prins George bij een variété-ster op bezoek kwam, dat kon er desnoods nog mee door, ofschoon hij het stellig niet wereldkundig zou hebben gemaakt, maar dat zijn adjudant, een graaf, zich aan een diefstal schuldig maakt, tijdens dat bezoek, dat was ongehoord, dat zou maanden lang stof tot praatjes geven!
Er moest hier vlug en doortastend gehandeld worden!
Hij wendde zich weder tot Marja Ivy en vroeg op gedempten toon:
„Hoe groot taxeert gij de waarde van de u ontstolen juweelen en het geld?”
„Op minstens twaalf duizend pond sterling!” antwoordde de jonge vrouw, die van oordeel was, dat zij de gestolen kostbaarheden eer te hoog dan te laag kon aanslaan.
Dat was een heele som, en de gerant verschrok dan ook merkbaar.
Hij beet zich op de lippen, en scheen een oogenblik in beraad te staan.
Toen hernam hij:
„Luister eens, madame, misschien kunnen wij het wel op een accoordje gooien. Ik ben er bijna zeker van, dat de directie u het geleden verlies wel zal willen vergoeden, als gij zwijgt! Men zou het ook aan den prins kunnen mededeelen, en daar hij er, neem mij niet kwalijk, dat ik u het zeg, daar hij zelf belang heeft dat er zoo weinig mogelijk over het bezoek ten uwent gesproken wordt, zoo zal hij ook wel in den zak willen tasten!”
Maar dat strookte alweder niet met de belangen van de egoïstische artiste!
Wat! Men zou het bezoek van den prins in den doofpot willen stoppen, even als den diefstal. Neen, dat zou niet gaan! Zij was nu eenmaal bestolen en zij zou er alle reclame uitslaan, die er in zat, dat nam zij zich vast voor.
En dus hernam zij op koelen toon:
„De diamanten en paarlen zijn niet met geld alleen te vergoeden, mijnheer! Ik wil ze terug hebben en daarom verzoek ik u voor de laatste maal, of gij de politie wilt halen, anders ga ik er zelf heen, of telefoneer!”
De gerant zag wel in, dat de artiste niet tot andere gedachten was te brengen.
Hij maakte dus een wanhopig gebaar, hij gaf den strijd op.
Alleen bleef hem nu nog de hoop, dat madame zich toch nog zou blijken vergist te hebben en dat de graaf niets met de geheele zaak uitstaande had.
Met deze gedachte bezield, verliet hij met gebogen hoofd het vertrek, en telefoneerde om een detective naar Scotland Yard.
Er verliep een half uur, en toen trad er een vierkant gebouwd man met groote doordringende grijze oogen en een energiek geteekend gelaat het vertrek van de diva binnen, vergezeld van een jong meisje, met een bevallig maar krachtig gelaat.
De man was James Sullivan, een der beste speurneuzen van Scotland Yard, en het jonge meisje was Dorrit Evans, een zijner meest belovende leerlingen.
Beiden werden aangediend door den etagekellner, die zich vervolgens terug trok.
Marja Ivy, die al dien tijd vruchteloos al haar kistjes en kastjes had onderzocht, trad Sullivan haastig tegemoet, en vroeg:
„Gij zijt van de politie?”
„Ja, Madame! Mijn naam is Sullivan, deze jongedame is een collega, Miss Evans.”
Marja knikte eenige malen zenuwachtig met het zwartgelokte hoofd, en zeide toen:
„Ik ben blij, dat gij gekomen zijt, mijnheer! Ik moet u zeggen, dat de gerant getracht heeft, de zaak te sussen, maar daarvoor ben ik niet te vinden! Ik wil mijn juweelen terug!”
„Zoudt gij ons de zaak niet eens in het kort en zonder noodeloozen omhaal willen mededeelen, madame?” vroeg Sullivan bedaard. „Ik heb immers het genoegen, te spreken met madame Marja Ivy, de bekende variété-artiste?”
„Die ben ik, mijnheer!” antwoordde Marja. „Die zaak heeft zich als volgt toegedragen. Ik ontving hedenavond bezoek van prins George. Hij was in gezelschap van zijn adjudant, graaf Colebrooke. Een paar minuten voor de heeren kwamen, dat was om negen uur, waren mijn juweelen er nog, en ook het geld was nog in het ijzeren kistje. Wat ik zoo goed weet, omdat ik juist iets had moeten betalen, en het dus had geopend. Toen de prins en de graaf er waren, verzocht ik den laatste, in mijn boudoir te wachten, ik had met den prins zaken te bespreken, waarbij hij volkomen overbodig was. Ik was ongeveer een kwartier, hoogstens twintig minuten met den prins samengeweest, toen graaf Carwood binnentrad. Ik behoef er geen geheim van te maken, dat er tusschen den graaf en mij zekere vriendschapsbanden bestaan. Hij had dus een zeker recht, bij mij binnen te treden. Maar de aanwezigheid van den prins scheen hem onaangenaam te treffen, en hij maakte nogal brutaal een opmerking daar over. Toen trad graaf Colebrooke op zijn beurt weder binnen, komende uit het boudoir, en achtereenvolgens gingen graaf Carwood, graaf Colebrooke, en de prins heen. En toen mijn kamermeisje nauwelijks een minuut later het boudoir binnentrad, waren al mijn juweelen en mijn geld verdwenen.”
Sullivan had met gespannen aandacht toegeluisterd en zeide nu:
„Uwe uiteenzetting is even kort als duidelijk, madame! Nu een paar vragen. Gij kendet den prins niet voor hedenavond?”
„Neen, ik kende hem alleen van gezicht.”
„Hoe kwam hij zoo eensklaps hier?”
„Het was niet eensklaps! Zijn adjudant had het bezoek voorbereid.”
„Gij kendet dus graaf Colebrooke?”
„Hij is gisteren hier geweest, voor de eerste maal. Hij deed mij toen het voorstel, mij met den prins in kennis te stellen.”
Sullivan keek verrast op, en wisselde toen een blik met Dorrit Evans.
Toen vroeg hij deze op zachten toon:
„Wat zegt gij daar wel van?”
„Ik vind het zeer merkwaardig!” antwoordde het jonge meisje. „Ik heb zoo iets nooit achter den prins gezocht!”
„En ik niet achter den graaf, dien ik toevallig persoonlijk ken!” zeide Sullivan hoofdschuddend.
Hij dacht even na en vervolgde toen:
„Wat deed de graaf, nadat hij uit het boudoir was binnengetreden?”
„Hij sloeg graaf Carwood om de ooren!”
„Wat zegt gij daar?” riep Sullivan in de grootste verwondering uit. „Deed hij dat in het bijzijn van den prins?”
„Ja! En de arme stakker had den dag te voren al een oorveeg op de andere wang gekregen van een fotograaf, die opnamen kwam maken!”
„Dat is kras!” mompelde Sullivan half luid voor zich heen. „Dat is bepaald niet geheel en al in den haak!”
Hij verviel in gepeins en nu vroeg Miss Evans:
„Vond Zijne Hoogheid dat maar goed, dat in zijn tegenwoordigheid de eene graaf den ander oorveegde?”
„O neen, graaf Colebrooke kreeg een leelijken uitbrander!” antwoordde Marja Ivy.
„Hoe kwam het eigenlijk?”
„Graaf Carwood had graaf Colebrooke beleedigd!”
„Waardoor?”
„Hij had hem voor de voeten geworpen, dat hij deze samenkomst had bewerkt!”
„En bleef het daarbij?”
„Neen, de geslagene daagde graaf Colebrooke uit!”
„En nam die het aan?”
„Op slag!”
„Kras!” mompelde nu ook Miss Evans. „De oude man kan ternauwernood zijn wandelstok vasthouden!”
„Nu, ik verzeker u, dat de slag aankwam!” riep Marja uit. „De vloer dreunde er van! Als die oude heer even goed schermt als hij muilperen uitdeelt, dan staan graaf Carwood eenige onaangename oogenblikken te wachten!”
„Nu, het schijnt hier eigenaardig te zijn toegegaan, dat is zeker,” hernam Sullivan, die uit zijn gepeins ontwaakt was. „En ik zeg u nog eens, hier is iets niet in den haak!”