Het ideaal van Marja Ivy.
Reading edition
Raffles had zijn platen dadelijk ontwikkeld, nadat hij was terug gekeerd van den tocht, die zoo eigenaardig geëindigd was, en tot zijn voldoening waren zij voortreffelijk uitgevallen.
Als hij werkelijk fotograaf was, zou hij geen oogenblik behoeven te vreezen, dat hij deze uitstekende opnamen niet dadelijk zou verkoopen aan de beste geïllustreerde tijdschriften.
Nu vergenoegde hij er zich mede, er een paar afdrukken van te maken, en daar mede naar het Hotel Cecil te gaan, waar Marja Ivy hem reeds met eenig ongeduld scheen te wachten, waaruit overduidelijk bleek, dat zij nog pas aan den aanvang van haar schitterende loopbaan stond.
De jonge vrouw toonde zich zeer ingenomen met de foto’s en bestelde er dadelijk een dozijn van, tegen een half pond per stuk.
Geld scheen er voor haar in het geheel niet op aan te komen, wanneer het gold, reclame voor haar eigen dierbaar persoontje te maken.
Twee en zeventig pond rijker verliet Raffles het hotel weder.
Een oogenblik had hij er over gedacht, reeds nu zijn slag te slaan, maar verschillende redenen verzetten zich daartegen.
Ten eerste was er een voortdurend komen en gaan op de verdieping, waar zich de weelderige vertrekken van Marja Ivy bevonden, ten tweede verliet het dienstmeisje geen oogenblik het neven-vertrek, ten derde wist Raffles in het geheel niet waar de jonge vrouw haar fraaie diamanten bewaarde, en ten slotte wilde hij eerst iets meer van haar weten, van haar inborst en van de wijze waarop zij omsprong met het blijkbaar zeer gemakkelijk verdiende geld.
Toen hij na veel plichtplegingen vertrekken wilde, hield het bekoorlijke dienstmeisje hem staande in het voorvertrek.
Zij keek omzichtig om zich heen, ten einde zich te vergewissen, dat zij niet beluisterd werd, en vroeg toen op zacht gefluisterden toon:
„Gij zijt zeker goed bekend in uw vaderstad, mijnheer de fotograaf?”
„Dat zou ik meenen, schoon meisje!” antwoordde Raffles, wel een weinig verbaasd over deze vraag.
Maar de volgende zou hem nog heel wat meer verrassen!
Het kamerkatje ging op haar teenen staan, teneinde haar mond zoo dicht mogelijk bij het oor van den gewaanden fotograaf te kunnen brengen, en vroeg toen:
„Weet gij ook, of de Prins van Wales een minnares heeft?”
Raffles verwonderde zich niet spoedig ergens over, daarvoor behoedde hem een leven vol van de vreemdste ervaringen, maar deze vraag deed hem toch even verbluft staan, vooral omdat zij zoo onverwacht kwam.
Toen kwam zijn antwoord:
„Heel precies zou ik het u niet kunnen zeggen, lief kind, maar ik geloof het haast niet! Zoo iets is geen gewoonte in ons land!”
De soubrette haalde minachtend de schouders op en fluisterde:
„Hij is toch jong en knap!”
„Zeker, maar wij zijn hier niet in Spanje of in Portugal, of in een ander land, waar dergelijke dingen nog al eens schijnen voor te komen!”
„O, die puriteinen!” kwam het kamerkatje verachtelijk! „Nu, ik hoop, dat madame daar een eind aan zal maken, dat is alles!”
„Madame?” herhaalde Raffles verwonderd. „Wat heeft die er mede te maken?”
Het kamermeisje trok een gezicht als iemand die zich een weinig versproken heeft.
„Och, ik zeg maar zoo …” stamelde zij. „Madame heeft zoo’n voorliefde voor heel hooge heeren, ziet gij?”
Er ging Raffles een licht op.
Marja Ivy scheen bijzonder gesteld te zijn op „hooge heeren”, zooals het bevallige kamerkatje zich uitdrukte, en zeer waarschijnlijk had zij nu het oog laten vallen op niemand minder dan den Engelschen troonopvolger, vandaar de indiscrete vraag van het meisje!
Raffles kon ternauwernood een glimlach weerhouden, het denkbeeld, dat aan het strenge, stijf deftig Engelsche hof zooiets als een publieke minnarij van den troonopvolger zou worden geduld, die nog nauwelijks den kinderschoenen was ontwassen kon alleen opkomen in het hoofdje van een volslagen vreemdelinge in Jeruzalem!
Maar reeds bracht het kamermeisje opnieuw haar mondje dicht bij het oor van den fotograaf, en nu klonk haar vleiend stemmetje:
„Er zijn morgen belangrijke wedrennen, nietwaar?”
„Inderdaad, Miss!” antwoordde Raffles, die lont begon te ruiken. „Te Hendon.”
„Komt de troonopvolger wel eens op dergelijke sportbijeenkomsten?”
„O ja! Hij is een echt sportsman in hart en nieren! Hij slaat geen enkelen wedren van eenige beteekenis over!”
„Zoo? Nu, dat valt mij nogal van hem mee, maar het andere, neen hoor, als ik zoo jong en zoo knap was dan …”
Wat zij dan zou doen, kwam Raffles niet te weten, want op dat oogenblik klonk de scherpe stem van Marja Ivy, die haar riep.
Maar voor zij kon heen vluchten, had Raffles haar snel gevraagd:
„De naam van dien graaf, dien ik gisteren geoorveegd heb?”
„Graaf Douglas Carwood! Hij is gek op madame, en zij houdt hem voor de mal!”
En met deze belangwekkende mededeeling snelde zij weg.
In gedachten verzonken aanvaardde Raffles den terugweg naar zijn woning.
Marja Ivy reikte wel hoog.
Dat was dus haar ideaal, den Engelschen troonopvolger tot minnaar te hebben!
Aldus wilde zij zeker Gaby Deslys overvleugelen, die het maar met een koning van een klein land had moeten stellen, een koning, die niet eens zijn troon had weten te behouden!
Weer moest Raffles glimlachen.
Zooiets was ondenkbaar aan het hof te Londen.
Zeker, vroegere kroonprinsen hadden minnaressen gehad en wijlen Edward VII. was verre van een puritein geweest, maar dat alles geschiedde in groote stilte en men werd algemeen geacht van dergelijke dingen volkomen onkundig te zijn!
Maar het denkbeeld, dat kroonprins Albert op een renbaan, ten aanschouwe van een duizendkoppige menigte zich zou afficheeren met een variété-ster, die nog maar in haar opkomst was, dat was te dwaas om er een oogenblik bij te kunnen stilstaan.
Toch nam Raffles zich voor, den volgenden dag naar Hendon te gaan, en daar eens te zien hoe de zaken zich zouden ontwikkelen.
Haast had hij volstrekt niet, want Marja Ivy zou op zijn minst veertien dagen in het Hypodrome-Theater blijven optreden en het was zeer waarschijnlijk dat zij op het programma zou worden geprolongeerd, te oordeelen naar het succes, hetwelk zij bij haar eerste optreden had geoogst.
Hij vond Charly in de biljartkamer, bezig met het oefenen van een moeilijken massé-stoot.
De jonge man zette evenwel zijn queue spoedig weg en vroeg:
„Heb je een goede opdracht gekregen?”
„Ik heb al mijn afdrukken meteen verkocht! Waarachtig, ik geloof dat het baantje van fotograaf, vooral als men in de gelegenheid komt, mooie variété-soubrettes te kieken, nog zoo slecht niet is!”
„Was die gevaarlijke graaf van gisteren er weer?”
„Ik heb den gek niet meer gezien! Misschien zal het uitgaan hem in den eersten tijd wel wat moeilijk zijn vanwege zijn dikke wang!”
„Maar ben je niet wat heel erg uit je rol gevallen, Edward?” riep Charly lachend uit.
„Ik geef toe, dat mijn optreden voor een fotograaf voor geïllustreerde bladen wel een weinig brutaal en vreemd was, maar de graaf scheen dat in zijn woede in het geheel niet te bemerken!”
„En Marja?”
„O, die lachte maar achter haar krant! Zeg eens, hebben wij plaatsen voor de wedrennen van morgen, te Hendon?”
„Dat spreekt van zelf; ik heb twee plaatsen voor het paddock, zoodat we kunnen gaan en staan waar wij willen.
„Uitstekend, dan zullen wij de komedie niet verzuimen. Ik ben werkelijk benieuwd, of Marja daar zal verschijnen, maar vooral of zij inderdaad een poging zal doen om in aanraking te komen met Prins Albert.”
„Maar luister eens, Edward, het is toch wel eens meer voorgekomen, dat een Variété-ster werd voorgesteld aan een prins van den bloede!”
„Ongetwijfeld, al is het niet vaak geschied. Maar zij is nog geen ster, zij staat nauwelijks aan het ondereinde van de ladder naar den roem, of naar de befaamdheid, zooals je het noemen wilt. En dan, op een renbaan, denk eens aan! Die Slavische dames schijnen alles maar voor mogelijk te achten. Nu, wij zullen het morgen wel zien!”
Den volgenden dag om elf uur in den morgen kwam de groote toerwagen voorrijden, bestuurd door Henderson, die de beide vrienden naar Hendon zoude brengen, waar dien dag belangrijke wedrennen plaats hadden.
Het was een heerlijke dag, en zeer warm.
Reeds op dat vroege uur was de breede straatweg naar het plaatsje bedekt met talrijke voertuigen en wandelaars, die zich op het middenterrein der renbaan van een goed plaatsje wilden verzekeren.
Een uur later hadden Raffles en Charly de plaats van bestemming bereikt, en stapten uit voor het grootste restaurant, waar zij de lunch gebruikten.
En zij zaten daar nog, onder het groote afdak van de veranda, toen er een sierlijke landauer voorbijreed, bespannen met twee fraaie Isabella’s, waarin Marja Ivy in al den glans van haar jeugd en haar schoonheid gezeten was.
Zij was in het wit gekleed en zij zag er waarlijk allerbekoorlijkst uit, zooals zij daar bevallig achterover leunde en haar gelaat tegen de brandende zonnestralen beschermde met een sierlijke parasol.
Charly keek haar een oogenblik na en zeide toen op zachten toon:
„Het is eigenlijk zonde en jammer, dat bekoorlijke schepseltje te bestelen.”
Raffles haalde de schouders op, en gaf ten antwoord:
„Ik heb mij tot beginsel gesteld, mij bij mijn ondernemingen nooit te laten beïnvloeden door het uiterlijk van mijn slachtoffers, en ik geloof dat het een goed beginsel is! Inderdaad, waar zou het heen moeten als ik alleen oude besjes en leelijke mannen zou mogen bestelen. Mijn terrein van werkzaamheden zou wel beperkt worden, en dat zonder eenige grondige reden. Als de vrouw die daar voorbijreed met harden arbeid haar geld verdiend had, en een andere inborst had, dan zou ik mij zeer waarschijnlijk nog wel eens bedenken, maar nu zal ik denkelijk van gewetenswroeging weinig last hebben, wanneer ik haar beurs wat verlicht. Zij kan het gemakkelijk missen, omdat zij het gemakkelijk kan krijgen. Heb je al eens naar de omstandigheden van die Marja Ivy geïnformeerd, zooals ik je verzocht heb?”
„Ik heb er een aanvang mede gemaakt, en zij moet inderdaad Sonja Malakoff heeten, zooals je inderdaad vermoedde. En dat haar moeder dood is en haar vader een dronkenlap komt ook uit. Zij heeft nog zusjes en broers, maar daaraan laat zij zich al heel weinig gelegen liggen. Zij moet zich al eens uitgelaten hebben dat zij liever zelf in een armenhuis ging, dan ooit een penny aan haar vader te sturen, die het geld toch dadelijk door zijn keel zou jagen. En voor de rest, heeft ze zoo jong als ze is reeds een tiental aanbidders gehad, die zij allen behoorlijk geplukt heeft.”
„Nu, heel veel zaaks schijnt onze Marja dus niet te zijn,” hernam Raffles onverschillig. „En laten wij nu maar gaan, want ik geloof dat het vol zal loopen.”
De beide mannen stonden op en verlieten het restaurant om weder in de auto te stappen, die hen tot op de renbaan bracht en zich vervolgens ging voegen bij de honderden automobielen, die reeds op de daartoe bestemde plek verzameld waren.
De toegangsbewijzen van de beide vrienden gaven hun het recht om zich overal te bewegen en zij konden plaats nemen op de groote tribune tegen over den eindpaal of voor het hek, dat de renbaan afscheidde van het terrein.
Het was reeds zeer vol, want het was een der eerste rendagen van het seizoen, en het weder werkte mede.
Raffles wierp een blik op de koninklijke loge, zij was op dit oogenblik nog leeg.
De groote tribune echter was bijna geheel bezet, en men zag daar keur van lichte en fraaie toiletten, gedragen door de bloem van de vrouwelijke aristocratie.
De heeren waren allen in grijs jacket gestoken, en met den grijzen hoogen hoed zooals dat op de Engelsche renbanen bijna een traditie is geworden.
Verder droegen zij de onvermijdelijke witte slobkousen en het even onmisbare rottinkje.
Raffles en Charly hadden nog geen honderd stappen gedaan, of daar kwam Marja Ivy aanwandelen, in gezelschap van graaf Douglas Carwood.
De beide vrienden liepen kalm door, want zij wisten wel, dat zij geen gevaar liepen om te worden herkend, Raffles zag er nu heel wat anders uit dan toen hij de rol van den fotograaf vervulde. Hij was eenvoudig Lord William Aberdeen en als zoodanig groetten hem ook de leden van de Windsor Club, die hun Vice-President herkenden.
Graaf Carwood stapte trotsch als een pauw aan de zijde van de schoone, jonge vrouw voort, overtuigd, dat hij het voorwerp was van veler nijd en afgunst.
Wat Marja betreft, zij wierp herhaaldelijk een schuinschen blik naar de koninklijke loge, en scheen geen aandacht te hebben voor hetgeen haar metgezel haar zeide.
Toen zij voorbij waren kwam Charly glimlachend:
„Misschien rekent zij wel op Carwood, om haar aan den kroonprins voor te stellen. Je weet immers dat hij vrij goed bekend is met Prins Albert?”
„Ja, zij hebben in hetzelfde regiment gediend,” antwoordde Raffles. „Toen prins Albert kolonel was van de Queens Own Cameron Highlanders, toen was onze graaf eerste luitenant bij dat regiment.”
„Zou hij werkelijk zoo gek zijn om een poging te doen haar onverhoeds aan den kroonprins voor te stellen?”
„Daaraan valt immers niet te denken,” antwoordde Raffles. „Hij zou zich voor goed onmogelijk maken aan het hof.”
„Maar wacht eens, graaf Douglas Carwood, dat is dus de man, met wien je gisteren die kleine uiteenzetting hebt gehad in de kleine logeerkamer van Marja Ivy.”
„Ja Charly, dat is hij! En ik moet je eerlijk zeggen, dat ik een zonderlinge kriebeling in mijn handpalm voelde, toen ik het heerschap voorbij liep.”
Juist had Raffles dit gezegd, toen er buiten de renbaan een luid gejuich opging, en een oogenblik later draaide met een stouten zwaai een geweldig groote auto het hek binnen, die stil hield voor de groote tribune.
Uit den wagen stapten kroonprins Albert en zijn persoonlijke adjudant graaf Herbert Lodge.
Met vlugge stappen, nu en dan zijn hoed afnemend voor het gejuich dat hem begroette, beklom prins Albert de trappen, die naar zijn loge voerden, en zoodra hij gezeten was, en zijn adjudant hem met een buiging een programma had ter hand gesteld, nam de ren een aanvang.
Raffles en Charly hadden hun positie gekozen ongeveer halverwege de breede trap, die terzijde van de groote tribune naar boven loopt, en konden van daar zoowel de koninklijke loge als het paddock goed overzien.
En zoo bemerkten zij, dat Marja Ivy nog altijd heen en weer liep, steeds in gezelschap van graaf Carwood.
Maar de paarden schenen haar volstrekt niet te interesseeren, zij hield den blik van haar groote, violetzwarte oogen bijna aanhoudend gevestigd op de loge van prins Albert, die vol belangstelling door zijn kijker de races volgde.
Toen brak de pauze aan, en volgens zijn gewoonte, daalde de prins de treden af en mengde zich ongegeneerd onder het deftige publiek, maar steeds vergezeld van zijn adjudant.
„Zij is een goede stratege,” zeide Raffles vol bewondering, toen hij zag, dat Marja Ivy zoodanig manoeuvreerde dat zij schijnbaar onbemerkt tot vlak in de nabijheid van prins Albert kwam.
Een paar oogenblikken later stootte zij den troonopvolger schijnbaar bij ongeluk aan, zoodat deze zijn kijker liet vallen.
„Knap gedaan!” zeide Charly vol bewondering. „Heel handig gedaan!”
„Toegestemd, maar het resultaat is belabberd!” voegde Raffles er aan toe.
Inderdaad, Marja Ivy had heel weinig succes van haar goed gevonden trucje. Zij had zich snel naar den kijker gebukt om hem op te rapen, en aan den kroonprins ter hand te stellen, maar de adjudant was haar reeds voor geweest en had het voorwerp opgeraapt.
Toen richtte de jonge vrouw, blijkbaar om zich te excuseeren, een paar woorden tot den kroonprins en tenslotte maakte zij een diepe buiging waarvan zij meende te kunnen vermoeden dat de prins haar met welgevallen zou gade slaan.
Maar toen zij zich weder uit haar diepgebogen houding oprichtte, moest zij tot haar teleurstelling en woede ervaren, dat de prins alweder minstens tien passen verder en op dit oogenblik al weer in gesprek was met een verbazend zwaarlijvigen generaal, blinkend van gouden versierselen.
Zijn adjudant scheen hem zeer haastig een paar woorden te hebben toegefluisterd en keek nu met ijskoude blikken naar de beklagenswaardige Variété-danseres, die zich op de lippen beet, woedend de kleine vuisten balde, den graaf onder den arm nam en hem zoo haastig met zich meevoerde, dat er van de correcte houding van haar tegenwoordigen minnaar zoo goed als niets meer overbleef.
Spoedig waren zijn fladderende jaspanden en zijn hooge grijze hoed onder het publiek verdwenen, dat het paar, voor zoover het getuige van het kleine tooneeltje was geweest, met spottende blikken vol leedvermaak nakeek.