← Table of contents
Lord Lister No. 0348

De prins wordt in genade aangenomen.

Reading edition

„Is alles goedgegaan, Edward?” was de eerste vraag van den jongen man, toen Raffles had plaats genomen.

„Zij liep er hals over kop in! Het kon niet mooier! Die jonge dame is een ware haai, gulzig en vraatzuchtig als het op geld en juweelen aankomt!”

„Maar slikte zij het goedmoedig, dat er des avonds, in een hotel nog wel, een prins van den bloede bij haar op bezoek zou komen?”

„O, zij is immers in het geheel niet op de hoogte van onze toestanden en acht dit blijkbaar heel gewoon! Zij herinnert zich, dat de Russische grootvorsten minnaressen bij dozijnen hadden onder de dames artisten, en zij denkt dat zooiets hier natuurlijk ook wel het geval zal zijn. En natuurlijk neemt zij den prins maar als noodhulp! Door hem denkt zij denkelijk den kroonprins in haar netten te lokken! Ja, onze lieve schoone heeft bepaald eergevoel. Zij stelt haar eischen hoog, dat is zeker!”

„En, je blijft er bij, dat ik de gevaarlijke rol van den prins zal spelen?”

„Natuurlijk! Je bent er als het ware voor geknipt! Alleen ben je iets minder lang dan de prins, maar je hebt zijn bruine oogen, zijn blond haar, dat je op dezelfde wijze draagt, zijn gave, witte tanden, en de rest kunnen wij wel genoegzaam veranderen. Vergeet ook niet, dat zij den prins natuurlijk niet kent, of hoogstens van een paar onbeduidende kieken in de bladen! Wanneer je nu maar wat hooghartig doet, en mij met genadige minzaamheid aanspreekt, dan zal zij alles voor zoete koek slikken.”

„En wien stel jij nu eigenlijk voor, of is die graaf Colebrooke louter fantasie?”

„Om den drommel niet! De man bestaat en is inderdaad een vertrouwd vriend van den prins! Alleen betwijfel ik, of hij zich in werkelijkheid wel zou leenen tot de rol van „koppelaar”, zooals de schoone Marja mij noemde!”

„En wanneer moet dat alles gebeuren?”

„Morgen reeds. Zij brandt letterlijk van ongeduld, om den armen prins zoo gedecideerd mogelijk leeg te plunderen! Je mag tenminste wel wat diamanten in je vestzakje steken, bij wijze van introductie!”

„Dat is nu alles goed en wel, maar je laat mij nu een rol spelen, die mij eigenlijk maar half aanstaat! Om den teederen minnaar uit te hangen, dat bevalt mij maar half!”

„Je behoeft bij dien eersten keer volstrekt niet zoo teeder te zijn, tenzij Marja zelve haast achter de zaak zet! Je gedraagt je dus aanvankelijk een weinig op een afstand, dat zou de echte prins natuurlijk ook gedaan hebben, verondersteld, dat hij de jonge vrouw inderdaad op deze wijze zou bezoeken!”

„Maar je blijft toch hoop ik, bij mij?” vroeg Charly op benauwden toon.

„Mijn waarde, je vraagt dat op een toon, alsof ik je noodzaak, met een tooverkol het spel van liefde en hartstocht te spelen! Was jij zelf niet de eerste, die mij opmerkzaam maakte op haar groote schoonheid, en zelfs verontwaardigd was, dat ik niet dadelijk je geestdrift deelde?”

„Oho! Dat is iets anders, dan maar aanstonds in gloeiende liefde ontbranden!”

„Dat raakt mij trouwens niet! Als je maar doet, alsof je vuur en vlam voor haar bent! Trouwens, ik denk, dat er na de eerste zitting geen tweede noodig zal zijn. En ga nu mede, want wij hebben nog tamelijk veel te doen, voor alles gereed is!”

De beide mannen verlieten het huis weder, hetwelk Raffles reeds jaren geleden gekocht het teneinde hem te dienen als plaats waar zij zich gemakkelijk en onbespied verkleeden konden, en namen in de auto plaats, maar niet, dan nadat Raffles snel weder zijn vermomming afgelegd had.

Het was immers niet geheel en al onmogelijk, dat men in dit gedeelte van Londen den echten graaf Colebrooke zou tegenkomen, met zeer onaangename gevolgen voor den nagemaakten, wanneer deze zich niet ten snelste uit de voeten maakte.

De rest van den dag en de helft van den volgenden dag ging voorbij met het maken van de noodige toebereidselen.

Om één uur zond Raffles een kruier naar Marja Ivy, met een zoogenaamd door graaf Colebrooke geschreven briefje, waarin hij haar mededeelde, dat de prins dienzelfden avond het genoegen hoopte te smaken, haar in het hotel een visite te komen maken.

Hij zou precies om acht uur zijn intrede doen, daar hij wel wist, dat de diva uiterlijk om negen uur het hotel zou moeten verlaten teneinde zich naar den schouwburg te begeven.

Om zes uur begon Charly zich met groote zorg te grimeeren, daarbij eenigen der beste portretten van prins George tot model nemend.

Ook Raffles legde opnieuw zijn voortreffelijke vermomming als graaf Colebrooke aan.

Dit geschiedde weder in het huis aan de Victoria-Street, en daar zouden de beide mannen ook het eenvoudige middagmaal nuttigen, door Charly bereid, die sterk ontwikkelde cullinairische talenten bezat.

Om half acht kwam Henderson met de groote auto voorrijden, en juist om acht uur stapten beide vrienden de groote hal van het hotel binnen.

Onmiddellijk bleek het hun, hoe voortreffelijk hun vermomming geslaagd was, want de gerant kwam dadelijk verbluft en onderdanig toeloopen, buigend en handen wrijvend.

Charly nam hem terstond terzijde en zeide op zachten toon, met een in de perfectie nagebootste stem:

„Luister eens, mijn waarde gerant, geen ruchtbaarheid als ik u verzoeken mag, ik kom eenvoudig een uwer gasten een kort bezoek brengen, maar incognito. In streng incognito, denk er om!”

„Uwe Hoogheid natuurlijk, dat spreekt vanzelf!” stamelde de gerant. „Alles zal geschieden zoo als Uwe Hoogheid het wenscht! Mag ik, u begrijpt, dat het geen nieuwsgierigheid is, mag ik den naam weten van den gast, opdat wij dien kunnen waarschuwen, en gij geen seconde behoeft te wachten?”

„Het is geen mannelijke gast, mijn waarde!” antwoordde de gewaande prins glimlachend, „het is een dame!”

De gerant trok dadelijk een plechtig gezicht, en keek tegelijkertijd snel om zich heen, teneinde zich te vergewissen, dat niemand de woorden van den prins gehoord had.

Hij liet zijn stem dalen en zeide eerbiedig:

„Wij zullen zorg dragen, dat uw bezoek onopgemerkt blijft!”

„Dat hoop ik, en dat verwacht ik ook! Wees zoo goed, mij de kamers aan te wijzen, maar dat is waar ook, gij kent de ligging, waarde graaf!” zoo wendde hij zich tot Raffles, die met uitgestreken gelaat op den achtergrond was gebleven en er uitzag, alsof hij deze escapade van zijn hoogen meester maar half goed keurde.

Nu trad hij haastig naar voren en zeide:

„Ik, hm, ben inderdaad op de hoogte, Uwe Hoogheid! Als ik u dan maar zal voorgaan, maar ik zal de dame in kwestie toch even waarschuwen!”

„Volstrekt niet noodig, mijn waarde!” hernam de prins vroolijk. „Laat het een verrassing blijven, dan kan ik het beste zien, welken indruk ik maak!”

De gewaande prins knikte den buigenden gerant genadig toe, en ging daarop met zijn adjudant de breede trappen op.

Daar het diner in de groote zaal nog niet geheel beëindigd was, waren slechts enkele gasten getuige geweest van het korte tooneeltje, en bovendien had niemand kunnen verstaan wat er gesproken was.

Dat de prins hier in dat deftige hotel een bezoek kwam brengen, werd op zich zelf niets bijzonders gevonden, zoo iets kwam herhaaldelijk voor.

De Engelsche prinsen waren zoo vrij als vogeltjes in de lucht, natuurlijk binnen zekere grenzen.

Raffles geleidde Charly naar de deur, terwijl een kellner in de voorhoede ging, die nog snel door de gerant was vooruit gezonden.

De man klopte aan, het kamerkatje opende de deur, en verdween snel weder, om het hooge bezoek aan te kondigen.

Een oogenblik later traden de beide mannen binnen.

Raffles had nog juist gelegenheid gehad, op zachten toon tot Charly te zeggen:

„Zij zal mij natuurlijk dadelijk wegzenden! Wat er ook gebeure, laat haar niet gaan, voor ik weder binnentreed, zoogenaamd om je er aan te herinneren, dat je elders verwacht wordt!”

Het moet gezegd worden, dat Marja Ivy alle zeilen had bijgezet, om een zoo gunstig mogelijken indruk op den man te maken, dien zij in haar netten wilde vangen.

Zij zag er uit als de zonde zelve, in haar laag uitgesneden vuurroode japon, de armen geheel naakt, een donkerroode roos in het weelderige haar, thans à la page opgemaakt.

Haar oogen schitterden als van strijdlust, en het was als of zij de zegepraal reeds bij voorbaat genoot.

Zij was ook volstrekt niet verlegen, maar zich blijkbaar zeer goed bewust van haar verleidelijkheid.

Met een paar luchtige stappen was zij bij den prins, en stak hem een klein, wit handje toe, dat volstrekt niet meer herinnerde aan het voormalige beroep van de schoone vrouw.

Charly bracht dat handje galant aan zijn lippen, en drukte er een kus op.

Maar de adjudant was dadelijk ter plaatse, om voor het decorum te zorgen.

„Sta mij toe, Uwe Hoogheid, u voor te stellen aan mademoiselle Marja Ivy, de even schoone als befaamde Variété-diva!”

Maar Marja duwde hem eenvoudig op zijde en riep lachend uit:

„Houdt op met die dwaasheid, graaf! Alsof de prins mij niet zou kennen! Gij komt toch zeker ook wel eens in het Hypodrome-Theater, niet waar, prins?”

„Men zegt: Uwe Hoogheid, madame!” kwam de adjudant deftig tusschenbeide.

„Het kan mij niet schelen, wat „men” zegt,” kwam de diva humeurig. „Ik zeg „prins” en dat zal ook wel goed zijn!”

„Het is uitstekend, madame!” kwam Charly met een glimlach. „Ik zou het u bepaald kwalijk nemen, wanneer gij mij anders aanspraakt! Wellicht komt er wel een tijd, dat ik u ook met een anderen titel mag aanspreken, dan met het stijve „Madame!””

Een por van Raffles in zijn zijde was hem een waarschuwing, dat hij niet te hard van stal moest loopen, en daarop namen allen plaats.

Het kamerkatje bracht thee binnen en een karaf cognac, en toen dat gedaan was, wierp Marja den gewaanden graaf een blik toe, die aan duidelijkheid niets te wenschen overliet.

Raffles las daar in de zwarte oogen zoo duidelijk als in een boek:

„Uw tegenwoordigheid is hier niet meer gewenscht, gij zijt te veel!”

Maar hij scheen niet van zins te zijn, den prins alleen in gezelschap met de schoone artiste te laten, en daarom zeide Marja eenigzins ongeduldig:

„Graaf Colebrooke, in mijn kamer hiernaast heb ik zeer amusante tijdschriften, die u zeker wel zullen interesseeren. Zij handelen over sport, paarden, honden, en zoo meer! Laat ik u vooral niet ophouden, als gij soms kennis zoudt willen nemen van den inhoud!”

Dat was niet mis te verstaan, al was het dan niet zeer ladylike!

Hij werd dus eenvoudig weggestuurd!

De adjudant keek den prins even met een schuwen blik aan, maar daar deze niets zeide, en alleen oogen voor de mooie artiste scheen te hebben, stond hij zuchtend op, en zeide op zachten toon:

„Mag ik er Uwe Hoogheid aan herinneren, dat hij over een uur een zeer belangrijke vergadering moet presideeren?”

„Ik zal het niet vergeten, graaf, tenminste dat hoop ik!” antwoordde de prins ongeduldig. „Gij herinnert mij op de meest ongelegen tijdstippen aan onaangename dingen!”

„Ik doe slechts mijn plicht, Uwe Hoogheid,” hernam de adjudant, in zijn wiek geschoten.

„Het is goed, ik dank u!” kwam de prins kortaf.

En met die woorden van ongenade in zijn ooren kon de arme adjudant zich verwijderen.

Hij ging het naast gelegen vertrek binnen, het boudoir van de variété-diva.

„Het verwondert mij, dat zij hem maar niet dadelijk hier heeft ontvangen!” bromde Raffles voor zich heen. „Ik moet zeggen, dat de jonge dame zeer voortvarend is, en niet bepaald terughoudend! Ik voorzie een tijd voor dien besten Charly waarop hij later niet dan met genoegen zal terug zien! Maar laat ons niet onzen eigen tijd gaan verknoeien en eens zien, hoe het hier staat met de fondsen van onze dame! Maar eerst de deuren! Het zou niet aangenaam zijn, wanneer dat jolige kamerkatje eensklaps binnentrad en mij verraste bij mijn belangwekkende onderzoekingen!”

Raffles ging op zijn teenen naar de gangdeur en sloot die.

Nu was er nog een deur, die met de slaapkamer in verbinding stond, aan de andere zijde van het boudoir, en welke Raffles eveneens afsloot, en vervolgens de deur naar de ontvangkamer, waar zich nu Marja met haar hoogen gast bevond.

Raffles bleef even luisterend staan, en begon toen met een vlugheid, slechts te verkrijgen door een langdurige oefening, alle laden en kasten, alle kistjes en doozen te onderzoeken.

En daarbij bleek het hem al spoedig, dat Madame Marja er een eigenaardige manier op na hield, om haar eigendommen op te bergen!

Hij vond een paarlencollier in een ledige bonbondoos, een diamanten oorknop in een sigarettendoosje, een armband in een zijden muiltje, dat op de kaptafel stond, een paar kostbare ringen in een sierlijk naaidoosje.

Maar het geld bleek beter verborgen te zijn.

Raffles had tenminste vol tien minuten noodig, voor hij op den bodem van een kast vol kostbare kleedingstukken een ijzeren kistje vond, met een heel gewoon slot, dat hij in een ommezien had opengebroken.

Boven in lag het contract van de schoone diva met de directie van het Hypodrome-Theater.

Raffles vouwde het open en wierp er een nieuwsgierigen blik in.

Hij floot zachtjes even tusschen de lippen en bromde voor zich heen:

„Madame Marja kan zich niet beklagen over de vrekkigheid van de Londensche directie! Duizend pond voor veertien dagen leelijk zingen, het is de moeite waard! Nu, de directie weet ook wel wat zij doet, zij weet, dat het publiek zeer waarschijnlijk niet komt om de stem, maar wel om de mooie oogen en de fraaie beenen van onze Lithauensche! En nu eens verder zien!”

Het kistje bleek, behalve een massa bankbiljetten, ook nog een aantal losse diamanten te bevatten en eenige groote paarlen van hooge waarde, waarschijnlijk geschenken van schatrijke aanbidders.

Zonder zich een oogenblik te bedenken liet Raffles den geheelen inhoud van het kistje in zijn zak glijden, op het contract na.

Daarop sloot hij het kistje weder en zette het op zijn vorige plaats, waarna hij ook de kleerenkast dichtdeed, en den sleutel verborg.

Alle andere juweelen gingen denzelfden weg op, dat wil zeggen, dat zij met verwonderlijke snelheid in de zakken van den gewaanden adjudant van Zijne Hoogheid verdwenen.

Dit alles had ternauwernood een kwartier geduurd.

Raffles kuchte eens een paar malen, hetgeen blijkbaar een waarschuwing moest verbeelden, en sloop toen naar de verbindingsdeur.

Hij luisterde ingespannen en zijn gelaat had een ironische uitdrukking, toen hij voor zich heen fluisterde:

„Als ik er ook nog maar een grein verstand van heb, dan zijn de jongelui op dit oogenblik bezig, elkander te kussen! Die goede Charly! Ik gun hem dit avontuurtje van harte, maar ik betwijfel, of het wel van langen duur zal zijn!”

Eensklaps bukte hij zich neder en bracht zijn oor tegen het sleutelgat.

Hij had gemeend een vreemde stem te hooren.

Of liever gezegd de stem was hem niet vreemd, want hij had haar al eens vroeger onder andere omstandigheden gehoord, hoewel in hetzelfde vertrek, maar het was in ieder geval niet de stem van Charly Brand.

Neen, het was de nasale stem van graaf Douglas Carwood!

En nu klonk ook de hooge stem van Marja Ivy, die blijkbaar zeer uit haar humeur was.

„Ik geloof, dat het oogenblik is aangekomen, om hier even tusschen beide te komen, anders kon het wel eens niet goed afloopen!” bromde Raffles voor zich heen.

Hij legde dus resoluut de hand op de kruk van de deur, en bemerkte dat zij aan den anderen kant was afgesloten!

„Die vrouw boezemt mij hoe langer hoe meer belang in!” mompelde Raffles bij zich zelf. „Zij neemt haar maatregelen goed, men kan het niet loochenen!”

Maar daar binnen scheen men het draaien aan den knop te hebben gemerkt.

De deur ging tenminste open, Charly stond op den drempel.

Zijn gelaat vertoonde alle mogelijke uitdrukkingen, schrik, vroolijkheid, ongeduld, en … teleurstelling!

Dicht bij de deur stond graaf Carwood met een reusachtigen ruiker in de hand, als de ridder van de droevige figuur.

Zijn gelaat was vertrokken van nijd en afgunst, maar hij stond daar in een volmaakt correcte houding, zijn medeminnaar was niet de eerste de beste.

Maar nauwelijks had hij den adjudant gezien, of hij maakte een verstolen gebaar van woede.

„Wat is er eigenlijk, graaf?” vroeg Charly. „Waarom draait gij aan den deurknop. Waarom komt gij niet behoorlijk binnen?”

„Ik, hm, de zaak is.…” stamelde de adjudant. „Ik meende dat de deur op slot was, maar ik zal mij natuurlijk vergist hebben! Ik wilde er Uwe Hoogheid slechts even aan herinneren, dat het bijna negen uur is!”

„Welnu, wat zou dat?” vroeg de prins toornig. „Is dat een reden om mij te storen in een hoogst belangwekkend onderhoud met Madame Marja?”

„De vergadering.…” stotterde de adjudant.

„De vergadering kan naar den duivel loopen!” viel de prins ruw uit.

„Bravo!” riep Marja met schitterende oogen.

Zij had blijkbaar een beslissende overwinning op den prins bevochten.…

Deze nam haar met een galante buiging terzijde, en van dit oogenblik maakte graaf Carwood gebruik, om snel op Raffles toe te treden, en hem toe te bijten:

„Dat is uw werk, graaf!”

„Mijn werk? Wat bedoelt gij?”

„Houdt u niet van de domme! Gij zijt als koppelaar opgetreden! Gij hebt deze samenkomst geënsceneerd!”

„Welnu, en als het zoo was, wat gaat het u dan nog aan?”

„Wat het mij aangaat? Wist gij soms niet, dat Marja Ivy mij toebehoort?”

„Wat? Gij verbaast mij! Ik dacht, dat het tijdperk der slavernij reeds lang achter den rug was! En voor het overige, ik zou u aanraden, een toontje lager te zingen! Ik duld niet, dat gij zoo tegen mij spreekt!”

„Ik zal spreken zoo als ik verkies! En als u dat niet bevalt, dan hebt gij het maar te zeggen!”

„Dan zeg ik het op deze klinkende wijze, graaf!”

En op hetzelfde oogenblik daalde een schallende oorveeg neder op de wang van den graaf, het was de wang, die nog gaaf was.

Marja, die met den prins was blijven praten, uitte een kreet van schrik, en riep uit:

„Wat is dat nu? Maar heeren, schaamt gij u niet? In mijn tegenwoordigheid!”

„Vergeef het mij, madame, hm!” zeide Raffles. „Die oorveeg duldde werkelijk geen uitstel!”

„Gij zult mij rekenschap geven, graaf,” brulde de beklagenswaardige afgewezen minnaar, terwijl hij zijn opgezette wang wreef.

„Waar en wanneer gij maar verkiest, graaf!” gaf de adjudant koeltjes te kennen. „Ik zal zoo vrij zijn, u nog hedenavond mijn getuigen te zenden, gij zult wel zoo goed zijn, voor hen thuis te blijven!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings