← Table of contents
Lord Lister No. 0348

Marja Ivy.

Reading edition

Ofschoon het Londensche seizoen eigenlijk reeds teneinde was, en de meeste bewoners der wereldstad, die het konden betalen en er gelegenheid toe hadden, reeds de stad waren ontvlucht teneinde zich naar een of andere badplaats of hun villa in de bergen te begeven, was het groote Hypodrome-Theater aan het Piccadilly Circus gelegen zeer goed bezet.

Intusschen waren er heel wat vreemdelingen onder de bezoekers, die de duurdere rangen vulden.

De meeste heeren, tenminste voor zoover zij een dure plaats innamen, waren in rok gekleed, de dames in avondtoilet.

In een loge van den eersten rang zaten twee heeren, naar wie reeds menigeen den blik had gewend.

De eene had een lange, gespierde gestalte en een energiek gelaat, met scherp geteekende trekken, en doordringende staalgrijze oogen.

Van de Londenaren, die daar zaten, zou zeker een derde deel wel hebben kunnen zeggen wie dat was, Lord William Aberdeen, de bekende philantroop.

Naast hem was zijn secretaris, Charly Brand gezeten, die in alles van hem verschilde, hij was vrij wat kleiner, blond met een blozend, opgewekt gelaat, waarin twee groote, helder blauwe oogen schitterden.

Ook was hij zeer goed bekend bij de leden van de „Upper ten”, want hij vergezelde Lord Aberdeen bijna steeds en overal, en men wist, dat aan den jongen man de zware taak was opgedragen, het vermogen van zijn meester te beheeren, en de giften te regelen, welke Lord Aberdeen op geregelde tijden aan talrijke instellingen van liefdadigheid of van algemeen nut placht te schenken. Hij vergezelde hem steeds, als hij door de ellendige buurten van de reusachtige wereldstad trok, om daar onderzoek te doen naar personen die buiten hun schuld nooddruftig waren geworden.

Ja, als Lord Aberdeen kende al deze deftig gekleede weldoorvoede rijken den man die daar achterover leunde in zijn gemakkelijke fauteuil en met afgetrokken blik naar het tooneel keek, waar juist twee excentrics bezig waren, hunne ledematen op de onmogelijkste wijze te verrekken en toch kenden zij niet de ware persoon, want onder het uiterlijk van den onbekenden philantroop verborg zich een persoon wiens naam alleen hen met schrik zou vervullen, John Raffles.

Inderdaad, daar zat de Gentleman-Inbreker, de langgezochte tegenstander van Scotland-Yard, op wiens hoofd nog altijd sinds lange jaren reeds een premie van duizend pond sterling was gesteld, zoo gerust en zoo op zijn gemak alsof hij nog nooit iets te maken had gehad met de speurhonden uit de Downingstreet, met den befaamden detective James Sullivan of met den hoofdinspecteur Phileas Baxter, die reeds niet kon slapen, als men driemaal achter elkaar den naam van den gevreesden inbreker in zijn tegenwoordigheid uitsprak.

Lord Aberdeen schonk ontegenzeggelijk groote bedragen weg, en toch zonken zij het in niet naast de reusachtige sommen, welke hij in het geheel onder een geheel anderen naam besteedde aan het lenigen van armoede en ellende, wanneer hem die slechts ter oore kwamen, aan het herstellen van gepleegd onrecht en aan het steunen van talentvolle maar onbemiddelde jongelieden.

Niet zonder moeite had Charly Brand dien avond zijn trouwen vriend overgehaald hem naar het Hypodrome-Theater te vergezellen, want Raffles bevond zich in een van die buien, waarin het hem walgde, zich onder het publiek te moeten begeven en hij veel liever naar zijn geliefkoosde viool greep, en aan het prachtige instrument klanken ontlokte, die diep ontroerden.

Maar eindelijk had hij toch toegegeven, de prachtige blauwgelakte limousine was komen voorrijden, en Henderson de chauffeur, die aan menig avontuur van den Grooten Onbekende een levendig aandeel had genomen, had hen naar het groote Variété-Gebouw gebracht.

Aanvankelijk had Raffles niet veel acht geslagen op hetgeen er op het tooneel gebeurde, en pas een paar werkelijk voortreffelijke kunststukken hadden een weinig zijn belangstelling weten te trekken.

Nu daalde het scherm, het publiek applaudiseerde, de beide excentrics kwamen nog eens buigen, en toen stond Raffles op, en zeide op zachten toon:

„Neem het mij niet kwalijk, Charly, maar voor van avond heb ik mijn portie al weder beet! Ik geloof niet dat ik den moed heb ook de nummers na de pauze nog te hooren of te zien. Er komt nog een goochelaar en ik ben zelf niet geheel en al onbedreven in de goochelkunst, dan komt er nog een heer, die op zijn handen loopt, hetgeen ik voor een redelijk wezen ontoelaatbaar acht. Dan komt er een dame met een basstem, zooals het programma aangeeft, en ik vrees dat zij daarenboven ook nog een baard zal hebben, hetgeen niet strookt met mijn opvatting betreffende de leer der ethica.”

„Maar wacht dan tenminste tot de pauze aanbreekt!” kwam Charly. „Er is nog maar één nummer.”

„Wat is het?” vroeg Raffles onwillig.

„Een danseres! Men spreekt buitengewoon veel over haar fraaie juweelen en over het legertje minnaars die elkander zonder ophouden in haar gunst opvolgen.”

„De stem en de minnares interesseeren mij niets, maar om de juweelen wil ik dan nog wel een kwartier blijven!” zeide Raffles zuchtend, terwijl hij zich weder in zijn fauteuil liet vallen en een versche sigaret opstak.

Juist zette de muziek een slepende wals in, de zaal werd donker gemaakt, het scherm rees, en, bestraald door twee schijnwerpers, kwam daar een nog zeer jonge vrouw op het tooneel, die allereerst de aandacht tot zich moest trekken omdat haar kleeding zich tot het volstrekt onmisbare beperkte.

Zij kon hoogstens twee en twintig jaar zijn, en zij had een fijnbesneden gezichtje waarin twee groote, donkere oogen schitterden.

Zij droeg een buitensporig kapsel, dat bestond in een gouden band, die haar hoofd omsloot, en bezet was met fraaie diamanten. Die band hield een groot aantal krachtige en zeer lange pauwenveeren bijeen, dicht naast elkander geplaatst.

Zij had een soort tunica aan van witte, dunne zijde, zeer diep uitgesneden, ver boven de dijen eindigend, en die om het middel werd bijeen gehouden door een gordel van gouden schakels.

Een prachtige paarlen collier was om den blanken hals gelegd, en de fraai gevormde armen waren omgeven door gouden braceletten.

Dat was Marja Ivy, de nieuwe ster aan den Variété-hemel, die reeds veel opgang had gemaakt te Parijs, te Weenen, en te Rome, en welke algemeen beschouwd werd als de evenknie van de befaamde Gaby Deslys, de voormalige minnares van den ex-koning van Portugal, den jeugdigen Manuel.

Ook in dit opzicht streefde Marja Ivy de wereld vermaarde Variété-diva blijkbaar terzijde, want men fluisterde reeds nu heel wat namen van hooggeplaatste heeren, aan wie de pas ontdekte ster haar gunsten had geschonken.

Met den eersten blik had Charly gezien, dat de prestatie van Marja Ivy bijzonder weinig om het lijf had, zij trippelde wat over het tooneel heen en weder, zwaaide met haar beenen, liet haar pauwenveeren wuiven, en zong met een dun stemmetje een Fransch liedje, dat niemand begreep, hetgeen er trouwens voor den auteur zeer weinig op aan kwam.

De voornaamste attractie van de jonge vrouw moest blijkbaar gevonden worden in haar fraaie lichaamsvormen, welke zij zoo weinig verborg.

Want mooi was zij inderdaad, Marja Ivy.

Charly wierp een schuinschen blik naar Raffles, om te zien welk een indruk de Variété-danseres op hem maakte, en zag tot zijn verwondering, dat Raffles met ingespannen aandacht naar de jonge vrouw tuurde.

Dat was zeker niet de gewoonte van den Gentleman-Inbreker.

Maar nu liet Raffles het instrument zakken, en boog zich naar Charly over, om hem toe te fluisteren:

„Als ik schrijver was geloof ik dat ik hier een aardig onderwerp voor een feuilleton had gevonden.”

„Hoe zoo?”

„Wel ik herken dat lieve wezentje daarginds heel goed! Haar schoonheid frappeerde mij destijds, het is een dienstmeisje!”

„Wat vertel je me daar?” riep Charly bijna luidkeels uit, zoodat men in de aangrenzende loge hem verwijtende blikken toewierp.

„Die mooie jonge vrouw daar op het tooneel: met haar verblindend witte huid en haar fijn gezichtje zou een keukenmeisje zijn?”

„Pardon, laten wij elkander niet verkeerd verstaan, mijn waarde. Van een keukenmeisje heb ik niet gerept, ik sprak van een dienstmeisje, en dat is iets anders.”

„Keukenmeisje of dienstmeisje, houdt het mij ten goede, Edward, maar ik zou er een lief ding onder durven verwedden, dat je je vergist!”

„Ik vergis mij niet, Charly!” hernam Raffles kalm. „Je kunt nu toch wel weten dat mijn geheugen voor gezichten nog al sterk ontwikkeld is, en zeker voor gezichten als dat daar! Je zult zelf moeten toegeven, dat men het gezicht van de jonge vrouw niet zoo gemakkelijk zal vergeten, als men het eenmaal gezien heeft.”

„Dat erken ik, en toch.…..”

„Als je mij niet wilt gelooven, Charly, dan kun je het haar mijnentwege gaan vragen, ofschoon ik betwijfel, of zij het wel zou bekennen. Zij heet inderdaad Sonja Malakoff, zij is een Lithausche en zij was nog geen vol jaar geleden dienstmeisje bij een Poolsche familie welke ik te Moldau bezocht. Ik herinner mij nu zeer goed, dat er destijds ook lachend in den familiekring gesproken werd over de plannen van het bevallige kind, dat volstrekt het voorbeeld wilde volgen van Gaby Deslys, die naar je zult weten tot haar zestiende jaar eveneens dienstmeisje geweest is, en wier ouders nederige arbeiders waren.”

„Wanneer je het met zooveel stelligheid zegt, Edward, dan moet ik je natuurlijk gelooven,” zeide Charly. „Maar dan verbaast het mij toch sterk.”

„Waarom eigenlijk? Vergeet niet dat je niet met een Londensch dienstmeisje te doen hebt, maar met een Lithausche, dat wil zeggen met een zeer schoon ras. Vergeet ook niet wat schmink en poeder kunnen bewerkstelligen!”

„Maar de bewegingen, Edward, het geheele optreden, de wijze van loopen, kan men dat aanleeren?”

„Dat kan men zeker, maar bovendien iedere Lithausche vrouw is van nature gracieus en sierlijk in alles wat zij doet, en ik weet nog heel goed dat ik, alleen uit een kunstzinnig oogpunt, dat verzeker ik je, met bepaald welgevallen de sierlijke en ongedwongen bewegingen van dat mooie dienstmeisje heb gade geslagen.”

Charly antwoordde niet maar volgde nu met nog meer aandacht de bewegingen van de Variété-danseres, die met luchtige stapjes, het mooie lichaam een weinig voor overgebogen, het gelaat naar het publiek gewend, langs het voetlicht trippelde.

Toen mompelde hij voor zich heen:

„Als jij het zegt, dan moet ik het natuurlijk wel gelooven, maar ik blijf het een wonder vinden! Dat zal echter zijn omdat ik het begrip „dienstmeisje” wat al te zeer vereenzelvig met het begrip van trappen dweilen, ramen zeemen, borden wasschen, en tegen de bakkersjongens gillen. De schoone Poolsche schijnt dus niets van dat alles te hebben gedaan, of, wanneer zij dat deed, dan deed zij het allerbevalligst, gracieus, en met gedistingeerde gebaren. Nu, mij is het wel, en ik moet toegeven, dat iemand in een jaar heel wat kan veranderen.”

Raffles had nog eenigen tijd naar de mooie, jonge vrouw gekeken, en wendde zich toen tot Charly met de vraag:

„Is dit de eerste avond van haar optreden?”

„Ja, en ik herinner mij nu ook, dat de bladen vol hebben gestaan met reclame artikelen, waaraan ik echter weinig aandacht heb gewijd, als ik dat wel gedaan had, dan zou ik nu weten, hoe zij bijvoorbeeld aan dien voorraad diamanten komt, die naar allen schijn echt zijn.”

„Geschenken, denk ik!” zeide Raffles droogjes. „Ik kan mij voorstellen dat een rijk en galant man voor een goedgunstigen blik uit die schoone oogen gaarne een snoer diamanten geeft. Apropos, als je de bladen nog hebt, waarin die reclameberichtjes hebben gestaan, zoek ze dan nog eens op, ik wil ze wel eens lezen.”

„Ik ben tot je dienst, Edward!” antwoordde Charly, en hij begreep, dat er reeds een of ander plan door het hoofd van zijn vriend spookte met betrekking tot het voormalige Lithauensche dienstmeisje.

Juist op dit oogenblik beëindigde Marja Ivy haar zang in een snerpenden kreet, die het gelaat van Raffles pijnlijk deed vertrekken.

Toen het applaus bedaard was, merkte hij op:

„Ik denk, dat wij die pauwenveer als een soort embleem moeten beschouwen, het mooie schepseltje wil er zeker mede te kennen geven, dat zij even schoon is en even erbarmelijk schreeuwt als een pauw.”

„Ben je niet wat wreed voor haar?” vroeg Charly lachend.

„Dat weet ik niet, maar ik geloof wel, dat ik rechtvaardig ben! Zij heeft—ik zie niet in, waarom ik er een geheim van zou maken—een stem als een gebarsten kindertrompetje, en ik geloof dat de indruk van haar verschijning nog grooter zou zijn als zij haar mond dichthield.”

„Waarom zingt ze eigenlijk in het Fransch?”

„Op die vraag kan ik je geen antwoord geven, maar het is zeker, dat ze voor 99 procent van de bezoekers evengoed in haar moedertaal kon zingen. Ik heb een paar malen het woord Amour hooren uitgillen en evenzoo vele malen het woord Douleur en dat is alles! Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat het een minneliedje is geweest. Maar wie vraagt daar naar, als hij zulke schouders en zulke diamanten ziet?”

Raffles was opnieuw opgestaan, en Charly drong nu niet langer aan om te blijven, tot de pauze was aangebroken.

Reeds aan de plaatsing op het programma was het te zien, dat Marja Ivy, hoe kort zij ook aan het tooneel was, al vrij wat in de melk had te brokkelen, want ieder Variété-artist weet, dat het voorlaatste en het laatste nummer voor de pauze, en in wat mindere mate het eerste nummer daarna verreweg de beste van het programma zijn, wat betreft de stemming en de aandacht van het publiek. Maar het laatste nummer voor de pauze spant in ieder geval de kroon naar het oordeel van ervaren Variété-menschen.

„Wat zullen wij doen?” vroeg Charly, toen de beide mannen de vestiaire verlaten hadden, en de monumentale trap naar de vestibule afdaalden.

„Wij kunnen mijnentwege nog een uurtje naar de club gaan, en dan maar naar huis, ik moet een weinig nadenken.”

„Nadenken over wat?”

„Over de combinatie Lithauensch dienstmeisje en diamanten!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings