← Table of contents
Lord Lister No. 0348

Het web wordt gesponnen.

Reading edition

Den volgenden morgen wijdden de bladen tamelijk lange besprekingen aan het nieuwe programma in het Hypodrome-Theater en het leeuwendeel daarvan was geweest aan Marja Ivy, de pas ontdekte ster.

Maar Raffles was voldoende thuis in de wereld der journalistiek, om te weten, dat verreweg de meeste van deze ophemelende artikelen niets anders waren dan betaalde reclame, soms betaald in den vorm van groote en dure advertenties.

Naar het scheen had de bevallige Variété-diva reeds aan eenige reporters een interview toegestaan, en allen spraken vol bewondering en lof over haar „sympathieke verschijning”, haar „weergalooze gratie”, haar „teedere liefde voor haar ouders”, welke zij thans zoo gelukkig was te kunnen onderhouden, en „haar juweelen”.

Toen Raffles dit alles gelezen had, schudde hij het hoofd en bromde voor zich heen:

„Merkwaardig, een zeer zeldzaam verschijnsel. Die liefde voor haar ouders is werkelijk treffend, een jaar geleden was haar moeder al dood en haar vader was een dronkelap die haar ranselde, en wien zij met hetzelfde argument beantwoordde. Zij beklaagde zich steeds bitterder over den kerel, en peinsde dag en nacht op de beste methode om van den oorsprong van haar dagen af te komen, op een fatsoenlijke of een onfatsoenlijke manier.”

„Deksels, dan is dat lieve kind geen katje geweest om zonder handschoenen aan te pakken,” riep Charly uit, die deze opmerking te hooren kreeg, toen de beide vrienden tegenover elkander zaten in de kleine eetzaal van het fraaie huis hetwelk Lord Aberdeen bewoonde in de Regentstreet. „Zij vocht dus met haar vader?”

„O, men kan het geen vechten noemen,” zeide Raffles vergoelijkend. „Zij wierp hem slechts van tijd tot tijd een bijl naar het hoofd, waarmede zij gewend was hout te kloven, of spande een ijzerdraad op een voet hoogte tusschen de deurposten, tegen den tijd dat hij beschonken naar huis kwam wankelen.”

„Maar lieve hemel, dan was het een boosaardig schepsel,” riep Charly verschrikt uit.

„Toch niet, tenminste niet boosaardiger, dan iedere vrouw over het algemeen,” vervolgde Raffles kalm. „Vergeet niet, dat wij in Lithauen zijn, dat zij van hartstochtelijk Slavisch bloed is, en dat men daarginds een anderen maatstaf aan legt dan in ons land van mist en regen.”

„Maar hoe weet je dat dan toch allemaal?”

„Wel, omdat zij het zelf heel vaak als een goede grap kwam vertellen, terwijl zij bij het middagmaal bediende. Ik heb haar zelfs wel eens tranen zien lachen, toen zij verhaalde hoe zij haar vader met een bijl in zijn voet had geraakt, en daarbij ronddanste als een beer op de kermis, en dat deed zij dan heel plastisch na.”

„Nu, over de kinderliefde heerschen daar naar het schijnt nog al eigenaardige opvattingen,” zeide Charly schouderophalend. „In ieder geval schijnt het niet heel en al juist te zijn, wat de heeren reporters beweren betreffende die teedere liefde jegens hare ouders.”

„Neen, het strookt inderdaad niet geheel en al met de waarheid!” beaamde Raffles, met een ironisch glimlachje. „Maar het staat goed, en het omgeeft de jonge vrouw met een aureool van sympathie. Denk eens aan, een gevierde, op de handen gedragen, Variété-artiste die iedere week een deel van de zuur verdiende penningen naar het ouderlijke huis stuurt, ver in het onherbergzame Polen. Ieder onbedorven hart moet zich daar door ten diepste geroerd gevoelen. Apropos, heb je die kranten nog gevonden, waar wij gisteren over gesproken hebben?”

„Zij liggen in je werkkamer op je schrijfbureau.”

„Merci. Dan ga ik ze dadelijk eens bestudeeren! Ik gevoel bepaald behoefte iets meer te weten omtrent het voormalige dienstmeisje. Zij boezemt mij om meer dan een reden groot belang in.”

En met deze woorden stond Raffles op en begaf zich naar zijn werkkamer op de eerste verdieping, een ruim, stemmig vertrek, dat als het ware tot ingespannen hersenarbeid uitnoodigde.

Een uur later verscheen hij in de bibliotheek, waar Charly zich onledig hield met het bijhouden van een lijvig register, volgepakt met krantenuitknipsels.

„Waar is het groote fotografie-toestel, Charly?” vroeg Raffles.

Charly keek eenigzins verbaasd op, en antwoordde:

„Dat moet in de donkere kamer staan, op zolder! Wij hebben het in langen tijd niet gebruikt, je vond het een weinig onhandelbaar. Wil ik het voor je halen?”

„Daarmee zul je mij een pleizier doen. Breng dan meteen den insteldoek en het statief mee, en doe eenige gevoelige platen in de cassettes.”

„Ga je naar buiten om wat te fotografeeren?”

„Ik ga fotografeeren, maar niet naar buiten, ik ga foto’s maken van Marja Ivy.”

„Maar mijn hemel, in iederen boekwinkel kun je er zooveel krijgen als je er hebben wilt voor een paar pence.”

Raffles haalde eenigzins ongeduldig de schouders op.

„Dat weet ik natuurlijk ook wel, maar daarom is het mij niet te doen. Ik wil haar fotografeeren, omdat ik eens wil zien hoe zij behuisd is, en hoe haar diamanten behuisd zijn.”

„Maar Edward, zou je het in ernst voorzien hebben op de juweelen van die jonge vrouw?”

„Je legt den nadruk op haar geslacht, Charly, alsof zij een onnoozel, onschuldig wicht is, een arm weesje onder den druk van een slechten voogd of iets dergelijks. Ik voor mij acht haar niet bijzonder veel zaaks, een hartelooze vrouw, wie het alleen te doen is om veel geld en veel kostbaarheden, en die van minnaar verandert, zoo als wij een schoonen zakdoek nemen.”

„Maar misschien moet zij met die steenen wel haar brood verdienen, Edward.”

„Goede hemel, neen, mijn waarde!” ging Raffles voort. „Houdt op met die sentimentaliteiten. Er is geen kwestie van brood verdienen. Zij treedt in een variété op, eenvoudig om des te beter en des te gemakkelijker de aandacht op zich te kunnen vestigen, zij heeft die steenen te danken aan haar blanke huid, haar fraaie beenen en het doorzichtige hemdje dat zij draagt, dat is de zuivere onopgesmukte waarheid. Denk je soms, dat een theaterdirecteur haar zou engageeren als zij er op stond in een ochtendjapon op te treden? Wel man, men zou haar vragen of zij niet goed bij haar verstand was, als zij maar even haar mond had open gedaan. Je zult toch niet durven volhouden, dat jij haar bijvoorbeeld om haar stem zou engageeren?”

„Ik moet erkennen.……” begon Charly stamelend.

„Je moet erkennen, dat haar liedjes klinken alsof er met een diamant over een ruit gekrast wordt, en dat je wel stapelgek zoudt zijn, als je haar ook maar een avond zoudt laten optreden, wanneer zij niet met haar pauwenveeren en haar korte tunica kon rondloopen. Maar hoe het ook zij, ik wil eerst eens nader onderzoek bij haar doen. Misschien verander ik nog wel van idee, misschien is zij beter dan haar faam. En nu dat toestel, als ik je verzoeken mag.”

Charly stond op, verliet het vertrek, en keerde eenige oogenblikken later terug met een notenhouten camera van groot formaat en een tasch van waterproof waarin een drietal plaathouders zaten, die ieder twee platen konden bevatten.

Ook had hij een drieledig, zwaar statief bij zich.

Raffles bekeek een en ander, en bromde tevreden:

„Het ziet er nog heel goed uit. Nu nog het stel lenzen, en dan ga ik als fotograaf voor een of ander tijdschrift er op uit.”

„Maar als ze weigert je te ontvangen?”

„Dat zou ze misschien over een paar jaren doen, maar nu staat zij nog aan het begin van haar loopbaan en zij moet reporters en fotografen te vriend houden.”

„Maar je zult je toch hoop ik vermommen?”

„Ik zal mij herscheppen tot een artistiek man, Charly!” zeide Raffles hoogdravend.

Hij begaf zich naar zijn slaapkamer, opende de geheime kast waarin zich zijn talrijke kleederen en uniformen bevonden en begon daarna met groote zorgvuldigheid zijn gelaat onder handen te nemen.

Hij gebruikte daarbij geen gewone schmink, zooals acteurs en pas beginnende detectives aanwenden, en die voor ieder scherp oog reeds op een paar meters afstand te onderkennen is, maar kleurmiddeltjes van zijn eigen vinding, die de huid niet aantasten, en er toch een geheel andere kleur aangeven.

Tenslotte zette hij een pruik met lang haar op, zoo voortreffelijk nagemaakt, dat zelfs voor het meest geoefende oog het bedrog niet te ontdekken viel en schoot een bruin fluweelen jasje aan.

Een slappe hoed voltooide zijn costuum en aldus vermomd, begaf hij zich naar de bibliotheek waar Charly hem met een lachenden uitroep van verbazing ontving.

„Bevalt mijn uiterlijk je?” vroeg Raffles lachend.

„Ik zou geen enkele aanmerking kunnen maken, Edward. Als je mij vreemd was, en je stelde mij de vraag, welk beroep je uitoefende, dan zou ik zonder aarzelen uitroepen: „Photograaf”. Zelfs je handen wijzen er op, die rouwrandjes aan de nagels, die ruwe vingertoppen en die bruine vlekken van den ontwikkelaar. Ik moet zeggen, het is prachtig.”

„Ik dank je voor het compliment, Charly, en ik ga er nu maar aanstonds op uit.”

„Maar het is nog geen elf uur, je kunt haar nu onmogelijk bezoeken, Edward.”

„Ik ga er ook niet regelrecht naar toe, ik wil eerst eens wat in den omtrek neuzen, en het hotel Cecil, waar zij logeert, een weinig in het oog houden.”

„Ik zal dan niet op je behoeven te wachten met de lunch?”

„Neen, ik zal daar in de buurt wel wat eten.”

Raffles drukte Charly de hand ten afscheid, hing de tasch met platen over den schouder, nam het zware toestel en den driepoot op, en stak het etui met lenzenstel in zijn zak en verliet het vertrek.

Hij ging het huis nu echter niet uit door de voordeur, maar stak den tuin over, aan alle zijden door dicht struikgewas en hooge boomen omgeven, en verliet hem weder door een kleine tuinpoort, die in een zijstraat uitkwam, waar zich maar hoogst zelden iemand vertoonde.

Hij liep deze straat teneinde, en wachtte tot er een onbezette huurauto zou passeeren.

Eenige minuten later was hij onderweg naar het Strand.

Daar in het duurste en weelderigste hotel van Londen, logeerde Marja Ivy en reeds hadden de bladen weten te vertellen, dat zij voor de drie kamers welke zij bewoonde, 15 pond sterling per dag moest betalen, wel te verstaan zonder ontbijt of eenig ander voedsel.

Raffles slofte met zijn zwaar toestel naar een klein restaurant, tegenover het beroemde hotel gelegen, en legde zich daar als het ware in hinderlaag.

Veel bijzonders zag hij echter niet, maar er werden drie ruikers gebracht en twee groote bloemstukken maar die konden natuurlijk evengoed voor een andere bewoonster van het hotel zijn.

Van Marja Ivy zelve zag hij niets, en hij leidde daar uit af, dat zij nog wel in het hotel zou zijn en haar kamers nog niet verlaten had.

Tegen twee uur stond hij op en verliet het restaurant.

Hij ging het deftige hotel binnen maar werd bijna aanstonds tegengehouden door den zwaarlijvigen portier, in een groen livrei gestoken die hem tamelijk barsch vroeg, wat hij kwam doen.

Raffles trok een beleedigd en een boos gezicht en antwoordde:

„Sedert wanneer is het gewoonte, dat men den fotograaf van „The Scotch” vraagt wat hij komt doen? Natuurlijk kom ik iemand fotografeeren! Is mejuffrouw Marja Ivy nog op haar kamer?”

„Dat is zij wel, maar ik denk niet, dat zij u zoo maar zal ontvangen! Er zijn al meer fotografen geweest!”

Raffles haalde minachtend de schouders op.

„Er zijn fotografen en fotografen, goede man!” zeide hij hooghartig. „Je zult mij toch zeker niet met de lieden van niemendal willen vergelijken? Bovendien, ik word verwacht!”

„Dan is het wat anders!” hernam de portier.

„Tweede verdieping, eerste gang rechts, nummers 87 en 88!”

„Dank je, vriend, dank je!” zeide Raffles. „Ik zal het nu wel vinden!”

En met zijn toestel beladen besteeg hij de trappen en klopte toen aan op de deur, die het nummer 87 droeg.

Een koket kamermeisje deed de deur open op een kier slechts, als moest zij reeds bij voorbaat het indringen van ongewenschte personen beletten.

„De mise-en-scène is prachtig!” mompelde Raffles voor zich heen. „Men zou zweren, dat men bij Sarah Bernard of bij Zijne Majesteit in persoon op audientie komt!”

En luid vervolgde hij, zich tot het kamerkatje wendende:

„Schoon kind, ik ben fotograaf, en ik vraag om de gunst, uw meesteres te mogen fotografeeren, echter niet zooals Jan en Alleman het gewoonlijk doet, neen, ik wil er iets bijzonders van maken, ik wil madame kieken in haar dagelijksche omgeving, met haar katjes en haar hondjes, haar todjes en haar vodjes, haar strikjes en haar kwikjes!”

Het lieve kind achter de deur had met niet geringe verbazing naar deze korte toespraak geluisterd en zeide nu, met een sterk buitenlandsch accent en in het miserabelste Engelsch dat men zich kan denken:

„Ik zal het aan madame gaan vragen, u lijkt mij wel een grappenmaker!”

„O, schoon meisje, je vleit mij,” riep Raffles uit, en met moeite, wegens het zware toestel en het statief, streek hij het kamermeisje onder de poezele kin. „Zeg aan madame, dat hier iemand staat, die haar een portret zal leveren waarbij vergeleken al het andere prulleboel uit een kermistentje is!”

Proestend verwijderde het jonge ding zich, maar Raffles behoefde niet lang te wachten.

Eenige oogenblikken later keerde zij weder terug en hield de gangdeur voor Raffles open.

„Madame verwacht u!” zeide zij opgeruimd. „Ik heb gezegd, dat u zeker wel iets goeds zoudt maken!”

„Dat is buitengewoon vriendelijk van je, schoone maagd!” zeide Raffles, terwijl hij binnentrad, en achter het meisje naar een fraai gemeubeld vertrek ging, waar Marja Ivy zich bevond.

De variété-danseres droeg nog een morgengewaad, zeer ruim, en van soepele zijde vervaardigd, en Raffles moest erkennen, dat zij er in de hoogste mate verleidelijk en bekoorlijk uitzag.

Zij zat op een rustbank, en naast haar lagen twee prachtige Pekineesjes, die Raffles met hun ronde oogen en van onder het lange haar nieuwsgierig aangluurden.

Op het haardkleedje lag een schoone Angora-kat te slapen, en voor een der ramen stond een standaard met een groote koperen kooi, waarin een kakelbonte papegaai heen en weder sprong, die nu en dan een origineelen Franschen vloek liet hooren.

Marja stond tamelijk onverschillig op, en legde het dagblad weg, waarin zij had zitten lezen, toen het bezoek werd aangekondigd.

„U wenscht mij te fotografeeren, mijnheer?” vroeg zij, thans in het Fransch, maar met een onmiskenbaar Slavisch accent.

„Ik verzoek om die eer, madame!” antwoordde Raffles.

„Voor welk blad is het?”

„Ik werk niet speciaal voor een blad, madame! Ik bind mij niet! Die er het geld voor kan en wil missen, om de producten van mijne buitengewone vaardigheid te koopen, die krijgt mijn foto’s, de anderen publiceeren voddengoed!”

Een glimlach plooide zich om de roode lippen van de jonge vrouw bij dezen uitval, en daarop hernam zij:

„Gij wildet mij in deze kamer, in mijn eigen omgeving fotografeeren, zooals mijn dienstmeisje mij zegt?”

„Ja, Madame!”

„Geen kwaad denkbeeld, maar haast u dan wat; want ik ontvang zoo aanstonds bezoek!”

„Ik beloof u, dat ik mijn best zal doen, madame!” zeide Raffles.

Hij begon ijverig zijn tasschen te ontpakken, schroefde het toestel op den driepoot, bevestigde er een der objectieven op, maar liet ondertusschen zijn spiedende blikken aandachtig door het vertrek dwalen.

Van de juweelen zag hij niets, die waren op dit oogenblik zeker veilig opgeborgen.

De jonge vrouw droeg alleen eenige ringen van groote waarde, en een gouden armband om een van haar tengere polsen.

Heur haar was bijzonder hoog opgemaakt en kroonde als een helm het fijn gevormde hoofd.

Maar de groote oogen hadden een harden, onaangenamen glans, die Raffles niet aanstond, en die volgens hem de uitdrukking van het schoone gezicht niet weinig benadeelde.

Met het geoefende oog van den kunstenaar had Raffles spoedig een bevallige groep weten samen te stellen, de jonge vrouw half uitgestrekt op den divan, een tijdschrift in de hand van den slap neerhangenden arm, een der rashondjes in haar anderen gekromden arm, het tweede aan haar voeten, de Angora op haar schoot.

Raffles stelde in, kroop daarbij onder den insteldoek, en maakte vervolgens een paar opnamen.

„Denkt gij, dat de foto’s goed geslaagd zijn, mijnheer?” vroeg de danseres, terwijl Raffles begon zijn toestel weer in te pakken.

„Daar ben ik zeker van, madame!” antwoordde Raffles. „Hoe zou het ook anders kunnen met zulk een dankbaar onderwerp.”

Juist had hij dit compliment geuit, toen er op de deur werd geklopt, en het dienstmeisje haastig ging zien wie er was.

Even later trad er een flatterig heerschap binnen, ongeveer veertig jaar oud, reeds bijna geheel kaal, met een groote monocle in het oog geklemd, en naar den laatsten smaak gekleed.

Hij torste een geweldigen ruiker, en bleef even op den drempel in de deur staan, blijkbaar onaangenaam verrast bij het zien van den fotograaf.

„Kom toch binnen, graaf!” noodigde de jonge vrouw den bezoeker uit. „Wat blijf gij daar staan, alsof gij geen tien kunt tellen.”

Buigend en zijn keel schrapend trad de graaf binnen.

Hij legde zijn hoed op een klein tafeltje, en trad toen met den ruiker op Marja toe.

„Mag ik u deze bloemen aanbieden als een bewijs van mijn geringe hoogachting— — —als een gering bewijs van mijn hoogachting!” verbeterde hij haastig en met een rauw keelgeschraap.

Marja barstte in lachen uit en zeide:

„Leg het bewijs van uw geringe hoogachting maar op dien stoel, graaf! Ik dank u!”

De bezoeker had Raffles zien glimlachen en trad nu met een grimmig gezicht op hem toe.

„Zijt gij spoedig gereed, mijnheer?” vroeg hij op onbeschaamden toon. „Dan is uw aanwezigheid hier niet langer gewenscht!”

Raffles liet langzaam de tasch zakken, die hij had opgenomen, en keek den graaf en vervolgens de jonge Lithausche vragend aan.

Daarop zeide hij bedaard:

„Het spijt mij, mijnheer, maar ik ben niet gewend, mij te overhaasten!”

„Dan zult gij zoo goed zijn, het bij deze gelegenheid te doen!” snauwde de bezoeker. „Uw taak is nu verricht zou ik denken, en wij kunnen u nu wel missen!”

„Wij?” herhaalde Raffles rustig. „Spreekt gij ook voor madame? Hoe weet gij zoo zeker, dat zij mij weg wil hebben? Het is best mogelijk, dat zij iedere minuut, die ik langer blijf, in haar hart zegent!”

„Maar bij Jove, de kerel wordt brutaal!” schreeuwde de graaf, die zijn ooren niet scheen te kunnen gelooven. „Pak u nu aanstonds weg als gij niet wilt, dat ik mijn rotting op u laat neerdalen!”

Tot groote verbazing van Marja Ivy, en misschien wel tot haar inwendig vermaak, zette Raffles zijn tasch op den grond, en kwam langzaam naar den graaf toe.

Vlak voor hem stond hij stil en toen klonk het rustig van zijn lippen:

„Nog voor gij uw rotting zoudt hebben opgeheven, mijnheer, zou ik u in het gezicht hebben geslagen! Denkt gij soms, dat een fotograaf maar alles van u lieden verdraagt? Dan hebt gij het mis! Gij zijt een onbeschaamde vlegel, als gij dan bepaald mijn oordeel over u vernemen wilt!”

Krijtwit was de graaf achteruit getreden.

De wandelstok ging de hoogte in, maar voor hij nog kon nederdalen, was de vlakke hand van den gewaanden fotograaf met zulk een kracht op de bleeke wang van den ander nedergedaald, dat de klap zeker eenige kamers verder te hooren was, en de wang als bij tooverslag veel dikker werd dan zij oorspronkelijk was geweest!

„Dat … dat …” stotterde de geslagene, die nauwelijks besefte, wat hem overkomen was, „dat zal u berouwen! O, als gij slechts van mijn stand waart, ik zou u onmiddellijk uitdagen!”

„Maar kunt gij dan niet voor eenige oogenblikken doen, alsof ik inderdaad van uw stand was, mijnheer de graaf?” vroeg Raffles zonder de minste stemverheffing. „Ik ben dan gaarne tot uw dienst!”

„Wat? Den degen kruisen met een … fotograaf?” riep de bezoeker op schellen toon uit. „Ik zou mij voor altijd blameeren. Neen, mijnheer, ik kan niet met u vechten, maar ik tref u met mijn minachting!”

„Nu, dat is tenminste al vast iets!” hernam Raffles koeltjes. „Daarmee zal ik dan genoegen moeten nemen, voorloopig, want, mijnheer de graaf,” Raffles trad bij deze woorden nog dichter op den ander toe, „want misschien komt er wel een tijd, dat gij met mij kunt vechten, zonder u al te zeer te encanailleeren!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings