← Table of contents
Lord Lister No. 0348

Bij gebrek aan brood.….

Reading edition

Slechts weinige bladen bevatten den volgenden morgen eenige stekeligen opmerkingen naar aanleiding van het gebeurde op de renbaan aan het adres van de onbescheidene Variété-Diva, maar verreweg de meeste bladen hadden het incident zelfs niet vermeld, en dat bracht de jonge vrouw misschien nog meer in woede dan al het andere.

Veel liever had zij gehad, dat men haar de huid had volgescholden, dan was tenminste de aandacht op haar gevestigd.

Zij begreep nu echter wel, dat zij iedere poging om indruk te maken op prins Albert gerust kon laten varen, en zij gaf uiting aan haar teleurstelling en gekwetste ijdelheid door den jongen kroonprins een geheele reeks uitgezochte scheldwoorden in haar moedertaal naar het hoofd te werpen, terwijl zij gezeten was voor haar kaptafel en het kamermeisje met vaardige hand heur haar kapte.

„Een stokvisch, een ijsblok, een ongelikte beer, een man zonder een grijn tactgevoel!” riep zij maar. „Een houten klaas, de dood van Pierlala, en dat is zeven en twintig jaar! Hemeltje lief, wat beleven wij toch een vreemden tijd!”

„Misschien trekt hij nog wel bakzeil, madam,” gaf het kamerkatje wijsgeerig te kennen.

„Dat denk ik niet, Mirza,” zeide Marja hoofdschuddend. „Ik vergis mij niet spoedig in de houding van de heeren der schepping. Hij behandelde mij alsof ik lucht voor hem was, dat hij op zijn weg tegen kwam.”

Zij trappelde ongeduldig met haar hooggehakte pantoffeltjes op het dikke vloerkleed, en wilde wederom een nieuwe reeks krachttermen aan het adres van den troonopvolger lanceeren toen er op de deur werd geklopt van de voorkamer.

„Ga eens zien, wie daar is, Mirza,” beval Marja humeurig. „Als het die vervelende Carwood is, stuur je hem maar weer weg. Ik kan hem op het oogenblik niet verdragen. Die man werkt op mijn zenuwen.”

Mirza ging door de voorkamer naar de gangdeur, opende die en vond daar een etagekellner die haar een visitekaartje ter hand stelde.

Het meisje wierp er een vluggen blik op en las den naam van „Graaf James Colebrooke”.

„Wat wil de graaf?” vroeg het meisje.

„Wel, je meesteres een bezoek brengen denk ik,” antwoordde de kellner.

„Om twaalf uur in den morgen? Waarom niet liever in het holste van den nacht,” riep Mirza verontwaardigd uit.

„Hij zegt, dat hij om een zaak van belang komt.”

Het kamermeisje haalde de schouders op en ging met het visitekaartje naar haar meesteres.

Na eenig geparlementeer kreeg de graaf toestemming om binnen te komen.

Marja dacht er evenwel niet aan haar bezigheden te staken, maar liet haar kamermeisje doorgaan met het opmaken van haar prachtig haar.

Binnen trad nu een man in de kracht van zijn leven, maar met reeds gebogen rug, een groote kale plek op het hoofd, een verlepte kleur en slappe gelaatstrekken, knipperende oogen die hij steeds half dicht kneep daar hij blijkbaar zeer bijziende was, en onberispelijk gekleed.

Met een krakende stem, terwijl hij op den drempel van de deur bleef staan, zeide hij:

„Duidt het mij niet kwalijk, madame, als ik u nog voor de lunch een bezoek breng. Ik weet echter wel, dat artisten het niet zoo nauw plegen te nemen zelfs wanneer zij zoo hoog in aanzien zijn als gij.”

De diva had zich half op haar stoel omgewend, en keek nieuwsgierig naar de dorre schrale figuur, die wel uit hout gesneden leek te zijn, het vale gezicht en de rood omrande oogen.

Toen vroeg zij half spottend:

„Is u een graaf?”

„Een authentieke madam. Ik erken echter, dat ik misschien een weinig te haastig geleefd heb, en misschien wel wat te veel geld heb uitgegeven, maar dat komt meer voor in onze kringen. Wilt gij mij toestaan terzake te komen?”

„Ga uw gang, graaf, maar maak het kort, wat ik u verzoeken mag!”

En toen de bezoeker een schuinschen blik wierp op Mirza, die nog altijd ijverig het glanzende zwarte haar borstelde, vervolgde zij:

„Voor mijn kamermeisje heb ik geen geheimen, gij kunt vrijuit spreken.”

„Nu als dat het geval is, dan zal ik van die vrijheid gebruik maken, madame.”

Op een uitnoodigend gebaar van de schoone jonge vrouw nam graaf Colebrooke plaats, schraapte zijn keel eens, en begon met zijn krakende, heesche stem:

„Ik was gisteren op de renbaan te Hendon, hm! Goede sport, mooie vrouwen, beste paarden, enzoovoort, hm! Ik had ook het genoegen u daar te zien, ik herkende u natuurlijk dadelijk, kon niet missen, bekoorlijke trekken, zeer sierlijk costuumpje, enzoovoort, hm! Was ook willekeurig getuige van het kleine intermezzo met den kijker, moest dadelijk getuigen, kranig gevonden, zeer adrem, kolossaal handig, enzoovoort, hm!”

De diva zat een oogenblik in beraad of zij zich driftig zou maken, maar er was iets in de stem van den bezoeker, dat haar deed zwijgen, en met belangstelling op de rest wachten.

Graaf Colebrooke bekeek zijn vingertoppen met een uitdrukking op zijn gelaat alsof hij voor het eerst van zijn leven iets bijzonders merkwaardigs onder de oogen kreeg, en vervolgde toen:

„U duidt mij mijn openhartigheid niet euvel, daarvan ben ik overtuigd, hm! Met eerlijkheid bereikt men op deze wereld nog het meest, onder sommige omstandigheden, hm! Eerlijkheid duurt het langst, nu en dan. Ik kom nu ter zake. Ik meen te hebben opgemerkt, madame, dat gij, hoe zal ik het zeggen, eenige belangstelling koestert voor den jeugdigen troonopvolger, hm! Ik zie aan uw gelaat, dat ik goed geraden heb! Maar, uwe pogingen zullen waarschijnlijk ijdel zijn, madame! Vreemde jongen, onze kroonprins, hm! Koud als ijs, onverschillig, denkt alleen aan paarden en honden, staatszaken en andere nonsens. Lijkt wel afkeerig van het schoone geslacht te zijn, voor zoo verre het geen gravenkroontje draagt, hm! Uiterst merkwaardige jongen, zal het ongetwijfeld ver brengen in de wereld, bij wijze van spreken natuurlijk, want verder dan koning, nietwaar, kan men het al haast niet brengen.”

Graaf Colebrooke vond dit waarschijnlijk een uitstekend geslaagde grap, want hij liet een lachje hooren, dat precies klonk als het afloopen van een wekker, waarvan plotseling een der radertjes gebroken is.

„Vergun mij de opmerking, graaf, dat ik nog steeds niet weet, waar dit alles op moet uitdraaien,” kwam Marja Ivy een weinig ongeduldig.

Zij was nu geheel gekapt, en Mirza was bezig met het opvouwen van eenige kleedingstukken.

„Gij zult aanstonds tevreden worden gesteld, madame,” hernam graaf Colebrooke. „Het spijt mij, wanneer ik u ophoud, maar ik ben gaarne zoo duidelijk mogelijk, ik ga altijd op den man af, hm. In dit geval natuurlijk op de vrouw, hm. Wij komen dan terug op het kleine, en zoo voortreffelijk geënsceneerde incident op de renbaan, hm. Ik neem dus uw belangstelling voor den kroonprins als vast staande aan, en ik constateer, dat die niet tot het gewenschte doel heeft geleid. Maar, men kan ook wel dansen, al is het niet met de bruid, zooals een oud en beroemd spreekwoord in ons land luidt!”

Marja keek den bezoeker met groote oogen aan, en vroeg:

„Waar wilt u eigenlijk heen, graaf?”

„Dat zal ik u zeggen, madame, en nu ga ik een teeder punt aanroeren, hm. Het spreekwoord dat ik zooeven noemde, zou ik als volgt willen uitleggen:

„Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. Men moet roeien met de riemen die men heeft, en ik ben vast overtuigd, dat de riemen, welke ik u kan verschaffen, zeer wel in uw smaak zullen vallen, bij wijze van begin, hm!”

„Wat wilt gij zeggen, graaf?”

„Ik wil zeggen, madame, dat er nog wel andere prinsen zijn te krijgen, al zijn het geen kroonprinsen, hm! Gij zijt een vreemdelinge, en daarom uit den aard der zaak niet geheel op de hoogte van de samenstelling van het koninklijke gezin. Laat mij u dan mededeelen, dat Koning George vijf zoons heeft, en een dochter. De zoons zijn Prins Edward Albert, George, Andrew, Patrick David, geboren op 23. Juni 1894. Hij is de kroonprins. Daarop volgt prins Albert, Frederic, Arthur, George, geboren 14. December 1895. Daarop volgt de prinses, voor ons van geen belang. Dan komt Prins Henry, William, Frederic, Albert, in 1900 geboren op 31. Maart. Vervolgens.…”

„Maar lieve hemel, graaf. Wat kan mij die opsomming schelen!” viel Marja hem ongeduldig in de reden. „Als gij nog langer doorgaat, zult gij ook nog de zuigelingen opnoemen.…”

„Zooals gij wilt, madame, dan zal ik u de beide manlijke telgen, die in 1905 en 1902 geboren zijn besparen, hm. Bepalen wij ons dus bij prins Albert Frederic, den tweeden zoon, gemeenlijk prins George genoemd. Hij is op dit oogenblik 25 jaar, hm! En ik meen te weten dat hij niet bepaald afkeerig is van het vrouwelijk geslacht, voor zooverre het een zekere bevalligheid ten toon spreidt.”

„Ah! Nu begin ik het te begrijpen!” riep Marja lachend uit. „Maar, dat plan is nog niet eens zoo kwaad!” voegde zij er peinzend aan toe. „En, nu zult gij mij zeker wel eens willen zeggen, met welk doel en in welke hoedanigheid gij mij dit komt mededeelen?”

De graaf wierp nogmaals een schichtigen blik op Mirza, die zachtjes neuriënd haar werk deed, en liet zijn krassende stem zooveel mogelijk dalen, toen hij hernam:

„Ik wil er geen geheim van maken, madame, dat ik bij vroegere gelegenheden een weinig de rol van Postillon d’Amour heb gespeeld, ten behoeve van prins George. Ik wil voorts ook niet verzwijgen, dat ik, min of meer, hoe zal men zeggen, op zwart zaad ben geraakt, en dat mijn geldmiddelen niet zoo zijn, als ik wel wenschte, hm! Misschien bestaat er eenig meeningsverschil aangaande de wijze, waarop ik tracht, die geldmiddelen te herstellen, maar ik heb niet veel keus, en met handenarbeid kan een graaf Colebrooke natuurlijk niet zijn stand ophouden.”

„Wel, wel, wel, dus een koppelaar!” riep Marja Ivy uit, terwijl zij zich zachtjes in haar stoel heen en weder wiegde.

„O, foei, wat een uitdrukking!” riep graaf Colebrooke, vol verontwaardiging uit. „Men kan dat toch anders zeggen, men kan zeggen dat ik mijn gewaardeerde diensten verleen als prins George den wensch te kennen geeft, zijn warm gemoed uit te storten aan den boezem eener sympathieke vrouw.”

„Het kan mij volstrekt niet schelen, hoe gij het noemt, graaf,” riep Marja lachend uit. „De hoofdzaak is dat gij kans ziet, mij in kennis te brengen met prins George en dat gij voor uw bemiddeling behoorlijk gehonoreerd wilt worden, hetgeen ook niet meer dan billijk is. Wij zullen niet over een paar woorden vallen! Ik heb het immers bij het juiste eind?”

„Zoo is het, madame!”

„Welnu, ik wil ook van mijn hart geen moordkuil maken, nu mijn kennismaking met den kroonprins zoo jammerlijk mislukt is, wil ik mij ook wel met minder tevreden stellen, en als gij er in staagt, mij in kennis te brengen met prins George dan zal ik mij niet ondankbaar toonen. Maar laat mij u tenminste mogen zeggen, dat gij op zonderlinge wijze aan den kost komt.”

„Ieder vogeltje zingt, zooals hij gebekt is, madame,” riep graaf Colebrooke uit, terwijl hij opstond, en zich blijkbaar gereedmaakte, om te vertrekken.

Maar Marja Ivy was een doortastende vrouw, zij was gewend, het ijzer te smeden als het heet was.

„Wanneer zoudt gij een samenkomst tusschen mij en den prins tot stand kunnen brengen?” vroeg zij op den man af.

„Zoo spoedig gij wilt, madame!”

„Dan morgen reeds! Ik ben verlangend mij op den kroonprins te wreken, en dat kan ik niet beter doen, door hem te toonen, dat zijn broeder minder afkeerig is van mij dan hij zelf. Zoudt gij kans zien, prins George over te halen, mij morgen hier in deze vertrekken een bezoek te brengen?”

De graaf trok een bedenkelijk gezicht, en scheen even na te denken. Toen antwoordde hij:

„Gij vraagt heel wat, madame, maar ik zal mijn best doen, hm! Als het gaat, dan zal ik u nog hedenavond schrijven, of u morgen een boodschap zenden.”

Marja klapte vroolijk in de handen en riep opgewonden uit:

„Als dat lukt dan heb ik er heel wat voor over!”

„Dat hoop ik, madame, dat hoop ik!” zeide graaf Colebrooke handenwrijvend. „Er zullen wellicht kosten aan verbonden zijn, en, het is niet meer dan billijk, dat mij die vergoed worden, niet waar? Ik zou u echter willen aanraden, hm, aan de zaak voorloopig zoo weinig mogelijk ruchtbaarheid te geven, prins George houdt daar in het geheel niet van! Later kunt gij natuurlijk uw schade dubbel en dwars inhalen, maar in den aanvang moeten wij hem niet afschrikken!”

„Ik beloof het u, graaf!” riep Marja uit. „Gij kent den prins natuurlijk persoonlijk zeer goed?”

„Ik ben zeer intiem met hem bevriend, madame! Om zoo te zeggen frère et compagnon! Maar juist daarom zult gij wel begrijpen, dat dit alles tusschen ons moet blijven. Ik zou mij zelf zeer benadeelen, als het later bleek, hm, dat ik hier de rol van bemiddelaar had gespeeld!”

„Wees daaromtrent gerust, graaf! Gij zult er buiten blijven, dat verzeker ik u op mijn woord! A propos, is de prins nog al vrijgevig, dat gij weet?”

„Gij zult u niet te beklagen hebben, als gij in den smaak van zijne hoogheid valt, dat is alles wat ik u zeggen kan, madame!” antwoordde de graaf. „De prins staat er voor bekend, dat hij niet op eenige duizenden ponden ziet, als het zijn vrienden betreft, en dat geldt in nog meerdere mate voor zijn vriendinnen! Het blijft dus afgesproken, ik zal u bijtijds waarschuwen!”

„Dat is waar ook, ik moet natuurlijk morgenavond optreden, zou de prins daarmede rekening kunnen houden?”

„Dat spreekt vanzelf! Als ik het goed onthouden heb, treedt gij omstreeks tien uur op, ik zal er zorg voor dragen, dat de prins hier dadelijk na het diner komt!”

„Heerlijk, heerlijk, en, dat is waar, als hij soms naar mijn voorkeur vraagt op het gebied van juweelen, ik ben dol op rose diamanten!”

„Ik zal niet mankeeren, madame, hm, om er zijne hoogheid opmerkzaam op te maken,” zeide de graaf met een diepe buiging.

En daarop bracht hij de kleine hand van de Variété-diva even aan de lippen, en trippelde heen.

Hij daalde de trappen af, de groote hal door, en stapte, buitengekomen, in de groote auto die hem wachtte, na den chauffeur een adres te hebben opgegeven.

De fraaie wagen reed naar de Victoria Street en stond stil voor een hoekhuis.

De graaf stapte uit, liep de zijstraat in, en ging het huis binnen, waarvan hij de zijdeur opende met een sleutel, dien hij bij zich droeg.

Hij liep haastig een trap op, en opende de deur van een kamer op de eerste verdieping.

En daar vond hij Charly Brand, die zich den tijd met lezen verdreven had, en nu haastig opsprong, om hem tegemoet te gaan.

De zoogenaamde graaf was John Raffles in eigen persoon!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings