← Table of contents
Lord Lister No. 0055

Kunstkenners.

Reading edition

In de prachtvolle villa van den hofleverancier van Zijne Majesteit, den door zijn reclame wereldberoemden biscuitfabrikant Simson, was een gezelschap bijeen.

Na het souper trokken de heeren zich vervolgens in het rooksalon terug, om hier onder het genot van een sigaar en geestrijke dranken het gesprek verder voort te zetten.

Het middelpunt van het gesprek was op dien avond niet een levend wezen, maar—de sigarettenkoker van keizer Nero, die door den biscuitfabrikant onlangs van den antiquair Barring was gekocht.

En het interessantste van het sigaretten-étui was een sigaret, die eveneens nog het eigendom van keizer Nero moest zijn geweest en waarop in Grieksche drukletters, het opschrift „Aegyptos” stond.

Behalve een enkele uit het gezelschap waren zij allen zoo dom, dat men hun denkvermogen gerust bij een watermeloen kon vergelijken.

Slechts een der heeren maakte een uitzondering en dat was Lord Edward Lister, alias Raffles, die onder den naam van een zekeren Lord Warrington in het huis van den gastheer verkeerde.

De biscuitfabrikant vermoedde in de verste verte niet, dat de Lord dezelfde persoon was, die eens als kamerheer van den koning van Servië met hem in verbinding had gestaan.

Toenmaals, als kamerheer van den koning van Servië, droeg Raffles de vermomming van een bejaard heer met lange, grijze bakkebaarden, terwijl hij nu, zonder eenige maskeering met zijn baardeloos, fijnbesneden gelaat het type van een echten Engelschman tusschen de dertig en veertig jaar vertoonde.

Ook hij bewonderde naar het scheen den beroemden sigarettenkoker, maar toen de biscuitfabrikant wilde beweren, dat dit de grootste kostbaarheid in geheel Londen was, was Raffles zoo vrij, hem te antwoorden, dat hij zich daarin wel zou vergissen.

„Neem mij niet kwalijk,” riep Mr. Simson uit, „dan ben ik toch werkelijk nieuwsgierig, of gij iets meer interessants en van grooter waarde bezit, dan deze zeldzaamheid.”

„Zeker!” antwoordde Raffles, „op mijn jarenlange reizen in het buitenland, vooral in den Oriënt, heb ik zeer veel dingen verzameld, die van veel meer waarde zijn dan deze sigarettenkoker uit den tijd van keizer Nero.

„Ik bezit bijvoorbeeld een zonnescherm van keizerin Cleopatra van Egypte, een tandenstoker van aartsvader Abraham en, als grootste kostbaarheid, die er op aarde te vinden is, de eenig bestaande sport van de bekende Jacobsladder.

„Ik hoop, mijne heeren, dat gij allen van de Jacobsladder in den bijbel hebt gelezen!”

Hoewel alle aanwezigen als zeer bijbelsche mannen en steunpilaren der kerk bekend stonden, konden zij zich slechts vaag uit hun schooljaren een Jacobsladder herinneren.

„Deze ladder, mijne heeren,” vervolgde Lord Lister, „is de eenige, die ooit van de aarde tot den hemel heeft gereikt. Zij is dus een reliquie van onschatbare waarde.

„Ik hoop, dat gij mij zult toegeven, dat een dergelijke sport een veel grooter zeldzaamheid is dan de sigarettenkoker van keizer Nero.”

Ondanks hun hersenloosheid moesten alle aanwezigen toegeven, dat Lord Warrington den ander de loef had afgestoken.

Men kon duidelijk aan het vette gelaat van den hofleverancier zien, dat hij zich ergerde, omdat de sport van de Jacobsladder, die Raffles bezat, zijn sigarettenkoker in de schaduw stelde.

„Luister eens”, sprak hij tot Raffles, „ik heb er nu eenmaal mijn zinnen op gezet om de voornaamste en meest bekende antiquiteitenverzamelaar van Londen te zijn. Ik wil u een voorstel doen. Wilt gij mij de sport van de ladder verkoopen?”

„Dat kan ik onmogelijk doen,” antwoordde Raffles. „Van een dergelijk voorwerp kan ik uit piëteit niet op die manier afstand doen.

„Maar ik doe u een ander voorstel:

„Als het u aangenaam is, ruilen wij het in tegen een voorwerp uit uw verzameling.”

„Dat neem ik dolgaarne aan,” antwoordde de biscuitfabrikant! „Behalve de sigarettenkoker van keizer Nero moogt gij iets van mijn verzameling uitzoeken, waarvoor gij de laddersport in ruil wilt geven.”

Raffles had reeds weken geleden in de woning van Mr. Simson een zeer kostbaren Murillo ontdekt en bewonderd. Hij schatte het schilderij op een waarde van minstens 20,000 pond sterling.

Terwijl hij met den vinger het schilderij, dat aan den muur hing, aanwees, sprak hij:

„Het beste stuk uit uw collectie tegen het kostbaarste van de mijne. Ik houd meer van schilderijen dan van antiquiteiten en ben bereid, u de sport van de Jacobsladder tegen den Murillo in te ruilen.”

„Afgesproken!” riep de biscuitfabrikant en ongemerkt wreef hij zich in de handen, want nu zou hij werkelijk een voorwerp in zijn verzameling hebben, dat door niets kon worden overtroffen.

„Wanneer zal de ruil plaats hebben?” vroeg hij Raffles.

„Zendt mij het schilderij morgenochtend,” antwoordde Raffles, „of neen, ik zal lui sturen om het schilderij af te halen en wil u persoonlijk de in een gouden kast weggesloten laddersport overhandigen.”

Nadat het gesprek was afgeloopen, gingen de heeren naar het muzieksalon, waar zich de dames bevonden om naar de liederen van een beroemde zangeres te luisteren, die ook was uitgenoodigd.

Toen Raffles het muzieksalon binnentrad, bleef hij een oogenblik verbaasd staan.

In een zachtrose zijden japon, een magnifique Parijsch avondtoilet, zat Zwarte Betsy op eenigen afstand van den concertvleugel en keek met scherpe blikken naar de binnenkomenden.

Zij was eerst in den loop van den avond gekomen en het was de eerste keer, dat de biscuitfabrikant het waagde om zijn minnares onder den naam van Lady Melvil bij zich te ontvangen.

Niemand, behalve Raffles wist, welke gevaarlijke avonturierster zich onder de gasten bevond.

Niet ten onrechte noemde Zwarte Betsy zich de vrouwelijke Raffles.

En met dezelfde vijandschap die er tusschen kat en hond bestaat, haatte zij den veel handigeren mannelijken collega en onophoudelijk dacht zij erover na, op welke wijze zij hem, wiens concurrentie zij vreesde, onschadelijk kon maken.

Indertijd in Ostende, toen de groote onbekende als kamerheer van den koning van Servië den biscuitfabrikant waardelooze ordeteekens had aangesmeerd, was zij eenvoudig kamermeisje in het hotel geweest, waar de kamerheer had gelogeerd en het was haar bijna gelukt, hem te laten gevangen nemen, maar hij had zich door een van zijn meesterlijke streken weten te redden.

Inplaats daarvan zou zij zelf bijna in de gevangenis zijn gekomen!

Zij herkende hem onmiddellijk weer, toen hij binnenkwam.

Een oogenblik ontmoetten hun blikken elkaar en bleven tot elkaar aangetrokken als magneten en een groote haat lag in de oogen van Zwarte Betsy te lezen.

Zonder den blik neer te slaan, liet hij zich aan haar voorstellen als Lord Warrington en geen der aanwezigen vermoedde, dat de voorname demi-mondaine, die schijnbaar glimlachend met den Lord achter haar waaier fluisterde, een heftige woordenwisseling met dezen voerde.

„Ah!” sprak zij, „Lord Edward! Eindelijk ontmoeten wij elkaar weer eens. Ik had niet gedacht, dat gij het zoudt durven wagen om in het huis van een uwer vroegere slachtoffers te verkeeren.”

„Neem mij niet kwalijk, Madam,” antwoordde Raffles, „ik weet niet, waarover gij spreekt.”

„Och,” vervolgde Zwarte Betsy, „probeer maar niet mij te misleiden, of wilt gij comedie tegenover mij spelen? Ik herkende u onmiddellijk, Raffles, toen gij hier binnenkwaamt.”

„En ik jou, kleine Betsy,” spotte Raffles.

„Gij weet, dat ik gezworen heb om u onschadelijk te maken,” siste Zwarte Betsy, „wij hebben nog heel wat met elkaar af te rekenen.

„Gij hebt mij herhaaldelijk in mijn plannen gedwarsboomd en mij en mijn makkers groote schade veroorzaakt.

„Wat zoudt gij nu doen, als ik opstond en aan de gasten vertelde, dat gij de alom gezochte John C. Raffles zijt?”

„Ik zou dwaas zijn, als ik u vertelde, wat ik in dat geval zou doen. Maar, Madam, ik ben aan dergelijke toevalligheden in mijn beroep gewend. Mijn sport brengt nu eenmaal mee, dat zulke kleinigheden af en toe voorvallen.

„Ik denk, dat ik minder in verlegenheid zou geraken dan gij het zoudt zijn, als ik opstond en zei: mijne heeren, de dame, die hier zit, is een persoontje, dat zeer welkom zou zijn op het hoofdbureau van politie.

„Haar photographie kunt gij daar onder no. 3874 in het misdadigersalbum vinden.”

„Ellendeling!” siste Zwarte Betsy, „ik lach om uw dreigementen. Maar ik zie in, dat ik u hier op het oogenblik niet onschadelijk kan maken. Er zal zich wel een betere gelegenheid voordoen.”

„Ik hoop het,” antwoordde Raffles op onverschilligen toon, „het is altijd goed, als personen van uw soort niet achter kanten gordijnen, maar achter stevige ijzeren tralies zitten.”

Niemand vermoedde, dat het tweetal in een soort van wapenstilstand den avond in hetzelfde gezelschap doorbracht.

Alleen de biscuitfabrikant werd onrustig en had met jaloersche blikken naar het tweetal gekeken, dat zoo’n langdurig onderhoud samen had.

Laat in den nacht namen de gasten afscheid en toen Zwarte Betsy in de auto plaats nam, die voor de deur wachtte, keek zij in het glimlachende, ironische gelaat van Raffles, die beleefd zijn hoed afnam en sprak:

„Tot weerziens, Madam; het was mij bijzonder aangenaam, u weer ontmoet te hebben.”

Een blik vol woede trof hem uit de oogen van Zwarte Betsy; daarop reed zij naar haar woning in het Hydepark, terwijl Raffles een cab nam en zich ook huiswaarts begaf.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings