← Table of contents
Lord Lister No. 0055

De bajadere.

Reading edition

Giovanni Ravigno behoorde tot de meest bekende verschijningen van den kunstkring te Rome.

Nog maar een paar jaar geleden is het museum te Rome met een groot schilderij van hem verrijkt.

Inderdaad behoorde de jonge schilder, die nauwelijks dertig jaar oud was, tot de meest op den voorgrond tredende kunstenaars van Italië en deed zeer veel van zich verwachten.

Op zekeren dag bezocht ik hem in zijn villa. Ravigno’s mooi atelier lag buiten tusschen bloeiende oranjeboomen.

Daar de bediende van den schilder toevallig niet aanwezig was, deed hij mij zelf de deur open.

„Och, ben jij het!” zei hij, nadat hij mij even had opgenomen.

„Ik dacht, dat je nog altijd in Amerika zat. In hoelang hebben we elkaar niet gezien!”

„In geen vijf jaar!” antwoordde ik, eenigszins verbaasd over de koele ontvangst, die mij bereid werd.

Ik kon zien, dat Giovanni juist aan een portret had geschilderd. Hij had het evenwel met een doek bedekt.

„Zou je me niet in je laatste werken willen inwijden?” vroeg ik, nadat we een tijdlang over ditjes en datjes hadden gepraat.

„Je weet, dat ik altijd oprecht belang stel in je kunst, ik zou graag een paar woorden voor mijn blad over je willen schrijven!”

Hij aarzelde.

„Het is iets geheel nieuws,” hernam hij eindelijk. „Iets fabelachtigs wat ik daar maak! Ik weet nog niet hoe men het zal opnemen!”

„Een groote compositie?”

„O, neen! Slechts een bajadere!”

„Een bajadere? Hoe kom je op dat thema? Dus een soort studie of portret?”

Hij schudde het hoofd.

„Hoe kun je zoo praten!

„Kan een bajadere ook geen groote compositie zijn? Doch wat praat ik ook. Je kent haar immers niet! Wat weet jij van Iluma! De wereld kan zoo’n wezen geen tweemaal hebben voortgebracht!

„Zij is het heerlijkste, schoonste, wat ik ooit gezien heb! Een vrouw, zóó vurig en hartstochtelijk, dat het bijna onmogelijk is haar gestalte met het oog vast te houden.

„En toch heb ik het beproefd, en wanneer het mij gelukt, Iluma’s dans te schilderen, zooals ik hem zie, heb ik in ieder geval het fabelachtigste gewrocht, wat de „salon” te Rome ooit heeft ten toon gesteld.”

Ik was na deze inleiding natuurlijk in groote spanning om Iluma’s portret te zien.

Giovanni stemde toe en sloeg het doek weg.

Inderdaad, het was moeilijk, het beeld van Iluma te beschrijven. Giovanni had een wolk van gloed en hartstocht geschilderd, een dans, saamgesteld uit gratie, onstuimigen hartstocht en zonde, een dans, die zich niet liet beschrijven, doch dien men zelf moest zien.

„Vanwaar ken jij Iluma?” vroeg ik na eenigen tijd.

„Ze is de vrouw van den Engelschen gezant X,” antwoordde Giovanni. „Hij heeft haar bij een verblijf in Indië leeren kennen en getrouwd.

„Die Engelsche gek dacht, dat Iluma, die voorheen bajadere was, wel zou aarden in de Westeuropeesche landen; hij weet niet met haar om te gaan, ja, hij was zelfs zoo dwaas om toe te staan, dat zij zich bij mij als bajadere liet schilderen.

„Ik heb hem een eenvoudige schets gezonden, waarop zich van Iluma niets anders bevindt dan de smalle gloeiende lippen. Hij was daarmee tevreden,—doch sedert komt Iluma bijna iederen nacht om te dansen—en nu schilder ik haar, zooals ik haar zie, zooals ze inderdaad is,—doch misschien begrijp je mij niet?”

Of ik hem begreep! Ik begreep, dat deze vroeger zoo koele jonge man zich met Iluma overgaf aan een dolheid, die de voorbode was van een catastrophe.

Toen wij elkaar het laatst in New-York hadden ontmoet, had hij mij een mooi jong meisje als zijn bruid voorgesteld.

Op de kast stond haar portret en onwillekeurig nam ik het op om er naar te kijken.

Bijna brutaal rukte Giovanni het uit mijn hand en slingerde het in een hoek.

„Laat dat!”

De wijze, waarop hij met het portret der jonge dame omging, ergerde mij.

„Wat beduidt dat?” vroeg ik op scherpen toon. „Wat heeft zij je misdaan, dat je haar voor de oogen van een vreemdeling beleedigt?”

Hij maakte een beweging van walging.

„Niets heeft zij mij misdaan! Zij houdt nog altijd van mij! Doch ik haat haar, verafschuw haar, sedert ik Iluma liefheb!”

De atmosfeer in het atelier benauwde mij en maakte mij ongerust. Ik raapte het portret van het mooie, blonde jonge meisje op, zette het weer op zijn plaats en nam afscheid van Giovanni, die zoozeer in blijde afwachting stond, ongetwijfeld van Iluma’s komst, dat hij mij nauwelijks de hand reikte ten afscheid.—

Giovanni Ravigno liep onrustig in zijn atelier heen en weer, nadat ik hem had verlaten. Hij leefde in een zenuwkoorts, in een voortdurenden roes, sedert hij Iluma kende.

Hij telde de minuten, de oogenblikken, die hem nog van haar scheidden.

Wanneer zij ’s morgens van hem wegging, in een dichten sluier gehuld, om door een achterdeur in het paleis van haar man terug te keeren, stond hij met bleeke lippen aan het raam, kon niet in slaap komen en liep den heelen dag als een waanzinnige rond, totdat eindelijk de avond aanbrak.

Eerst dan vond hij rust en kracht tot werken, totdat het uur naderde, waarop zij moest komen. Dan begon hij te sidderen en te beven tot zij eindelijk kwam en danste.

Niet op Iluma was hij verliefd, doch op haar dans, op den dans der bajadere, die voor den Europeaan niet te beschrijven is.

Op dien avond werd er vroeger gebeld dan anders. Hij snelde naar buiten, rukte de deur wijd open, doch schrok terug en vloog naar het andere eind van het atelier.

„Maria!” riep hij uit, „jij waagt het, hier te komen?”

Het was een mooie, blonde jonge dame, dezelfde van het portret, dat Giovanni in mijn tegenwoordigheid in een hoek had geworpen.

„Waarom zou ik het niet wagen, Giovanni?” sprak zij met haar zachte, buigzame stem. „Waarvoor zou ik bang zijn? Heb je het recht, mij te verachten?”

„Neen, neen!” riep hij uit, „ik veracht je niet, maar ik bemin je niet meer. Ik haat je. Weg! Ga weg!”

Maria Bonmartini was de dochter van een deftige Italiaansche familie. Zij had glanzend blond haar en donkere oogen, hetgeen haar een bijzondere, droefgeestige bekoring verleende. Haar huid was blank als albast en het prachtige kleed deed haar vormen wondermooi uitkomen.

Zij was zoo schoon, dat het bijna onbegrijpelijk leek, dat een man aan wien zij haar hart had geschonken, zoo tot haar kon spreken. Zij was blijkbaar gekomen om het tusschen haar en Giovanni, die haar sedert weken ontweek en beleedigde, tot klaarheid te brengen.

De wijze, waarop hij haar nu behandelde, bracht de zachtmoedige Maria buiten zichzelf van woede.

Op verontwaardigden toon antwoordde zij:

„Hoe kom je er toe, Giovanni, zoo tegen mij op te treden? Heb je mij niet met een eed je liefde bezworen? Herinner je de uren en dagen, dat je aan mijn voeten hebt gezeten en mij hebt aangebeden! Vanwaar die plotselinge ommekeer? En hoe kun je denken, dat ik je beleedigingen kalm zal aanhooren? Ik laat mij dat niet welgevallen. Heel Rome weet, dat ik je vrouw zal worden,—waag je het werkelijk, mij prijs te geven aan de spot van alle mannen, die ik om jouwentwille heb afgewezen?”

Giovanni zat zwijgend in den hoek.

„Je prikkelt me met je klachten!” antwoordde hij ongeduldig. „Ga heen!”

Doch Maria ging niet en Giovanni, die ieder oogenblik vreesde, dat Iluma zou binnentreden, werd razend van woede.

Toen het hem niet gelukte, Maria te verwijderen, sprong hij plotseling op haar toe en trachtte haar met geweld naar buiten te dringen.

Maria Bonmartini echter was een Italiaansche; zij had warm bloed in haar aderen.

Zij trok een dolk.

Giovanni evenwel, sneller, behendiger en krachtiger dan zij ontwrong haar het wapen en stiet het haar in het hart.

Maria stortte neer. Zij ademde nog even, toen was zij een lijk.

Giovanni keek op zijn horloge. Door ontzetting aangegrepen vloog hij van den eenen hoek van het atelier naar den anderen.

Daar lag de doode en over vijf minuten, misschien al eerder, zou Iluma komen.

Te vergeefs pijnigde hij zijn hersens met de vraag wat hij moest beginnen.

Bevangen door den roes, die hem had aangegrepen, vonden het berouw en de wroeging ternauwernood een plaats in zijn hart. Slechts dit ééne hield hem bezig: waarheen zou hij Maria’s lijk brengen, opdat de moord niet uitkwam?

Hij besloot, de ongelukkige voorloopig naar een kamertje te sleepen, dat gewoonlijk diende tot bewaring van tinnen en verf.

Daar sloot hij het lijk op, reinigde den vloer van bloedsporen, wiesch zichzelf en was juist met dit alles klaar, toen Iluma binnentrad.

Zij droeg onder den wijden mantel en den kostbaren witten sluier, die haar geheel bedekten, het doorzichtige kleed der bajadere. Zij danste en Giovanni werkte.

Terwijl haar lichaam zich met draaiende bewegingen door het atelier bewoog, dat door rood licht werd beschenen, stond Giovanni voor zijn ezel en schilderde.

Zoo ging het elken nacht, totdat het begon te dagen.

Iluma stiet plotseling een luiden kreet uit en wierp zich op den grond. Zij hield een langen, zwarten vrouwenhandschoen in haar handen en snelde naar Giovanni toe, die verbleekend terugweek.

„Ellendeling! Verrader! Wie was er bij je? Je bemint een vrouw behalve mij? Kom, zeg op, aan wie deze handschoen toebehoort!”

Giovanni begon te liegen, vond allerlei uitvluchten en schijnbaar gelukte het hem, Iluma gerust te stellen.

Doch inwendig werkte de jaloezie en zij was vast besloten, achter het geheim te komen en zich op vreeselijke wijze op Giovanni te wreken.

Nadat zij hem had verlaten zon Giovanni na over een middel om het lijk van Maria ongemerkt te verwijderen.

Intusschen werd Maria door haar ouders gezocht, die de politie te Rome hadden gealarmeerd. Doch haar lijk werd niet gevonden.

Vele weken verliepen, totdat de dag aanbrak der tentoonstelling in de Salon te Rome. Giovanni zond twee kunstwerken in, waar van het eene een portret, getiteld: de bajadere.

Geheel Rome was onder den indruk van dit kunstwerk en de jury wees Giovanni eenstemmig de gouden medaille toe.

Ook voor zijn tweede inzending, een beeldhouwwerk, kreeg hij een prijs. In de gelaatstrekken van de vrouwenfiguur, die het voorstelde, meende menigeen Maria Bonmartini te herkennen.

Op zekeren dag gebeurde er iets vreeselijks.

Iluma had Giovanni niet meer bezocht en hij verging van verlangen naar haar.

Eindelijk gelukte het hem, haar toestemming te krijgen tot een samenkomst in het Salon. Zij verscheen zwaar gesluierd en verlangde met heftige woorden opheldering over het ontstaan van die vrouwenfiguur, waarin zij van af den eersten dag de overeenkomst had gezien met het portret, dat reeds lang al haar jaloezie had opgewekt.

Iluma werd steeds opgewondener en voordat Giovanni het kon verhinderen, haalde zij een kleinen zilveren hamer uit haar ceintuur te voorschijn, wierp zich op het beeld en sloeg het in stukken.

Wat er toen gebeurde was niet te beschrijven.

Tusschen de overblijfselen van het beeldhouwwerk lag het met bloed bedekte lijk van Maria Bonmartini.

De bezoekers van den Salon vluchtten als door een paniek aangegrepen door alle deuren weg.

Iluma evenwel keerde zich met den blik van een krankzinnige naar Giovanni.

Wellicht had zij tusschen haar sluier reeds den dolk verborgen gehouden, waarmee zij Giovanni doodstak.

Toen eindelijk de politie zich door de verschrikte menschenmenigte een weg kon banen, vond zij Iluma als een krankzinnige tusschen de beide lijken.

Zij lachte, toen zij gevangen werd genomen en bracht den tijd in de gevangenis door met hartstochtelijke dansen.

De volgende aflevering (No. 56) bevat:

De motorboot „Dolfijn”.

Belooning: 1000 pond sterling.

Wie kent hem? Wie heeft hem gezien?

Portret van Lord Lister.
Portret van Lord Lister.

Dat vraagt men in Scotland Yard! Dat vraagt heel Londen!

Lord Lister genaamd John C. Raffles, de geniaalste aller dieven

brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt en behoeftigen ondersteunt.

Man van eer in alle opzichten

spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:

Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.

Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, Lord Lister, genaamd John C. Raffles, den geniaalsten aller dieven, te vatten!

WARRANT OF ARREST. Vertaling: Bevel tot aanhouding.

Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension of the man described as under: Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt:

DESCRIPTION: Name: Lord Edward Lister, alias John C. Raffles. Age: 32 to 35 years. Height: 5 feet nine inches. Weight: 176 pounds. Figure: Tall. Complexion: Dark. Hair: Black. Beard: A slight moustache. Eyes: Black. Language: English, French, German, Russian, etc. Beschrijving: Naam: Lord Edward Lister, genaamd John C. Raffles. Leeftijd: 32–35 jaar. Lengte: ongeveer 1,76 meter. Gewicht: 80 kilo. Gestalte: slank. Gelaatskleur: donker. Haar: zwart. Baardgroei: kleine snor. Oogen: zwart. Spreekt Engelsch, Fransch, Duitsch, Russisch enz. enz.

Special notes: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown. Bijzondere kenteekenen: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam onbekend.

Charged with robbery. A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man. Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 pond sterling.

Headquarters—Scotland Yard. London, 1st October 1908. Police Inspector, Horny. Het Hoofdbureau van Politie Scotland Yard. Londen, 1. October 1908. Inspecteur van Politie (get.) Horny.

Roman-Boekhandel voorheen A. Eichler

Singel 236—Amsterdam.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings