Een bezoek bij den antiquair.
Reading edition
Raffles en Charly Brand bleven voor den winkel van den antiquair Barring in de Essex-street staan en de eerste bekeek met scherpen blik de constructie van het deurslot, voordat hij er zich mee ging bezighouden.
Er was een schild aangebracht van den nachtveiligheidsdienst en daaruit bleek, dat de winkel door beambten van deze instelling werd gesloten en bewaakt.
Het uitstalvenster was, zooals dat gewoonlijk bij juweliers het geval is, naar de buitenzijde met een ijzeren traliedeur afgesloten.
In de uitstalling bevonden zich allerlei kostbaarheden, juweelen, gouden sieraden, kostbare porseleinen voorwerpen en brokaatstoffen, terwijl op den achtergrond zeer kostbare oude Hollandsche schilderijen waren tentoongesteld.
John Raffles had een bos kunstig bewerkte steeksleutels uit zijn zak te voorschijn gehaald en, nadat hij met eenige ervan het slot had onderzocht, vond hij eindelijk een die paste en waarmee hij de deur opende.
Raffles had vermoed, dat een bel of wekker met deze deur in verbinding zou staan, maar dit bleek niet het geval te zijn.
Snel trad Charly Brand achter hem binnen en zacht sloot de groote onbekende de deur weer aan de binnenzijde.
Nu gingen zij verder en Raffles, die vreesde van de straat opgemerkt te zullen worden, als hij licht maakte, begaf zich naar een kamer achter den winkel, om die meer ongestoord te kunnen doorzoeken dan den winkel zelf.
Toen hij de deur opende, bleef hij verschrikt staan.
Het vertrek was helder verlicht, in het midden stond een ezel met een bijna voltooid schilderij erop en daarvoor zat, alsof hij geheel in zijn werk verdiept was, een mensch, blijkbaar een schilder.
Hij scheen de binnenkomenden niet op te merken, want hij verroerde zich niet.
Charly Brand haalde nauwelijks adem.
Als versteend bleef hij staan en het was hem, alsof zijn voeten hun dienst weigerden.
Zijn vriend echter bekeek met koelen blik den schilder, van wien hij slechts den rug zag en het lange zwarte haar.
Zachtjes sprak Raffles tot Charly Brand:
„Die man slaapt, maak zoo weinig geluid als mogelijk is, dan is er geen gevaar voor ons.”
Onhoorbaar naderde hij den slapende, wiens hoofd diep op de borst hing, terwijl penseel en palet op den grond lagen.
Onmiddellijk zag hij, dat het een kunstenaar was, die daar voor hem zat en vol belangstelling bekeek hij het bijna voltooide schilderij op den ezel.
Hij zou het voor een echten Rembrandt hebben gehouden, zoo prachtig was de copie uitgevoerd. Het origineel stond er naast.
Met kennersblik ik bekeek de lord het meesterwerk.
Plotseling echter boog hij zich naar den rechterhoek van het schilderij en liet een zacht gefluit hooren.
„Ik dacht het wel,” sprak hij fluisterend, tot Charly,—„dit schilderij is niet alleen copie—het is vervalscht!”
De secretaris keek eveneens naar de plek, die zijne vriend aanwees: precies zooals op het kleine origineel stond daar op het grootere in verrassende gelijkenis de handteekening van Rembrandt.
„Dat wist ik,” vervolgde Raffles. „Ik wist, dat ik hier bij den antiquair een bedriegershol van de ergste soort zou aantreffen.
„Om de geheimen van Barring nauwkeuriger te onderzoeken, zal ik een gesprek aanknoopen met dezen schilder en hem voor dat doel wakker maken.”
„Ik bid je,” sprak Charly Brand, „laat hem slapen, je kunt niet weten, welke onaangenaamheden je uitlokt.”
„Pah!” lachte de groote onbekende, „daarvoor ben ik nooit bang.”
Voordat Charly Brand het kon beletten, ging hij naar den schilder toe, legde hem de rechterhand op den schouder en schudde hem flink heen en weer.
Met een verschrikte gelaatsuitdrukking staarde de man, die zoo plotseling uit zijn slaap werd gewekt, Raffles aan.
Eindelijk sprong hij op en stamelde:
„Wie zijt gij, heeren? Wat wenscht gij van mij?”
„Stel u gerust,” sprak Raffles, „wij zijn geen moordenaars en wenschen ook niets slechts, integendeel!
„Ik zie, dat gij daar een mooi schilderij hebt vervaardigd. Rembrandt zelf had het niet beter kunnen schilderen. Gij zijt een genie!”
Het gelaat van den ongeveer twintigjarigen schilder, dat een meisjesachtige, zachte uitdrukking had, werd bij de woorden van lof, die Raffles tot hem sprak, donkerrood.
Hij scheen alle vrees voor de twee heeren, die zoo plotseling voor hem stonden te hebben verloren en sprak met een bitteren lach:
„Wat geeft mij al mijn aanleg, Sir, als ik daarmee niet genoeg verdien om mijn honger te stillen?”
„Wat?” vroeg Raffles verbaasd, „zooveel verdient gij nog niet?—Iemand die zoo begaafd is als gij, zou rijk moeten zijn.”
„Gij vergist u,” antwoordde de schilder, terwijl hij met een somberen blik naar het schilderij keek, „wie hier in Londen geen protectie bezit, dien koopen de voorname lui geen enkel schilderij af.
„Hier bij ons wordt alleen hij betaald, die in de mode is”.
„Wel”, antwoordde de Lord, „dat kan zijn, ik wil dat niet ontkennen. Maar zeg eens, wat krijgt gij van Mr. Barring voor dit werk?”
„Twee shilling per dag”, luidde het antwoord.
„Wat?” riep Raffles uit, meenende niet goed verstaan te hebben. „Krijgt gij per dag twee shilling? Zooveel verdient immers een huisschilder in een paar uur!”
„Ik ben niet geschikt om huisschilder te worden. Ik ben longlijder en heb reeds een keer een bloedspuwing gehad.”
„Nu,” sprak Raffles, „als gij hier van den morgen tot den avond in dit hol zit, zal uw gezondheid er ook niet beter op worden.”
„Ik heb geen andere keus”, antwoordde de schilder, „en ik dank den hemel, dat ik dit werk nog heb. In vergelijking met verschillende van mijn collega’s ben ik nog rijk te noemen. Zij hebben dikwijls nog niet zooveel om zich elken dag een warmen maaltijd te kunnen veroorloven.”
„Hm,” sprak Raffles peinzend, „ik had toch gedacht, dat gij inplaats van twee shilling per dag minstens twee pond sterling zoudt verdienen, want”—hij zweeg veelbeteekenend en keek naar den rechterhoek van het schilderij, waar de naam Rembrandt stond.
Met een schuwe gelaatsuitdrukking volgde de schilder zijn blik en opnieuw kleurde een donkere blos zijn gelaat.
Daar hij niet antwoordde, vervolgde de Lord:
„Ik geloof, dat gij mij begrijpt, mijnheer.
„Wie een Rembrandt zoo handig copieert en zijn handteekening zoo uitstekend namaakt, dat hij niet van de echte te onderscheiden is, die verdiende toch eerlijk twee pond per dag”.
Hij zweeg een oogenblik en vervolgde daarna:
„Zeg eens, vriend, hoeveel van dergelijke schilderijen hebt gij reeds gefabriceerd?”
De schilder was overbluft en wist niet wat te antwoorden.
Eindelijk sprak hij met moeite:
„Pardon Sir, ik weet niet, met welk recht gij mij dat vraagt.
„En—verder—mijnheer, ik weet in het geheel niet, hoe gij eigenlijk hier zijt gekomen. De winkel werd toch, evenals altijd, door Mr. Barring gesloten en zal niet voor morgenochtend geopend worden”.
Raffles gaf geen antwoord, sloeg de capuchon van zijn regenmantel, die nog steeds zijn gelaat bedekte, een weinig terug, nam een der antieke stoelen, die in het vertrek stonden, bekeek vluchtig het kunstige snijwerk daarvan en ging erop zitten met de kalmte en het gemak van een bezoeker, wien door den gastheer een stoel wordt aangeboden.
Hierop haalde hij zijn sigarettenetui te voorschijn, sloeg het eene been over het andere, stak tamelijk langzaam en omslachtig een sigaret aan en presenteerde daarop het van juweelen vonkelende etui aan Charly Brand.
Daarop begon hij te rooken en eerst nu richtte hij zich weer tot den schilder, die vol verbazing naar het eigenaardige optreden van den grooten onbekende keek en sprak:
„Gij hebt zeer zeker reden om u te verbazen, hoe ik hier ben binnengekomen, hoewel deze vraag eigenlijk geheel en al overbodig was.”
„In hoeverre overbodig?” antwoordde de schilder.
„Wel, in zooverre”, sprak Raffles, „dat gij zelf weet, dat de deur van den winkel gesloten was en ik dus hier niet had kunnen binnenkomen, zonder deze te openen!
„Daar ik nu toch hier ben, moet ik natuurlijk de deur hebben geopend. En daar ik geen sleutel van Mr. Barring heb gekregen, heb ik dit met mijn eigen gedaan. Ik ben hier dus, zooals men dat noemt, ingebroken.”
Het gelaat van den schilder werd bleek, vol ontzetting staarde hij naar Raffles, die hem dit alles met de grootste kalmte, af en toe rookend, vertelde.
„Om Gods wil,” antwoordde hij nu, „wat wilt gij hier? Gij maakt u schuldig aan misdaad en als Mr. Barring kwam, zou hij de politie roepen!”
De groote onbekende lachte hartelijk en rookte bedaard door.
Daarop sprak hij op afgemeten toon:
„Mr. Barring zal toch zeker de politie niet halen, opdat deze kan zien, welke prachtige vervalschingen hier worden vervaardigd?”
„Gij hebt gelijk”, stamelde de schilder.
„Gij ziet dus,” vervolgde Raffles, „dat iemand, die bij Mr. Barring inbreekt, geen gevaar te duchten heeft. Ik begrijp niet, hoe de man zoo dom kan zijn om zijn winkel zoo af te sluiten tegen inbrekers.
„Werkelijk, als alles, wat zich in den winkel van dien heer bevindt, zulke mooie vervalschingen zijn als de Rembrandt, die gij daar copieert, dan moet het een domme inbreker zijn, die iets van Mr. Barring steelt.
„Maar luister nu eens, jonge vriend.
„En van het oprechte, eerlijke antwoord, dat gij mij geeft, hangt misschien veel voor u af.
„Ik vraag u nogmaals:
„Hoeveel van dergelijke vervalschte schilderijen hebt gij hier reeds gemaakt?”
Met onzekeren blik keek de schilder Raffles aan.
Daarop stamelde hij:
„Ik kan het u niet zeggen.”
„Een dozijn?”
De schilder haalde de schouders op.
„Meerdere dozijnen?”
„Yes, Sir!”
„Heeft Mr. Barring ze alle verkocht?
„Voor een deel wel. Twee zelfs aan het museum alhier”.
„Wie bezit de andere?”
„Eenige kunsthandelaren in Berlijn, Parijs en Petersburg. De heeren hebben een vereeniging opgericht om de schilderijen zoo goed mogelijk te verkoopen.”
„En gij zijt de eenige fabrikant?”
„Ja, dat ben ik!”
„Man, gij verdient om in een koudwaterinrichting te worden opgenomen. Gij zijt gek.
„Gij fabriceert voor duizenden aan waarde en zijt misschien niet eens in staat om u een fatsoenlijk pak kleeren te koopen.”
„Daarin hebt gij volkomen gelijk,” antwoordde de schilder, „maar de nood heeft mij hierheen gedreven en uit nood doe ik dit werk.”
„Zijn de meubelen en andere voorwerpen, die zich hier in den winkel bevinden, ook op die manier vervaardigd als de Rembrandt op den ezel?”
„Yes, Sir! Doch slechts met dit verschil, dat uit een echte oude tafel een kwart dozijn worden gemaakt.
„De drie stoelen bijvoorbeeld, die gij hier ziet, zijn van een enkelen echten gemaakt, die uit elkaar werd gehaald.
„De ontbrekende deelen heeft een jong beeldhouwer vervaardigd, die zich een half jaar geleden van kant heeft gemaakt.”
Raffles keek nadenkend naar de stoelen en zag daarop in een hoek van het vertrek een brandkast staan.
Hij stond op, ging er naar toe en nadat hij er eenige minuten vol aandacht naar gekeken had, haalde hij weer zijn steeksleutels te voorschijn en begon ze op het slot der brandkast te probeeren.
„Om ’s Hemels wil, Sir!” riep de schilder uit, „maak uzelf en mij niet ongelukkig en laat de brandkast onaangeroerd!”
„Wees onbezorgd”, antwoordde Raffles, „ik zal er niets uitnemen en stel alleen belang in de oude constructie.
„Kom eens hier, Charly!” riep hij dezen toe, „deze kast moet een van de oudste zijn, die er bestaan. Ze bezit slechts een eenvoudig draaislot en twee grendels.
„Kinderwerk, om haar te openen.”
„Daar—”
Met zacht geluid sprong het slot terug en Raffles opende de deur der brandkast.
„Ik bid u”, smeekte de schilder, „laat alles onaangeroerd. Mr. Barring zal anders gelooven, dat ik de kast heb opengebroken.”
„Daarin vergist gij u”, sprak Raffles, „dat zou Mr. Barring denken, als hij een ezel was. Daar hij echter een geslepen schurk is, zal hij zulk een kunststuk niet van u verwachten.”
De Lord keek vol belangstelling in de brandkast en nam er plotseling iets uit.
„Aha, hier heb ik, wat ik zocht”, sprak hij tot Charly Brand, „het chequeboek van den heer Barring. En hier liggen ook brieven, die hij onderteekend heeft, zoodat het voor den jongen kunstenaar daar een kleinigheid zal zijn, mij volgens dit voorbeeld op een der cheques den naam van zijn edelmoedigen werkgever te zetten.
„Luister eens”, sprak hij nu tot den schilder, „ik wil u eens iets zeggen:
„Hebt gij zin om in de gevangenis te komen?”
„Neen, neen, om ’s Hemels wil, neen! Mijn oude moeder zou van schaamte en verdriet sterven.”
„All right”, antwoordde Raffles, „ik laat u de keus. Hier ligt een cheque, waarop gij den naam van Mr. Barring, precies zooals die op dezen brief staat, moet copieeren.”
„Dat kan ik niet doen”, antwoordde de schilder op angstigen toon.
„All right”, antwoordde de vreemde heer, het chequeboek weer in de brandkast terug leggend, „dan zal ik morgen de politie een wenk geven, omtrent hetgeen gij hier met Mr. Barring uitvoert en dan kunt gij jarenlang naar het tuchthuis gaan.”
Op het gelaat van den schilder stond hevige tweestrijd te lezen.
Raffles ging naar de deur, maar keerde zich nog eens om en sprak:
„Dus?”
Toen raapte de schilder al zijn moed te zamen, greep het chequeboek, nam papier en pen en zonder den Grooten Onbekende meer aan te zien, copieerde hij naar het voorbeeld van den brief den naam Barring en zette dien op de cheque.
Toen hij ermee gereed was, stond het zweet hem in dikke droppels op het voorhoofd.
„Hier hebt gij het verlangde”, sprak de schilder, terwijl hij Raffles, die naast hem was komen staan, de cheque gaf.
Deze vergeleek de onderteekening nauwkeurig met die van den brief, knikte tevreden en sprak:
„Zeer goed gedaan. En nu wil ik u eens wat zeggen, mijn jonge vriend. De vervalsching van deze cheque is geen schande voor u. Want ik dwong u tot deze misdaad. En nu wilt gij zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij uw adres te geven, dan hoop ik wel iets goeds voor u te kunnen doen.
„Zet uw naam op dit stuk papier.”
Nadat de schilder het had gedaan, stak de Lord het adres bij zich, evenals de cheque en ging naar de brandkast. Hierin legde hij het chequeboek en bracht alles weer zoo in orde, dat niemand iets van het voorgevallene kon vermoeden.
Daarna sloot hij de kast, trok de capuchon van zijn regenjas weer over het gelaat en sprak:
„Het zou beter zijn, als gij gingt slapen! Gij ziet er heel slecht uit, jonge vriend en misschien hebt gij spoedig uw krachten voor een beter doel noodig dan om voor Mr. Barring Rembrandt te vervalschen.”
Hij stak den schilder zijn hand toe, welke deze aarzelend aannam.
„Mag ik weten, wie gij zijt?” vroeg hij.
„Dat komt er voor u eigenlijk niet op aan”, antwoordde Raffles, „maar ik zal u zeggen onder welken naam ik bij de Engelsche pers en het Engelsche volk bekend sta:
„Ik ben de Groote Onbekende!”
Verschrikt staarde de schilder naar den sprookjesachtigen persoon, naar den meesterdief, dien hij uit de kranten kende.
Het was hem, alsof er een sluier voor zijn oogen kwam, alsof de persoon van John C. Raffles zich in een nevel had opgelost en nu plotseling was verdwenen.
Als onder hypnose staarde hij nog steeds naar de plek, waar Raffles zoo juist nog had gestaan en die nu leeg was.
Met een rilling van angst begaf de schilder zich met een licht naar den winkel om zich ervan te overtuigen of de deur gesloten was.
Juist toen hij deze was genaderd, kwam van buiten een beambte van den nachtveiligheidsdienst om te zien of het slot in goede orde was.
„Hallo, Sir Jonas”, riep de beambte den schilder toe door de gesloten deur, „werkt gij tegenwoordig elken nacht? Dat is niet goed voor u, ga liever slapen.”
De schilder hoestte en antwoordde:
„Ik zal weldra een tijdje verlof nemen. Zeg eens, nachtwacht, hebt gij hier aan de winkeldeur een paar mannen in gummijassen gezien?”
„Neen”, antwoordde de nachtwacht, „hoezoo? Ik heb hier niemand gezien. En aan de deur kan niemand geweest zijn. Alles is volkomen in orde!”
„Ik dank u”, antwoordde de schilder.
Daarop ging hij naar zijn werk terug, steunde het hoofd met beide handen en, als hij niet den fijnen geur van Raffles’ sigaret had geroken en de asch op den grond had zien liggen, dan zou hij inderdaad aan een middernachtelijk spook hebben geloofd.