← Table of contents
Lord Lister No. 0055

De beschuitfabrikant.

Reading edition

Inspecteur Baxter, de chef van het hoofdbureau van politie van Scotland Yard, had zijn secretaris, detective Marholm, die gewoonlijk „de Vloo” werd genoemd, weggestuurd, omdat hij een conferentie had met een dame.

„Het wordt steeds fraaier,” sprak de vloo tot zichzelf, toen hij in het portaal stond en naar de gesloten deur van het heiligdom van zijn chef keek, „nu laat hij de dames al in het hoofdbureau van politie komen en daarbij toont hij een slechten smaak te bezitten, die meer dan erg is. Ik heb zelden zulk een afschuwelijk vrouwspersoon gezien als die nu bij mijn chef op bezoek is.”

Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij een pijpje zou stoppen om te gaan rooken of dat het beter zou zijn om door het kijkgaatje te zien wat er in de kamer van zijn chef voorviel.

Het kijkgaatje was een klein venstertje in de deur, voorzien van een klein klepje van blik en dat iets grooter was dan een menschenoog.

De inspecteur van politie had het laten aanbrengen om zijn secretaris, wanneer deze werkte, ongemerkt te kunnen bespieden.

De vloo besloot om gebruik te maken van het kijkgaatje. Hij sloop op de teenen naar de deur en keek in de kamer.

Hij had iets anders verwacht dan hetgeen hij zag.

Inspecteur Baxter zat met over elkaar geslagen beenen aan zijn schrijftafel en rookte, terwijl naast de schrijftafel de bezoekster had plaats genomen. Zij had een notitieboekje en potlood in de hand.

De vloo kon alles wat er tusschen zijn chef en de vreemde meid werd verhandeld, duidelijk hooren.

Juist sprak de inspecteur:

„Voor alles, miss Prince, mag niemand iets van onze overeenkomst weten. Gij zijt de eerste persoon, aan wie ik beken, dat het mij niet gelukt om Raffles te vangen.

„Daar ik van uw groot succes bij internationale misdadigers heb gehoord, ben ik op het idee gekomen om door u Raffles eindelijk onschadelijk te laten maken. Ik hoop, dat het u zal gelukken.”

„Twijfel daaraan niet, inspecteur,” antwoordde Miss Prince,—„het zal mij ongetwijfeld gelukken, Raffles te vangen. Zoo lang gij de zaak in handen hadt, had ik er geen belang bij, mij met den meesterdief bezig te houden.

„Ik wilde u niet in de wielen rijden.

„Nu gij mij echter officieel opdracht er toe geeft, zeg ik u hiervoor mijn dank en waarschijnlijk zal aan de vrouw gelukken, wat de mannen tot dusverre niet hebben kunnen doen.”

De vloo glimlachte, en als de inspecteur van politie het grijnslachje van zijn detective had kunnen zien, zou hij hem een van zijn ellenlange vloeken naar het hoofd geslingerd hebben.

„Zooals ik zie, Miss Prince,” vervolgde hij, „ik heb er om verschillende redenen persoonlijk belang bij, Raffles onschadelijk te maken. Waar hij kan, speelt hij mij een poets.”

Miss Prince lachte vol zelfvertrouwen.

„Dat heerschap zal niet al te veel tijd meer hebben om zich in zijn vrijheid te verheugen. Ik houd van vlug afwerken!”

„Ik wensch u het beste,” sprak Baxter.

„Hebt gij eenig vermoeden, waar de woonplaats of het tegenwoordige verblijf van den grooten onbekende in Londen is?”

„Hij bezit altijd verscheidene woningen, dat wil zeggen, zoogenaamde schuilhoeken, die hij tengevolge van zijn onmetelijk fortuin tegen elkaar verwisselt als een gentleman zijn handschoenen.

„Bovendien moet hij onder een vreemden naam hier een paleis bewonen, dat ik echter ook niet ken.

„Gij ziet, dat het niet gemakkelijk is, den meesterdief te pakken te krijgen.”

Miss Prince knikte toestemmend.

„Misschien bezit gij een photographie van hem.”

„Ook dat niet,” antwoordde Baxter, „ik kan u zelfs geen nauwkeurige beschrijving geven.

„Hij heeft telkens een andere vermomming.

„Ik zou u kunnen zeggen, dat hij gladgeschoren is, terwijl hij misschien op hetzelfde oogenblik een witten baard draagt of een Franschen Henry IV, misschien zelfs een snor als keizer Wilhelm.

„Misschien gaat hij op het oogenblik gekleed als een Engelsch gentleman, of in uniform, zoo hij niet als een bedelaar in lompen is gehuld.

„Ja, het zou best mogelijk kunnen zijn, dat gij hem op straat tegenkwaamt en dacht dat ik het was.”

„Een merkwaardig mensch!”

„Duivels handig! Hij zou een acteur geworden zijn, zooals er geen enkele op aarde bestaat.

„Een nieuwe Irving—een Kainz.

„Want elke vermomming geeft hij met onnavolgbare gelijkenis weer.

„Hoe dikwijls heb ik reeds de hand op hem gelegd, hoe vele malen heeft hij tegenover mij gestaan en gewoonlijk vernam ik eerst een kwartier later door de telefoon of door middel van zijn visitekaartje, dat hij mij heel beleefd zond, dat hij het was geweest.

„Hij heeft mij reeds dermate tot wanhoop gebracht, dat ik op straat of waar dan ook in iedereen, dien ik tegenkom, Raffles vermoed. Kort en goed, ik kan hem niet krijgen en daarom vraag ik uw medewerking.”

„Geef mij het bevel tot inhechtenisneming.”

Met een ijver, welke Baxter anders niet kenmerkte, schreef hij het bevel, onderteekende en stempelde het en overhandigde het aan Miss Prince.

De vrouwelijke detective las het bevel tot inhechtenisneming door, vouwde het zorgvuldig op en borg het in haar handtaschje.

„Gij zult weldra iets van mij vernemen,” sprak zij en stond op om heen te gaan.

„Laat ons het beste hopen, Miss Prince, ik laat alles over aan uw verstand en handigheid.”

Het tweetal gaf elkaar de hand, de vloo sprong van het kijkgaatje weg en toen Miss Prince uit het bureau kwam, stond hij zich zichtbaar bij het venster te vervelen en naar buiten te kijken.

Voordat Miss Prince echter het vertrek verliet, keerde Marholm zich met een ruk om, om nogmaals haar gelaat te zien.

„Drommels,” sprak hij, „een monster van leelijkheid. Die past eerder in manskleeren dan in een japon.”

Daarop ging hij naar zijn chef, die weer aan zijn schrijftafel zat en juist van plan was, een versche sigaar op te steken.

„Dat bezoek heeft niet lang geduurd,” sprak de vloo en nam een bundel acten op, die op zijn schrijftafel lagen om gecopieerd te worden.

„Stoor mij niet,” antwoordde Baxter kortaf. „Gij ziet, dat ik bezig ben.”

Bij die woorden blies hij vol welbehagen een dikke rookwolk voor zich uit.

„Ja, ja,” sprak de vloo, „daarvan een dozijn op een dag rooken, is een moeilijk werk!”

„Bedoelt gij mij daarmee?” vroeg Baxter op scherpen toon.

„Ik bedoel alleen,” antwoordde de vloo, „dat ik u tot dusverre altijd met veel knappere dames zag. Die lady van zooeven zou mijn keus niet zijn.”

„Weet gij dan, wie die dame was?” vroeg Baxter.

Marholm lachte.

„Drommels, denkt gij dat ik alle oude wijven in Londen ken? Dat genoegen laat ik graag aan u over.”

„Praat toch geen onzin,” antwoordde Baxter. „Het was geen gewoon damesbezoek, zooals men dat anders ontvangt, deze dame kwam voor zaken bij mij. Alleen voor zaken!

„Het is de beroemde Amerikaansche, Miss Prince!”

„Ha, ha, de vrouwelijke detective!”

„Ja”, riep Baxter, „en deze vrouw zal mij den geslepen Raffles eindelijk in handen leveren.”

„Nu,” lachte de vloo, „wie weet, welk Trojaansch paard gij met die dame weer naar binnen hebt gehaald.”

„Gij moet eindelijk uw aardigheden eens voor u houden, Marholm; ga maar liever aan uw werk en bemoei u niet met dat, wat ik doe. Gij steekt veel te dikwijls uw neus in mijn zaken.”

„Neem mij niet kwalijk,” antwoordde de vloo met een spottende buiging, „de Hemel moge mij bewaren, want als ik mij met uw zaken bemoei dan zou immers mijn naam naast die van u in de kranten worden genoemd.”

Baxter deed alsof hij deze woorden niet hoorde—hij wilde zich niet ergeren.

De vloo echter vervolgde:

„Nu ontbreekt ons bij die vrouwelijke detective nog alleen maar een vrouwelijke Raffles.”

Zich niet storende aan den woedenden blik, dien zijn chef hem toewierp, nam hij aan zijn schrijftafel plaats, stopte, het voorbeeld van zijn chef volgend, zijn tabakspijp en begon dikke rookwolken voor zich uit te blazen.

Waarom zou hij werken als zijn chef het niet deed?

Zoodra de inspecteur van politie heenging, zou hij het copieerwerk op de secretarie brengen, dan konden de heeren daar zien, hoe ze er mee klaar kwamen.

Baxter had de gewoonte, nooit langer dan hoog noodig was, in het bureau te blijven.

Weldra stond hij op, kleedde zich aan en, in de deur staand, sprak hij tot zijn secretaris:

„Als er iets gewichtigs mocht gebeuren, moet gij maar naar mijn woning telefoneeren. Bonjour!”

De vloo beantwoordde den groet van zijn chef slechts met een onverstaanbaar gebrom.

Nauwelijks had de inspecteur de deur achter zich gesloten, of ook Marholm stond op en nam zijn overjas, om het voorbeeld van zijn chef te volgen.

Juist wilde hij heengaan toen hij een verbazend dikken heer tegen het lijf liep. Hij riep uit:

„Duivels, uw buik vult de geheele deuropening, gij moet er zijwaarts doorgaan.”

„Pardon,” antwoordde de ander, „ik zag niet, dat gij er uit wildet.”

„Ja, ja,” spotte de vloo, „Men kan moeilijk over zoo’n vetbuik heenkijken.

„Maar luister eens, ken ik u niet?”

„Jawel,” antwoordde de dikkert met een zware stem, „ik ben de hofleverancier van Zijne Majesteit den Koning, den biscuitfabrikant Simson.

„Alle koningen van Europa, alle hertogen en andere allerhoogste personen hebben mij voor mijn biscuit reeds bekroond en bovendien ben ik in het bezit van alle onderscheidingen der Engelsche en Amerikaansche hoogescholen.”

„Kolossaal!” sprak de vloo, „maar men kan ook wel aan u zien hoe beroemd gij zijt. Gij zijt een persoon van gewicht.”

„Dat ben ik zeker! Ik weeg driehonderdvijftig pond! Ik durf beweren, op een na de zwaarste man in de Vereenigde Koninkrijken te zijn.”

„Zeer aangenaam, kennis met u te maken; dat wil zeggen, ik kende u immers al van de geschiedenis, welke gij met Raffles hebt gehad, waarin gij ook een rol hebt gespeeld.

„Gij hielpt hem toen bij zijn vlucht, zonder te weten, met wien gij te doen hadt”.

„Ja,” sprak de biscuitfabrikant, „dat was toen een allergekste geschiedenis. Ik had er geen flauw vermoeden van, dat de voorname gentleman, dien ik te Ostende leerde kennen en dien ik op mijn jacht naar Londen bracht, de veelgezochte Raffles was.

„Dat zou me nu niet meer kunnen overkomen, nu zou ik den schurk onmiddellijk bij den kraag pakken en hem als een hond naar het hoofdbureau van politie sleepen.”

„Dan hadden wij hem eindelijk en dat zou te wenschen zijn,” antwoordde de vloo. „Gij zoudt daarmee politieinspecteur Baxter den allergrootsten dienst bewijzen.

„Mag ik u nu vragen, wat u eigenlijk tot ons voert?”

„Een eigenaardige zaak,” zuchtte de fabrikant, wien het spreken tengevolge van zijn vetbuik en zwaarlijvigheid moeilijk viel.

„Een zeer eigenaardige zaak. Ik heb in een mijner huizen in Eastend in een atelier, boven, op de vierde étage, iemand wonen, die beweert modelleur te zijn. Door dien man leerde ik een antiquair kennen, een zekeren Barring.

„Deze Barring nu bracht mij verleden week een met edelsteenen bezetten sigarettenkoker, op wier deksel met juweelen—en robijnen—de naam van keizer Nero stond”.

„Wat!” riep de vloo uit, de rechterhand aan zijn oor houdende om beter te kunnen hooren. „De naam Nero op uw sigarettenkoker?”

„Ja,” antwoordde de biscuitfabrikant, „het is een sigarettenkoker, die het eigendom is geweest van keizer Nero en de echtheid ervan is mij door een document gewaarborgd, dat de antiquair mij bij den koop overhandigde.

„Deze kostbare koker is mij gisteren ontstolen.

„Ik kom derhalve hier om den diefstal aan te geven.”

„Om u de waarheid te zeggen,” antwoordde de vloo, „ik laat mij niet graag iets wijs maken. Een sigarettenkoker uit den tijd van Nero? Hoor eens, dat is een beetje gek! En die zou door iemand gestolen zijn? Zoo’n sigarettenkoker bestaat er immers niet!”

„Wat?” riep de biscuitfabrikant. „Bestaat die niet? Dat moet ik toch beter weten, ik had dien immers zelfs in mijn bezit en het was nog wel de grootste zeldzaamheid van mijn geheele verzameling!”

„Kostelijk!” lachte de vloo, „gij verkeert dus werkelijk in de meening, dat keizer Nero al sigaretten heeft gerookt? Kent gij misschien ook de firma, van welke hij ze betrok?”

„Jawel”, antwoordde de biscuitfabrikant, „ook de firma is mij bekend, want het wonderlijkste aan het geheele étui was een Egyptische sigarette, de laatste, die van de sigaretten van keizer Nero overbleef”.

De vloo ging een stap achteruit om den biscuitfabrikant goed te kunnen aankijken.

„Zeg eens, mijn waarde”, vroeg hij op eenigen afstand, „hebt gij al eens delirium tremens of een dergelijke hersenziekte gehad?”

„Ik begrijp u niet,” antwoordde Mr. Simson, „ik heb tot dusverre nog geen hoofd- of hersenziekten gehad. Ik ben zoo gezond als een visch in het water en alleen als ik eraan denk, dat misschien een gemeene vagebond, de eerste de beste gauwdief op dit oogenblik de laatste sigaret van keizer Nero rookt, dan zou ik razend kunnen worden.”

„Om ’s Hemels wil!” weerde de vloo af, „doe dat als gij thuis zijt, maar niet hier.

„Maar zeg eens, hoe heet de firma, waarvan die sigaret afkomstig is?”

„Aegyptos,” antwoordde de biscuitfabrikant in vollen ernst. „Eenvoudigweg Aegyptos en de naam was met Grieksche letters op het papieren omhulsel van de sigaret gedrukt.”

„Wat was hij?” lachte de vloo, „de naam was gedrukt? Sir, ik weet niet, wat ik meer moet bewonderen, uw domheid of uw krankzinnigheid! Voor zoover ik weet, bestond er in de tijden van Nero noch een drukkerij, noch een firma, welke sigaretten fabriceerde. Uw verstand schijnt in uw vetbuik gezakt te zijn!

„Mijnheer!” stoof de dikkert op, „houd uw beleedigingen voor u! Ik ben niet hier gekomen om mij door u te laten uitschelden en bespotten.”

„En ik sta niet hier,” antwoordde de vloo, „om mij door u dergelijke nonsens te laten vertellen.”

„Dat is geen nonsens,” riep de biscuitfabrikant met schrille stem, „vraag den antiquair Barring en lees het document, dat ik in mijn zak heb. Tenminste als gij Latijn kent.”

„Dat kan ik niet,” antwoordde de vloo, „maar het is mij voldoende, als gij het kent.”

„Ik kan het helaas ook niet,” was het antwoord van Mr. Simson, „maar Mr. Barring, door wiens tusschenkomst ik het sigarettenetui van keizer Nero van een vroegere actrice, Miss Betsy Hartwig kocht, zal u den inhoud van het document bevestigen.”

„Hoe heet de dame, van wie gij het etui hebt gekocht?”

„Miss Betsy Hartwig?”

„Hartwig?” lachte de vloo, „die dame heeft zwart haar, nietwaar?”

„Ja!”

„En een donker teint?”

„Ja!”

„Is ongeveer 35 jaar oud?”

„Ja,” antwoordde de biscuitfabrikant, „gij schijnt die dame te kennen, waarom vraagt gij mij dat alles dus?”

„Wacht een oogenblikje, Sir!” sprak de vloo, „ik zal u even het portret van die dame halen!”

Hij belde en beval den binnentredenden politieagent om uit de misdadigersalbums photographie no. 3874 te halen.

De politieagent ging heen en de vloo, die de geheele zaak als een kostelijke grap beschouwde, sprak tot den biscuitfabrikant:

„Gij schijnt een groot vriend van oudheden te zijn!”

„Ik ben daarvoor bekend,” antwoordde Dr. Simson. „Mijn huis is gevuld met de kostbaarste schatten, die ik heb kunnen verkrijgen. Ik bezit echte Rubens, Van Dijks, Rembrandt’s en Frans Hals’, kunstige goudwerken, kostbare meubelen, tapijten, wapens en borduurwerken. Mijn vermogen stelt mij in staat, mij deze weelde te veroorloven.”

„Uw biscuits moeten een onuitputtelijke bron van inkomsten vormen.”

„Dat doen zij ook,” sprak de fabrikant. „Er is geen hof in Europa en geen familie, waar niet mijn fabrikaat gegeten wordt. Zij zijn licht verteerbaar, goed van smaak en niet duur.”

„Kolossaal,” lachte de vloo, „het spijt mij werkelijk, dat ik niet ook biscuitfabrikant ben geworden.”

Op dit oogenblik trad de politieagent binnen en overhandigde de vloo de gevraagde photographie.

Nauwelijks had Mr. Simson een blik op het portret geworpen, of hij riep op levendigen toon uit:

„Gij hebt gelijk, dat is zij. Hoe komt gij aan die photo?”

„Heel eenvoudig,” lachte de vloo, „die dame is hier op het hoofdbureau van politie een der meest bekende persoonlijkheden. Zij is een avonturierster van de gevaarlijkste soort en heeft ons al veel werk veroorzaakt.

„Zij is zeer handig en weet op sluwe wijze aan de naspeuringen der politie te ontsnappen.

„Slechts één enkel zwak heeft zij en dat is haar voorliefde voor den naam Betsy. Op dien naam is zij zoo verliefd als gij op uw antiquiteiten of als een jeugdig minnaar op zijn uitverkorene.

„Die naam schijnt een soort talisman voor haar te zijn. Den naam Betsy legt zij nooit af.

„Ik hoop, Mr. Simson, dat de aanwezigheid van het portret dezer dame in ons misdadigersalbum u voldoende zal zijn om u te overtuigen, dat gij werkelijk bedrogen zijt door een oplichtster, met behulp van medeplichtigen, waarvan de antiquair Barring er een is.

„Maar—ik wil u eerlijk toegeven, deze oplichterij is zoo vermakelijk en zoo.….. men zou bijna zeggen kunstig, dat niemand „Zwarte Betsy” een verwijt zal maken over den sigarettenkoker van keizer Nero en de zich daarin bevindende sigaret.

„Het zal het beste zijn, dat gij er over zwijgt, want anders moet gij niet alleen de schade, maar ook de schande dragen.

„Iedereen die zijn gezond verstand heeft, zal zeggen, dat een dergelijke sigarettenkoker en een dergelijke sigaret nooit hebben bestaan.”

„Gij vergist u”, sprak de fabrikant, „al mijn vrienden, die bij mij aan huis komen, bijvoorbeeld een onzer grootste kunstkenners, de hofslager van Zijne Majesteit, Sir Muller, en andere goede kenners, hebben absoluut niet getwijfeld aan de echtheid van het étui.”

„Ja, ja,” lachte de vloo, „er zijn meer ezels in het koninkrijk Engeland, dan wij vermoeden.

„Gij wenscht dus, dat de zaak vervolgd wordt?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde do bestolene. „Ik heb voor het étui tweeduizend pond sterling betaald en voor de sigaret tweehonderdvijftig pond sterling.

„Ik heb een belooning van vijfhonderd pond sterling uitgeloofd voor het terugkrijgen der voorwerpen.”

„Nu, vooruit dan maar,” sprak de vloo.

„Ga dus even zitten en geef mij de noodige inlichtingen, daar ik een acte van het geval moet opmaken.”

Het duurde bijna een half uur, voordat de vloo de voorgeschreven formaliteiten was nagekomen en alles opgeschreven had.

Toen hij eindelijk gereed was, moest de biscuitfabrikant het protocol onderteekenen. Daarna stond hij op en nam afscheid.

Toen hij reeds bij de deur stond en zijn dikken buik juist door de opening wilde wringen, sprak de vloo:

„Luister nog eens, Mr. Simson, ik wil u een goeden raad geven: verwen uw vetbuik niet zoo erg, want het gaat ten koste van uw hersens.”

„Houd uw flauwe aardigheden voor u,” antwoordde de biscuitfabrikant met een beleedigd gezicht. „Gij hebt niets met mijn vetbuik te maken, daarover heb ik alleen te beschikken.”

Hoewel hij onmiddellijk daarop de deur in het slot gooide, hoorde hij toch het vroolijke lachen van de vloo achter zich weerklinken.

Van het hoofdbureau van politie begaf de biscuitfabrikant zich regelrecht naar de woning van Zwarte Betsy.

Zij zag dadelijk aan zijn ernstig gelaat, dat hem iets onaangenaams gepasseerd moest zijn.

„Wat is er, liefste?” vroeg zij, hem de vette wangen streelend.

„Men heeft mij mijn sigarettenkoker ontstolen,” antwoordde hij met sombere stem. „Dat zeldzame voorwerp, waaraan ik met den hartstocht van een kunstkenner gehecht was.”

„Och, nonsens,” lachte Zwarte Betsy, „dat heeft men je niet afgestolen. Ik weet nauwkeurig, dat je het étui gisteravond in het linksche vak van je schrijftafel hebt weggesloten.”

Over het gelaat van den biscuitfabrikant, dat glom alsof het opgewreven was, vloog plotseling een verheugd lachje.

„Juist, juist,” riep hij, „dat had ik heelemaal vergeten. En ik, stommerd, ben al naar de politie geweest om mede te deelen, dat mijn zeldzaamheid gestolen is!”

Hij wreef zijn cylinder op en wilde heengaan.

Plotseling echter keerde hij zich nog eens om en sprak:

„Hoor eens, ik heb daar op het hoofdbureau van politie een ware ontdekking gedaan, daaromtrent moet je mij eens opheldering geven.”

„Wat voor een ontdekking?”

De dikke heer kuchte eenige keeren verlegen, daar hij het pijnlijk vond, zijn geliefde, van wie hij zeer veel hield, over het voorgevallene te onderhouden.

„Wil je het mij niet zeggen?” vroeg zij opnieuw.

Na herhaald aandringen begon hij eindelijk:

„Toen ik met den secretaris op het bureau van politie over mijn aangelegenheid sprak, vroeg hij, met wie ik goed bekend was.

„Ik noemde ook jouw naam.

„En wat denk je, wat hij zei? De zaak is pijnlijk,—de man liet mij je portret zien dat zij op het hoofdbureau van politie bezitten en beweerde, dat je een gevaarlijk persoon waart.”

Zwarte Betsy streelde opnieuw zijn vette wangen en sprak:

„Jij bent mijn groot, gouden schaap! Ik dacht, dat je mij heel wat te vertellen had!

„Natuurlijk is mijn portret op het hoofdbureau van politie.

„De man, dien jij daar gesproken hebt, is een kleine dikkert, nietwaar?”

„Ja,” antwoordde Mr. Simson, „je schijnt hem dus te kennen.”

„En of!” antwoordde Zwarte Betsy. „Ik ken hem zelfs zeer goed.

„Een heel jaar lang heeft hij mij met zijn liefdesverklaringen achtervolgd en toen ik niet naar hem wilde luisteren, dreigde hij, mij nog wel eens in ongelegenheid te zullen brengen.

„Hij schijnt zich nu op mij te willen wreken door het portret van mij, dat ik hem eens heb gegeven, in het misdadigersalbum te steken.”

„Maar dat is een gemeen sujet!” riep de biscuitfabrikant, „dien kerel moest men eens flink op zijn ribben geven!

„De duivel hale dien schurk! Ik zal hem dwingen, mij je portret terug te geven!”

„Ik verzoek je,” vleide Zwarte Betsy, „om dien man ongemoeid te laten. Dergelijke sujetten van de politie kunnen zich op allerlei manieren wreken.”

„Neen, neen!” antwoordde hij woedend, „met dien schobbejak reken ik af.”

Zonder verder naar haar te luisteren, snelde hij de kamer uit, nam op straat een rijtuig en reed naar huis.

Nadat hij er zich daar eerst van had overtuigd, dat de sigarettenkoker werkelijk op de door Zwarte Betsy aangeduide plaats lag, verliet hij zijn huis opnieuw en reed weer naar het hoofdbureau van politie.

De Vloo was niet aanwezig, maar in zijn plaats inspecteur Baxter.

Baxter had zich juist na een overvloedig diner op de leeren sofa uitgestrekt om een middagslaapje te doen en de wachthebbende politie-agent, die den biscuitfabrikant had moeten aandienen, had gebruik gemaakt van de goede gelegenheid en was op zijn stoel met het hoofd op de borst ingedommeld.

„Dat is hier een mooie boel”, sprak Mr. Simson, toen hij den slapenden politie-agent zag.

„Zoo iets moest men in de kranten bekend maken.”

Hij ging naar de deur van den inspecteur en toen hij geen antwoord kreeg op zijn kloppen, opende hij de deur en ging naar binnen.

Een luid gesnurk van de leeren sofa verried hem, dat de inspecteur hetzelfde deed als de agent.

„Nu, nu?” mompelde de biscuitfabrikant, „als de chefs slapen, waarom zullen de ondergeschikten dan iets anders doen?

„Zoo iets kan alleen in Rijksdienst gebeuren; bij mij, in mijn fabriek, komt iets dergelijks niet voor.”

Daarop zag hij op de schrijftafel van secretaris Marholm het portret van Zwarte Betsy, dat de Vloo daar had laten liggen.

Zonder er een gewetenszaak van te maken, dat hij eigenlijk diefstal pleegde, ging hij naar de schrijftafel en eigende zich de photo toe.

„Ziezoo”, sprak hij tot zichzelf, „dat is de beste gelegenheid om zonder veel praatjes Betsy haar portret terug te bezorgen!

„Nu zal ik dien man eens met een flinken stoot in de ribben wakker maken.”

De por, dien hij den snorkenden Baxter gaf, behoorde niet tot de zachtste.

Verschrikt opende de inspecteur van politie zijn oogen, staarde den zwaarlijvigen indringer aan en riep:

„Vervloekt, hoe zijt gij hier gekomen?”

„Door de deur”, antwoordde de dikkert kalm.

„Hoe durft gij het wagen om, zonder u te laten aandienen, bij mij binnen te komen?”

„Vraag dat liever aan uw agent in de voorkamer, die slaapt even vast als gij hier!

„En zal ik u eens wat zeggen? Ik denk er sterk over om hetgeen mij hier overkomen is, in de kranten wereldkundig te maken!”

Met een ruk sprong de inspecteur op.

„Wat?” riep hij. „Slaapt die kerel in de voorkamer?”

In hetzelfde oogenblik trok hij de deur open, sprong woedend naar den slapenden agent toe en gaf hem een klinkende oorvijg.

„Ik zal je toonen, wat het is om in dienst te slapen”, bulderde hij den man toe.

„Gij weet immers, dat hij, die in dienst slapend wordt gevonden, onmiddellijk ontslagen kan worden?”

„Wel, dan moet men met u beginnen,” mengde zich de biscuitfabrikant in het gesprek.

Met een woedenden blik keek de inspecteur hem aan.

„Alle duivels, Sir, hoe durft gij u ermee bemoeien, als ik mijn ondergeschikten bestraf?”

Daar hij echter vreesde, dat de fabrikant den agent op de hoogte van het gebeurde zou brengen, ging hij met den dikken heer naar zijn bureau terug en sprak:

„Wat wenscht gij van mij?”

„Ik wilde u alleen mededeelen, dat de sigarettenkoker van keizer Nero teruggevonden is.”

„Wat is teruggevonden?” vroeg de inspecteur van politie, die het protocol, dat Marholm op zijn schrijftafel had gelegd, nog niet had gelezen.

„Ik was twee uur geleden hier,” verklaarde Mr. Simson, „en deed aangifte, dat een mij toebehoorende, kostbare antiquiteit, een sigarettenkoker van keizer Nero, mij ontstolen is. Deze is echter gelukkig teruggevonden.”

„Zoo,” antwoordde de inspecteur van politie, „en daarom komt gij hier en bezorgt ons noodeloos werk?

„Dat wordt hoe langer hoe fraaier! Als iedereen in Londen, die iets op een andere plaats heeft gelegd, dadelijk naar het hoofdbureau van politie loopt om er aangifte wegens diefstal van te doen, dan zouden wij minstens 10.000 beambten aan het werk kunnen zetten.”

„Wel,” antwoordde de biscuitfabrikant, „ik ben blij, dat mijn kostbaar eigendom weer terecht is en gij moogt blij zijn, dat gij geen dief behoeft te vangen, want in de kranten staat, dat gij er toch geen kunt krijgen!”

„Wat gaat u dat aan,” stoof de inspecteur op, „zijt gij mijn chef? of wilt gij u schuldig maken aan het beleedigen van een beambte?”

„Dank u, dank u”, antwoordde Mr. Simson met een afwerend handgebaar, nam zijn cylinder en verliet, zonder te groeten, de kamer.

Kort daarop trad de vloo binnen.

„Gij hebt visite gehad, nietwaar inspecteur?” vroeg hij, terwijl hij zijn overjas aan den kapstok hing.

„Ja,” antwoordde zijn chef, „waarschijnlijk een ontoerekenbaar sujet.”

„Luister eens,” sprak de vloo, hem vertrouwelijk op den schouder kloppend, „het is niet dikwijls het geval, dat wij beiden het eens zijn. Maar dezen keer denk ik er precies zoo over als gij. Die man is werkelijk ontoerekenbaar.”

Daarop nam de vloo aan de schrijftafel plaats en ontdekte onmiddellijk het ontbreken van de photo.

„Zeg eens, inspecteur, hebt gij een photographie van mijn tafel genomen?”

„Neen, ik roer niets aan wat op uw tafel ligt.”

„Wel duivels, van mijn schrijftafel is het mooie portret van Zwarte Betsy verdwenen.”

„Laat dergelijke portretten dan niet open en bloot liggen!”

„Hebt gij niet opgemerkt, dat misschien uw bezoeker, die vetbuik, de photo heeft weggenomen?”

„Wat?” schreeuwde Baxter, „denkt gij, dat het iemand mogelijk zou zijn om in mijn tegenwoordigheid hier in het bureau iets te stelen?”

„Och,” antwoordde de vloo, „het zou mogelijk kunnen zijn, dat gij geslapen hadt!”

Nauwelijks echter had hij deze woorden gesproken, of Baxter nam een portefeuille met acten op en slingerde die zijn secretaris naar het hoofd.

„Houdt uw cynische opmerkingen voor u! Gij spreekt tegen uw chef en gij weet, evengoed als ik, dat het verboden is, in dienst te slapen.”

„Daarin hebt gij gelijk,” antwoordde de vloo, „slapen is in het hoofdbureau van politie ten eenenmale verboden!”

Daarop boog hij zich over zijn werk heen en begon te schrijven.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings