De sigarettenkoker van keizer Nero.
Reading edition
„Zal ik je eens wat zeggen, beste Charly, Londen wordt vervelend”, sprak de veelgezochte, wereldberoemde John C. Raffles tot zijn vriend en secretaris Charly Brand, toen zij samen na het souper in de weelderig ingerichte studeerkamer van den Lord zaten.
Dit vertrek was met allerlei kostbaarheden gevuld, welke John Raffles daarin had verzameld als hartstochtelijk vereerder en verzamelaar van kunstvoorwerpen.
Op dit oogenblik trad zijn oude, getrouwe kamerdienaar binnen en overhandigde hem een visitekaartje.
„Deze heer wenscht u nog hedenavond te spreken”, meldde de bediende.
John Raffles las het kaartje, waarop in Latijnsche letters stond:
„Thomas Barring, handelaar in oudheden.”
„Een eigenaardige tijd van den dag om zaken te doen”, sprak hij tot Charly Brand, „wat zou de man willen?”
Daarop wendde hij zich tot den wachtenden kamerdienaar en beval:
„Laat mijnheer binnenkomen.”
„Heel goed, uw Lordschap.”
Eenige oogenblikken later trad de handelaar in oudheden, een man van zestigjarigen leeftijd, met een gezicht dat aan een kraai herinnerde, de studeerkamer binnen, boog en sprak:
„Neem mij niet kwalijk, Lord Warrington, dat ik u nog zoo laat kom lastig vallen. Ik dacht u in de club te zullen treffen, maar wachtte daar te vergeefs op u.”
De groote onbekende bezocht sinds verscheidene maanden de voorname club der „Citymen” onder den naam van Lord Warrington.
Niemand vermoedde daar, dat de elegante gentleman, die zulke fijnbeschaafde manieren had en zulk een voornamen indruk maakte, en Lord Edward Lister, alias John C. Raffles een en dezelfde persoon waren.
„Gij kiest een eigenaardig uur uit,” sprak Raffles tot den antiquiteitenhandelaar, „om mij op te zoeken.”
„Pardon,” antwoordde deze, „ik hoorde van een heer, die ook lid van uw club is, dat gij een groot liefhebber van antiquiteiten zijt. Eveneens vernam ik, dat gij waarschijnlijk morgen op reis zult gaan.
„Om die reden was ik zoo vrij, nog hedenavond bij u te komen om u gelegenheid te geven, in het bezit te komen van een prachtigen gouden sigarettenkoker, uit den tijd van den beruchten Romeinschen keizer Nero.”
Raffles en Charly keken elkaar met een veelbetekenenden blik aan.
De Lord wist niet, waarover hij zich meer moest verbazen, over de gewetenlooze brutaliteit van dezen handelaar in oudheden, die hem een sigarettenkoker van keizer Nero wilde verkoopen of over de domheid van dezen man om te veronderstellen, dat hij werkelijk zoo dom zou zijn, om iets van deze oplichting te gelooven.
Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij hem in den nek zou pakken en hem de trap afgooien of wel dat hij, om hem te ontmaskeren, zaken met hem zou doen.
„Dat is zeer interessant”, sprak hij, „mag ik de doos zien?”
De antiquair haalde uit zijn zak een klein doosje te voorschijn, opende het voorzichtig en nam er een in vloei gewikkeld voorwerp uit, dat hij uitpakte en aan Raffles gaf met een gelaat, dat straalde van bewondering.
Het was een gouden sigarettenkoker, waarop aan de voorzijde „Nero” stond, gevormd door robijnen en smaragden.
De Lord opende het etui en bekeek het aandachtig.
„Jammer, Mr. Barring, er ontbreekt alleen de naam van de firma, die het étui heeft gemaakt.”
Zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, antwoordde de antiquair:
„Naar het werk te oordeelen is de koker afkomstig van den hofjuwelier van een Perzisch vorst. Het is echter ook mogelijk, dat het Egyptisch werk is en dat misschien Ramses, de groote Egyptische koning, het aan keizer Nero ten geschenke heeft gegeven.”
Raffles wist niet, of hij moest vloeken of lachen, terwijl Charly Brand met groote, verbaasde oogen zijn vriend en meester aanstaarde en dacht, dat de vreemde bezoeker plotseling krankzinnig was geworden.
Want het was immers onmogelijk, dat een mensch met gezond verstand, aan een sigarettenkoker van keizer Nero kon gelooven. En nog grooter was de onzin, dat een koning Ramses, die verscheiden duizenden jaren vóór Nero had geleefd, dezen het etui ten geschenke zou hebben gegeven.
De groote onbekende echter, wiens gelaat onverschilligheid uitdrukte, zoodat de antiquair, die hem met scherpen blik opnam, niets van zijn gedachten kon raden, sprak:
„De sigarettenkoker is inderdaad heel mooi, ik ben alleen bang, dat de prijs te hoog zal zijn.”
„Maar ik bid u”, antwoordde Mr. Barring, „voor een dergelijke kostbaarheid is geen prijs te hoog.
„Bedenk eens, welk een hoogst interessant bewijsstuk voor de kunstgeschiedenis van het Romeinsche Rijk onder keizer Nero het bestaan van dezen sigarettenkoker is.
„Tot dusverre was nog door niemand, die de Romeinsche geschiedenis bestudeert, vermoed, dat men reeds onder de regeering van keizer Nero sigaretten rookte. Dit alles wordt echter bewezen door het bestaan van dit etui.”
„Hoor eens,” sprak Raffles nu, „er is een groote phantasie voor noodig om te beweren, dat dit ding, dat in de een of andere Engelsche fabriek gemaakt zou kunnen zijn, het eigendom moet zijn geweest van keizer Nero.”
„Hoe bedoelt gij dat?” vroeg de antiquair, „gij ziet immers, dat de naam Nero in robijnen en smaragden op de voorzijde is aangebracht.
„Dat is toch het beste bewijs, dat de koker het eigendom is geweest van keizer Nero.
„En daarenboven moet gij eens bedenken, wanneer ik u de luiers te koop aanbood, waarin de profeet der Turken, Mohammed, als kind heeft gelegen, dan zoudt gij met hetzelfde recht kunnen beweren, dat die luiers door mij misschien in den een of anderen Engelschen winkel gekocht zouden zijn.
„En ik heb toch werkelijk luiers gekregen van een zakenvriend uit Zürich, die van den profeet moeten zijn geweest en welke ik voor een zeer hoog bedrag heb verkocht aan Sultan Abdulhamed, toen hij nog op den troon zat.”
„Uitstekend!” sprak Raffles met een koelen blik, waaronder hij een glimlach verborg, „de luiers hadden zeker nog de initialen van den profeet?”
„Ja, dat hadden zij inderdaad”, antwoordde Mr. Barring, „de naam van den profeet was met gouden letters in het midden geborduurd”.
„Zeg mij eens,” vervolgde Raffles met den grootsten ernst. „Gij herinnert u misschien wel, dat Jacob van een ladder droomde, die naar den hemel voerde. Kunt gij mij daarvan niet een sport bezorgen?”
„Waarom zou ik dat niet kunnen?” antwoordde de antiquair, „ik heb al heel andere dingen in orde gekregen.
„Als er een ladder heeft bestaan, zal daarvan stellig nog wel een sport voorhanden zijn. Ik zal er werk van maken. In mijn vak is alles mogelijk”.
„Ik heb in het andere, dat gij mij hebt verteld, niet veel vertrouwen, maar dit laatste geloof ik graag. Wie u een sigarettenkoker van keizer Nero te koop aanbiedt, luiers van den profeet ontdekt en in staat is, van de Jacobsladder een sport machtig te worden, die maakt het alleronwaarschijnlijkste mogelijk.
„En nu wil ik u eens iets zeggen:
„Deze sigarettenkoker bevalt mij niet, dien geef ik u derhalve terug. Ik dweep niet met keizer Nero. Maar ik wil u een goed zaakje aan de hand doen. Hebt gij wel eens hooren spreken over Mr. Simson, den biscuitfabrikant?”
„Jawel, ik heb wel van hem gehoord”, antwoordde de antiquair, „hij is hofleverancier van Z. M. den koning.”
„All right,” sprak Raffles. „Die man heeft naar ik hoorde, een minnares, Betsy genaamd, die aan het Hydepark woont en wier adres ik u hier opschrijf.
„Gij behoeft de dame niet te vertellen, dat ik u heb gestuurd, maar ga naar haar toe en geef haar den sigarettenkoker. Stel haar voor om het etui door haar bemiddeling aan den biscuitfabrikant te koop aan te bieden.”
„Denkt gij, dat de man zooiets zal koopen?” vroeg de antiquair met een loerenden vossenblik.
„Die koopt het stellig,” antwoordde Raffles, „ik ken dien heer zeer goed. Hij koopt u behalve het etui, ook de sport van de Jacobsladder af.
„Hij is namelijk precies zoo’n ezel als gij dacht, dat ik zou zijn.”
„Pardon”, antwoordde Mr. Barring, „ik hield u niet voor een ezel, maar voor een kunstliefhebber. Daar gij echter zoo openhartig met mij spreekt, moet ik u eerlijk verklaren, dat eigenlijk alle kunstvoorwerpen van antieke waarde slechts dat zijn, wat wij veronderstellen, dat ze zouden kunnen zijn.”
„Dat klopt,” lachte John Raffles. „Hoe zoudt gij het vinden, als wij eens samen die zaak opknapten?
„Ik heb nog verscheiden vrienden in Londen, waarop uw woorden van toepassing zijn.
„Het zijn domkoppen van de eerste soort.
„Verkoop hun een haring, waarvan gij vertelt, dat het de eerste haring is geweest, dien Adam in het Paradijs heeft gegeten om zijn katterigheid te boven te komen, dan zult gij den visch tegen goud kunnen inruilen.
„En ga nu naar het adres dat ik u heb opgegeven om met de dame dat zaakje in orde te brengen.”
De antiquair nam het stuk papier, waarop John Raffles den naam van de minnares van den biscuitfabrikant had geschreven en sprak:
„Hoeveel procent eischt gij bij deze zaak, Lord Warrington?”
„Niets,” antwoordde Raffles, „wel echter zal ik bij de verdere zaken, welke wij samen zullen doen, eerlijk met u moeten deelen.”
Onder veel dankbetuigingen nam de antiquair afscheid.
Toen hij vertrokken was, lachte Raffles hardop:
„Zeg eens, Charly, ik geloof, dat dit een kolossale grap zal worden. Voor zoover ik den biscuitfabrikant ken, koopt hij alle vodden, die hem worden aangeboden en voor het verdere verloop van de zaak, om den ouden bedrieger namelijk zijn oplichterij af te leeren, zal ik wel zorgen.”
„Hoe ken je de beminde van den biscuitfabrikant?” vroeg zijn secretaris.
„Ik heb haar meermalen met hem op een rit in het Hydepark gezien en informeerde, in welke verhouding zij tot hem staat.
„Het is een oude bekende van ons, je zult haar nog wel herinneren: het is de Zwarte Betsy, die het weer eens gelukt is, het in haar avontuurlijk leven zoover te brengen, dat zij de minnares is geworden van den millionnair Simson, den biscuitfabrikant.
„Ik ben van plan, die slang eindelijk onschadelijk te maken en hoop, dat de sigarettenkoker van keizer Nero mij daarbij zal helpen.”
„Ik ben werkelijk nieuwsgierig”, sprak Charly Brand, „hoe je dat weer aan zult leggen.”
„Dat zul je wel zien,” antwoordde Raffles. „Ik kreeg zooeven een schitterenden inval. Maak je gereed, ik wil den nacht niet ongebruikt voorbij laten gaan, maar een bezoek brengen aan de zaak van Mr. Barring.”
Eenige minuten later verlieten zij samen het huis en hadden zich, daar het regenachtig en guur was, in grijze gummijassen gestoken, waarvan zij de capuchons zoover over het gelaat hadden getrokken, dat zij door niemand herkend konden worden.