← Table of contents
Lord Lister No. 0055

Groot alarm.

Reading edition

„Wilt ge werkelijk vanavond naar de partij bij den biscuitfabrikant gaan?” vroeg zijn vriend en secretaris, toen John Raffles zich in rok had gestoken.

„Natuurlijk wil ik daar heen gaan. Zoo’n goeden klant mag men niet verwaarloozen, en ik vermoed, dat ik bij hem nog meer dan 25,000 pond sterling kan verdienen aan een eindje hout.

„Misschien verkoop ik hem daarna nog een klimopblad uit mijn tuin als het oudste toiletartikel, dat de dames op deze wereld hebben gedragen.”

„Ik zie, dat je in een stemming bent om grappen uit te halen,” zei Charly Brand, „doch ik weet het niet, het is mij vanavond vreemd te moede. Ik heb een gevoel, alsof je daar in huis wat onaangenaams zal overkomen.”

„Onzin,” antwoordde Raffles, „ik heb zoo’n gevoel niet, doch hoop integendeel een zeer amusanten succesvollen avond te doorleven.

„Daar zijn nl. een massa heeren, wier beroep tot de meest winstgevende van Londen behoort. Een der grootste slagers, een zaadhandelaar, een fabrikant van de beste schoensmeer, en wat er verder nog voor rijkmakende baantjes in Londen te vinden zijn.

„Deze heeren dragen zonder uitzondering de prachtigste briljanten en de meest gevulde portefeuilles bij zich. Zij houden ervan, vooral op dergelijke bijeenkomsten een hoog hazardspel te spelen, gaan in hun overhemd—op echte arbeidersmanier—om de groene tafel zitten en bluffen met hun bankbiljetten van 100 pond, alsof deze volstrekt geen waarde bezaten.

„Het zou niet kwaad zijn om deze heeren eens een beetje bloed af te tappen.

„Ook Zwarte Betsy is in het bezit van diamanten, welke de biscuitidioot haar heeft gegeven en waarvoor geen koningin zich zou behoeven te schamen.

„Het zou heel nuttig zijn om het geld, dat deze menschen zonder eenig ander doel dan om ermee te pronken, met zich meesleepen, onder de armen van Londen te verdeelen.”

Raffles zetten zijn modernen hoogen hoed op, schoof een kostbaren juweelen ring aan den vinger en overtuigde zich ervan, of in den zak van zijn rok het voorwerp aanwezig was, dat hij dien avond noodig had.

„Zoek je een revolver?” vroeg Charly Brand. „Ik geloof, dat je je wapen op de schrijftafel hebt laten liggen.”

Glimlachend antwoordde Raffles:

„Mijn lieve jongen, een revolver is soms een kwaad ding en het is dikwijls gevaarlijker er een bij zich te hebben dan er zonder te zijn.

„Als mijn verstand mij niet de middelen aan de hand doet, welke ik noodig heb om aan te vallen of om mij te verdedigen, dan helpt een revolver mij ook niet.

„Bovendien maakt het knallen van een schot zenuwachtig.

„Voor mij behoeven dergelijke wapens niet te bestaan.

„Er zijn betere dingen in de wereld dan zoo’n schietinstrument.”

„Wel, dat moet je zelf weten. Ik wensch je het allerbeste voor vanavond en zal blij zijn, als je weer thuis bent om mij vannacht bij een kop thee te vertellen, wat je vanavond hebt beleefd.”

Hij hielp zijn vriend de met zijde gevoerde, elegante ulster aantrekken. Daarop wierp Raffles nog een vluchtigen blik in een grooten spiegel, gaf Charly een hand en ging heen.

Ongeveer op denzelfden tijd, toen Lord Warrington zich voor de soiree kleedde, verliet miss Prince in avondtoilet haar hotel, waar zij gedurende haar verblijf in Londen haar intrek had genomen.

Ongeveer een half uur geleden had zij van Zwarte Betsy bericht gekregen, dat Raffles, de lang gezochte, dien avond op de partij van den biscuitfabrikant aanwezig zou zijn en onmiddellijk begaf zij zich naar inspecteur Baxter, dien zij reeds door de telefoon had gesproken.

Beiden besloten nu, zonder de hulp van verdere politiemacht, de arrestatie van den grooten onbekende persoonlijk in handen te nemen, opdat hun alleen de eer zou toekomen eindelijk den gevreesden Raffles, den schrik van Londen, onschadelijk te hebben gemaakt.

Inspecteur Baxter was het niet geheel eens met het plan van miss Prince.

Hij kende uit tal van gebeurtenissen de behendigheid van John Raffles maar al te goed en wist, hoe moeilijk het was, hem in handen te krijgen.

Het liefst zou hij het huis van den biscuitfabrikant met een dubbel cordon politie-agenten hebben omsingeld, zoodat vluchten onmogelijk zou zijn.

Miss Prince had hem echter overreed en getracht, hem duidelijk te maken, dat zij het beter klaar zouden spelen zonder de hulp van agenten en detectives.

Toen zij nu de particuliere woning van den inspecteur van politie had bereikt, kwam deze haar reeds in visitetoilet tegemoet en op tevreden toon riep zij hem toe:

„Gij hebt u uitstekend gemaskeerd, inspecteur, gij ziet er uit als een echte oude Engelsche baronet.”

Baxter boog bij het hooren van dit compliment en antwoordde: „Men zegt algemeen, dat ik uitstekend de kunst versta om mij te vermommen. Maar om u een complimentje terug te geven, ook ik zou u niet hebben herkend.”

„Dat geloof ik gaarne”, lachte Miss Prince, „maar ik heb ook gebruik gemaakt van mijn beste schmink en toiletgeheimen om niet door den sluwen Raffles te worden herkend. En luister nu eens naar mijn plan.”

De vrouwelijke detective vervolgde:

„Wij rijden nu naar de woning van Zwarte Betsy, die ons als goede kennis vanavond bij den biscuitfabrikant zal introduceeren.

„Niemand mag weten, welk beroep wij uitoefenen en wat wij daar komen doen. Het zou anders mogelijk zijn, dat Raffles door den een of ander werd gewaarschuwd of wantrouwen kreeg.”

„En dan zou de vos ons weer ontsnappen.

„Wanneer en hoe denkt gij hem gevangen te nemen?”

„Ik denk, dat wij na afloop der partij wel gelegenheid zullen hebben om door bemiddeling van den gastheer of Zwarte Betsy een onderhoud met hem te hebben in de studeerkamer van Mr. Simson. Daar zullen wij dan de hand op hem leggen en hem gevangen nemen.”

„Ik weet niet”, sprak inspecteur Baxter, „of uw plan werkelijk goed is. Maar zooals gij het wenscht, zal het gebeuren. Ik wil u volkomen vertrouwen.

„Excuseer mij nog een oogenblik, ik ga nog even mijn witte handschoenen uit de slaapkamer halen en dan ben ik bereid, u te volgen.”

Het halen der witte handschoenen was echter slechts een voorwendsel om zich even te kunnen verwijderen.

Inderdaad had hij een geheel ander plan gemaakt. Hij vond het lang niet zeker, dat het Miss Prince en hem zou gelukken om John Raffles gevangen te nemen.

Daarom besloot hij om in elk geval het hoofdbureau van politie mobiel te maken, ten einde de villa van den biscuitfabrikant, die tamelijk afgezonderd, midden in een park lag, door een dubbele haag van politieagenten zoodanig te laten omsingelen, dat het niemand zou gelukken zich uit het huis te verwijderen.

Zoodra hij in de slaapkamer was, nam hij de telefoon op, die hem verbinding gaf met het hoofdbureau van politie en riep zijn secretaris Marholm, de vroolijke Vloo, zooals zijn collega’s hem in den laatsten tijd noemden, door de telefoon toe:

„Ben je daar, Marholm?”

De Vloo, die door het bellen van de telefoon in een heerlijk avonddutje werd gestoord, nam verdrietig de telefoon op en riep:

„Voor den duivel, wie is daar? Dat is een lawaai, alsof er ergens een moord was gepleegd!”

„Ge hebt zeker weer geslapen, nietwaar?”

Marholm herkende dadelijk de stem van zijn chef en dacht:

„Ha, die heeft weer het een of andere plan!”

Met luide stem riep hij door de telefoon:

„Wat gaat het u aan, of ik slaap of niet! Ga zelf liever slapen en laat mij hier met rust, ik heb geen zin om mij door u te laten storen.”

„Wel vervloekt, Sir!” schreeuwde de inspecteur woedend, „gij wordt met den dag brutaler!”

„Wat?” antwoordde Marholm slagvaardig, „wat valt u in, om mij hier door de telefoon te durven beleedigen. Jammer, dat ik u niet in werkelijkheid voor mij heb! En nu adieu!”

Bij die woorden hing hij de telefoon aan den haak en keek met een guitig lachje naar de bel van het toestel, die nu zonder ophouden door Baxter in beweging werd gezet.

„Wacht maar,” lachte de vloo, „je zult eerst bellen, tot je pols moe is!”

Nadat er bijna een minuut was voorbijgegaan, welke Baxter een eeuwigheid scheen, nam de vloo de telefoon op en riep:

„Verduivelde ezel, wil je eindelijk eens ophouden zoo’n lawaai te maken?”

„Ik ben hier,— —ik— —.”

„Dat hoor ik, idioot, maar ik weet altijd nog niet, wie „ik” is— — — —!”

Duidelijk zag hij het paarsroode gelaat van Baxter voor zich, nu deze op woedenden toon riep:

„Maar mijn Hemel, Marholm, herken je mij dan niet aan mijn stem?”

„Neen,” antwoordde Marholm, „de eene os brult in Engeland precies zoo als de andere. Zoolang gij mij uw naam niet noemt, weet ik niet welke ezel gij zijt!”

„Baxter!” klonk het woedend terug. „Hier Baxter!”

„O, dat heb ik wel gedacht,” antwoordde de vloo doodkalm, „een ander zou het niet durven wagen, zoo door de telefoon te razen en te tieren!”

„Gij gedraagt u netjes, Marholm, om mij zoo te beleedigen, als je mij aan mijn stem had herkend.”

„Pardon,” riep de vloo terug, „ik had u niet aan uw stem herkend. Maar—wat wenscht gij van mij?”

„Maak onmiddellijk alarm, Marholm, laat twee wagens met agenten en detectives bezetten en omsingel het huis van den biscuitfabrikant Simson!”

„Is dat alles?” vroeg de vloo.

„Dat is alles!” antwoordde Baxter. „Haast u zooveel mogelijk, want ik heb daar uw hulp noodig bij een arrestatie! Vooruit!”

De inspecteur verbrak de verbinding en de vloo, die de telefoon ook weer aan den haak hing, mompelde:

„Ik durf er mijn hoofd op verwedden, dat dit groote alarm weer mijn besten vriend John C. Raffles geldt. Inspecteur Baxter heeft zich in langen tijd niet belachelijk gemaakt. Nu, wien het jeukt, die moet zich maar krabben!”

Met vrij veel omhaal, zonder bijzondere haast aan den dag te leggen, gaf hij den dienstdoenden agent, die lui in het wachtlokaal zat, bevel, de manschappen van het hoofdbureau mobiel te maken.

Dadelijk zette de beambte het alarmsignaal voor de verschillende vertrekken der manschappen in werking en spoedig dreunden de steenen vloeren onder de zware treden der welgedane Engelsche politie-beambten.

De wagens werden bezet door vijftig man en Marholm leidde zelf zijn troepen naar de villa van den biscuitfabrikant.

Gedurende den rit zaten de dienstdoende sergeants naast Marholm en vroegen hem welke maatregelen ter arrestatie zij moesten nemen.

„Hm,” meende de vloo, „het bevel luidt, dat wij de woning van Mr. Simson moeten omsingelen en ik denk dat dit beteekent, dat er geen enkele persoon in of uit mag.”

In de nabijheid van het huis verlieten de politiebeambten de wagens en begaven zich in twee troepen naar de villa, waar het feest reeds in vollen gang was.

In een dichte rij omsingelden zij onder leiding van Marholm het huis en juist hadden zij een stevige haag gevormd, toen de auto, waarin Zwarte Betsy, inspecteur Baxter en miss Prince zaten, de villa naderde.

„Wat beteekent dat?” vroeg de vrouwelijke detective den inspecteur, toen zij de uniformen der agenten zag.

Baxter glimlachte verlegen en antwoordde:

„Ik vond het toch noodzakelijk om hulptroepen te laten komen.”

Bij die woorden ging hij naar de vloo toe en sprak:

„Laat ons er door!”

„Ik denk er niet aan”, antwoordde de vloo, „hier komt niemand meer binnen.”

„Ben je krankzinnig, Marholm?” stoof Baxter op, „herken je mij niet?”

„Ja”, antwoordde de vloo, „uw onbeschofte manier van spreken in aanmerking genomen, zoudt gij inspecteur Baxter wel kunnen zijn. Maar die ziet er heel anders uit dan gij, vriend!”

„Ik heb mij vermomd”, sprak Baxter, „en heb daarvoor mijn redenen. Hier is mijn ambtspenning.”

Hij sloeg zijn jas open en de vloo zag het gouden schild, dat Baxter op zijn borst had gespeld.

„In orde, inspecteur”, antwoordde de vloo daarop, „nu kunt gij passeeren!”

… … … … … … … … … … … … …

Een enkel zacht licht scheen van het plafond neer en hulde het vertrek in een sprookjesachtig halfdonker.

In het midden van het vertrek stond een marmeren tafel, waarop een eigenaardig gouden kistje stond, dat de voornaamste kostbaarheid van de wereld bevatte,—de zeldzame, zoo kostbare „sport van de Jacobsladder!”—

Reeds gedurenden den maaltijd had de biscuitfabrikant zijn gasten verteld van de eigenaardige antiquiteit, die hij pas had verkregen en met groote haast deden de gasten hun best, een einde aan het souper te maken, opdat zij hun nieuwsgierigheid zouden kunnen bevredigen.

De eenige, die deze belangstelling niet deelde, was Lord Warrington, die met den smaak van een fijnproever zich te goed deed aan de voortreffelijk toebereide spijzen, die op tafel stonden.

Slechts even keek hij van zijn bord op, en wel toen Zwarte Betsy met miss Prince en inspecteur Baxter binnenkwamen.

Hij merkte op, dat Betsy zich bij den gastheer over haar late komen verontschuldigde. Tegelijkertijd stelde zij het tweetal, dat met haar was gekomen, voor als een haar bekend echtpaar en sprak:

„Ik ben zoo vrij geweest, deze kennissen van mij, die mij vanavond wilden bezoeken, mede te brengen en hoop, Mr. Simson, dat gij mij deze vrijheid niet kwalijk zult nemen.

„De naam van mijn vriend en diens vrouw zal u wel bekend zijn. Het is de Schotsche baronet Smithfield.”

„Jawel”, knikte de biscuitfabrikant, die grooten eerbied had voor alle mogelijke titels, „ik heb den naam van dezen baronet wel eens gehoord en het verheugt mij, dezen heer en zijn echtgenoote in mijn huis te mogen begroeten.”

Hij stak den vermomden politie-inspecteur en de dame zijn hand toe en stelde ze aan de overige gasten voor.

Ook Raffles werd hun genoemd als „Lord Warrington”.

En zonder in het minst te verraden, dat hij hen bij hun binnentreden onmiddellijk had herkend, boog hij hoffelijk voor het echtpaar en ging daarna kalm door, van de fazant te eten, die hem juist geserveerd was.

„Hij heeft ons nog niet herkend”, fluisterde Miss Prince den inspecteur toe, toen zij op eenigen afstand van Raffles aan de tafel plaats namen.

Men bediende hun van eenige schotels, terwijl de andere gasten reeds aan het dessert waren en uit beleefdheid moesten wachten, totdat de laatkomers ook klaar waren met hun souper.

„Gij treft ons in een verklaarbare opgewondenheid”, sprak de biscuitfabrikant tot den vermeenden baronet Smithfield. „Ik ben in Londen de meest bekende antiquiteitenverzamelaar, en heb onlangs door vriendelijke bemiddeling van Lord Warrington een antiquiteit gekregen, die wel de zeldzaamste is, die er op de wereld bestaat.

„Het is een sport, een heilige sport van de bekende Jacobsladder!”

Miss Prince meende haar ooren niet te kunnen gelooven.

„Pardon”, antwoordde zij, „ik vrees niet goed verstaan te hebben. Bezit gij een sport van de Jacobsladder uit den Bijbel?”

„Ja”, knikte de fabrikant, „en ik heb er een vertrek voor laten inrichten, als een tempel, opdat dit kostbare voorwerp een waardige omgeving vindt.

„Want bedenkt eens, mijne vrienden, deze antiquiteit is geen profaan stuk, maar behoort tot de heilige reliquieën.”

Miss Prince veronderstelde, dat de gastheer haar voor den gek wilde houden.

De inspecteur van politie echter dacht er anders over.

Hij herinnerde zich nog vaag uit zijn schooljaren, dat er in den Bijbel van een Jacobsladder werd gesproken en hij meende werkelijk, dat het hier ging om de sport van een dergelijke antieke ladder van hooge waarde.

Toen het souper eindelijk was afgeloopen, stonden de gasten op en terwijl een beroemd pianist eenige klassieke nummers ten gehoore gaf, begaven de gasten zich, voorafgegaan door den biscuitfabrikant, naar de met donkerblauw fluweel en gouden sterren versierde kamer.

Behalve Miss Prince, Lord Warrington en Zwarte Betsy, stonden de idioten in eerbiedige bewondering voor het gouden kistje en staarden naar het stuk hout, dat niets anders was dan een laddersport uit den tuin van Raffles.

„Dit hier, mijn hooggeachte vrienden”, zoo begon de gastheer op fieren toon, „dit is de heilige sport”.

„Moet dat een grap verbeelden?” fluisterde de vrouwelijke detective Zwarte Betsy in het oor.

„Welneen”, antwoordde deze op denzelfden toon, „mijn beminde heeft voor deze laddersport, die volgens mijn meening ook niets meer dan een gewoon stuk hout is, Lord Warrington een zeer kostbaar schilderij in ruil gegeven, een echten Murillo, die een museumwaarde heeft van 25,000 tot 30,000 pond sterling”.

„Maar dat is niet te gelooven”, antwoordde Miss Prince, maar tegelijkertijd bekeek zij, om geen argwaan te wekken, evenals de andere gasten het stuk hout door haar lorgnet.

Nadat het gezelschap eenigen tijd in het vertrek was gebleven, leidde Mr. Simson zijn gasten ook door de andere kamers om hun de andere kostbaarheden zijner verzameling te toonen.

Toen hij den sigarettenkoker van keizer Nero te voorschijn haalde en deze van hand tot hand ging om met de gewone uitroepen van verbazing bewonderd te worden, sprak miss Prince tot Zwarte Betsy:

„Komt deze koker ook van Raffles?”

„Neen, deze sigarettenkoker niet”, antwoordde zij, „die heeft een andere antiquair, Barring genaamd, mijn beminde aangepraat, maar ik vermoed, dat die ouwe vos door Raffles hierheen gestuurd werd. Waarschijnlijk werken zij samen.”

„Luister eens,” sprak Miss Prince, „neem mij niet kwalijk, maar uw beminde is een volslagen idioot”.

„Zooals waarschijnlijk elke verzamelaar”, antwoordde Zwarte Betsy lachend, „die menschen zijn zoo dwaas, dat zij soms alle nonsens gelooven”.

Lord Warrington was intusschen, zonder dat iemand het had gemerkt, naar het venster gegaan en had een vluchtigen blik naar buiten geworpen.

Duidelijk zag hij tusschen de struiken de glinsterende uniformknoopen der politie-agenten en nu begreep hij ook het verschijnen van den vermomden inspecteur van politie en de vrouwelijke detective.

Het was om hem te doen en het huis was door politiebeambten omsingeld, opdat hij niet zou kunnen ontsnappen.

Met het onverschilligste gezicht van de wereld, zijn voornaam glimlachje om den mond, trad hij nu naar den biscuitfabrikant toe en sprak tot dezen:

„Ik zal zoo vrij zijn u vanavond nog een kostbaarheid te laten zien, welke ik bezit. Een snuifdoos van Napoleon I, den grooten Corsicaan, zooals hij door de wereld wordt genoemd.

„Deze snuifdoos heeft onze beroemde Engelsche generaal Wellington hem eigenhandig afgenomen.”

„Wel,” antwoordde de biscuitfabrikant, „er zijn meer dergelijke doozen.”

„Dat wel,” antwoordde de Lord, „maar in deze, die ik bezit, bevindt zich een uitstekend soort tabak, die Napoleon gebruikte en die een voortreffelijken invloed moet uitoefenen op het denkvermogen van den mensch.

„Napoleon had de gewoonte, vóór elken veldslag een snuifje van deze geheimzinnige, wonderdadige denktabak te nemen en behaalde daardoor bijna al zijn overwinningen.”

„Drommels,” riep de biscuitfabrikant, „daar ben ik werkelijk nieuwsgierig naar. Kan men die tabak niet eens zelf probeeren?”

„Natuurlijk,” antwoordde Raffles. „Gij zult onmiddellijk na het gebruik een buitengewone vrijheid van denken, een bijna bovenmenschelijk vernuft bespeuren en ik ben zoo vrij om u en de geachte gasten van de waarheid mijner woorden te overtuigen, u een snuifje ervan aan te bieden.”

„Wij hebben nog nooit een snuifje genomen,” antwoordden de dames.

„O, dat hindert niet,” sprak de Lord op beminnenlijken toon, „ik zal u precies wijzen hoe men dat doet.

„Kijk eens hier, dames, ik zal een klein beetje op uw hand schudden en gij moet dan de tabak door den neus opsnuiven, alsof gij ademhaalt. Dat is verbazend eenvoudig.”

Lachend begonnen de dames te snuiven.

Toen Miss Prince aan de beurt kwam, weigerde zij op energieken toon, er ook van te nemen. Maar de andere dames, die reeds een zacht geprikkel in den neus voelden, drongen lachend om haar heen en of zij wilde of niet, zij moest eveneens meesnuiven.

„Haal flink op,” sprak Lord Warrington, „geneer u niet.”

En toen hij zag, dat Miss Prince de tabak niet voldoende had opgesnoven, gaf hij haar een tweede portie en sprak:

„Neen, neen, gij moet ook de weldadige uitwerking van deze tabak ondervinden. Neem er nog eens van. Denk eens, welk een eer het is, te mogen snuiven van de tabak van den grooten Napoleon.”

„Ik ben niets op die eer gesteld,” antwoordde Miss Prince op scherpen toon, „ik maak niet graag van mijn neus een schoorsteen, ik ben een vijandin van tabak in elken vorm.”

„Wel,” lachte Raffles, „misschien zult gij er nu een aanhangster van worden.”

Nu wendde hij zich tot de heeren, die er reeds vol ongeduld op wachtten, de snuiftabak van Napoleon den Groote te probeeren en te ondervinden, welke buitengewone uitwerking deze op de hersens had.

„Zoo,” sprak de elegante gentleman, toen allen ervan hadden genomen, „nu moet gij allen plaats nemen en de uitwerking der tabak afwachten. Het zal verscheiden minuten duren, voordat gij de gevolgen ervan ondervindt.”

Hij haalde zijn met juweelen afgezet horloge te voorschijn en terwijl de aanwezigen zwijgend en in gespannen verwachting naar hem keken, begon hij zacht de seconden te tellen.

„Ik vind,” sprak Mr. Simson, „dat de snuif van Keizer Napoleon verbazend zwak is, ik voel nauwelijks eenige prikkeling in den neus.”

„Stel u gerust,” antwoordde Raffles, „het zal wel meer gaan werken. Maar het is een geheel andere soort snuiftabak dan die gij gewend zijt.”

Verscheiden dames begonnen plotseling te geeuwen en vermoeid de oogen te sluiten en Zwarte Betsy sprak:

„Ik voel mij doodmoe, ik geloof, dat het hier veel te warm is.”

Ook de vrouwelijke detective had hetzelfde gevoel. Raffles had haar een bijzonder sterke dosis gegeven en zij voelde haar ledematen zoo zwaar worden als lood.

De heeren begonnen luide te gapen en zich behaaglijk in de fauteuils uit te strekken.

En nu—het was zeer eigenaardig—maakte zich een niet te bedwingen slaperigheid van alle gasten meester. Het was hun, alsof de electrische lichten in het vertrek steeds verder terugweken en machteloos moesten zij de oogen sluiten.

De eene na den andere geraakte in een diepe verdooving.

Alleen Raffles stond met zijn kalmen glimlach midden in den kring, en toen de laatste der gasten de oogen had gesloten, stak hij zijn horloge weer bij zich en sprak tot zichzelf:

„De snuif, die ik als verdoovingsmiddel had klaar gemaakt, heeft haar uitwerking gedaan. Binnen een kwartier wordt geen der gasten weer wakker.”

Met de grootste gemoedsrust nam hij den slapenden gasten hun horloges, juweelen, diamanten en portefeuilles af en stopte al zijn zakken er mee vol.

Daarop ging hij naar de donkerblauwe kamer, haalde het stuk hout en legde het in de handen der slapende Miss Prince. (Zie het titelblad.)

Daarna begaf hij zich naar de schrijftafel van den biscuitfabrikant en schreef een briefje van den volgenden inhoud:

„Geachte Miss Prince

Ik beloofde u, door mijn Napoleonssnuif het denkvermogen der hier verzamelde idioten op te frisschen. Als gij een goed werk wilt doen, neem dan den Jacobsknuppel, dien ik u in de hand heb gegeven en die afkomstig is van een ladder uit mijn tuin en bewerk daarmee zoo krachtig de huid der aanwezigen, dat zij eindelijk zwart en wit van elkaar leeren onderscheiden.

Maar ik ben bang, dat zelfs deze Jacobsknuppel dat wonder niet zal kunnen teweeg brengen!”

Daarna nam hij een tweede vel papier en schreef daarop:

Geachte, heer Inspecteur van Politie.

Tegenover u zit onder den naam van Lady Melvil de door u lang gezochte Zwarte Betsy. Ik wensch u geluk, met dit geniaal detective-stukje en met den prachtigen Sherlock Holmes-tocht, dien gij hebt ondernomen om de avonturierster eindelijk onschadelijk te maken.

Als steeds gegroet door JOHN C. RAFFLES.

Deze papieren hechtte hij zoowel den inspecteur van politie Baxter als miss Prince op de borst, nam toen den inspecteur van politie zijn baard af en sierde zichzelf ermee.

Met wat pasta en schmink maakte hij zijn gezicht gelijkend op dat van den inspecteur en verliet het gezelschap.

Toen hij voor het huis op den wachtenden vloo toetrad, zei hij hetzelfde, wat hij boven reeds aan de bedienden in de villa had meegedeeld, dat zij over tien minuten de gasten moesten opzoeken; tot zoolang wenschten deze niet gestoord te worden.

„En waar wilt ge naar toe?” vroeg de vloo met een verdacht lachje. „Gij wilt u zeker in veiligheid brengen, nietwaar?”

„Ik kom dadelijk terug”, antwoordde Raffles, „houd goed de wacht”.

„Dat zal ik doen”, hernam de vloo, „hoewel ik geloof, dat het nu niet meer noodig is”.

Hij had in weerwil van de verkleeding John Raffles herkend, doch uit vreugde over diens grappen, en als onfeilbaar middel, om zijn chef het leven te vergallen, liet hij Raffles door een kring van politieagenten heen en was nieuwsgierig, hoe zich het verdere verloop zou afwikkelen.

De geniale Lord echter was naar het naastbijzijnde telefoonkantoor gesneld, en had daar verscheidene groote bladen opgescheld, om hun mee te deelen, dat ten huize van den biscuitfabrikant Simson zich de Groote Onbekende ophield, en de inspecteur van politie Baxter hem aanstonds zou gevangen nemen.

In minder dan geen tijd kwam een half dozijn automobielen van de nachtredacties naar de villa van Simson, doch de reporters deden vergeefsche moeite om door den vloo in het huis te worden toegelaten.

De vloo had het horloge in de hand en zei:

„Nog drie minuten, eerder mag ik met mijn manschappen het huis niet betreden”.

Toen de drie minuten voorbij waren, gaf de vloo een teeken aan de politieagenten en liep met hen in versnelden pas naar het gebouw.

Tegelijkertijd klonk van boven de signaalfluit van den inspecteur van politie en dringend geroep om hulp.

Een raam werd opengetrokken en de schelle stem van Zwarte Betsy riep in het nachtelijk donker:

„Pak Raffles, laat hem niet door, menschen!”

„Het mocht wat”, lachte de vloo, „die schijnt jullie daar boven te hebben gehouden en nog wel ten spot van iedereen”.

Toen de journalisten met de agenten de werkkamer van den biscuitfabrikant binnenstormden, vertoonde zich een vermakelijk schouwspel.

Met slaapdronken gezichten staarden de gasten naar de binnentredenden en de vloo, die dadelijk den toestand overzag, bleef met een der verslaggevers bij Miss Prince, die nog steeds sliep, staan en las den inhoud van het briefje, dat op haar borst was gespeld.

Toen zij den inhoud daarvan hadden vernomen, barstten de reporters uit in een uitbundig lachen.

Daarop wendden zij zich tot inspecteur Baxter, lazen diens briefje en lachten weer.

Met een domme gelaatsuitdrukking stamelde de biscuitfabrikant:

„Ik … ik weet niet, wat gij hier komt doen, heeren!”

Daarop keek hij het vertrek rond en riep:

„Waar is Lord Warrington?”

Alle anderen keken ook om zich heen.

Maar van Lord Warrington was geen spoor te ontdekken.

„Dien zult gij wel tevergeefs zoeken”, sprak de vloo, „want Lord Warrington, die u in dezen eigenaardigen toestand heeft gebracht, is niemand anders geweest dan Raffles en ik geloof niet, dat gij hem ooit zult weerzien.”

Nauwelijks was de naam van den Grooten Onbekende genoemd, of een groote vrees maakte zich van de gasten meester en als door een panischen schrik aangegrepen, wilden allen vluchten.

Als bezetenen liepen zij door elkaar en riepen om de bedienden, om hun mantels en hoeden.

Eerst nu bemerkten eenige van hen, dat hun briljanten en portefeuilles weg waren.

„Wij zijn bestolen!” schreeuwden zij woest door elkaar.

„Mijn sigarettenkoker, de sigarettenkoker van keizer Nero is weg!” kermde de gastheer.

Dadelijk snelden de vertegenwoordigers der pers naar hem toe en lieten zich door hem vertellen, welke bijzonderheden er aan den sigarettenkoker van keizer Nero verbonden waren.

Het kostte hun moeite, om bij het verhaal van den biscuitfabrikant ernstig te blijven.

Nog had hij zijn verhaal niet geëindigd, of hij sprong met een luiden kreet op, want hij ontdekte zijn kostbare antiquiteit, de sport van de Jacobsladder, in de handen van Miss Prince.

„Om ’s Hemels wil!” schreeuwde hij, „hoe komt de sport van de Jacobsladder in de handen van die dame?”

Als krankzinnig snelde hij naar Miss Prince en ontrukte haar zijn schat.

Met verbaasde gezichten keken de verslaggevers naar zijn handelwijze en nauwelijks had hij het stuk hout gegrepen, of zij verzochten hem nadere opheldering omtrent de laddersport.

Nog had hij niet uitgesproken, of zoowel de vertegenwoordigers der kranten als de politiebeambten begonnen uitbundig te lachen.

De tranen liepen hun over de wangen en zij huilden letterlijk van pret.

De biscuitfabrikant wist niet, wat hij van dit alles moest denken.

Te midden van het gelach klonk plotseling de luide stem van den inspecteur van politie.

„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”

„Ja, mijn waarde”, zei een der verslaggevers, hem op den schouder kloppende, „dat zouden wij ook graag willen weten.”

Nu ontwaakte ook Miss Prince, de vrouwelijke detective.

„Waar is de schurk?” riep zij uit, „hij heeft mij verdoofd!”

Met zoekende blikken keek zij om zich heen en toen zij niets dan domme of lachende gezichten om zich heen zag, bleef zij verlegen staan en wist niet, wat dit alles te beteekenen had.

Een der verslaggevers sprak tot haar:

„Lees het briefje eens, dat de geniale Raffles u op de borst heeft gehecht!”

Het scherpe gelaat van Miss Prince werd steeds langer, toen zij de woorden las, die Raffles op het stukje papier had geschreven.

Nu had ook Baxter zijn brief opgemerkt.

En om niet geheel onverrichterzake van het tooneel zijner blamage te verdwijnen, greep hij Zwarte Betsy beet en riep:

„In naam der wet neem ik u gevangen!”

„Laat mij los!” schreeuwde deze. „Gij hebt het recht niet om mij gevangen te nemen. Mij is vrijheid van straf beloofd!”

„Zijt gij gek?” riep nu de biscuitfabrikant, „hoe durft gij mijn geliefde aan te raken? Dat is een lady!”

„Een mooie lady!” vloekte Baxter. „Een gewetenlooze avonturierster is zij en ik koester het vermoeden, dat zij heden met Raffles gemeene zaak heeft gemaakt om mij op deze wijze te blameeren.”

„Zeg eens,” vroeg een der reporters, „op welke manier zijt gij verdoofd?”

„Wij namen een snuifje van Napoleon den Groote!” antwoordde de biscuitfabrikant.

„Kinderen!” riep de verslaggever zijn collega’s toe, „nu komt er weer wat nieuws. Die kranige Raffles heeft hier een heele massa geestige verrassingen achtergelaten.”

„Neem mij niet kwalijk,” sprak Mr. Simson op beleedigden toon, „wilt gij soms beweren, dat het geen snuiftabak van den grooten Napoleon is geweest?”

„Neen, mijn waarde,” antwoordde de journalist, „ik spreek u niets tegen, want— —” en hij fluisterde zijn collega’s toe: „die man is krankzinnig en het is gevaarlijk om gekken tegen te spreken!”

De verslaggevers namen nu afscheid en keerden terug naar hun redacties, om het laatste nieuwtje van den Grooten Onbekende nog in den nacht voor de ochtendbladen gereed te maken.

Den volgenden morgen lachte heel Londen om de snuiftabak van den grooten Napoleon, de sport der Jacobsladder en den sigarettenkoker van keizer Nero.

Geheel Londen lachte—en Raffles, de geniale Lord en Groote Onbekende, was weer de held van den dag.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings