De sport van de ladder.
Reading edition
„Zeg eens, Edward, ben je werkelijk krankzinnig geworden?” sprak Charly Brand, toen hij zijn vriend en meester reeds in het vroege ochtenduur in den tuin van de villa vond in hemdsmouwen en tuinmansschort, druk bezig een sport uit een houten ladder te zagen.
„Welneen, volstrekt niet,” lachte Raffles.
„Nu, zeg eens,” antwoordde Charly Brand, „welk verstandig mensch zaagt een goede ladder stuk? Er ligt genoeg brandhout in den kelder, als wij dat noodig mochten hebben.”
„Je ziet toch wel, mijn jongen, dat ik geen brandhout noodig heb, maar alleen een sport van de ladder.”
„Een laddersport? Moet je een knuppel hebben?”
„Ja”, lachte Raffles, „ik heb een knuppel noodig, die 20,000 pond sterling waard is.”
Met krachtige slagen maakte hij de sport los van de zijkanten der ladder, terwijl Charly Brand met een ernstig gelaat toekeek.
„Ik maak mij werkelijk ongerust over je, Edward.”
„Dat is niet noodig, mijn lieve vriend; ik verzeker je,”—hij zwaaide de laddersport als een bijl eenige keeren door de lucht, wierp ze in de hoogte en ving haar weer op—„deze sport brengt mij 20,000 pond sterling op.
„Kom, ik heb weinig tijd, je kunt met mij meegaan.”
Charly Brand, die in den loop der jaren aan veel vreemde dingen was gewend, schudde dezen keer mismoedig het hoofd.
Hij kon met den besten wil van de wereld niet begrijpen hoe de geniale Edward met de sport van de ladder 20,000 pond sterling zou kunnen verdienen.
Een half uur later was Raffles gekleed, verliet met zijn secretaris het huis en beiden begaven zich in een cab naar een goudsmid.
Hier kocht hij een langwerpig kistje van gewoon goudblik, waarin hij op lichtblauw fluweel het stuk hout neerlegde.
Charly Brand keek stom van verbazing naar hetgeen zijn vriend deed.
Wat ter wereld moest dit waardelooze stuk hout, dat in een vergulde kist op hemelsblauw fluweel werd geborgen, beteekenen?
Nu reed Raffles naar een maatschappij voor goederenvervoer, huurde daar een rijtuig en twee werklieden.
Met deze lieden begaf hij zich naar de woning van den biscuitfabrikant, die hem reeds met ongeduld wachtte en bang was, dat de Lord spijt van zijn woorden had gekregen.
Met een vroolijk glimlachje ontving hij hem nu en na korte bespreking konden de werklieden den Murillo afnemen en in het rijtuig, dat voor het huis stond, laden.
Met eerbiedigen schroom bekeek hij de sport van de ladder en kon nauwelijks zijn kalmte bewaren, zoo verrukt was hij over deze zeldzame kostbaarheid.
Charly Brand woonde het geheele tooneel met open mond bij.
Nu werd het hem duidelijk, dat niet Raffles, maar de biscuitfabrikant de krankzinnige was.
Toen zij weer in hun rijtuig zaten en naar den wereldberoemden kunstkooper Ellionet reden, sprak hij:
„Zeg eens, Edward, die man schijnt aan ongeneeslijke hersensverweeking te lijden.”
Raffles lachte:
„Zijn hersens bestaan, evenals zijn biscuits, uit meel en water.
„Want—iemand, die een sigarettenkoker van keizer Nero koopt, zoo redeneer ik, is in staat om de onzinnigste dingen der wereld te koopen. Weet je, wat ik hem zooeven heb verkocht in ruil voor een kostbaar schilderij?”
„Neen”, antwoordde Charly, „ik kan met den besten wil niet begrijpen, wat die laddersport moet beteekenen.”
En terwijl Raffles zijn gelaat in een ernstigen plooi trok, sprak hij op zalvenden toon:
„In den Bijbel staat geschreven, toen Jacob op het veld lag en sliep, droomde hij van een ladder, die tot den hemel reikte en waarlangs de engelen op en neer klommen.
„Van deze ladder, mijn lieve Charly, heb ik de eenige sport, die er nog van bestaat, aan den biscuit-idioot verkocht.”
Charly Brand barstte in een onbedaarlijk lachen uit en sprak:
„Ik had nooit gedacht, dat er zulke stommerikken bestaan!”
„Oho!” riep Raffles, „overschat de menschen om ’s Hemels wil niet, er zijn altijd nog veel dommere, dan men denkt.”
Zij hadden het huis van den kunsthandelaar bereikt en Raffles liet het schilderij naar binnen brengen.
Vol verrukking bekeek deze den wonderschoonen Murillo en sprak, toen Raffles hem het schilderij te koop aanbood:
„Het is dezelfde Murillo, die mij indertijd op een veiling door den biscuitfabrikant Simson afhandig is gemaakt. Maar zooveel als deze kan ik er niet voor besteden.”
„Wel”, antwoordde Raffles, „zeg mij, welk bedrag gij wilt betalen. Ik hoop, dat wij het over den koop eens zullen worden.”
Na eenig nadenken antwoordde de kunsthandelaar:
„Ik betaal u voor den Murillo 25.000 pond sterling.”
„All right”, sprak de Lord, „ik ga een groote reis naar het buitenland maken en heb geld noodig. Ik wil daarom niet verder er over spreken en verzoek u, mij een cheque te geven.”
Eenige minuten later was de koop gesloten en toen Raffles zich weer op straat bevond om zich naar de Bank te begeven, sprak hij tot zijn secretaris:
„Je ziet, jongenlief, wat men voor een stuk hout kan krijgen als men slechts de kunst verstaat, het goed aan den man te brengen.”
Terzelfder tijd, toen Raffles op de Bank het geld in ontvangst nam en tegelijk met de cheque van den kunsthandelaar een tweede aanbood, groot 8000 pond sterling, voorzien van de handteekening van den antiquair Barring, welke hij eveneens uitbetaald kreeg, had Mr. Simson zich ijlings met de laddersport naar Zwarte Betsy begeven om haar zijn nieuwste eigendom, het sieraad van zijn verzameling, te laten zien.
Nauwelijks had deze het stuk hout gezien of zij barstte in een schaterlach uit en riep:
„Ik moet werkelijk aan je verstand twijfelen, dat is immers een doodgewone laddersport, een waardeloos stuk hout!”
De biscuitfabrikant sprak op beleedigden toon:
„Daarvan heb jij geen verstand en het spijt mij, dat ik je de sport van de Jacobsladder heb laten zien.”
Zwarte Betsy dacht eenige oogenblikken na, of zij haar vriend en beschermer opheldering zou geven omtrent den persoon van Lord Warrington.
Maar zij was zoo verstandig om voorloopig nog te zwijgen.
Juist toen de hofleverancier van plan was, heen te gaan, bracht het kamermeisje een visitekaartje binnen.
Nauwelijks had Zwarte Betsy een blik op het smalle kaartje geworpen, of een lichte rilling beving haar en, als niet een dikke laag rood op haar wangen had gelegen, zou de biscuitfabrikant hebben opgemerkt dat zij vaalbleek was geworden!
„Miss Prince,” stond op het kaartje, anders niets.
Zwarte Betsy kende Miss Prince. Want meer dan eens had de beroemde Amerikaansche detective haar plannen in duigen doen vallen en haar zelfs tweemaal gevangen genomen.
Doch slechts heel kort duurde deze zwakte van het oogenblik; daarna reikte zij met haar beminnelijk, verleidelijk glimlachje den door haar betooverden dikken beminde de van kostbare brillanten voorziene hand met de woorden:
„Je wilt zeker wel zoo goed zijn mij nu te verlaten om mij vanavond voor het souper af te halen. Ik krijg daarjuist bezoek van een vriendin, en je weet, dat wij vrouwen er niet van houden dat gij mannen tegenwoordig zijt bij onze besprekingen van de mode en toiletgeheimen.”
De biscuitfabrikant kuste haar verliefd de hand, trachtte haar even te omhelzen en verliet daarna het salon.
Hij wierp een nieuwsgierigen blik op de in het voorvertrek zittende miss Prince. Doch nauwelijks had hij ontdekt hoe opvallend leelijk deze was, of hij liep haastig, voor zoover zijn corpulentie dit toeliet, naar de deur om langs de trap op straat te verdwijnen.
Er was niets dat hem meer afstiet dan een leelijke vrouw. Hij behoefde op zulke vriendinnen van Betsy niet jaloersch te zijn.
Terwijl hij naar huis snelde was de dame het salon binnengetreden en nam door haar lorgnet met een onverschillig spotlachje de kostbare inrichting van het vertrek op.
Hierna richtte zij haar oogen op de bewoonster zelve en zei:
„Wat een prachtig toilet hebt gij aan, miss Betsy. Gij schijnt over een ruime beurs te beschikken.”
De aangesprokene wierp vol trots het hoofd in den nek en antwoordde:
„De geldmiddelen, waarover ik tijdelijk beschik, kunnen u geheel onverschillig laten, miss Prince, want deze sommen heb ik, zonder dat de wet hiertegen iets kan doen, van mijn vriend cadeau gekregen.”
„Dat weet ik,” hernam miss Prince. „Ik ken uwe betrekkingen tot den hofleverancier van Zijne Majesteit, den biscuitfabrikant Simson. Ik weet, dat gij zijn beminde zijt, en men op ’t oogenblik niet van plan is u opnieuw wegens oplichterij aan te klagen. Doch—”
Zij hield even op.
„Uw rekening van vroeger is echter nog altijd niet vereffend, en ik geloof, dat men aan het hoofdbureau van politie blij zou zijn als ik u daar aanbracht.
„Hoe zoudt gij het vinden, als ik tot u zei: „In naam der wet, miss Betsy, volg mij.””
De Zwarte Betsy sidderde zoo hevig, dat zij moest gaan zitten.
De detective keek een paar seconden naar haar en ging toen verder:
„Stel u gerust, Betsy, ik kom niet tot u om u gevangen te nemen, doch om zaken met u te doen.
„Ik wensch nl. een inlichting van u te hebben.
„Geeft gij mij deze inlichting en zijt gij mij behulpzaam bij de uitvoering van mijn plan, dan verzeker ik u kwijtschelding van alle straf, en de Engelsche politie zal zich niet meer met u bemoeien dan nadat ge weer een nieuwe streek hebt uitgehaald.”
„Vraag gerust, miss Prince,” sprak Zwarte Betsy met zwakke stem, „ik ben gaarne bereid u alle inlichtingen te geven.”
„Ge kunt misschien wel vermoeden, waarom ik bij u kom,” vervolgde haar bezoekster en ging in een roodzijde fauteuil zitten.
„Dat zou ik heusch niet weten,” antwoordde Betsy.
„Welnu, ik zal u direct ophelderen waar het om gaat, het betreft Raffles.”
„Zoo, zoo, Raffles,” herhaalde de avonturierster, inwendig blij.
„Hij is ons destijds in Ostende helaas ontsnapt.”
„Ja, helaas, in weerwil van alle voorzorgsmaatregelen was hij knapper dan wij; dat wil zeggen,” vulde zij aan, „het is niet mijn schuld dat hij ontkwam, doch die van den inspecteur van politie Baxter, die zijn maatregelen te laat nam en zich liet beetnemen.”
„Ik zou nu van u graag willen vernemen, Betsy, of u het verblijf van Raffles in Londen bekend is.”
„Neen, dat weet ik niet,” antwoordde Zwarte Betsy, zonder dat zij een leugen uitsprak.
In weerwil van ijverige nasporingen was zij van den biscuitfabrikant niet het adres van Lord Warrington te weten gekomen, daar deze het naar hij zei zelf niet wist, doch het haar uit jaloezie verzweeg.
„Zoo,” antwoordde miss Prince, „gij kent zijn woonplaats dus niet? Mogelijk hebt gij hem den laatsten tijd ergens ontmoet?”
„Dat heb ik wel,” antwoordde Betsy, „John Raffles komt onder den naam van Lord Warrington ten huize van mijn beminde, Sir Simson.”
„Is dat inderdaad zoo?” vroeg miss Prince met doordringenden blik.
„Ja, dat is zoo. Ik sprak hem zelf eenige dagen geleden op een partij.”
„En hij herkende u?”
„Ja, wij herkenden elkaar, doch in een soort wapenstilstand verrieden wij onze identiteit niet aan de gasten, wij moesten beiden, hij zoowel als ik, zwijgen.”
„Waarom deedt ge daar tot heden geen aangifte van bij de politie? Gij weet, dat op Raffles’ gevangenneming een prijs is uitgeloofd van 4000 pond sterling. Dat geld hadt ge toch kunnen verdienen.”
„Dat is zoo,” antwoordde Zwarte Betsy, „doch ik wilde een betere tijd en gelegenheid afwachten om mij te wreken op Raffles, met wien ik nog persoonlijk moet afrekenen.”
„Ik weet, dat gij hem haat, en daarom kom ik naar u om met uw hulp den sluwen vos eindelijk te vangen.
„Kunt ge het niet zóó inrichten, dat ge mij per telefoon inlicht, wanneer Raffles zich weer bij uw beminde bevindt?
„Ik zou dan dadelijk alle maatregelen lot zijn gevangenneming kunnen treffen.”
„Dat zou ik kunnen doen,” antwoordde Betsy, „geef mij uw telefoonnummer op en zorg, dat gij de eerstvolgende dagen in de avonduren thuis zijt.”
Miss Prince schreef voor Zwarte Betsy het telefoonnummer op, en nadat zij haar nogmaals kwijtschelding van alle straf had verzekerd, wanneer het met haar hulp mocht gelukken Raffles te vangen, nam zij afscheid van de avonturierster.
Toen zij buiten kwam en een rijtuig nam, om naar den inspecteur van politie Baxter te rijden, wreef zij zich vergenoegd de handen.
„Kolossaal,” zei zij in zichzelf, „dat zal de beste vangst zijn van mijn heele leven, zeer zeker de kroon op mijn werk.”
In gedachten, zag zij zich al staan voor den grooten onbekende en hem toeroepen: „In naam der wet neem ik u gevangen, John C. Raffles.”