De Stootvogels (Pelargornithes). (continued 7)
Reading edition
Met uitzondering van de keerkringsgewesten, bewonen de 10 bekende soorten van Zwanen alle aardgordels, het veelvuldigst echter de gematigde en koude landen van het noorder halfrond. Iedere soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied en onderneemt op geregelde tijden reizen, die zich over een grooten afstand uitstrekken. Alle soorten trekken, hoewel zij dit niet in alle omstandigheden doen; niet zelden overwinteren enkele exemplaren in hun vaderland of beperken hunne omzwervingen in het koude jaargetijde tot op korten afstand van hunne broedplaatsen. Zoetwatermeren en waterrijke moerassen zijn hunne eigenlijke woonplaatsen, hoewel zij op allerlei soorten van wateren verblijf houden. Zij nestelen in het binnenland, maar houden zich na den broedtijd in zee op. Hunne werkzaamheden verrichten zij over dag; zelfs hunne reizen hebben nooit ’s nachts plaats. Het water is hun rijk; ongaarne bewegen zij zich op het land. Hun gang wordt bemoeilijkt, doordat de pooten ver naar achteren zijn aangehecht; op het land is hun beweging daarom plomp en waggelend. Dat het vliegen en vooral het opvliegen van uit het water een groote krachtsinspanning vereischt, is duidelijk merkbaar; nadat de Zwaan een zekere hoogte heeft bereikt, komt hij echter snel vooruit. Hij is bijna niet in staat zich van den vasten grond in de lucht te verheffen; nauwelijks durft hij er op neerstrijken. Om van het water op te stijgen, slaat hij met de vleugels en trapt tevens met de breede zolen op den waterspiegel, beweegt zich op deze wijze onder luidklinkend geplas, half loopend, half vliegend, 15 à 20 M. ver en heeft eerst dan de noodige vaart voor het vliegen verkregen. Als het vliegen zal ophouden, laat hij zich zonder vleugelslag langzamerhand in schuinsche richting uit de lucht naar beneden glijden, schiet, nadat hij op den waterspiegel is neergekomen, hierover nog een eind weegs voort of tracht met de naar voren gestrekte voeten den schok tegen het water te verminderen.
Eenige soorten kunnen een geluid voortbrengen, dat eenigszins herinnert aan de stem van den Kraan en op trompetgeschal gelijkt; zij doen dit echter zelden, maar laten gewoonlijk een sterk gesis of een dof gemurmel hooren. Andere soorten daarentegen hebben een sterke en krachtige stem, die zelfs eenige afwisseling vertoont en ons, wanneer zij van een afstand komt, als muziek in de ooren klinkt. De mannetjes schreeuwen vaker dan de wijfjes, hun geluid is voller van toon en krachtiger; de jongen van beiderlei geslacht piepen als Ganzen. De geestvermogens der Zwanen zijn niet geringer dan die van de andere Zeefsnaveligen. Zij zijn schrander en vlug van begrip, regelen hun gedrag naar de omstandigheden en naar de handelingen van de menschen, waarmede zij te maken hebben; de schuwheid en omzichtigheid, die hun eigen zijn, leggen zij echter slechts zelden af. Uit hun houding spreekt zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde, maar ook een zekere boosaardigheid, die zich in het verkeer met soortgenooten van dezelfde sekse als vechtlust, bij ontmoetingen met zwakkere Vogels als heerschzucht openbaart. Jegens zwakkere Vogels zijn zij onvriendelijk en afgunstig; het is, alsof de onbeperkte heerschappij, die zij weldra weten te verwerven, hen nog niet bevredigt: niet zelden worden andere Zwemvogels aanhoudend door hen vervolgd, woedend aangevallen en zonder eenige reden om ’t leven gebracht, alleen uit baldadigheid, om te toonen, dat zij de sterkste zijn.
Het mannetje en het wijfje zijn met trouwe liefde aan elkander gehecht; hun verbintenis wordt voor het geheele leven gesloten. Even teeder toonen de ouders zich jegens hun kroost; want, hoewel het mannetje in den regel niet mede broedt, waakt hij toch trouw voor de veiligheid van het wijfje, blijft voortdurend in haar nabijheid en geeft acht op ieder gevaar; soms begeeft hij zich bij haar op het nest om haar den tijd te verdrijven door zijn tegenwoordigheid. Het nest is zeer groot en zonder kunst gebouwd; de grondslag bestaat uit allerlei waterplanten; met droog riet en dergelijke materialen wordt het voltooid en gevoerd. Overal waar kleine, veilige eilandjes voorkomen, worden deze tot standplaats voor het nest gekozen; indien zulke plekjes ontbreken, stapelt het wijfje planten opeen, totdat de in ’t water drijvende hoop het echtpaar kan dragen. Het broeden begint na het leggen van 6 à 8 eieren, welker dikke schaal een vuilwitte of bleekgroene kleur heeft; het duurt 5 à 6 weken. De kuikentjes zien er in hun dicht donskleed zeer bevallig uit; zij worden nog ongeveer een dag in het nest verwarmd en gedroogd, vervolgens naar het water gevoerd en tot het zoeken van voedsel aangespoord; de moeder neemt hen dikwijls op den rug, laat hen ’s nachts onder hare vleugels slapen, verdedigt hen met moed tegen gevaren, kortom, verpleegt hen zeer liefderijk, totdat hunne veeren zich ontwikkeld hebben en zij zorg en leiding ontberen kunnen.
Plantaardige stoffen, die in het water of op een moerassigen bodem groeien, wortels, bladen en zaden, Insecten en hunne larven, Wormen, Schelpdieren, kleine Amphibiën en Visschen maken het voedsel van de Zwanen uit.
De Zeearend en de Steenarend vangen soms oude, vaker nog jonge Zwanen; overigens hebben deze fiere en weerbare Vogels weinig van roofdieren te lijden. De mensch is belust op hun vleesch en hunne veeren, vooral op hun dons. In het noorden maakt hij gebruik van een flinke bries om hen in een zeilboot te naderen, zoodat het vaartuig voor den wind op hen aanloopt. Daar de Zwanen, als zij zich in de lucht verheffen, het liefst in den wind opvliegen, is het waarschijnlijk, dat zij zich in de richting van den jager zullen bewegen en hem gelegenheid tot een schot zullen geven.
Het is niet moeilijk jong gevangen Zwanen groot te brengen en even tam te maken als die, welke in de gevangenschap gefokt zijn. Enkele raken zeer gehecht aan hun verzorger; hunne liefkoozingen zijn echter meestal zoo hartstochtelijk, dat het altijd zaak is eenige voorzorgen te nemen, wanneer men zich verder met hen wil inlaten. De schoone gestalte en de sierlijke bewegingen dezer Vogels verschaffen hun vele vrienden; een vijver met Zwanen levert een bekoorlijk schouwspel op.
De stamvader van onzen Tammen Zwaan, de Roodbekzwaan of Knobbelzwaan (Cygnus olor), bewoont Noord-Europa en Oost-Siberië. De wilde Zwanen, die iederen winter in kleinen getale ons vaderland bezoeken, zijn niet te onderscheiden van de tamme; „in sommige streken, zooals in Noord- en Zuid-Holland, waar de laatstgenoemde veel worden gehouden, is het altijd moeilijk uit te maken, of men niet met ontvluchte voorwerpen te doen heeft. Treft men echter vluchten van 7 à 9 stuks, dan is dit niet waarschijnlijk, vooral wanneer dit plaats heeft in streken, waar weinig of geen tamme worden gehouden” (Albarda). De langwerpige romp, de lange, slanke hals en de roode snavel, die even lang is als de kop en zich onderscheidt door een zwart knobbeltje aan den wortel van den bovensnavel, maken, dat men deze soort met geen andere kan verwarren. De veeren zijn zuiver wit, die van de jongen grijs of wit. Het oog is bruin, de snavel rood, de teugel zwart, de voet bruinachtig of zuiver zwart. De lengte bedraagt 180, de vlucht 260 cM. (lengte van den vleugel 70, van den staart 18 cM.). Het wijfje is iets kleiner.
De zoogenaamde Witgeboren Zwanen (Cygnus olor immutabilis) vormen slechts een verscheidenheid van de gewone soort; zij kunnen met „grauw geboren” in ’t zelfde broedsel voorkomen. Soms, doch zeer zelden, komen zij bij ons in het wild voor. Tweemaal werd in Nederland een dergelijk exemplaar geschoten.
Van de eerstgenoemde soort onderscheidt zich de Wilde Zwaan of Deen, in Groningen Hoelzwaan, in ’t Friesch Kloekswan geheeten (Cygnus musicus), door zijn meer gedrongen gestalte, door den iets korteren en dikkeren hals en vooral door den snavel, die aan de spits zwart, aan den wortel geel en eenigszins gezwollen is, maar geen knobbel vertoont. (Lengte 160, vlucht 250, vleugel 62, staart 20 cM.) Iederen winter treft men op onze kust, alsmede op de binnenwateren en ondergeloopen vlakten exemplaren van deze soort aan; soms zijn zij hier zeer talrijk.
De derde soort van de onderfamilie, die Europa en Noord-Azië bewoont, de Kleine Zwaan (Cygnus Bewickii), onderscheidt zich van de vorige hoofdzakelijk door geringere grootte (lengte 125 à 130 cM.), den dunnen hals, een aan den wortel zeer hoogen snavel en een uit 18 stuurpennen samengestelden staart. Sommige dierkundigen beschouwen hem als een verscheidenheid van den Wilden Zwaan. In kleinen getale bezoekt hij ’s winters ons vaderland. In den strengen winter van 1870/1871 was hij hier vrij talrijk.
De Wilde Zwaan is in het noorden van Europa niet zeldzaam, en komt eveneens voor in geheel Noord- en Middel-Azië tot aan de Behring-straat, als ook in Amerika. Op den trek begeeft hij zich iederen winter naar Noord-Afrika, naar Egypte zoowel als naar de meren van Marokko, Algerië en Tunis. Aan de Oostzeekust verschijnen de Wilde Zwanen reeds in October; Middel-Duitschland en Nederland doen zij in November en December op de heenreis, in Februari of Maart op de terugreis aan.

Wilde Zwaan (Cygnus musicus). 1⁄7 v. d. ware grootte.
De Wilde Zwaan staat duidelijk achter bij den Roodbekzwaan wat bevalligheid en sierlijkheid betreft. Gunstig onderscheidt hij zich echter van dezen door zijn schelle en betrekkelijk welluidende stem, die men trouwens op een afstand moet hooren om haar met bazuingeschal en viooltonen te vergelijken: zooals de IJslanders doen. Naumann stelt het gewone geschreeuw van dezen Vogel zeer juist voor door de teekens „kielkliï”, het zachtere door „ang”. Hoewel deze beide geluiden van nabij gehoord geen bijzonder aangenamen indruk maken, maar heesch en krijschend zijn, is het niet onmogelijk, dat zij welluidend mogen heeten, wanneer men ze op een afstand hoort en wanneer een groot aantal Vogels ze te gelijk voortbrengen. Dit kan men afleiden uit de berichten van Schilling: „De Wilde Zwaan bekoort den toeschouwer niet slechts door zijn schoone gestalte, maar steekt door de waakzaamheid en de schranderheid, die uit iedere beweging van den kop en uit de geheele houding blijken, gunstig af bij den Roodbekzwaan. Zijn luide, gevarieerde, zuivere stem, die bij iedere aanleiding als loktoon en waarschuwend sein weerklinkt, maakt een aangenamen indruk. De tot troepen vereenigde Wilde Zwanen laten zich voortdurend hooren; ’t is, alsof zij een zangwedstrijd houden om zich den tijd te verdrijven. Wanneer een strenge vorst de zee op alle plaatsen, die niet opengehouden worden door een hevigen stroom, met een ijslaag bedekt en de ondiepten, waar de Wilde Zwanen zich bij voorkeur ophouden, ongeschikt zijn om hen te herbergen, vereenigen deze statige Vogels zich bij honderden in de naastbijgelegene, opene watervlakten. Zij bejammeren dan als ’t ware met droefgeestig geschreeuw hun ongelukkig lot, daar zij in diep water het noodige voedsel niet kunnen verzamelen: meermalen hoorde ik op een langen winteravond en gedurende den geheelen volgenden nacht het veelstemmig klaaggezang, dat op uren afstands voortgebracht werd door Vogels, die in zulke omstandigheden verkeeren. Soms klinkt dit zangerig geschreeuw als klokgelui in de verte, soms als tonen van blaasinstrumenten; het komt niet geheel overeen met de tonen van het doode metaal, maar overtreft deze in vele opzichten; daar het van levende wezens afkomstig is, maakt het een meer sympathieken indruk, harmonieert het beter met ons zintuig. Het maakt de als een verdichtsel uitgekreten overlevering van het zwanengezang tot een werkelijkheid.” Wegens zijn gezang wordt de Wilde Zwaan in Rusland, waar onze Roodbekzwaan niet veel in tel is, dikwijls in getemden staat gehouden. De hartstochtelijkheid en twistgierigheid, die deze soort misschien in hoogere mate bezit dan al zijne verwanten, worden eenigszins vergoed door zijn schranderheid.
In vrij grooten getale nestelt de Wilde Zwaan in de moerassen van Finland, Noord-Rusland en Middel-Siberië, ook wel in die van Noord-Amerika en van IJsland. Bij uitzondering werd soms een enkel paar in Duitschland broedend waargenomen.
Alle volken van het noorden maken ijverig jacht op de Zwanen. Deze doorleven een moeilijken tijd, als het ruien in vollen gang is en zij de meeste van hunne slagpennen verloren hebben. Door jagers, die hen in een boot vervolgen, worden zij dan met den stok doodgeslagen. De ouden en de jongen zijn in dezen tijd zeer vet; vooral laatstgenoemde zijn als wild zeer gezocht.
Een der fraaiste, uitheemsche Zwanen is de Zwartnekzwaan (Cygnus nigricollis). Zijn kleed is wit; de kop met uitzondering van een witte wenkbrauwstreep is zwart, evenals de bovenste helft van den hals. Het oog is bruin, de snavel loodkleurig grijs, aan de spits geel; de knobbel aan den bovensnavel en de naakte plek van den teugel zijn bloedrood; de voet is lichtrood. De lengte bedraagt ongeveer 100 cM.
Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich over de zuidspits van Amerika, van het zuiden van Peru tot de Falkland-eilanden en van hier langs de oostkust tot Santos in Brazilië uit.
In 1851 voerde Lord Derby op zijn kasteel Knowsley bij Liverpool het eerste paar Zwartnekzwanen in. Kort voor 1870 werd een paar van deze dieren voor f 1200 aangekocht door den Heer P. J. Polvliet, een bekend kweeker van zwemvogels te Rotterdam, die er in 1872 reeds 26 jongen van had verkregen. Tegenwoordig treft men deze Zwanen, zelfs bij particulieren, niet zelden aan; zij zijn mak van aard en telen vrij goed in den gevangen staat voort, gedragen zich als Wilde Zwanen, maar laten slechts zelden hun zwakke stem hooren. In strenge winters moeten zij tegen felle koude beschut worden; overigens zijn zij tegen ons klimaat goed bestand (Maitland).
De Zwarte Zwaan (Cygnus atratus) is iets kleiner dan de Gewone, maar doet voor dezen niet onder in schoonheid van gestalte en sierlijkheid van bewegingen. De kleine omtrekveeren zijn nagenoeg geheel bruinachtig zwart, alleen haar rand is zwartgrijs; de onderdeelen zijn weinig lichter van kleur; hierbij steekt het heldere wit van alle handpennen en van het grootste deel der armpennen prachtig af. De groote vleugeldekveeren zijn sterk gekruld. Het oog is karmijnrood, de teugel anjelierrood, de snavel helder karmijnrood, een strook vóór de spits van den bovensnavel en de spitsen van beide kaken zijn wit, de voeten zwart.
Cook trof deze diersoort, die reeds sedert 1698 bekend is, op de door hem bezochte gedeelten van de Australische kust veelvuldig aan; ook thans nog vindt men haar in alle voor haar geschikte meren, poelen en rivieren van Zuid-Australië en Tasmanië; verbazend talrijk is zij in de weinig bezochte streken van het binnenland en zoo weinig schuw, dat het geen moeite kost er zoovele van te schieten als men verlangt.
In aard en gewoonten verschilt de Zwarte Zwaan niet veel van zijn ons bekenden verwant; hij is echter minder stil dan deze en houdt zelfs veel van schreeuwen; zijn zonderlinge stem, die min of meer aan dof trompetgeschal herinnert, wordt vooral tegen den paartijd dikwijls gehoord.
In 1726 werden voor ’t eerst levende Zwarte Zwanen uit Australië naar Batavia overgebracht; hun intocht in Europa deden zij in ’t begin van deze eeuw op het aan Keizerin Josephine toebehoorende kasteel Malmaison. Tegenwoordig zijn zij in de vijvers van de Europeesche vogelliefhebbers gewone verschijningen; het onderhoud van deze Vogels vereischt weinig meer zorg dan dat van de meest gewone leden hunner verwantschap. De koude van onzen winter hindert hen niet veel; de eischen, die zij aan het voedsel stellen, zijn gemakkelijk te bevredigen. Ieder jaar planten zij zich in de gevangenschap voort: bij den Heer P. J. Polvliet te Rotterdam werden in 5 opeenvolgende jaren (van 1858 tot 1861 door één paar en van 1861 tot 1865 door 2 paren) 98 jongen grootgebracht (Maitland).
De Gansachtigen (Anserinae), die een talrijke, ongeveer 45 soorten omvattende, over de geheele wereld verbreide onderfamilie vormen, onderscheiden zich van de Zwanen door een meer ineengedrongen romp, een korteren hals en snavel en hoogere, nader bij het midden van den romp geplaatste pooten. De snavel is nauwelijks zoo lang als de kop, bij sommige zelfs iets korter, van boven gewelfd, van onderen plat, aan den wortel zeer hoog, boven en onder uitgerekt tot een breeden, bollen nagel, die scherpe randen heeft, aan de zijden met harde, tandvormige zeefplaatjes gewapend, overigens met een zachte huid bekleed. Slechts bij uitzondering vertoont het kleed bij beide seksen een in ’t oog loopend verschil; ook dan echter wedijvert het wijfje in schoonheid met het mannetje. De jongen krijgen reeds in het eerste levensjaar het volkomen kleed.
Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten van Ganzen. Verscheidene zijn in Azië en Europa bijna even veelvuldig; enkele zijn over het noorden van de geheele wereld verbreid; verder zuidwaarts is ieders gebied beperkt. Minder dan de overige Zeefsnaveligen leven zij in het water; een deel van haar leven brengen zij op het vasteland en zelfs op boomen door. In de vlakte komen zij talrijker voor dan in het gebergte, hoewel zij hier niet ontbreken; sommige soorten worden zelfs uitsluitend op aanzienlijke hoogte gevonden. Haar gang is zeer goed, over ’t geheel genomen beter dan die van eenig ander lid der onderorde; zij zwemmen behendig en snel, hoewel minder goed en vlug dan de Eenden en Zwanen; zij duiken in haar jeugd en in tijd van gevaar tot op een aanzienlijke diepte; haar vlucht is gemakkelijk en fraai: in wigvormige orde gerangschikt doorklieven zij met suizend gedruisch de lucht en leggen een grooten weg af zonder halt te maken. Verscheidene soorten brengen brommende, andere snaterende, enkele zeer welluidende en op verren afstand hoorbare tonen voort; de meeste sissen, als zij toornig zijn.
Waarom men de Ganzen voor dom heeft uitgemaakt, is moeielijk te zeggen, daar de ervaring steeds het tegendeel leert. Alle leden dezer groep, geen uitgezonderd, zijn schrander, verstandig, voorzichtig en waakzaam. Zij wantrouwen ieder mensch, onderscheiden zonder fout den jager van den landman of den herder, kennen alle voor hen gevaarlijke menschen zeer goed, zetten wachten uit, kortom, nemen verscheidene practische voorzorgsmaatregelen tot bevordering van hun veiligheid. De gevangen exemplaren schikken zich zeer spoedig in de veranderde omstandigheden en worden reeds na korten tijd zeer tam; het juiste inzicht in hun toestand, dat zij op deze wijze toonen, pleit zeer voor hun verstand. Ook de inborst van de Ganzen trekt ons aan. Eenige kan men niet vrijspreken van een zekere heerschzucht en onverdraagzaamheid, de meeste echter zijn buitengewoon gezellig; zij zoeken het gezelschap van hare soortgenooten, niet dat van andere dieren; de leden van één gezin zijn met groote teederheid aan elkander gehecht. Zonder strijd tusschen de mannetjes loopt de paartijd niet af; zoodra ieder een wijfje heeft, is de vrede hersteld; de verschillende paren broeden naast elkander zonder te twisten. Het echtverbond geldt voor het geheele leven. Het mannetje helpt niet mede bij het broeden, maar is later een gids voor de jongen en waakt voor de veiligheid van het geheele gezin.

Zwarte Zwaan (Cygnus atratus). ⅙ v. d. ware grootte.
Alle Ganzen gebruiken bij voorkeur plantaardig voedsel. Met haar harden, scherprandigen snavel bijten zij gras en graanplantjes, kool en andere kruiden af, schillen jonge boompjes, plukken bladen, bessen, peulen en aren, verwijderen vruchtwand of kafjes van zaden of graankorrels, verzamelen slobberend in ondiep water verschillende plantaardige stoffen en versmaden geen enkel voor hen bruikbaar plantendeel. Enkele soorten gebruiken ook Insecten, Schelpdieren en kleine Gewervelde Dieren. Daar, waar zij in grooten getale voorkomen, kunnen zij schade aanrichten; deze vergoeden zij echter door haar voortreffelijk vleesch en haar rijk voorzien vederenkleed. Op alle soorten wordt ijverig jacht gemaakt, vooral gedurende den ruitijd, die ook vele Ganzen eenige weken achtereen ongeschikt maakt om te vliegen.
Bij de Ganzen i.e.z. (Anser) is de snavel zoo lang als de kop en, gedeeltelijk althans, geel of rood van kleur; de zeefplaatjes van den bovensnavel steken voorbij diens zijrand uit; de neusgaten zijn achter het midden van de mondspleet gelegen. De handpennen hebben witte schaften. De achterteen reikt tot op den grond.
De Wilde Gans of Grauwe Gans, in Groningen Schierling, in het land van Kuik Koenekraan, in Friesland Groote Schiere of Groote Witgat genoemd (Anser ferus of A. anser), is de stamsoort van onze Tamme Gans. Op den rug is zij bruinachtig grijs, door de lichtere randen van de veeren als ’t ware geschubd, op de onderdeelen geelachtig grijs, hier en daar door een enkel zwart veertje gevlekt; de groote vleugeldekveeren zijn blauwachtig grijs met lichtere randen, de kleine zuiver aschgrauw, de staartwortel, de buik en de onderdekveeren van den staart wit, de veeren aan de zijden van borst en buik donker vaalgrijs met lichtvaalgrijzen eindzoom, de slagpennen en stuurpennen zwartgrijs met witte schaft, de laatstgenoemde ook wit aan de spits. Het oog is lichtbruin, de voet, evenals de wortel van den snavel, licht vleeschrood, de nagel aan de spits van den bovensnavel wasgeel. Totale lengte 98, vlucht 170, vleugel 47, staart 16 cM. Het mannetje heet Gent of Ganzerik (in ’t Friesch Garre), het wijfje Gans (in ’t Friesch Goes, meervoud: Giesen).

Wilde Gans (Anser ferus). ⅕ v. d. ware grootte.
De Wilde Gans is het eenige in Nederland (en Duitschland) broedende lid van haar onderfamilie; zij behoort meer in de gematigde streken dan in het hooge noorden thuis. Van Noorwegen strekt haar verbreidingsgebied zich in oostelijke richting uit over geheel Europa en Azië tot aan de oostelijkste kust van dit werelddeel; broedend vindt men haar tot op ongeveer 45° N.B. Van October tot November en in Maart en April trekt zij in tamelijk grooten getale door ons land. Bij zacht weder overwinteren hier enkele exemplaren. „Sedert 1819 broedt een kleine kolonie van Wilde Ganzen jaarlijks in de zoogenaamde Kraanlanden en Boornbergumer petten (Friesland). Door inpoldering en het stichten van woningen is haar terrein echter eenigszins ingekrompen, zoodat zij zich thans naar Eernewoude en Oudega heeft verplaatst, alwaar ieder jaar eieren worden gevonden” (Albarda). In Duitschland verschijnt zij, tot familiën of kleine gezelschappen vereenigd, tegen het einde van Februari of in het begin van Maart, dus reeds vóór het smelten van de sneeuw, verkondigt door vroolijk geschreeuw haar aankomst en strijkt op de broedplaats neer, waar zij zich dadelijk thuis gevoelt, zooals uit hare handelingen blijkt. Tegen het einde van Juli, als het ruien afgeloopen is, begint zij aan de afreis te denken; aanvankelijk maakt zij geen groote haast, maar reist op haar gemak; haar plaats wordt weldra ingenomen door de Rietgans. Zelden vormt zij op den trek talrijke zwermen; meestal blijven slechts de ouders met hunne volwassen jongen bijeen.
In vroeger jaren broedden de Wilde Ganzen bij alle groote, stilstaande wateren van Duitschland; tegenwoordig ontmoet men nog slechts enkele paren in de uitgestrekte broeklanden van Noord- en Oost-Duitschland, de meeste in Pommeren en Oost-Pruisen. Bij voorkeur vestigen zij zich in moerassen, die hier en daar met uitgestrekte waterplassen afwisselen of deze omgeven, een moerassigen bodem hebben en moeilijk genaakbare eilandjes bevatten, die met gras, riet en struiken begroeid zijn. Op deze eilanden verzamelen zich de paren bij hun aankomst om er uit te rusten en later hunne nesten te bouwen. Van soortgelijken aard is het terrein, waarop de hierboven genoemde Friesche broedkolonie voorkomt. „Tusschen Oldeboorn, Eernewoude, Oudega, Boornbergum en Beets is een vlakte van 7 à 8 uren gaans in omtrek, waar men zeer weinige menschelijke woningen aantreft. Daarin liggen vele vaarten, poelen en petten, en de lage, veenachtige bodem, die hier en daar zeer moerassig is en voor een deel bestaat uit drijftillen (sompen), die met gagel, rietgrassen en wolwilgen zijn begroeid, wordt des winters geheel door het water bedekt. In het midden daarvan, in de zoogenaamde Kraanlanden en nabij de Boornbergumer petten, benoorden den Ouden Leppedijk, hebben deze Vogels sedert 1819 hunne broedplaatsen gevestigd. Zij komen in het laatst van Maart aldaar aan. Begroeide plaatsen, zoo mogelijk geheel door moeras omgeven, of kleine eilandjes in de petten kiezen zij bij voorkeur voor den nestbouw. Het nest bestaat dikwijls uit een geheele vracht riet en andere waterplanten; het binnenste daarvan is geheel met vederen en dons belegd. Het getal der eieren is meestal 6 of 7 en gaat nimmer 9 te boven. Zij zijn geheel gelijk aan die van de Tamme Gans, alleen is de schaal minder poreus. Zij worden ijverig opgezocht en zijn gemakkelijk te vinden, daar de Gent zich altijd in de nabijheid van het nest ophoudt en luid schreeuwend rondom den naderenden mensch vliegt; terwijl de Gans eerst dan met een sissend geluid van de eieren opstaat, wanneer men haar tot op weinige schreden is genaderd. De Vogels, wier eieren zijn weggenomen, of die, welke niet broeden (waarschijnlijk jongen), zwerven den geheelen zomer door in eenigszins ruimeren kring en vertoonen zich nu en dan te Wartena, Garijp, Suawoude en Gersloot. Het getal der Vogels, welke broeden, bedraagt volgens in de nabijheid wonende personen, ongeveer 30” (Albarda).
De nakomelingen van de Wilde Gans, onze Tamme Ganzen, hebben weinig van het voorkomen en de eigenaardigheden harer stamouders verloren; deze hebben echter, evenals alle in ’t wild levende dieren, een fierder houding en een vluggere beweging, waardoor zij een eenigszins verschillenden indruk op den waarnemer maken. Zij gaan zeer snel en sierlijk, veel losser en behendiger dan de Tamme Gans, zwemmen goed, duiken, als een gevaar haar bedreigt, maar weten zich op het water minder goed te redden dan op het land. Zij vliegen zeer goed, wel niet zoo licht en fraai als de verwante soorten, maar toch lang achtereen en voor hun doen snel genoeg. Bij het opvliegen veroorzaken de hevige vleugelslagen een klapperend gedruisch, bij het neerstrijken verneemt men een dergelijk geraas, vermeerderd met dat van ’t plassen in ’t water, als de Gans zich op den waterspiegel neerzet. Als een paar een korten weg heeft af te leggen, verheft het zich zelden tot een aanzienlijke hoogte, zooals het anders in den regel doet. De Gans vliegt dan voor den Gent uit; op den trek daarentegen wordt deze even vaak als gene aan de spits van den wigvormigen zwerm gevonden. De lokstem klinkt als „gahkahkakgak”, wordt dikwijls snel achtereen herhaald en, als het mannetje en het wijfje elkander beantwoorden, in „giekgak” veranderd; de geluiden voor het dagelijksch verkeer klinken als „tattattattattat”; in toorn sissen beide. Dit alles geschiedt geheel op dezelfde wijze als bij de Tamme Gans.
Uit het gedrag van de Wilde Gans blijkt haar goed ontwikkeld verstand. Altijd is zij voorzichtig en wantrouwig; slechts op de broedplaats blijft zij bij de nadering van een mensch langer dan gewoonlijk. Gezellig kan men haar eigenlijk niet noemen. Alleen de Tamme Ganzen deelen in haar genegenheid; terwijl deze aan ’t grazen zijn, krijgen zij dikwijls bezoek van hare wilde verwanten. Soms blijven deze tamelijk lang; zelfs is het wel eens voorgekomen, dat zij zich met de tamme kudde naar het dorp lieten drijven; dan vlogen zij nog ter rechter tijd weg. Ook paren Wilde Ganzen nu en dan met Tamme. Zoo weinig de Wilde Gans zich om andere Vogels bekommert, zoo trouw zijn de leden van één gezin aan elkander gehecht. Deze blijven tot aan de lente bijeen, keeren soms gezamenlijk naar het vaderland terug en verstrooien zich eerst, als de oude Vogels beginnen te nestelen.
Onmiddellijk na de terugkomst in het vaderland, zoekt ieder paar een geschikte plaats voor het bouwen van het nest. IJverig houdt het wijfje zich bezig met het aanvoeren van verschillende bouwstoffen. In de eerste plaats worden die, welke in de onmiddellijke nabijheid liggen, bijeengezocht: later moeten voor het voltooien van het nest andere materialen met zorg uitgekozen en dikwijls van verre aangedragen worden. Dikke stengels, halmen, bladen van moerasplanten, riet, biezen enz. vormen, ongeregeld en los opeengestapeld, den grondslag van het nest, welks holte met fijnere stoffen en een dikke donslaag bekleed wordt. De oude wijfjes leggen 7 à 14, jonge 5 à 6 eieren, welke op die van de Tamme Gans gelijken en een gladde, glanslooze, min of meer korrelige schaal hebben van groenachtig witte of somber geelachtige kleur. In de nesten van oude paren vindt men reeds in het begin van Maart het eerste ei; tegen het midden (of uiterlijk in het einde) van deze maand begint het wijfje te broeden. Vooraf plukt zij zich alle donsveeren van de borst uit, bekleedt hiermede den binnenrand van het nest en bedekt, zoo vaak zij zich verwijdert, zorgvuldig hare eieren.
Op den 28en dag van de bebroeding komen de jongen uit; deze worden nog ongeveer een dag in het nest gehouden, begeven zich daarna te water, geleid door de moeder, die hun voedsel leert zoeken. Eendenkroos, gras en dergelijke stoffen maken hun eerste voedsel uit. Later bezoeken zij de weiden en de akkers. Des avonds keeren ouders en kinderen naar het nest terug. Daar dit na ongeveer 2 weken voor de sterk gegroeide jongen te klein geworden is, slapen deze voortaan nu eens hier, dan weer daar, dicht tegen de moeder aangedrukt. De waakzaamheid van den Gent neemt toe, nadat de jongen het ei verlaten hebben. De moeder gaat of zwemt vóór het gezin uit, de dicht opeengedrongen jongen volgen, de vader dekt in zekeren zin den aftocht van het gezelschap. Bij ’t naken van een gevaar geeft hij het eerste sein tot vluchten. „Een aangenaam schouwspel,” zegt Naumann, „kan ieder vriend van de natuur zich verschaffen, door op een fraaien Meiavond van uit een geschikten schuilhoek zulke Ganzen-familiën te bespieden, als zij bij zonsondergang, alle op gelijke wijze en bijna gelijktijdig uit het riet sluipen, zich op den vrijen waterspiegel wagen en stil naar den oever zwemmen. Zie eens, hoe de vader van het gezin overal waar hij gevaar ducht voor de veiligheid van zijn gezin, een verdubbelde waakzaamheid ten toon spreidt. Wanneer alle gelukkig aangeland zijn op de plek, waar zij willen grazen, durft de Gent bijna niet mede te eten; zoodra er onraad is, waarschuwt hij met een zacht geluid. Tot zijn schande moet echter gezegd worden, dat hij zich onder jammerlijk geschreeuw het eerst op de vlucht begeeft, als de nood aan den man komt. In zulke gevallen toont het wijfje veel meer moed; zij denkt meer om hare kinderen dan om haar eigen veiligheid.”
Jong gevangen Wilde Ganzen worden spoedig tam; zelfs oudere geraken weldra gewoon aan het verlies van haar vrijheid en leeren den mensch kennen als iemand, die haar welzijn behartigt. Zij verloochenen hare vroegere neigingen echter niet geheel; dit blijkt zelfs bij jongen uit eieren van Wilde Ganzen, die door Tamme Ganzen werden uitgebroed. Zoodra zij volwassen zijn, ontwaakt in hen het verlangen naar vrijheid; als men hen niet met geweld terughoudt, trekken zij in den herfst met de Wilde Ganzen naar het zuiden. Soms keeren enkele terug naar het erf, waar zij grootgebracht werden; dit is echter een uitzondering. Boie verhaalt, dat van vier Wilde Ganzen, die door Tamme waren uitgebroed en te midden van deze haar jeugd hadden gesleten, drie na den trek wegbleven; de vierde echter keerde iedere lente gedurende 13 opeenvolgende jaren (waarschijnlijk dus tot aan haar dood) naar haar geboorteplaats terug. Zij verscheen hier verscheidene weken na de terugkomst van de overige Wilde Ganzen: nooit vóór den 1en, nooit nà den 4en April. Op het erf was zij zeer tam, daar buiten even schuw als hare wilde stamgenooten. In de eerste weken kwam zij gewoonlijk des morgens en des avonds voedsel halen, bleef soms een half uur of een uur, maar vloog dan altijd weer terug naar het naburige meer, waar zij vermoedelijk haar nest had. Na het begin van den tijd, waarin men de jongen van de Wilde Ganzen in het water ziet, bleef zij langer op het erf, dikwijls zelfs den geheelen dag. Des avonds om 10 uur vloog zij geregeld weg, in de richting van het meer.
Oude Wilde Ganzen worden niet zelden door groote soorten van Arenden en Edelvalken, soms ook door Vossen en Wolven buitgemaakt. Voor den mensch nemen zij zich steeds zeer in acht; er is ervaring noodig om ze te verschalken. Daar zij bij ’t vliegen van ’t water naar ’t land en omgekeerd steeds dezelfde wegen volgen, verschuilt de jager zich onder zulk een weg b.v. in het riet. In vele gevallen gelukt een nachtelijke jacht met drijvers, terwijl de jagers op bepaalde plaatsen geposteerd staan. Op sommige plaatsen vervolgt men de Ganzen ook wel zeer onjachtmatig in een boot gedurende den ruitijd, gelijk de Lappen doen. Daar zij dan niet kunnen vliegen, trachten zij den dood te ontkomen door telkens te duiken en worden, zoodra zij uitgeput zijn door een stokslag of een schot gedood. In Friesland, Overijsel, Gelderland, Utrecht en in ’t Gooiland, bij de meren en aan de Zuiderzeekust, vooral bij de monden van den IJsel en den Eem, worden de Wilde Zwanen en Ganzen, meestal bij vriezend weer en als het land met een dikke sneeuwlaag bedekt is, door afgerichte lokganzen verleid om neer te strijken bij de voor hen gevaarlijke slagnetten. Voor een groot deel worden de gevangen Vogels naar Engeland gezonden. Het vleesch van de oude Wilde Ganzen is hard en taai, dat van de jongen daarentegen zeer smakelijk. Hare veeren worden hooger geschat dan die van de Tamme Gans; vooral het dons is zeer gezocht.
De Rietgans, Zaadgans of Zwartkop, te Amsterdam Schiergans, in Groningen Weenk, Wink, Weenkie en Grasgans, in het land van Kuik Koenekraan geheeten (Anser fabalis, Anser segetum), gelijkt door de kleur van haar vederenkleed op de vorige soort, maar is kleiner (lengte 86, vlucht 180, vleugel 48, staart 14 cM.). De schouderveeren en alle groote bovendekveeren van den vleugel zijn echter bruin met smalle, vuilwitte kanten. Het oog is donker nootbruin, de snavel zwart, achter den nagel met een breeden, helder geelrooden ring om beide kaken, de voet oranjekleurig.
De Akkergans (Anser fabalis arvensis, Anser arvensis) wordt als een verscheidenheid van de Rietgans aangemerkt. Zij is bijna even groot als de Wilde Gans (lengte 95, vlucht 174, vleugel 50, staart 14 cM.). Het zwart op den overigens oranjerooden snavel blijft beperkt tot den rug, het achterste deel van de zijstukken en den nagel.
De Kleine Rietgans (Anser brachyrhynchus) gelijkt veel op de Rietgans, maar verschilt van deze door geringere grootte (lengte 82, vleugel 42, staart 14 cM.), voorts door den opmerkelijk korten, plompen en dikken snavel, met smallen, licht rozerooden ringband; de voeten zijn klein en eveneens rozerood; het kleed is zeer donker, de bovenkop zwartbruin, de hals roodachtig bruin; de veeren van de bovenzijde en van de flanken zijn dof grauwzwart met lichtgrijze randen.
De drie laatstgenoemde Ganzen broeden in het hooge noorden van de Oude Wereld; de grenzen van ieders gebied zijn echter niet nauwkeurig bekend. Tot dat van de Rietgans behooren IJsland, Lapland en de toendra van Europa en Azië; de Akkergans nestelt eveneens in Lapland; van de Kleine Rietgans weet men, dat zij in den zomer op Spitsbergen voorkomt. In den herfst trekken deze Vogels naar ’t zuiden en bezoeken ook ons vaderland, waar zij van November tot Maart rondzwerven en veelvuldiger zijn dan de gewone Wilde Ganzen. Het talrijkst zijn de Akkerganzen, die ook bij strenge vorst hier blijven; terwijl de Rietganzen zich dan naar Zuid-Europa en zelfs naar Noordwest-Afrika begeven, vanwaar zij echter, zoodra het weer gunstiger wordt, naar noordelijker gewesten terugkeeren. De Kleine Rietganzen komen hier geregeld, doch slechts in kleinen getale; zij verlaten hare broedplaatsen ongeveer terzelfder tijd als de Akkerganzen (later dan de Rietganzen) en keeren eerder derwaarts terug.
De Rietgans, die in levenswijze en gewoonte met hare beide verwanten overeenstemt, slaapt in meren en rivieren bij voorkeur op onbewoonde, kale, door ondiep water omringde eilandjes, waar zij veilig is voor een aan den waterkant staanden jager; des noods behelpt zij zich met andere moeilijke toegankelijke plekjes van waterrijke of moerassige gewesten of zelfs met de vrije watervlakte van een meer of grooten plas. Van haar rustplaats vliegt zij met het aanbreken van den dag, nooit zonder geschreeuw en geraas en steeds langs bepaalde wegen, naar de velden, waar zij haar voedsel zoekt, en keert tegen 11 uur in den voormiddag naar haar verblijfplaats terug, om te drinken, te baden, hare veeren te reinigen en te ordenen, zich te ontspannen en misschien een weinig te slapen; des namiddags tegen 2 of 3 uur vliegt zij ten tweeden male uit; zoodra de schemering aanvangt, gaat zij slapen. In den herfst voedt zij zich met de zaden, die op het stoppelland achtergebleven zijn, later met de jonge graanplantjes van de akkers met winterkoren; zij richt hierdoor veel schade aan. Haar doordringende, ver hoorbare stem gelijkt op die van de gewone Wilde Gans.
De Kolgans (Anser albifrons) heet zoo wegens den door witte veeren gevormden, breeden, ringvormigen band achter den snavelwortel, die men bij de volwassen Vogels (in Friesland Bonte Kollen genaamd) opmerkt; bij de jongere exemplaren (of Schiere Kollen) is deze streek in meerdere of mindere mate wit gevlekt of zelfs zonder eenig wit. De kop en de hals zijn donkergrijs, de bovendeelen bruingrijs met lichtere randen om de veeren, de onderdeelen grijs, de borst met zeer dicht bijeenstaande, zwarte vlekken geteekend, de staartwortel, de stuit en de onderstaartdekveeren wit, de handpennen en de vleugeldekveeren aschgrauw, de armpennen zwart, de staartveeren zwartachtig bruingrijs met smallen, witten zoom en breeden, witten eindrand. De jongen hebben een nagenoeg effen grijs kleed. Het oog is donkerbruin, de snavel bijna effen roodachtig geel, de voet oranje. Totale lengte 70, vlucht 150, vleugel 44, staart 12 cM.
Een verscheidenheid van de Kolgans, de Dwerggans (Anser albifrons erythropus), is aanmerkelijk kleiner (60 cM. lang). De witte voorhoofdsvlek reikt bij haar tot op het midden van de kruin en heeft een zwartachtigen zoom; de borst is wegens de talrijke, donkere veeren, nagenoeg zwart.
Deze beide vormen werden in alle toendras van de noordpoolgewesten broedend aangetroffen. Op hun winterreis, die zich tot in Egypte, het zuiden van Perzië en Indië uitstrekt en waarbij zij de kust volgen, bezoeken zij ons vaderland; van November tot Maart zwerven zij hier veelvuldig rond, maar begeven zich bij strenge koude naar zuidelijker gewesten. In levenswijze en gewoonten verschillen zij weinig van de Rietganzen; hun stem klinkt echter geheel anders, n.l. ongeveer als „kliekkliek” of „klekkek”, „klieng” en „kleng.” Hieraan danken zij den naam Klik.
Door een eigenaardige kleur onderscheidt zich de Sneeuwgans [Anser (Chen) hyperboreus]. De volwassen Vogel is sneeuwwit; de tien eerste slagpennen zijn echter zwart, met uitzondering van het wortelgedeelte van de schaft, dat eveneens wit is. In het jeugdkleed hebben de veeren van kop en nek een grijsachtig wit waas; de zwartachtig grijze kleur van de onderzijde van den hals, van den bovenrug, de schouderveeren, de borst en de zijden wordt naar onderen bleeker. Het oog is donkerbruin, de snavel licht vuilrood, aan de randen zwartachtig, de voet licht vuilkarmijnrood. De lengte bedraagt 86 cM.
Het vaderland van de Sneeuwgans is het hooge noorden van Amerika, van de kustlanden van de Hudsonsbaai tot de Aleoeten. Zij trekt meer in zuidoostelijke dan in zuidwestelijke richting; iederen winter wordt zij in Noord-China en Japan waargenomen, soms dwaalt zij naar Europa af; enkele malen werd zij in Nederland gezien. Het hoofdleger trekt echter door Noord-Amerika en houdt zich ’s winters op in de zuidelijkste gedeelten van de Vereenigde Staten en in Middel-Amerika. In Texas, Mexico, op Cuba en de overige West-Indische eilanden komt zij van October tot April algemeen voor. In Zuid-Californië, Texas, Louisiana, Mississippi, Alabama, Georgië en Florida ziet men in dezen tijd zwermen van vele duizenden. Deze blijven echter niet gedurende den geheelen winter in dezelfde streek, maar begeven zich, al naar de weersgesteldheid, nu eens verder zuidwaarts, dan weer naar noordelijker gewesten terug. Daar zij op haar reis door de Vereenigde Staten in hooge luchtlagen blijven, krijgt men van het aantal Sneeuwganzen, die het zuiden opzoeken, eerst in hare winterkwartieren een juiste voorstelling. Zij vliegen uitmuntend en loopen goed. Bij haar aankomst in de winterkwartieren zijn zij volstrekt niet schuw; zij worden het echter spoedig door de onaangename ervaringen, die zij opdoen. Volgens Barenston richten vooral de Indianen een groote slachting onder de Sneeuwganzen aan. Niet zelden komt het voor, dat een ervaren jager er gedurende den trek honderden van schiet. Eerst sedert een twintigtal jaren komt deze soort in de Europeesche dierentuinen voor (Maitland).
Bij de Zeeganzen (Branta) is de snavel korter dan de kop en zwart van kleur; de zeefplaatjes van den bovensnavel worden door diens zijrand bedekt; de neusgaten zijn boven het midden van de mondspleet gelegen. De handpennen hebben zwartachtige schaften. De achterteen reikt niet tot op den grond.
Van de drie inheemsche soorten van dit geslacht komt de Rotgans, Pauwgans of Ringelgans (Branta bernicla) hier het veelvuldigst voor; men ontmoet haar van September tot Mei in groote vluchten aan de kust en op de zandplaten van de Wadden. De kop, de hals, de nek, de krop, de slagpennen en de stuurpennen zijn zwart, de rug, de borst en de bovenbuik donkergrijs, iedere veer met lichtere randen, de zijden van den buik, de stuit en de bovendekveeren van den staart wit; de hals heeft aan weerszijden een halvemaanvormige, witte dwarsvlek. Het oog is donkerbruin, de snavel roodachtig zwart, de voet donkerzwart. Lengte 62 cM.
Het hooge noorden van de Oude en de Nieuwe Wereld is het vaderland van deze soort; zij broedt aan kusten en op eilanden tusschen 60° en 80° N.B., op IJsland in kleinen getale, op Spitsbergen zeer veelvuldig. In den herfst verlaten de Rotganzen deze ongastvrije oorden en begeven zich naar onze kusten, soms nog verder zuidwaarts. In het einde van October of op zijn laatst in het begin van November bevolken zij bij duizenden alle vlakke oevers van de Oostzee en de Noordzee. Zoover het oog reikt, ziet men de bij eb droogliggende Wadden of zandbanken met deze Ganzen bedekt; haar geschreeuw overstemt het rollen van de branding; het aantal individuën dezer zwermen, die van verre gezien bij het opvliegen op dichte rookwolken gelijken, is niet te schatten.
De Brandgans of Dondergans, in ’t Friesch Tongergoes geheeten (Branta leucopsis), is grooter dan de vorige soort (70 cM. lang). Het voorhoofd en de zijden van den kop, de bovendekveeren van den staart, de borst, de buik en de stuit zijn wit, de veeren van de flanken met flauwe, donkere dwarsstrepen geteekend, de achterkop, de hals, een smalle teugelstreep, die tot aan het oog reikt, de nek, de boven- en de middelrug zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den bovenrug met bruinen zoom, de mantelveeren aschgrauw met witte randen, de slagpennen zwartbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de schouderveeren donker aschgrauw, bij de spits zwartbruin, met smallen, witten eindzoom, de stuurpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de snavel, evenals de voet, zwart. Deze soort bezoekt ’s winters bij strenge koude in kleinen getale onze kust en de binnenwateren; de Noordpoolgewesten zijn haar vaderland, hare broedplaatsen nog niet bekend.
Veel fraaier dan de beide vorige soorten is de 55 cM. lange Roodhalsgans of Russische Gans (Branta ruficollis), een in ons land vrij zeldzame wintergast (van een tiental exemplaren is de vangst bekend). De voorhals en de onderkeel zijn bruinrood (door een witten band begrensd), de zijden van den kop wit; de bovenkop, de kin, de keel, de achterhals, de zijden van de borst, de rug en de staart zijn zwart, de vleugels zwart met uitzondering van de wit gezoomde, bovenste dekveeren; de buikveeren zijn wit, zoo ook de boven- en onderdekveeren van den staart. Het oog is donkerbruin, de snavel blauwachtig zwart, de voet donkerzwart. De Roodhalsgans behoort in ’t hooge noorden van Azië, misschien ook in ’t uiterste noordoosten van Europa thuis; zij trekt in talrijke scharen naar ’t zuiden om vooral aan de Kaspische Zee (waarschijnlijk in nog grootere menigte aan de steppenmeren van Toerkestan) te overwinteren; slechts weinige exemplaren begeven zich zuidwestwaarts en brengen den winter op de kusten van West-Europa door.
De Rotgans is een kustvogel, die de zee zelden uit het oog verliest en slechts bij uitzondering, groote stroomen volgend, het binnenland bezoekt. Zij is sierlijker van gestalte, lieftalliger, vredelievender en gezelliger van aard dan de meeste van hare meer binnenslands verblijf houdende verwanten, bij welke zij in begaafdheid niet achterstaat. Zij loopt even goed op vasten als op slijkerigen grond, zwemt met gemak en op bevallige wijze, duikt uitmuntend, althans beter dan de overige Ganzen, die zij ook bij ’t vliegen den loef afsteekt; de reizende zwerm vormt meestal een verwarden hoop en plaatst zich niet geregeld in wigvormige orde, gelijk de Echte Ganzen.
In de gevangenschap is haar houding aanvankelijk zeer schroomvallig; weldra schikt zij zich naar de veranderde omstandigheden; geraakt mettertijd aan haar verzorger zeer gehecht, komt als hij roept, bedelt bij hem om voedsel en wordt, als men het er op toelegt, zoo tam, dat zij haar meester als een Hond naloopt.
Het voedsel van de Zeeganzen bestaat niet uitsluitend uit gras en waterplanten zooals dat van hare verwanten, maar ook uit Weekdieren. In ’t hooge noorden zullen zij vermoedelijk geen enkele plant versmaden; bij ons geven zij aan jong gras de voorkeur. De gevangen exemplaren geraken gewoon aan brood, zemelen en gerst, maar moeten, om voortdurend gezond te blijven, bovendien ook groen voer hebben.
In de noordpoolgewesten maken de Eskimos en de walvischvangers jacht op de Rotganzen; in zuidelijker kuststreken worden zij in den herfst en in de lente bij duizenden gedood. Evenals de Brandganzen en de Zee-eenden vangt men ze in de Zuiderzee tusschen Wieringen, Texel en Vlieland op de met wier begroeide ondiepten in slagnetten. De door lokvogels („baanzwemmers” of „roepers”) tot neerdalen verlokte, voorbijtrekkende zwermen worden, wanneer zij niet onder de slagnetten geraken, in schakels gedreven, die deels boven, deels onder water liggen en aan staken uitgespannen zijn (Maitland). Het vleesch van de Rotganzen wordt als smakelijk geroemd, maar heeft dikwijls een sterken bijsmaak, die niet iedereen behaagt. Daar deze bijsmaak een gevolg is van het eten van schelpdieren, worden de levend gevangen Zeeganzen soms een tijd lang met graan gevoerd, en eerst na deze mesting geslacht.
Van de uitheemsche soorten van Ganzen verdient de Vosgans of Egyptische Gans (Chenalopex aegyptiacus) vermelding, omdat zij van Afrika en Syrië uit vrij geregeld Zuid-Europa bezoekt en ook in Duitschland meermalen waargenomen werd. Zij is de eenige vertegenwoordigster van het geslacht der Boomganzen (Chenalopex), dat zich kenmerkt door een stompe, hoornachtige punt aan ’t handgewricht, een dunnen hals, een grooten kop met korten snavel, hooge pooten, breede vleugels en een prachtig vederenkleed. De zijden van den kop en den voorhals zijn geelachtig wit en fijn gesprenkeld; een vlek om het oog, de achterhals en een breede gordel aan den middelhals zijn roestbruin; de bovenzijde is grijs en zwart, de onderzijde vaalgeel met witte en zwarte, dwarse golflijnen, het midden van de borst en van den buik lichter, gene met een groote, afgeronde, kaneelbruine vlek versierd, de stuit fraai roestgeel; de bovendekveeren van den vleugel zijn wit, vóór het einde zwart met prachtigen metaalglans; de top van de slagpennen en stuurpennen is glanzig zwart. Het oog is geel of oranje, de snavel roodachtig blauw, de voet roodachtig of lichtgeel. Lengte 70 cM.
Afrika, van Egypte tot Kaapland en van de oostkust tot ver in het binnenland, is het vaderland van deze Gans: aan de westkust ontbreekt zij, naar het schijnt. Zij bewoont ook Syrië en Palestina en is herhaaldelijk naar Griekenland, Zuid-Italië en Zuid-Spanje afgedwaald. Sedert meer dan 60 jaar heeft men haar in Europa gefokt. Het is niet uitgemaakt of de Vosganzen, die in Noord- en West-Frankrijk, België en Duitschland geschoten zijn, afgedwaald waren uit haar vaderland, of ontsnapt aan de gevangenschap.

Vosgans (Chenalopex aegyptiacus). ⅕ v. d. ware grootte.
In Egypte ziet men ze gedurende den broedtijd bij paren, later in gezelschap van de jongen, nog later in ontzaglijke zwermen, die soms mijlen ver de beide oevers van den stroom bedekken. Water, en meer bepaaldelijk zoetwater, is voor haar welzijn een vereischte; zij weet zich echter te behelpen met een door den regen gevormden stroom, die slechts hier en daar tot een kleinen plas verbreed is. Het liefst houdt zij zich op aan met bosch bedekte oevers van stroomen, omdat zij bij voorkeur in het woud en op boomen broedt. In ’t noordelijke gedeelte van het Nijlgebied zijn eilanden en zandbanken in den stroom hare meest geliefde verblijfplaatsen. Op de akkers zoekt zij haar voedsel, o.a. Sprinkhanen; naar den stroom keert zij terug om uit te rusten en zich te ontspannen te midden van een talrijk gezelschap van soortgenooten.
De Vosgans wedijvert in ’t loopen met de hoogpootige Spoorwiekgans en zwemt zeer behendig met diep ingedompelde borst; snel en met volharding duikend, vervolgt zij haar gedeeltelijk uit waterdieren bestaande prooi tot op groote diepte; met de pooten en de vleugels roeiend, kan zij onder water een grooten weg afleggen. Hoewel zij bij ’t vliegen een sterk ruischend geluid maakt, geschiedt deze beweging snel en zonder merkbare inspanning; de eene Gans volgt de andere op korten afstand, als een paar zich in de lucht verheft; de geheele zwerm vormt gedurende het vliegen een verwarde hoop, die echter wigvormig wordt, als het doel van de reis veraf ligt. Haar niet zeer luide stem, een vreemdsoortig heesch en valsch geschetter, dat op de tonen van een slechte trompet gelijkt, trekt sterk de aandacht, als de een of andere zorg de gemoederen drukt of als het mannetje in toorn geraakt.
De Vosgans, die altijd voorzichtig, op haar veiligheid bedacht en in de hoogste mate wantrouwig is, wordt, als zij vervolging te verduren heeft, even schuw als de andere Ganzen; zij weet afstanden te schatten en onderscheidt den vreemden bezoeker onmiddellijk van den minder gevaarlijken inboorling. Minder aanlokkelijk is haar aard: in de hoogste mate heerschzuchtig en boosaardig, leeft zij niet eens met hare soortgenooten in vrede, hoewel zij zich met hen tot troepen vereenigt. In den paartijd strijden de mannetjes letterlijk op leven en dood met elkander, althans in de gevangenschap.
In Egypte wordt de Vosgans door Turken en Europeanen gejaagd; in Oost-Soedan schijnen de Arenden en de Krokodillen hare eenige vijanden te zijn. Zij is bruikbaar voor ’t zelfde doel als de andere soorten van wilde Ganzen: de jongen leveren een zeer smakelijk gebraad; het vleesch van de ouden, hoewel taai en hard, is voor soep uitmuntend geschikt.
Volgens een Indische overlevering werden eens twee gelieven in Ganzen veranderd en veroordeeld om ver van elkander den nacht door te brengen op verschillende oevers van denzelfden stroom, vanwaar zij voortdurend het volgende gesprek laten hooren: „Tsjakwa, mag ik bij je komen?”—„Neen, Tsjakwi.”—„Tsjakwa, mag ik niet bij je komen?”—„Neen, Tsjakwi.”—De Vogel, die door zijn geroep aanleiding heeft gegeven tot deze sage, is de Kasarka der Russen, de Braminen-gans van de Indiërs (Tadorna casarca) en vertegenwoordigt het geslacht der Holeneenden. Haar snavel is even lang als de kop, aan den wortel even hoog als breed en eindigt van voren in een dikken, hoornachtigen nagel van geringere breedte dan de spits; de zeefplaatjes zijn bij gesloten bek zichtbaar. Het onbevederde, onderste deel van den scheen is ongeveer half zoo lang als de loop en deze een weinig korter dan de middelste voorteen. De achterteen heeft geen zwemvliesje. Bij de genoemde soort is het vederenkleed grootendeels roestrood, de wangstreek geelachtig wit, de hals roestgeel, een smalle band aan den onderhals, die echter alleen in het prachtkleed waarneembaar is, groenachtig zwart; de boven- en onderdekveeren van den vleugel zijn wit; de spiegel is metaalachtig groen; de staartwortel, de bovendekveeren van den staart, de slagpennen en de stuurpennen zijn glanzig zwart. Het oog is lichtbruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. De lengte bedraagt 62 cM.
Middel-Azië is het brandpunt van het verbreidingsgebied van de Kasarka; oostwaarts reikt het tot aan den bovenloop van den Amoer, westwaarts tot Marokko. Op den trek bezoekt zij zeer geregeld Griekenland, Zuid-Italië en in kleinen getale ook Spanje; soms brengt zij er den winter door, gewoonlijk trekt zij verder. In geheel Indië is zij welbekend, daar zij als wintergast in alle gewesten van het Schiereiland voorkomt. Soms dwalen sommige exemplaren naar het noorden en noordwesten af; enkele werden, hoewel hoogst zelden, in Middel-Duitschland waargenomen.
Uitsluitend op de geringe grootte van de Kasarka afgaande, zou men haar voor een Eend kunnen houden; bij nadere kennismaking met dezen Vogel herkent men haar als een Gans. Al laat men buiten rekening, dat reeds de kleur van haar vederenkleed haar verwantschap met andere Ganzen verraadt, zoo stemmen toch de levenswijze, de gebaren, de gang, de vlucht, het zwemvermogen, de stem, zelfs het gedrag bij het broeden met de eigenschappen, zeden en gewoonten van de Ganzen, niet echter met die van de Eenden overeen. Paarsgewijs en zonder ooit te kort te doen aan de huwelijkstrouw, die het geslacht der Ganzen kenmerkt, leeft de Kasarka minder op dan bij het water, mijdt beslist de poelen en moerassen en zoekt daarentegen rijk begroeide vlakten, met malsch gras bedekte weiden en akkers met jonge graangewassen op om hier op de wijze van de Ganzen te grazen. Hoewel zij dierlijk voedsel niet versmaadt, toont zij een besliste voorliefde voor plantaardige spijzen. Ook haar zeer krachtige, ver klinkende stem, die de Russen door den naam Toerpan trachten na te bootsen, kan slechts met die van Ganzen vergeleken worden. Nergens en nooit verliest zij gedurende het leven in de vrije natuur de voorzichtigheid uit het oog. In de nabijheid van haar broedplaats is zij even schuw als in de winterkwartieren, den inboorling vertrouwt zij evenmin als den vreemden bezoeker dezer gewesten.
De Kasarka broedt uitsluitend in holen en moet daarom dikwijls lang zoeken, voordat zij een voor haar geschikte plaats vindt; ook moet zij zich hier dikwijls het gezelschap van Vogels van andere soorten getroosten. Salvin vond in Noordwest-Afrika een Kasarka-nest in een kloof van een loodrechten rotswand, die bovendien ook door Wouwen, Gieren en Raven als broedplaats werd gebruikt. Het nest wordt van droge grasbladen gebouwd en van boven met een krans van dons bekleed; het wijfje broedt op 12 à 15 eieren, welker fijne, glanzige schaal een zuiver witte of geelachtig witte kleur heeft.
De Kasarkas schikken zich even goed in de gevangenschap als de andere soorten der onderfamilie, worden zeer tam en planten zich geregeld voort, wanneer haar een doelmatige verzorging ten deel valt.
De Bergeend (Tadorna damiatica, T. tadorna) houdt het midden tusschen de Ganzen en de Eenden; haar snavel is van voren breeder dan bij deze en onderscheidt zich ook door een gedurende den paartijd opzwellenden knobbel aan den wortel van den snavel van het mannetje; zij staat lager op de pooten, heeft korter vleugels en een bonter kleed dan hare verwanten. De kop en de hals zijn glanzig donkergroen, twee groote vlekken op de schouders zwart, een naar voren zich verbreedende halsband, de middelrug, de vleugeldekveeren, de zijden van den buik en de staartveeren (met uitzondering van de zwarte spitsen) zijn schitterend wit, een breede borstband en eenige van de schouderveeren fraai kaneelrood, de middelborst en de buik grauwzwart, de onderdekveeren van den staart geelachtig, de slagpennen zwartgrijs; de spiegel is metaalglanzig groen. Het oog is donker nootbruin, de snavel karmijnrood, de voet vleeschkleurig. De lengte bedraagt 63 cM.

Bergeend (Tadorna damiatica). ⅕ v. d. ware grootte.
Aan de kusten van de Noordzee en de Oostzee is de Bergeend een van de veelvuldigste soorten van haar onderfamilie. Noordwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich ongeveer tot het midden van Zweden uit, zuidwaarts tot Noord-Afrika, waar zij op alle meren veelvuldig en gedurende den winter soms in ontelbare menigte voorkomt. Bovendien heeft men haar aan de kusten van China en Japan waargenomen en ook bij alle groote meren van Siberië en andere landen van Middel-Azië aangetroffen. Daar zij aan zoutachtig water de voorkeur geeft boven zoet, ontmoet men haar het menigvuldigst op de zee zelve of op groote brakwatermeren. Zij broedt op eenzame en rustige plaatsen in oude konijnenholen, bovendien op de heide te Hilversum en bij Harderwijk, onder Anjum en Engwierum in Friesland. In de wintermaanden zwerft zij rond en bezoekt dan ook de poelen en plassen in het binnenland. Door aard en bewegingen gelijkt zij op de Vosgans; wel is haar gang iets plomper; daarentegen geeft zij bewijzen van groote bekwaamheid in ’t zwemmen. Ook zij is schuw en voorzichtig, maar bemerkt spoedig, hoe de mensch jegens haar gezind is. In de holen, die voor haar gegraven worden, nemen de Bergeenden zonder aarzelen haar intrek. Zoo broeden zij op het eiland Rottum, ten getale van eenige honderden. Hiervan geeft Dr. G. A. Venema de volgende lezenswaardige beschrijving: „Toen tegen de Konijnen op Rottum een verdelgingskrijg werd begonnen, verminderden hunne holen; de oude, onbewoonde verdwenen, doordien de wind ze met stuifzand vulde. De voogd (die met zijn gezin de eenige menschelijke bevolking van het eiland uitmaakt) is toen begonnen met het bouwen van kunstmatige holen onder den grond, die de Bergeenden onverwijld voor het leggen van hare eieren opzochten. In deze holen moet, wanneer men wenscht, dat de Bergeend ze veilig acht, geen licht door den ingang of van boven naar beneden kunnen dringen tot de plaats, waar de eieren worden gelegd. Holen, gebogen zooals die van de Konijnen, zijn daarom gewenscht. De -vormige goot of greppel, die men in den grond groef, bedekte men met hout en bracht daarop zoden. De Bergeend kiest voor het leggen van hare eieren het achterste” (hier met een groote stip gemerkte) „deel, dat de voogd met een groote zode dekt, zoodat men door haar weg te nemen, gemakkelijk de eieren kan verkrijgen.

„Later gaf de voogd aan de kunstmatige holen voor de Bergeenden een of vormige gedaante. De goot of greppel in den grond wordt door 12 of 15 latjes overspannen, die men met zoden, soms daarna met zand en dan nog eens met zoden dekt. Op de” (hier met een stip gemerkte) „einden legt men een enkele zode, ten einde de eieren te kunnen wegnemen. Deze nieuwe soort van nesten voldoen uitmuntend. De Bergeend maakt er even gaarne gebruik van als vroeger van de holen der Konijnen en de voogd heeft er het voordeel van, dat hij de nesten der Bergeenden niet behoeft te zoeken, waartoe hij verplicht was, toen het eiland nog door Konijnen werd bewoond. Zoodanig kunstmatig aangelegd, onderaardsch hol, als ik hier heb beschreven, dient voor nest van twee Bergeenden, die altijd de uiterste einden opzoeken; in ieder eind legt één wijfje. Andere Vogels hebben een vrije keuze voor de plaats hunner nesten, maar de Bergeenden op Rottum niet. Hare nesten legt de voogd op de westzijde van het eiland aan, een kleiner getal bevindt zich in het midden, maar alle nesten worden in de lage binnenduinen gevonden, waarin de Bergeenden zich gaarne ophouden.


„De Bergeenden leggen hare eieren, die een bijna witte kleur hebben, in de maanden Mei en Juni ten getale van 12. Men vindt soms meer eieren in één nest, maar, waar dit het geval is, mag men aannemen, dat meer dan één Eend hare eieren aan hetzelfde nest vertrouwt. De voogd vond eens in een Bergeendennest 56 eieren. De Bergeenden leggen alle dagen, als het weder zacht en warm is, of als er geen wind waait, en om den anderen dag, als de lucht guur en het weder onstuimig is. De voogd neemt telkens de eieren op twee na, tot ongeveer half Juni, weg, en laat de Bergeend op 6, 7 of 8 eieren broeden; op één of 2 eieren broedt zij niet; vandaar dat de eieren, die de voogd in het nest laat verblijven, niet worden aangebroed.”
Ongeveer op dezelfde wijze gaat men op het eiland Sylt te werk. Het hierdoor verkregen voordeel is niet onbelangrijk. De eieren van de Bergeenden, hoewel niet naar ieders smaak, vinden toch grage koopers; het dons, dat na afloop van den broedtijd uit het nest wordt genomen, is bijna even zacht als dat van de Eidereend en in den regel zuiverder. Op het vleesch van den volwassen Vogel valt niet te roemen, daar het een sterken of tranigen smaak en een onaangenamen reuk heeft.
Met andere dieren van haar soort leeft de Bergeend tot op zekere hoogte zelfs gedurende den broedtijd gezellig. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen, vooral uit de malsche gedeelten van zeeplanten of van kruiden, die in zouthoudend water groeien uit zaden van verschillende soorten van grassen en biezen, graankorrels enz. Dierlijke stoffen zijn echter voor haar welzijn volstrekt noodig. Ook hieruit blijkt, dat zij het midden houdt tusschen de Ganzen en de Eenden. In de vrije natuur maakt zij ijverig jacht op kleine Visschen, Weekdieren en Insecten.
Jonge Bergeenden kunnen bij goede verzorging zonder veel moeite grootgebracht worden; gewoonlijk verkrijgt men ze door tamme Eenden te laten broeden op eieren van in ’t wild levende Vogels. Deze jongen worden zeer tam en verkrijgen een even fraai vederenkleed als hunne soortgenooten in de vrije natuur. Soms, doch zelden, zullen tamme Bergeenden eieren leggen en uitbroeden; men moet daartoe onderaardsche gangen voor haar beschikbaar stellen.
De Spoorwiekganzen (Plectropterus), zoo genaamd wegens den krachtigen doorn, waarmede de vleugelbocht gewapend is, behooren in Afrika thuis; een drietal soorten van dit geslacht treft men in dierentuinen aan, o.a. te Amsterdam. Zij onderscheiden zich door een aanzienlijke grootte, een slanken romp, een langen hals, een grooten, forschen snavel, een onbevederd voorhoofd met dikken, naakten knobbel, betrekkelijk zeer hooge pooten met lange teenen en groote zwemvliezen, lange, spitse vleugels met buitengewoon sterk ontwikkelde schouderveeren.
Tot groote verrassing der onderzoekers werd één soort van dit geslacht, de Gewone Spoorwiekgans (Plectropterus gambensis) in het jaar 1827 in Engeland geschoten. Op deze vrijwillige overkomst volgde in 1830 de eerste overbrenging van levende exemplaren naar Europa door den mensch. De wangen, de kin en de keel, de middelborst en de buik benevens de korte bovendekveeren langs den geheelen rand zijn wit, de onderhals en de mantel, de slagpennen en stuurpennen zijn bruin met groenachtig zwarten weerschijn. Het oog is roodbruin, de snavel en het voorhoofd zijn blauwachtig rood, de voet is lichtrood. Lengte 90 cM.

Spoorwiekgans (Plectropterus gambensis). ⅙. v. d. ware grootte.
De Spoorwiekgans is over Middel-, Oost- en West-Afrika verbreid. Zij bewoont de oevers der rivieren of groote, door den regen gevormde plassen en zwerft slechts over een betrekkelijk klein gebied heen en weer. Haar gang herinnert in de verte aan dien van een Ooievaar en is dus beter dan die van eenige andere soort van de onderfamilie. Ook haar voedsel is in zooverre eigenaardig, dat zij zeer gaarne Visschen of dierlijke stoffen in ’t algemeen eet en deze, als zij er eens aan gewoon is, met hetzelfde verlangen te gemoet ziet als de Eenden.
De dierenwereld van Australië is ook door hare Ganzen vreemdsoortig. De hier levende Hoendergans (Cereopsis Novae-Hollandiae) heeft een forsch gebouwden romp, een dikken, korten hals, een kleinen kop met zeer korten, dikken, stompen, aan den wortel hoogen snavel, die tot bij de spits met een washuid bedekt, hier gekromd en als ’t ware afgeknot is, zoodat hij in de verte op den snavel van sommige soorten van Hoenderen gelijkt, de loop is lang, de teenen zijn kort met diep uitgesneden zwemvliezen en groote, krachtige nagels voorzien, de breede vleugels hebben sterk ontwikkelde schouderveeren, de staart is kort en afgerond. De kleur is grootendeels zacht blauwachtig grijs met zwarte, oogvormige vlekken op den rug en de schouders; de tophelft van de armpennen, de stuurpennen en de onderdekveeren van den staart zijn bruinachtig zwart. Het oog is karmijnrood, de snavel zwart, zijn washuid groenachtig geel, de voet zwartachtig. Lengte ongeveer 90 cM.
De Hoendergans leeft veel meer op het land dan op het water. In verband hiermede loopt zij uitmuntend, zwemt echter tamelijk slecht en daarom slechts in geval van nood; haar vlucht is plomp. Door haar afkeer van ’t water, die zij ook in de gevangenschap toont, onderscheidt zij zich van alle overige soorten harer familie. Zonder er toe gedwongen te zijn, zwemt zij hoogst zelden; in den regel blijft zij over dag zoowel als ’s nachts op den vasten bodem, in de morgen- en avonduren grazend, in de middaguren en gedurende den nacht rustend.
Wegens zijn uitmuntend vleesch, dat, naar men zegt, verre te verkiezen is boven dat van onze Ganzen, hielden de Nieuw-Hollandsche kolonisten dezen Vogel vroeger veel op hunne boerderijen. Thans geschiedt dit wegens zijn twistzieken, onverdraagzamen aard slechts zelden. De Gent is voor geen der huisdieren bevreesd. „Met de grootste woede,” verhaalt Cornély, „vervolgde mijn Gent ieder levend wezen. Een groote Kraan, die hem toevallig in den weg kwam, werd onmiddellijk aangevallen. Hoewel mijn knecht slechts eenige honderde schreden te loopen had, om de dieren te scheiden, kwam hij toch te laat; de Kraan was reeds bezweken. Eens kwam de Gent ’s nachts in een stal, waar een andere Kraan sliep; ook dezen vonden wij ’s morgens met wonden bedekt. De koeien nemen voor hem de vlucht; hij valt zelfs voorbijgaande Paarden aan, zoodat men hem met stokslagen moet wegjagen. Hoewel de Hoenderganzen hier zeer goed gedijen en op een groene weide een zeer fraai schouwspel opleveren, moet ik toch iedereen, die niet over een groote ruimte te beschikken heeft, ontraden, deze Vogels te houden; want overal, waar zij met andere dieren samenkomen, brengen zij onheil teweeg.” In Europa wordt de vermenigvuldiging van de Hoenderganzen ook nog bemoeielijkt door den tijd, waarin zij broeden; dit geschiedt in de laatste herfstmaanden, die in Australië lentemaanden zijn, zoodat de winterkoude de hoop van den vogelfokker dikwijls verijdelt. De ervaring heeft echter geleerd, dat Hoenderganzen, welker eerste legsel door de koude te niet ging, in Februari opnieuw legden en dan hare jongen zonder bezwaar grootbrachten.
De leden van de derde onderfamilie der Zeefsnaveligen, de Zwemeenden (Anatinae), onderscheiden zich van de Ganzen vooral door de kortheid van den loop en van de Zwanen door den korteren hals. Haar romp is kort, de kop dik; de snavel is even lang als de kop of iets korter dan deze; de zijranden van den bovensnavel zijn zoo gebogen, dat de ondersnavel er grootendeels door omvat wordt. De scheen is tot kort boven het spronggewricht bevederd, de voet ver naar achteren geplaatst; de korte, zijdelings samengedrukte loop is korter dan de middelste voorteen, de achterteen heeft geen zwemvliesje. De vleugels zijn middelmatig groot, smal en spits; de schoudervleugel is gewoonlijk sterk ontwikkeld en prijkt dikwijls met veeren van eigenaardigen vorm; de staart is kort en breed, aan den top afgerond of spits; de kleine veeren vormen op den romp een zeer dicht en glad kleed, waartusschen zich een overvloed van dons bevindt. Tusschen mannetjes en wijfjes, ouden en jongen en in verschillende jaargetijden bestaat een aanmerkelijk verschil in kleur; deze is bij het mannetje meer of minder prachtig, bij het wijfje eenvoudig en weinig in ’t oog vallend.—Het prachtkleed of bruiloftskleed van het mannetje moet op één lijn gesteld worden met het zomerkleed van de Vogels van andere groepen, hoewel het niet in de lente, maar reeds vóór den aanvang van den winter te voorschijn komt en gedurende den winter en de lente blijft bestaan. Tegen den aanvang van den zomer, terwijl het wijfje nog broedt, maakt het prachtkleed van den waard plaats voor het eenvoudige „zomerkleed”, dat dus vergeleken kan worden met het winterkleed der overige Vogels. Daar de waard gedurende het ruien door het nagenoeg gelijktijdig uitvallen der slagpennen bijna volkomen buiten staat is om te vliegen, neemt hij in dezen tijd de wijk naar plassen, die door hun uitgestrektheid, eenzame ligging en plantengroei hem een veilige verblijfplaats aanbieden; hier komt in ’t verborgen het wisselen der veeren tot stand. Op alle gunstig gelegen plassen en meren vereenigen de ruiende Vogels zich tot groote gezelschappen, die den jager een voordeelige jacht verschaffen, waarvoor echter meestal schuitjes noodig zijn. Tegen den tijd, waarin de vleugels der jongen bruikbaar geworden zijn, is ook hun vader weer tot vliegen in staat. Hij keert dan naar zijn kroost terug, dat tot dusver alleen door de moeder werd opgevoed. Het wijfje ruit wel twee maanden later. Vóór den winter heeft bij het mannetje de vervanging van het zomerkleed door het winterkleed plaats; deze geschiedt niet plotseling, door het uitvallen der oude en het ontstaan van nieuwe veeren, maar langzamerhand, door verkleuring van het prachtkleed, zoodat men niet zelden exemplaren in een zoogenaamd „overgangskleed” aantreft. De veeren, die gedurende den zomer verloren gingen, worden omstreeks denzelfden tijd vernieuwd met de kleuren van het prachtkleed; bij de meeste individuën treden beide verschijnselen, de kleursverandering en het ontstaan van nieuwe veeren, gelijktijdig op, waardoor de onjuiste meening ingang heeft gevonden, dat de mannetjes tweemaal per jaar, de wijfjes daarentegen slechts éénmaal ruien.
Ook de Zwemeenden zijn over de geheele wereld verbreid, hoewel men in de heete en de gematigde aardgordels een grooter aantal soorten aantreft dan in de koude. Zij bewonen de zee en het zoetwater tot in hooge bergstreken en trekken naar warmere gewesten, als de winter haar er toe noodzaakt; sommige soorten doen zeer verre reizen; onderweg vereenigen zij zich tot ontzaglijke zwermen. Eenige soorten loopen bijna even goed als de Ganzen, andere hebben een plompen en waggelenden gang; alle zijn uitmuntend ervaren in het zwemmen, hoewel zij slechts bij uitzondering duiken en hierin geen bijzondere bekwaamheid toonen. Alle vliegen goed, met snel opeenvolgende, bijna gonzende vleugelslagen, die een fluitend, ruischend of schel klinkend geluid veroorzaken; zij stijgen met evenveel gemak uit het water als van den vasten grond omhoog, bewegen zich op korten afstand van den bodem en van den waterspiegel voort of verheffen zich tot een hoogte van verscheidene honderden meters. Van enkele is de stem welluidend en helder, gelijk de tonen van een trompet of van een fluit; van andere is zij kwakend of ratelend; het geluid van het mannetje is in den regel anders dan van het wijfje. Het voedsel wordt gewoonlijk in de schemering- of avonduren gezocht en is deels dierlijk, deels plantaardig. Malsche spruitjes, wortelknollen en zaden van allerlei soorten van moeras- en waterplanten, verschillende grassen en graangewassen, Insecten, Wormen, Weekdieren, Amphibiën, Visschen, stukken vleesch van groote Gewervelde Dieren, zelfs krengen worden met graagte verslonden; tot bevordering van de spijsvertering dienen de tevens doorgeslikte schelpjes en zandkorrels of kleine kiezelsteentjes.
Alle Eenden leven in monogamie (iedere „waard” of „woerd” met één wijfje). De wijfjes bouwen de nesten bij voorkeur in elkanders nabijheid; eenige soorten vormen echte broedgezelschappen. Verborgen nestplaatsen vallen het meest in den smaak; vele bouwen haar nest echter op een open terrein. Verscheidene soorten nestelen in holen onder den grond of in rotskloven, andere in gaten van boomen, nog andere op de takken, waarbij het nest van een landvogel den grondslag voor het hare vormt. De overige maken een diepe kom in een hoop plantendeelen op den grond; vóór het broeden wordt deze holte door de eend met haar eigen dons zacht gevoerd. Het aantal eieren is in den regel groot, zelden minder dan 6, soms wel 16; de duur van het broeden wisselt af van 21 tot 24 dagen. Als verscheidene wijfjes-eenden naast elkander nestelen, stelen zij elkander gewoonlijk de eieren af; want de aandrift tot broeden en verzorgen van jongen is bij haar zeer groot. De moeder voert de jongen, nadat zij droog geworden zijn, zoo schielijk mogelijk naar het water en helpt ze met groote liefde. Reeds op den eersten levensdag bewegen zij zich zeer behendig en vlug; zij zijn vaardig in het loopen, zwemmen en duiken, vangen ijverig Insecten, eten veel en groeien schielijk. Onmiddellijk na het gereed komen van het eerste vederenkleed begint de ontwikkeling van het tweede; deze is afgeloopen als de vader bij zijn gezin terugkomt.
Alle snelvliegende Roofvogels, van den Arend tot de wijfjes van Haviken en Sperwers, maken jacht op de volwassen Eenden; de jongen worden door Vossen, Marters, Wezels, Ratten, Raven, Kraaien, Roofmeeuwen enz. vervolgd: bovendien worden vele broedsels vernield door onverwachte rijzing van den waterspiegel en andere natuurverschijnsels. In bebouwde landen vermindert het aantal Eenden van jaar tot jaar, niet zoozeer wegens de vervolgingen, die zij te verduren hebben, als door het meer en meer droogleggen van de terreinen, waar zij haar voedsel zoeken en nestelen.
Het geslacht der Eenden (Anas) omvat alle Zwemeenden, welker snavel langer is dan de kop, naar voren niet breeder, maar een weinig smaller wordt en een nagel heeft, die ternauwernood een derde van de breedte van de spits inneemt. De eerste en de tweede slagpen zijn de langste. De spits eindigende staart bestaat uit 14 of 16 pennen. Van de 40 soorten van dit geslacht, dat in verscheidene ondergeslachten wordt verdeeld, zijn 5 inheemsch.
Van alle Eenden zijn mijns inziens de Fluiteenden (Mareca) nog het naast aan de Ganzen verwant. Haar mondspleet is korter dan bij de overige Eenden, daar zij even lang is als de loop. De eenige inheemsche vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de Smient of Fluiteend [Anas (Mareca) penelope], in Groningen Smeenk of Smink, in Friesland Smunt, in Limburg Maaseend genoemd. Des winters bezoekt zij ons land in ontelbare menigte op den trek; een enkel paar werd in Noordbrabant broedend gevonden (Albarda). In ’t prachtkleed heeft het mannetje den kop en den hals roestrood met okergele kruin, den krop grijsachtig rozerood, de kleine bovendekveeren van den vleugel benevens het midden van borst en buik zuiver wit, de zijden van borst en buik op witten grond met zeer fijne, dichtbijeenstaande, dwarse golflijnen geteekend, de lange schouderveeren zwart met witten buitenzoom, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zwartgrijs, den spiegel glanzig groen (bij ’t wijfje bruinzwart), van voren en van achteren door een zwarte streep begrensd, de handpennen grijsbruin, de voorste armpennen zwart met groenen glans op de buitenvlag, de staartpennen donker aschgrauw. Het oog is bruin, de snavel licht blauwachtig grijs met zwarte spits, de voet aschgrauw. Lengte 54 cM.
Gevangene Swienten zijn een sieraad van een door traliewerk afgesloten vijver en planten zich hier ook voort. Als wild zijn zij zeer gezocht.
Van alle Eenden is de Wilde Eend [Anas (Anas) boscas], in Limburg Blokeend, in ’t Friesch Ein of Einefoegel (mannetje: erk; wijfje: ein) genoemd, voor ons de belangrijkste, omdat van haar onze Tamme Eend afstamt. Zij vertegenwoordigt het ondergeslacht der Spiegeleenden (Anas), zoo genoemd wegens haar grooten, zeer in ’t oog vallenden „spiegel” (een plek op den vleugel, die door de eigenaardige kleur en teekening van de armpennen gevormd wordt). In ’t prachtkleed is het mannetje zeer gemakkelijk te herkennen aan de verlengde, sikkelvormig naar voren omgekrulde, laatste bovendekveeren van den staart. De kop en het bovenste deel van den hals zijn groen, van de kastanjebruine bovenborst gescheiden door een smallen, witten halsband; de bovenrug is hoog- of grijsbruin, met donkerder tinten gemengd, op de schouders met grijswitte, bruine en zwartachtige golflijnen. De vleugel heeft grijze bovendekveeren en een prachtig blauwen, aan weerszijden wit gezoomden spiegel; de onderrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zijn zwartachtig groen, de onderdeelen op grijswitten grond met zeer fijne, zwartachtige golflijnen geteekend; de onderdekveeren van den staart zijn fluweelzwart, de slagpennen donkergrijs. Het oog is lichtbruin, de snavel groengeel, de voet bleekrood. In den zomer en herfst verschilt het kleed van ’t mannetje alleen door een iets lichtere kleur van dat van ’t wijfje; dit heeft den kop en den hals vaalgrijs met donkerder stippels, den bovenkop zwartbruin; de teekening van den bruinen rug bestaat uit zwartbruine, grijze, bruine en roestbruingele stippels en lichtere vederranden, die van den onderhals en den krop uit zwarte maanvlekken op licht kastanjebruinen grond, die van de overige onderdeelen uit bruine vlekken op geelbruinen grond. Lengte 63 cM.
Het verbreidingsgebied van de Wilde Eend omvat geheel Europa en Azië, Noord-Amerika (tot Mexico) en Noord-Afrika; zij trekt in ’t noorden geregeld, begeeft zich ook van onze breedten in den herfst naar ’t zuiden, overwintert echter reeds in Zuid-Duitschland dikwijls in haar broedgebied. In de maanden October en November verzamelen de Wilde Eenden zich tot groote zwermen om zuidelijker gewesten op te zoeken. De meeste gaan tot Italië, Griekenland en Spanje, slechts weinige tot Noord-Afrika of de Zuid-Aziatische landen, die op dezelfde breedte liggen. Op de Italiaansche, Grieksche en Spaansche meren ziet men ze bij duizenden en honderdduizenden; soms is het water met deze Vogels bedekt over een uitgestrektheid van verscheidene vierkante KM. en veroorzaken zij bij het opvliegen een ver hoorbaar geraas, dat aan het geluid van de branding herinnert. Reeds in Februari, uiterlijk Maart, begint de terugtocht. Bij ons broedt deze soort overal; de Wilde Eenden, die hier in het winterhalfjaar zoo menigvuldig aangetroffen worden, trekken voor ’t meerendeel door. De uit het noorden afkomstige exemplaren zijn de grootste. Kleinere Eenden met een meer gedrongen lichaamsbouw en een korteren snavel, die slechts bij strenge vorst komen opzetten, zijn bij de kooikers onder den naam van „Oostvogels” bekend (in Groningen noemt men ze „Oostersche Eenden”); zij broeden aan de Oostzeekusten (Albarda).
In haar vaderland, zoowel als in den vreemde bewoont de Wilde Eend bij voorkeur meren, vijvers en moerassen, die gedeeltelijk met struiken, riet en andere moerasplanten begroeid zijn, zoodat er hier en daar open water is. Van hier vliegt zij naar de kleine vijvers, poelen, kanalen, slooten of akkers om ook van het hier aanwezige voedsel gebruik te maken. Betrekkelijk zelden vertoont zij zich op den vrijen waterspiegel; liefst zwemt zij zoo schielijk mogelijk naar het naburige halmenwoud en zoekt hier slobberend en wadend, haar voedsel in het slijk.
De Wilde Eend is een van de vraatzuchtigste Vogels, die wij kennen. Zij verslindt malsche bladen, spruitjes, knoppen, kiemplantjes en zaden van grassen en allerlei andere moerasplanten, graankorrels, knolvormig gezwollen plantendeelen enz. Bovendien maakt zij ijverig jacht op allerlei Weekdieren, Wormen, Gelede Dieren, Visschen en Amphibiën. Haar onverzadelijke honger noopt haar te eten, zoolang zij wakker is en iets te bikken vindt.
Door aard, bewegingen en gewoonten komt zij overeen met haar tamme verwant, de Huiseend. Zij loopt, zwemt, duikt en vliegt op soortgelijke wijze, maar beter. Van de wijfjes van Wilde en van Tamme Eenden hoort men het ver klinkende „kwak”, van de mannetjes het doffe „kwek”; voor ’t gewone verkeer dienen de klanken „wek wek”; de loktoon is „wak wak”, vrees wordt door „rets” of „reb reb” uitgedrukt, kortom van beide is de stem geheel dezelfde. Hare zintuigen zijn scherp, hare geestvermogens goed ontwikkeld. Zij is steeds voorzichtig en sluw, maar wordt buitengewoon schuw door vervolgingen. Hoogst gezellig, over ’t algemeen ook verdraagzaam van aard, voegt zij zich gaarne bij hare verwanten en gaat met allerlei Vogels gemeenzaam om. Zelfs vermijdt zij niet altijd de nabuurschap van den mensch, maar vestigt zich dikwijls op vijvers, die onder de bescherming van het publiek staan, bij voorbeeld op die van plantsoenen of groote tuinen; hier verliest zij weldra haar argwaan en laat zich gaarne door de wandelaars voederen. Zij schroomt niet op zulke plaatsen te broeden en jongen groot te brengen; zij gedraagt zich hier bijna als een tamme Vogel. Voor het bouwen van haar nest zoekt zij een stil, droog plekje onder struiken of andere planten op, maar maakt ook wel gebruik van reeds aanwezige, op boomen gevestigde nesten van Roofvogels of Kraaien. Zij broedt op 8 à 16 langwerpige eieren met harde en gladde, grijswitte schaal, welke niet onderscheiden kunnen worden van die der Huiseend. De jongen (die men vaak „Pielen” of „Puulen” hoort noemen) worden na het verlaten van het ei nog een dag in het nest verwarmd en vervolgens naar het water gevoerd. Als zij in een hoog gelegen nest het eerste levenslicht aanschouwden, springen zij eenvoudig op den grond, zonder zich bij den val te bezeeren.
De vader bemoeit zich in ’t geheel niet met zijn gezin in dezen tijd van zorg en angst voor de moeder. Zoodra de eend begint te broeden, vliegt de waard weg en vereenigt zich met zijns gelijken tot troepen.
Menige oude Eend valt den Vos of den Vischotter, menige jonge den Bunsing of den Nerts ten buit; de eieren en kleine jongen worden door Waterratten of door Wouwen geroofd; hare ergste vijanden zijn echter de groote Edelvalken, die zich een tijdlang bijna uitsluitend met Eenden voeden; zij trachten bij ’t zien van zulk een geweldenaar zich zoo goed mogelijk door duiken te redden.

Wilde Eend (Anas boscas). ¼ v. d. ware grootte.
De Eenden zijn als wild zeer gezocht; op allerlei wijzen worden zij, zoowel bij ons als in zuidelijker landen, bij duizenden gevangen. Des winters zijn de markten van alle Italiaansche, Grieksche, Spaansche en Egyptische steden overvoerd met Eenden in ’t algemeen en met die van de gewone soort in ’t bijzonder.
De kleine soorten van Eenden, die ongeveer de grootte van een Woudduif hebben, worden hier te lande gewoonlijk Talingen genoemd. Men vat ze dikwijls samen in een ondergeslacht van dien naam (Querquedula), gekenmerkt door de kuifvormig verlengde veeren van den achterkop en de spits toeloopende, soms zeisvormig verlengde schouderveeren. Van de vier Europeesche soorten van deze groep zijn er twee inheemsch. De kleinste, de 32 cM. lange Wintertaling—naar de stem ook wel Krik of Krikje, in Friesland Piepteling genoemd (Anas crecca)—onderscheidt zich o.a. door het bezit van 16 pennen in den staart van den (38 cM. langen) Zomertaling—vroeger ook Schijftaling, bij Oirschot Schuim- of Schiemeendje, in Friesland Schiertaling genoemd (Anas querquedula)—, die 14 stuurpennen heeft. De eerste wordt daarom ook wel tot een afzonderlijk ondergeslacht, dat der Krikeenden (Nettion), gerekend. De Wintertaling heet zóó, omdat hij in Nederland van Augustus, totdat de vorst invalt en in Maart en April in ontelbare menigte voorkomt. Hier en daar werd hij in onze streken broedend aangetroffen. Minder zelden, doch geenszins veelvuldig vindt men bij ons, vooral in kleistreken, nesten van den Zomertaling. Deze vertoeft in Nederland gewoonlijk van April tot September en brengt er slechts in enkele gevallen den winter door. Voor den kooiker is hij van weinig belang. De Wintertalingen daarentegen worden in groote menigte gevangen, eenige jaren geleden b.v. in een eendenkooi onder Anjum (Friesland) 1500 stuks op één dag (Albarda).
De Wintertalingen zijn nog bonter van kleur dan hunne in dit opzicht niet misdeelde verwanten. Hun „spiegel” is goudgroen: bij het wijfje van voren en van achteren wit begrensd, bij het mannetje van voren door een fluweelzwarten, van onderen door een smallen, witten, van boven door een breeden, deels witten, deels roestkleurigen band omgeven. De spiegel van den Zomertaling is kleiner, bij ’t wijfje dof grijs, bij ’t mannetje met groenachtigen weerschijn, bij beide van voren en van achteren wit, van boven grijs gezoomd. Goudgroen is ook de kleur van een teugelstreep, die zich in ’t prachtkleed van den mannelijken Wintertaling van ’t oog tot aan den achterhals uitstrekt en welks witte zoom zich ook vóór het oog, langs den mondhoek tot aan de kin voortzet. Wit is deze streep bij den Zomertaling waar zij een scheiding vormt tusschen het zwartbruin van kruin en bovenhals en het bruinrood met fijne witte streepjes van het voorhoofd en de zijden van kop en hals. Bij den Wintertaling zijn de kop en de bovenhals levendig kaneelrood, de achterhals, de mantel en de zijden van de borst op aschgrauwen grond met zwarte, dwarse golflijnen geteekend. De overige, deels witte, deels geelachtige onderdeelen zijn bij hem minder sterk gevlekt dan bij zijn verwant. Meer verschil biedt de vleugel aan: bij den Zomertaling zijn de achterste schouderveeren zeisvormig verlengd, blauwachtig grauwzwart met witte schaft en breeden, witten zoom, de kleine en middelste vleugeldekveeren licht blauwachtig grijs. Ook bij den Wintertaling zijn de schouderveeren spits; haar lengte is echter geringer, bovendien zijn zij aschgrauw met zwarte schaft; de kleine vleugeldekveeren zijn bruingrijs. Daar de laatstgenoemde veertjes hun bij beide soorten verschillende kleur in ’t zomerkleed nagenoeg onveranderd behouden, kan men ze, althans de mannetjes, hieraan en aan den spiegel ook ’s zomers onderscheiden. Het zeer bescheidene zomerkleed vertoont overigens bij de Talingen onderling en bij de Eenden in ’t algemeen betrekkelijk weinig verschil; in den zomer en den herfst wordt hierdoor het onderscheiden van de soort en van mannetjes, wijfjes en jongen bemoeielijkt.
De Wintertaling bewoont als broedvogel het noorden van beide halfronden tot op IJsland en in Kamtsjatka; vooral in Siberië is hij talrijk, hoewel zijn broedgebied zich hier minder ver noordwaarts uitstrekt. In Europa reikt het zuidwaarts tot op onze breedte. Op den trek doorreist deze soort geheel Europa en Azië en een deel van Noord-Amerika; in grooten getale bezoekt zij Noord-Afrika. De Zomertaling broedt in geheel Middel-Europa en Middel-Azië, doch niet verder noordwaarts dan het zuiden van Zweden. Op den trek komt hij in Afrika tot op 10° N.B.
In hoofdzaak komen beide soorten in levenswijze en gewoonten overeen; wij bepalen ons daarom tot het beschrijven van den Zomertaling. Deze kiest tot verblijf- en broedplaats bij voorkeur zoetwaterplassen, die grootendeels of althans langs den oever met dichtbijeenstaand riet, met biezen enz. begroeid zijn, ondiepe, met drijvende planten bedekte bochten hebben en te midden van moerassige weilanden gelegen zijn. Hij vestigt zich ook wel in allerlei andere broeklanden en moerassen: bijzonder gaarne bewoont hij echter een diep in ’t woud verborgen stouwwater of een door boomen overschaduwden, door den lenteregen gevormden plas. Van hier uit bezoekt hij ’s nachts alle watervergaarplaatsen in de buurt, zelfs de kleinste, voorzoover zij ondiep, modderig en rijk aan planten zijn; niet minder gaarne begeeft hij zich naar overstroomde landerijen of naar weiden met talrijke bevloeiings- of afwateringskanalen. Hier, altijd gedekt, verricht hij zijne dagelijksche of liever nachtelijke bezigheden. Zijn voedsel verschilt in zoover van dat der andere Eenden, dat hij, behalve dierlijke stoffen en malsche uitspruitsels, ook vele zaden, vooral die van het mannagras en dergelijke, op vochtigen grond groeiende grassen eet. Zijn stem is een zwak, hoog gekwaak, dat als „kwek” of „knèèk” klinkt; in den paartijd hoort men van het mannetje het ratelende „klerrree”; de snel opeenvolgende klanken „jèk jèk jèk” duiden opgewondenheid aan. Het verschil in aard van de Talingen en de andere Eenden schijnt grooter dan het is. Het vertrouwen op hun vaardigheid in ’t wegkruipen en duiken, maakt hen minder schuw dan hunne verwanten; toch zijn zij niet minder schrander dan deze, zooals blijkt uit het allengs afleggen van alle vrees op plaatsen, waar zij geen gevaar hebben te duchten.
Bij het kiezen van een plaats voor het nest houdt het wijfje zich niet aan een vasten regel; soms nestelt zij in of dicht bij het water, soms op eenige honderden meters afstand van den waterkant. Het nest gelijkt op dat van andere Eenden; de eieren (9 à 12, soms nog meer) zijn iets grooter dan die van de Houtsnip, langwerpig eivormig, fijnschalig, bruingeelachtig wit. De broedtijd duurt drie weken.
De Krak of Krakeend (Anas strepera) vertegenwoordigt een ondergeslacht van dien naam (Chaulelasmus), dat zich van het vorige onderscheidt door den betrekkelijk kleineren en smalleren snavel, de langere, iets meer aan den dag komende zeefplaatjes en de grootere lengte van de beide middelste stuurpennen (zoodat de vleugels de spits van den staart onbedekt laten). Zij houdt, wat grootte betreft (lengte 52 cM.), ongeveer het midden tusschen een Wintertaling en een Eend en wordt daarom door de Amsterdamsche poeliers Halve Eendvogel genoemd. Zij heet ook wel Krust, Kreets of Kreest; in Groningen noemt men haar Roepereend, in Friesland Grijpvogel, in Limburg Kraakeend. De laatste en de vier eerste namen dankt zij aan haar stem. De totale indruk van de kleur van ’t vederenkleed is grijs, daar het op witachtigen grond met een tallooze menigte van fijne en grovere, zwarte streepjes en vlekken geteekend is; alleen de bovendekveeren van den vleugel steken hierbij af door hun levendige, deels roestroode, deels bruinzwarte en zwarte kleur. Deze Vogel vertoeft in ons land van Maart tot October en broedt in kleinen getale aan dicht begroeide poelen. Op den trek komen hier exemplaren van de in Noord-Europa gelegen broedplaatsen, waarvan eenige bij ons overwinteren. Naar het schijnt, vermindert hun aantal gaande weg (Albarda).
Veel sterker verlengd dan bij de leden der vorige soort zijn de middelste staartveeren bij het geslacht der Langstaarteenden (Dafila), dat zich bovendien kenmerkt door den zeer slanken romp, den buitengewoon langen hals, den langwerpigen kop en den zeer smallen, zwak gewelfden snavel, welks mondspleet langer is dan de kop.
De Pijlstaart, te Amsterdam Langhals, in Limburg Gaffelstaart genoemd (Dafila acuta), heeft den kop, de kin en de keel purperbruin; een van boven smalle, naar onder breeder wordende streep op het midden van den achterhals en den nek is zwart met groenen weerschijn; de mantel en de zijden, de onderrug en de staartwortel zijn op aschgrauwen grond met uiterst fijne, zwarte, dwarse golflijnen geteekend, de borst, de buik en een streep aan de zijden van den hals zijn zuiver wit, de handpennen donker bruingrijs; de spiegel is groen, van boven door een bruinachtig goudkleurigen, van onderen door een zwarten, wit gezoomden band begrensd; de lange, spits toeloopende achterste schouderveeren zijn wit met breede, zwarte schaftstreep; de beide middelste staartveeren loopen spits toe en steken ver voorbij de overige uit; gene zijn zwart, deze gaan naar buiten van zwart door grijs in wit over; de onderdekveeren van den staart en de stuit zijn zwart. Het oog is donkerbruin, de snavel blauwachtig, de voet grijs. In ’t zomerkleed is de bovenzijde grootendeels donkerbruin, de onderzijde licht roodachtig bruin met donkerbruine vlekken, de staart wigvormig zonder verlengde middelpennen, evenals bij ’t wijfje. Lengte van ’t mannetje in ’t prachtkleed 64, van den staart 22 cM.
De Pijlstaart broedt in alle landen, die tusschen de kusten van de Noordelijke IJszee en 50° N.B. gelegen zijn; hij trekt tot aan Middel-Afrika, de zuidkust van Azië en Middel-Amerika. Hier te lande broeden enkele paren aan de meertjes onder Vlijmen en Engelen (Noordbrabant). In zeer grooten getale bezoeken de Pijlstaarten ons op den doortrek in Maart en April en van September tot November; zij zijn dan veelvuldig op Wadden en de groote veenplassen te vinden. Als broed- en verblijfplaatsen kiezen zij steeds groote, afgelegene, vrije, zonnige, met allerlei moeras- en waterplanten begroeide meren en moerassen; zij schuwen plassen te midden van bosschen en struikgewas. Wegens hun slanke gestalte herinneren deze Vogels bij ’t staan zoowel als bij ’t gaan en bij ’t zwemmen in vele opzichten aan de Zwanen. Hun stem, een eentonig, hoog, kwakend, als „krok” klinkend geluid, wordt in den paartijd door het mannetje tot „kluuk” verzacht, of bij vermeerderde opgewondenheid tot „aankluuk ère”. Als wild wordt deze Vogel hooggeschat.
De door snavelvorm en bonte kleur zeer opmerkelijke Slobeend, in Groningen Lepelbek, in Friesland Slob, in Limburg Slobbereend genoemd (Spatula clypeata), vertegenwoordigt het geslacht der Lepelbekeenden (Spatula). Dit is kenbaar aan den snavel, die in lengte den kop overtreft, en van den wortel tot aan de spits sterk in breedte toeneemt, zoodat hij hier dubbel zoo breed is als daar; de mondspleet is langer dan de loop; de zeefplaatjes in het voorste derde deel van den bovensnavel zijn aan den rand tot lange, fijne, loodrecht naar onderen gerichte puntjes uitgegroeid. De kop en de bovenhals hebben een donkergroenen metaalglans; het onderste deel van den achterhals, de bovenrug en de korte schouderveeren zijn zwart met lichtgrijzen zoom, de lange, spitse, achterste schouderveeren wit met zwarte schaftstreep, de onderhals en de krop wit, de bovenste vleugeldekveeren eveneens wit, de overige lichtblauw; de metaalglanzig groene spiegel is van voren door een breede, witte streep begrensd; de onderrug en de staartwortel zijn zwartachtig groen, de borst en de buik kastanjebruin, de onderdekveeren van den staart zwart, de handpennen bruingrijs, de middelste stuurpennen bruin met witte kanten; het wit neemt toe op de verder buitenwaarts gelegen stuurpennen. Het oog is goudgeel, de snavel zwart, de voet roodachtig geel. Lengte 50 cM.
De gematigde aardgordel is het vaderland van de Slobeend; in het hooge noorden komt zij zeldzamer voor. In Europa vindt men haar van Zuid-Noorwegen af overal; in Amerika bewoont zij alle Vereenigde Staten tot aan Canada. Van hier trekt zij gedurende den winter tot naar Mexico, van Europa tot in Noord- en Middel-Afrika, van Middel-Azië tot Zuid-China, Indië en Australië. In Nederland ontmoet men haar van Maart tot October; zij broedt in het riet en aan begroeide waterkanten, zoowel in de zandstreken als op de klei, waar zij zich in polder- en molensloten ophoudt. Een klein getal blijft aan de kust den winter over. Ook in Oost-Pruisen, Polen en Denemarken is deze soort zeer gemeen, in Middel-Duitschland hier en daar woonachtig, in Zuid-Europa gedurende den winter zeer talrijk.
Hoewel het bekend is, dat de Slobeend zich met allerlei kleine ongewervelde dieren, met Insecten en hunne larven, met eieren van Visschen en Amphibiën, met jonge vischjes, zoetwaterslakken enz. voedt en ook malsche, plantaardige stoffen niet versmaadt, kunnen gevangen exemplaren moeielijker in ’t leven gehouden worden dan alle overige Eenden; zij verkwijnen en sterven dikwijls bij de overvloedigste voeding, zonder dat men tot dusver heeft kunnen vinden, welke voedingsstof haar door het verblijf in de gevangenschap onthouden wordt.
De prijs der schoonheid komt toe aan de Carolina-eend (Lampronessa sponsa), een over geheel Noord-Amerika verbreide en daar menigvuldig voorkomende Vogel, die tegenwoordig op onze eendenvijvers voor goed geacclimatiseerd is. Zij vertegenwoordigt het geslacht der Pronkeenden (Lampronessa), kenbaar aan den snavel, die korter is dan de kop, naar voren slechts weinig smaller wordt en voorzien is met een sterk gekromden nagel, die de geheele breedte van de spits inneemt; de voeten zijn kort en krachtig, de vleugels middelmatig lang, smal en spits; de staart is lang, dik, breed, sterk afgerond en uit 16 pennen samengesteld. Het vederenkleed is prachtig, dicht, glanzig, aan den achterkop tot een lange, naar achteren overhangende kuif verlengd; aan den wortel van den bovensnavel en bij het oog komt een naakte streek voor.

Slobeend (Spatula clypeata). ¼ v. d. ware grootte.
De bovenkop en de wangstreek tusschen oog en snavel zijn glanzig donkergroen, de zijden van den kop en een groote vlek aan de zijde van den hals purpergroen met blauwachtigen weerschijn; de goudgroene kuifveeren zijn fraai geteekend met twee smalle, witte strepen: de eene ligt boven het oog, de andere begint bij het oog en is naar achteren gericht. De zijden van bovenhals en bovenborst zijn op fraai kastanjebruinen grond als ’t ware met fijne, witte droppels bespat; de groenachtig purperblauwe schouderveeren, handpennen en stuurpennen hebben een fluweelachtig zwarten weerschijn; de veeren tusschen de schouders, het achterste deel van den rug en de bovendekveeren van den staart zijn zwartachtig groen, eenige van de zijdelings verlengde, smalle dekveeren van den staart roodachtig oranje, de onderdekveeren van den staart bruin. De kin en de keel, een band om den bovenhals, het midden van de borst en de buik zijn wit, de flanken op geelachtig grauwen grond met fijne, sierlijke, zwarte golflijnen geteekend, eenige langere veeren echter zwart, met breeden, witten zoom. Het oog is hoogrood, de snavel witachtig, in het midden geelachtig, aan den wortel donker bruinachtig rood, aan de spits zwart, de voet roodachtig geel. Lengte 45 cM.
Men vindt de Carolina-eend in de Vereenigde Staten overal, van Nieuw-Schotland tot aan de zuidkust; zij bezoekt op den trek geregeld Middel-Amerika en West-Indië.
Fraai is haar gestalte, prachtig haar kleed, niet minder lieftallig haar aard. Zij bezit alle eigenschappen, die ons in een Zwemvogel kunnen behagen. Aan het leven in de gevangenschap geraakt zij spoediger gewoon dan eenige andere Eend. Zelfs oud gevangen exemplaren schikken zich spoedig in de veranderde omstandigheden, beschouwen hun oppasser als een welwillend verzorger en luisteren reeds naar zijn stem, kort nadat zij hun vrijheid verloren. Eerder dan alle andere Eenden kan men haar vrije beweging veroorloven. Bovendien plant zij zich geregeld in de gevangenschap voort, wanneer haar slechts een geschikte gelegenheid om te broeden wordt verschaft.
In de vrije natuur voedt de Carolina-eend zich met graanvruchten en zaden, met malsche topspruitjes van verscheidene waterplanten en graansoorten, met Wormen, Slakken en Insecten, ook wel met kleine Amphibiën en andere Gewervelde Dieren; in gevangen staat is zij tevreden met zaad en visch, maar raakt langzamerhand gewoon aan alle spijzen, die de mensch gebruikt.
In de meeste gevallen is de Keizerspecht de bouwmeester van de woning, die alle wenschen van deze Eend bevredigt; soms moet zij zich met een verlaten hol van een Voseekhoorn, bij uitzondering zelfs met een rotsspleet behelpen. Het wijfje glipt met verwonderingwekkend gemak door de ingangsopeningen van verschillende holen, hoewel deze voor haar veel te klein schijnen. Meesterlijk verstaat zij de kunst om een holte tot nest in te richten. Dit wordt dan vele jaren achtereen door het paar gebruikt.
Van September tot in het begin van den winter is het vleesch van deze Eenden voortreffelijk van smaak; zij worden in dien tijd overal vervolgd en bij duizenden op de markt gebracht. Boven al hare uitheemsche verwanten munten zij uit door schoonheid; daar bovendien haar voortplanting geen bezwaren oplevert, geeft men te recht in eendefokkerijen aan haar de voorkeur.
De Duikeenden of Zeeëenden (Fuligulinae) kenmerken zich o.a. door korte pooten, die grootendeels onder de huid van den romp verborgen en dus ver naar achteren geplaatst zijn. Hierdoor staan zij met een opgerichte houding en hebben een gebrekkigen gang, maar kunnen des te beter zwemmen en duiken. De scheen is tot op het hielgewricht bevederd, de loop korter dan de middelste voorteen en sterk zijdelings samengedrukt; de lange voorteenen zijn door groote zwemvliezen vereenigd; de achterteen is met een zwemvliesje voorzien, daar zijn van weerszijden samengedrukte zool, zich tot een vrij naar beneden hangenden huidzoom heeft uitgebreid. De romp is kort, breed en plomp, meer ineengedrongen dan bij de Zwemeenden, de hals kort en dik, de kop groot, de snavel middelmatig lang, gewoonlijk breed, met korte zeefplaatjes voorzien, aan den wortel dikwijls gezwollen; de vleugels zijn kort en bol; de staart is middelmatig lang of kort, maar breed. Het vliegen vermoeit haar meer dan de andere Zeefsnaveligen, hoewel zij na eens een zekere hoogte te hebben bereikt, zich met snelle vleugelslagen tamelijk vlug voortbewegen.