De Stootvogels (Pelargornithes). (continued 6)
Reading edition
De Flamingo vliegt zonder merkbare inspanning, zoodra hij zich in de lucht verheven heeft. Zijne tamelijk snel opeenvolgende vleugelslagen brengen een soortgelijk gedruisch teweeg als die van de Eenden en Ganzen; door eenige berichtgevers wordt het geluid van een plotseling opvliegende troep Flamingo’s vergeleken met het rollen van den donder in de verte. Hun hard en heesch, als „krak” klinkend gekras wordt als ’t ware met moeite voortgebracht en is volstrekt niet welluidend; soms wisselt het af met hoogere toonen, die ook als „krak” klinken, maar op meer kraaiende wijze uitgestooten worden.
De Flamingo leeft van kleine waterdiertjes, vooral van schelpdieren uit de bovenste slijklaag, van allerlei Wormen, Schaaldieren, kleine vischjes en sommige plantaardige stoffen. Gevangen exemplaren kan men met gekookte rijst, geweekte tarwe, gebroken gerst, broodpap en eendenkroost geruimen tijd in ’t leven houden, maar hebben om gezond te blijven bovendien dierlijke stoffen noodig en kunnen dan vele jaren lang de gevangenschap verduren. Wanneer zij lang achtereen uitsluitend plantaardig voedsel krijgen, verliest hun vederenkleed het teere, rozeroode waas; het herkrijgt en behoudt zijn volle schoonheid bij voedering met een mengsel, zooveel mogelijk overeenstemmend met dat, hetwelk zij in de vrije natuur zelf zoeken.
De Flamingo bouwt zijn nest in het water op ondiepe plaatsen, door met de voeten een kegelvormigen hoop modder bijeen te krabben, die, waarschijnlijk ter wille van de stevigheid, met waterplanten enz. gemengd is; aan den top bevindt zich de nestholte, ongeveer 5 d.M. boven den waterspiegel. Op vlakke, slechts met zeer lage planten begroeide eilandjes bestaat het nest, volgens het getuigenis der Arabieren, uit een in den grond uitgekrabd, ondiep kuiltje, dat met een onbeduidend laagje waterplanten en rietbladen gevoerd is. Het aantal eieren bedraagt gewoonlijk 2; deze hebben een zachte, krijtachtige, effen witte schaal. Ongetwijfeld gaat de Vogel bij het broeden met samengeknikte pooten op het nest zitten; soms strekt hij echter één van zijne pooten achterwaarts en laat hem over den rand van het nest naar beneden hangen. Naar men zegt, duurt de bebroeding 30 à 32 dagen en noodigt het wijfje haar echtgenoot van tijd tot tijd door luid geschreeuw uit om haar af te lossen.
Voor de Flamingo-jacht wordt de grootst mogelijke voorzichtigheid vereischt. Over dag is het den jager niet mogelijk zoo dicht bij deze vreesachtige dieren te komen, dat hij ze met den buks kan treffen; bij het zoeken van voedsel houden steeds verscheidene volwassene Vogels de wacht en waarschuwen het geheele gezelschap voor een naderend gevaar. Des nachts evenwel laten zij zich gemakkelijker verschalken. De Arabieren gebruiken hiervoor twee schuiten, waartusschen gewone vischnetten uitgespannen zijn en waarmede zij te midden van een rustenden zwerm Flamingo’s zeilen; de verschrikte dieren vliegen op en geraken in de netten verward. Op deze wijze vangt men er soms 50 of meer te gelijk. Over een veel zonderlinger wijze van vangst hoort men de visschers aan het Mensalehmeer spreken. Nadat zij de slaapplaats van de Vogels hebben opgespoord, begeven zij zich ’s nachts hoogst voorzichtig daarheen op een van rietstengels vervaardigd vlot en trachten den schildwacht van den troep te ontdekken. Deze houdt den kop omhoog, de andere Vogels hebben hem onder de vleugels verborgen. Een visscher begeeft zich geheel ontkleed te water en tracht, gedekt door een bos rietgras, dat hij voor zich uit duwt, half boven, half onder water zwemmend en kruipend, den waakzamen Vogel te bereiken; deze wordt gegrepen, dadelijk met den kop onder water gehouden en door het omdraaien van den nek gedood; de visschers grijpen vervolgens eenige der slapende Vogels met de handen en dooden deze op dezelfde wijze. Op de markten van de Noord-Egyptische steden vindt men deze fraaie Vogels dikwijls bij dozijnen aan een lang touw gebonden. Als wild zijn zij zeer gezocht. Volgens de oude schrijvers waren zij dit reeds bij de Romeinen, die vooral hoogen prijs stelden op de tong en de hersenen van den Flamingo. Ik heb dezen kost geproefd en zeer smakelijk bevonden, vooral de tong. Het vleesch is rozerood en heeft volgens sommigen een tranigen of vischachtigen smaak; hiervan heb ik echter niets kunnen bespeuren.
De Roeivoetigen (Steganopodes), die de vierde en laatste groep van de onderorde der Worgvogels vormen, ontleenen hun naam aan het maaksel hunner voeten; deze hebben een korten loop en lange teenen en verschillen van andere zwemvoeten, doordat het zwemvlies alle teenen onderling verbindt, dus ook den steeds aanwezigen, eersten teen, die hier binnenin plaats van achterwaarts gericht is. De romp is gestrekt, de hals middelmatig lang, de kop klein; de snavel vertoont verschillende vormen, die in zooverre overeenstemmen, dat bij alle een naakte, meer of minder zakvormig verwijde huid de beide onderkaakshelften verbindt; de vleugels zijn lang en afgerond of zeer lang en spits; de staart is verschillend van vorm. Het nauw aansluitende vederenkleed, dat zich op het middelmatig lange onderbeen tot aan het spronggewricht uitstrekt, is bij sommigen vast en hard, bij andere zijdeachtig zacht; de kleur verschilt bij het mannetje en het wijfje weinig of niet, bij jongen en ouden meestal aanmerkelijk.
De Roeivoetigen mogen zeebewoners heeten, hoewel slechts van twee familiën dezer groep gezegd kan worden, dat zij zich vrijwillig nooit van de zee verwijderen. De overige zwerven gaarne ver over het land rond; sommige vestigen zich hier. Op de zee, waar enkele Roeivoetigen zelden verschijnen, gevoelen alle zich zoo thuis, dat zij er maanden lang blijven en, zoo niet het land, dan toch het zoetwater ontberen kunnen. Enkele zetten zich om te rusten op rotsachtige eilanden en kusten neer, andere op het strand, de meeste op boomen, indien hiervoor gelegenheid bestaat; eenige soorten zijn echte woudvogels. In het noorden van hun verbreidingsgebied dwingt de winter hen tot trekken; in het zuiden zwerven zij, den loop der stroomen of van de zeekust volgend, onregelmatig heen en weer. Zonder overdrijving kan men zeggen, dat de leden dezer groep geen der bewegingswijzen missen, die men bij de overige Zwemvogels opmerkt. Er zijn onder hen „stootduikers” en „zwemduikers”; zij vliegen voortreffelijk, enkele evenaren in dit opzicht de echte oceaanvogels; hun gang, hoewel slecht, is toch beter dan die van de andere zwemvogels; ook kunnen zij zich in de boomen redden. Hunne zintuigen zijn goed ontwikkeld, hunne geestvermogens tamelijk gering; enkele kunnen echter afgericht worden. Ondanks hun neiging tot gezelligheid, zijn zij niet vredelievend van aard, maar afgunstig, hebzuchtig en tot vechten geneigd; ook zijn zij boosaardig en valsch en toch bij ontmoetingen met andere dieren echt lafhartig. Eendrachtige samenwerking, hulpvaardigheid van allen ten behoeve van enkelen, zooals men die bij de echte oceaanvogels aantreft, komt bij de Roeivoetigen niet voor: zij helpen elkander bij de vischvangst, maar niet bij het afslaan van een vijandelijken aanval. Om andere dieren bekommeren zij zich niet, tenzij (wat bij enkele voorkomt) op de wijze van een parasiet en zijn gastheer. Verscheidene soorten nestelen te midden van Reigers en van andere Vogels, en verdrijven deze soms uit hunne nesten of ontrooven hun materialen voor den nestbouw; er bestaat dus geen vriendschappelijke verhouding tusschen hen en de overige leden der broedkolonie.
Zij bouwen hun nest op boomen of in spleten van het gesteente, op rotsterrassen en bergtoppen, zeldzamer op eilandjes in moerassen en broeklanden. Zooveel mogelijk laten zij dit werk door andere Vogels verrichten, die althans de grondslag voor hun nest vervaardigen, dat zij daarna eenvoudig naar hun smaak wijzigen. Als zij zelf de noodige bouwstoffen aanvoeren, worden deze op kunstelooze wijze opeengestapeld. Zij broeden op één ei, ook wel op 2, 3 of 4 eieren. Deze zijn betrekkelijk klein en zeer langwerpig van vorm; de eigenlijke schaal is gewoonlijk met een grove en onregelmatige, dikwijls onvolledige, kalkachtige laag bedekt; minder dikwijls zijn de eieren glad van schaal en op lichteren grond donker gevlekt. Beide ouders broeden en doen dit zoo ijverig, dat zij zich bijna niet van ’t nest laten verjagen; beide brengen hun kroost een grooten overvloed van voedsel. Enkele soorten broeden, naar het schijnt, dikwijls tweemaal in één zomer.
Alle Roeivoetigen verdelgen een ontzaglijk groote hoeveelheid Visschen en zouden daarom zonder uitzondering tot de zeer schadelijke Vogels gerekend moeten worden, als zij ons niet op een eigenaardige wijze lieten profiteeren van de schatten der zee. Aan hen heeft Peru het grootste deel van zijne inkomsten te danken; sedert jaren reeds houdt een talrijke vloot zich met het vervoer van de guano bezig, die door Roeivoetigen werd voortgebracht. Op hun vraatzucht berust hun beteekenis voor de menschelijke maatschappij: deze vermindert den vischrijkdom onzer binnenwateren en brengt op eenzame rotsen schatten voor ons bijeen. Andere diensten bewijzen de Roeivoetigen ons nagenoeg niet. Eenige trekken de aandacht van de bezoekers van diergaarden en beestenspellen; andere verschaffen voedsel aan den mensch, die hen van hunne eieren en jongen berooft: het op deze wijze verkregen voordeel is echter gering. De Chineezen richten een lid van deze groep voor de vischvangst af; de Arabieren eten het vleesch van andere soorten, hoe slecht het ook is; de Zuidzee-eilanders eindelijk tooien zich met de lange staartveeren van een dezer Vogels: meer voordeel bezorgen zij den mensch niet.
De groep der Roeivoetigen omvat 4 familiën: de Aalscholvervogels (Phalacrocoracidae) (met de onderfamiliën van Aalscholverachtigen, Slanghalsvogels en Rotspelikanen), de Pelikanen (Pelecanidae), de Fregatvogels (Atagenidae) en de Keerkringvogels (Phaëtornidae).
De Aalscholverachtigen (Phalacrocoracinae) hebben een zeer langwerpigen, maar krachtigen, en rolvormigen romp, een langen of zeer langen, slanken of dunnen hals, een kleinen kop, welks middelmatig lange snavel aan de spits sterk haakvormig omgebogen is, stevige pooten met zijdelings samengedrukten, korten loop en groote teenen; de vleugels, hoewel lang, eindigen stomp wegens de kortheid der handpennen; de staart, die uit 12 à 14 stuurpennen bestaat, is middelmatig lang of tamelijk lang en bijna geheel vlak.
De leden van deze onderfamilie, welke 35 soorten omvat, zijn over alle werelddeelen verbreid; zij leven in de zee en ook op de binnenwateren. Enkele bewonen het hooge noorden, de meeste behooren in de gematigde en warme aardgordels thuis. Eenige verwijderen zich zelden van de zee en vestigen zich op rotsachtige eilanden; andere bewonen riet- en boschrijke moerassen en broeklanden bij meren en dergelijke wateren en dwalen slechts bij uitzondering een enkele maal naar de zeekust af. Groote stroomen volgen zij tot diep in het binnenland; over ’t algemeen zwerven zij gaarne rond en blijven slechts gedurende den broedtijd in hetzelfde oord. De bewoners der noordelijke landen trekken, de overige zwerven.
Onder de Roeivoetigen behooren zij tot de bekwaamste duikers; ook in andere opzichten ontbreekt het hun volstrekt niet aan behendigheid. Op den vlakken grond bewegen zij zich waggelend op tamelijk onbeholpen wijze; opmerkelijk vlug klauteren zij in de boomkronen rond; zij vliegen sneller dan men van hen verwacht zou hebben, daar hun vlucht den indruk maakt van zeer vermoeiend te zijn. Zooveel mogelijk houden zij zich in ’t water op, zwemmend en duikend met een vaardigheid en volharding, die de bewondering van den toeschouwer moet wekken. Van hunne overige eigenschappen valt niet veel te zeggen, wat hun tot roem kan strekken. Zij zijn scherpzinnig, schrander, vlug van begrip en listig, maar tevens in de hoogste mate twistziek, boosaardig en valsch; onderling leven zij wel is waar in vriendschap, maar alleen, omdat zij, elkander aanvallend, op een even verwoede ontvangst kunnen rekenen, als door hen aan anderen wordt bereid; alle overige Vogels mishandelen zij, of trachten althans hen te kwellen en te pijnigen.
Alle Aalscholverachtigen vreten zoolang zij kunnen; een gevulde maag weerhoudt hen niet, begeerig aan te vallen op een buit, die hun dan in den weg komt. De zeer groote Visschen, die zij wegens de rekbaarheid van hun slokdarm kunnen inslikken, worden buitengewoon snel verteerd door de steeds nieuwen toevoer verlangende maag. In landen, waar de mensch als heerscher optreedt, kunnen zij niet geduld worden, omdat zij aan de visscherij een zeer gevoelige schade berokkenen.
Alle soorten van deze onderfamilie nestelen gezellig en vormen koloniën, die soms uit vele duizenden paren bestaan. De nesten bevinden zich op rotsachtige eilanden, n.l. in spleten, holen, op rotsterrassen enz., of op boomen, soms 40 of 50 op één boom. Als zij genoodzaakt zijn zelf te bouwen, stapelen zij dikke takken onordelijk opeen en vullen de ruimte daarbinnen met riet en andere grassen slordig aan. Bijna nooit zorgen zij voor het drooghouden van het nest; dikwijls is het zoo nat, dat de eieren, ten getale van 2 à 4, letterlijk in den modder liggen. Deze zijn langwerpig en betrekkelijk zeer klein; zij hebben een dikke, groenachtig witte, ongevlekte schaal, die door een iets lossere, kalk- of krijtachtige laag omgeven is. Beide ouders broeden beurtelings met een zelfverloochening, die men misschien liever hardnekkigheid moet noemen; beide zorgen voor de opvoeding der jongen. Deze komen bijna naakt ter wereld; het korte, somber gekleurde dons, dat zij later krijgen, wordt eerst, als zij halfwassen zijn, door veeren vervangen. Zij blijven lang in het nest, volgen daarna hunne ouders in ’t water, krijgen een paar dagen lang onderricht en worden vervolgens aan zichzelf overgelaten. Gevangen Aalscholverachtigen trekken de aandacht door de verscheidenheid hunner standen, die ieder iets vreemdsoortigs hebben, bovendien door hun onvermoeidheid en opgewektheid en door de listigheid, waarmede zij jacht maken op alles wat leeft en doorgeslikt kan worden. Bij goede verzorging planten zij zich in de kooi voort; zij zijn echter dure kostgangers.
Van Middel-Noorwegen af treft men den Aalscholver in geheel Europa en gedurende den winter in verbazend grooten getale in Afrika aan; bovendien leeft hij zeer veelvuldig in Middel-Azië en ook in Noord-Amerika: van hier naar West-Indië, van daar naar Zuid-Azië trekkend. Hier te lande broedt hij in kleine koloniën, bij meren en plassen van Noord- en Zuid-Holland. Hij bewoont de zee en het binnenwater, al naar de ligging van zijn woonplaats. Steeds ontmoet men hem in groote rivieren of stroomen, die door bosschen ingesloten zijn; zelfs vestigt deze brutale indringer zich in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde oorden, van waar men hen bijna niet (en steeds met groote moeite) verdrijven kan. Eens is het gebeurd, dat Aalscholvers in een stad verschenen en den kerktoren als rustplaats kozen. In nog grooter aantal komen zij voor aan de zee, hoewel slechts op bepaalde plaatsen, n.l. daar, waar de kust rotsachtig en moeielijk genaakbaar, althans door een krans van klippen omgeven is. In niet geringe hoeveelheid houden zij gedurende den winter in zuidelijke zeeën verblijf.

Aalscholver (Phalacrocorax carbo). ⅕ v. d. ware grootte.
Zij zijn zeer gezellig en blijven daarom in den regel tot groote of kleine zwermen vereenigd. Gedurende de morgenuren visschen zij met grooten ijver; de namiddag is aan de rust en aan de spijsvertering gewijd; tegen den avond gaan zij nogmaals ter vischvangst uit; met zonsondergang begeven zij zich te ruste. Als nachtkwartier dienen in ’t binnenland hooge boomen, die op eilanden in de stroomen of meren staan; dezelfde boomen worden later als broedplaatsen gebruikt. Op zee slapen zij op rotsachtige eilanden, waar zij een vrij uitzicht hebben naar alle zijden en gemakkelijk af en aan kunnen vliegen. Zulke eilanden zijn reeds op een afstand kenbaar aan de witte laag drek, waarmede de Vogels hen bedekt hebben; deze zou ook bij ons ten slotte een guanolaag worden, indien ons klimaat minder regenachtig was en wij hier de tropische zon hadden, die onder Peru’s hemel den vogeldrek doet uitdrogen. Zulk een bevoorrechte zitplaats in zee trekt steeds de aandacht van den zeeman of van den reiziger, het meest natuurlijk, wanneer zij met Aalscholvers bedekt is. Op reeksen gerangschikt, ongeveer in den trant van een troep soldaten, zitten de zwarte Vogels in schilderachtige houding op de rotspunten, alle in dezelfde richting, naar de zee, kijkend; slechts weinige zitten hier onbeweeglijk, ieder beweegt minstens één zijner lichaamsdeelen, hetzij den hals en den kop, of de vleugels en den staart. Het kwispelen en waaien met de vleugels houdt soms meer dan een kwartier aan en heeft blijkbaar ten doel alle veeren geheel te drogen; want later ziet men de Vogels roerloos in de zon zitten. Op zulke rustplaatsen behoudt trouwens iedere Aalscholver de eens gekozen plek, om de eenvoudige reden, dat het gaan hem moeite kost. Als men in een boot een rotsachtig eiland in de zee nadert, ziet men de Vogels in de eerste plaats den hals strekken en den kop bewegen, vervolgens op plompe wijze heen weer trippelen en ten slotte vluchten. Slechts weinige verheffen zich echter in de lucht en vliegen met fladderende vleugelslagen rond; de meeste springen, bijna als Kikvorschen, van de rotsen af in zee, duiken en zwemmen zoo ver mogelijk onder water, voordat zij weer aan de oppervlakte verschijnen; de schrandere, zeegroene oogen blijven voortdurend op de boot gericht; het duiken wordt zoo noodig herhaald, totdat de gewenschte veiligheid verkregen is.
Zij bewegen zich intusschen zoo snel, dat zelfs de beste, door flinke roeiers bemande boot ze niet kan inhalen, kunnen tot op aanzienlijke diepten duiken en lang onder water blijven, keeren daarna voor een oogenblik naar den waterspiegel terug om snel te ademen en verdwijnen weer. Bij het vervolgen van hun buit strekken zij het lichaam, maken lange, krachtige streken met de roeiorganen en doorklieven het water als een pijl uit den boog.
De vatbaarheid van de Aalscholvers voor ontwikkeling blijkt uit het bekende feit, dat ze—o. a. ook de bij ons inheemsche soort—door de Chineezen voor de vischvangst afgericht worden en tot tevredenheid van hunne meesters arbeiden. De jongen worden reeds vroeg medegenomen op het water, springen er op bevel van hun eigenaar in, duiken en brengen den gevangen Visch naar boven. „Bij hoog water,” verhaalt Doolitle, „zijn de bruggen in Foetsjoe dicht bezet met toeschouwers, die met belangstelling deze vischvangst gadeslaan. De visscher staat op een vlot van bamboe, dat ongeveer 1 M. breed en 5 à 6 M. lang is, en brengt dit met een roeiriem in beweging. Hij stoot of werpt de Aalscholvers in het water; deze duiken dadelijk, of worden door het slaan met den roeiriem gedwongen om zich naar de diepte te begeven. Zoodra één hunner een Visch heeft buitgemaakt, komt hij boven water met de prooi in den snavel en wil haar verslinden, hetgeen verhinderd wordt door een draad of metalen ring, die hem los om den hals is gelegd; goedschiks of kwaadschiks is hij dus wel genoodzaakt naar het vlot terug te zwemmen. De visscher ijlt zoo snel mogelijk toe om te verhoeden, dat de buit hem weder ontkomt, daar deze zijn best doet om zich aan zijn vijand te ontworstelen hetgeen, vooral aan groote Visschen soms na hevigen strijd gelukt. Met een zakvormig net, dat aan een stok bevestigd is, wordt de Vogel op het vlot geheschen; hier wordt hem den Visch afgenomen en krijgt hij tot belooning eenig voedsel; dit kan eerst geschieden, nadat de ring weggenomen en hierdoor het slikken mogelijk gemaakt is. Een korte rust wordt den Vogel gegund, voordat men hem op nieuw aan ’t werk zet.”
Daar de Aalscholvers een onberekenbare schade toebrengen aan de visscherij, kunnen zij op de binnenwateren niet geduld worden. Hun vraatzucht is voorbeeldeloos groot. Eén van deze Vogels gebruikt meer voedsel dan een mensch en evenaart in dit opzicht een Pelikaan. Een gevangen Aalscholver kreeg eens van mij zooveel Visschen als hij hebben wilde: in den loop van den morgen verslond hij 26, in de namiddaguren bovendien nog 17 Voorns van gemiddeld 20 cM. lengte. Deze vulden aanvankelijk niet slechts de geheele maag, maar ook den slokdarm, die hierdoor tot een wanstaltige wijdte werd uitgezet, en staken voor een deel zelfs boven het keelgat uit; zij werden echter zoo schielijk verteerd, dat de keelholte en de slokdarm binnen twee uren reeds leeg waren. „De Aalscholvers zouden,” schrijft Schlegel, „in een bebouwd en overal bewoond land als het onze, waarschijnlijk sedert lang tot de zeldzaamheden behooren, indien er niet eenige plaatsen waren, waar men ze, in gezelschap van Lepelaars en Reigers, rustig laat broeden. Dit zijn b.v. het Horstermeer, tusschen Amsterdam en Utrecht, en het zoogenaamde Schollevaarseiland, tusschen Rotterdam en Gouda gelegen.”—Prof. P. Harting heeft in Mei 1864 het Schollevaarseiland bezocht, en van zijn bevinding verslag gegeven in het „Album der Natuur”. Aalscholvers nestelden er toen reeds sedert 3 jaren niet meer, wel Reigers, Kwakken, Kleine Reigers en eenige Lepelaars. Het Schollevaarseiland, dat dus reeds voor 35 jaar alleen historische rechten kon doen gelden op het eerste gedeelte van zijn naam, verloor ongeveer 8 jaren later door de droogmaking van den Prins-Alexander-polder ook alle aanspraak op den naam van eiland. In de nabijheid van deze vroeger zoo merkwaardige broedplaats van watervogels, n.l. langs de rivier de Rotte, komen, volgens mededeelingen van den Heer Van Pelt Lechner, de Aalscholvers ook thans nog overvloedig voor; zij broeden er vooral op plekken, waar veel riet en lischdodden groeien.
Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat aan de oevers van een meer, van een groot, waterrijk moeras enz. eenige weinige paren Aalscholvers als tot dusver volkomen onbekende vreemdelingen verschenen, eenige jaren achtereen daar broedden, misschien andere paren aanlokten, waardoor weldra het aantal leden van de kolonie tot verscheidene honderden paren was toegenomen. Men had ze dan allengs leeren kennen als uiterst vraatzuchtige roovers, die het er op toelegden om den vischvoorraad geheel te vernietigen. Alleen door een jarenlang voortgezette, onmeedoogende vervolging gedurende den broedtijd kon men ze eindelijk tot den aftocht nopen. De verdreven paren zochten dan gezamenlijk, of vaker nog in verscheidene gezelschappen verdeeld, een nieuwe vestigingsplaats op bij andere hiervoor geschikte, vischrijke wateren, in den regel op vele mijlen afstands van de vroegere kolonie, tot hen ook op hun nieuwe woonplaats een dergelijk lot werd bereid als op de vorige. Zoo ontstonden en verdwenen in den loop der tijden nu eens hier dan weer daar koloniën van Aalscholvers. Als op een voor Aalscholvers geschikte plaats een Reiger- of Roeken-kolonie voorkomt, wordt hierop door hen onmiddellijk beslag gelegd. De ledige nesten worden zonder eenige plichtplegingen in bezit genomen; van een deel der reeds bezette worden de eigenaars verdreven, indien de pas aangekomen Vogels nog nesten te kort komen. Enkele nieuwe nesten worden, zoo noodig, gebouwd. Aanvankelijk, en nog gedurende jaren, broeden de Reigers of Roeken met de Aalscholvers gezamenlijk; ten slotte behouden deze het rijk alleen, totdat de visschers om hun bedrijf voor ondergang te behoeden, afdoende maatregelen nemen om de rooverbende te verdrijven. Trouwens ook zonder tusschenkomst van den mensch zullen de Aalscholvers slechts zeer zelden gedurende een lange reeks van jaren op dezelfde plaats in het binnenland gevestigd kunnen blijven. De reden hiervoor is gelegen in het uitgeput raken van den voedselvoorraad. Daar waar de Aalscholvers in groote menigte voorkomen, visschen zij in een niet al te lang tijdsverloop vijvers en meren leeg; zoodra dit het geval is, moeten zij wel verhuizen. Gelukkig zijn zij grootendeels zeevogels en ondergaat de rijkdom van de zee door hun werkzaamheid geen merkbare vermindering. Bij voorkeur vangen zij Visschen, die, zooals de Schol in zee en de Aal in het zoete water, op den bodem zich ophouden. Om ze buit te maken, moeten zij natuurlijk zeer diep, niet zelden tot 30 à 40 M. onder den waterspiegel duiken. Zij kunnen, zegt men, 3 à 4 minuten onder water blijven.
In de zee voedt de Aalscholver zich waarschijnlijk uitsluitend met Visschen; in het binnenland maakt hij ook jacht op andere Gewervelde Dieren. In de diergaarde te Weenen merkte men op, dat de daar aanwezige Aalscholvers zich in de vangst van Zwaluwen geoefend hadden; op heete zomerdagen lagen zij met diep ingezonken lichaam in ’t water en loerden met achterwaarts gebogen kop en geopenden snavel op de heen en weer schietende Zwaluwen; een gunstig oogenblik waarnemend, strekten zij den hals, pakten de niets kwaads vermoedende Zwaluw, voordat deze kon uitwijken, doodden haar met een krachtigen beet en verslonden haar. Op de Fär-öer zijn de Aalscholvers gehaat, omdat zij zelfs lammeren aanvallen, hun gaten in ’t lijf vreten en ten slotte dooden.
De Aalscholvers bouwen hun nest bij voorkeur op boomen, maar behelpen zich, in geval van nood, met holen in vooruitstekende rotsen en dergelijke broedplaatsen. Gewoonlijk verschijnen de voor ’t broeden geschikte Vogels in April en leggen reeds in ’t einde van deze maand 3 à 4 kleine, langwerpige eieren, welker stevige, gedeeltelijk met een wit kalklaagje bedekte schaal een blauwachtig groene kleur heeft. Beide ouders broeden beurtelings gedurende omstreeks 4 weken en voeren gemeenschappelijk hunne jongen groot. Deze groeien betrekkelijk snel, worden door hunne ouders zeer geliefd, maar in tijd van gevaar niet, althans niet tegen den mensch, verdedigd.
Wegens hun sluwheid en voorzichtigheid zijn de Aalscholvers niet altijd gemakkelijk te schieten; licht gelukt dit den jager, die hen opwacht onder den boom, die hun tot slaapplaats dient, het best natuurlijk in den voortplantingstijd.
De Gekuifde Aalscholver of Gekuifde Waterraaf (Phalacrocorax graculus) bewoont met den zooeven genoemden het noordelijkste deel van diens verbreidingsgebied en vervangt hem in nog noordelijker gewesten. Zijn staart bestaat uit 12 pennen, de kuif, die echter alleen bij zeer oude Vogels voorkomt, uit naar voren gekromde veeren van ongeveer 4 cM. lengte. Met uitzondering van de dofzwarte slag- en stuurpennen zijn alle bovendeelen op zwarten, zwak koperachtig glinsterenden grond schubsgewijs geteekend door de donker fluweelzwarte kanten der veeren; alle overige deelen zijn glanzig zwartgroen. Het oog is saffiergroen, de snavel zwart met weinige bruine vlekken, de ondersnavel aan den wortel citroengeel, de voet zwart. Totale lengte 65 à 70 cM. De jongen zijn van boven op grijsachtig vaalbruinen grond donkerder geschubd, van onderen grootendeels wit.
Van de rotsachtige eilanden van Schotland en van ’t zuiden van Skandinavië strekt het verbreidingsgebied van den Gekuifden Aalscholver zich naar ’t noorden uit over alle kusten van de Poolzee, die tot de Oude Wereld behooren; in den winter begeeft hij zich op den trek tot op de breedte van Noord-Afrika. Na zware noordwesterstormen dwaalt hij soms, doch zeer zelden naar onze kust af.
De Slanghalsvogels (Plotinae) omvatten slechts één gelijknamig geslacht (Plotus); zij kenmerken zich door hun zeer gestrekten romp, buitengewoon langen, dunnen hals, kleinen, platten kop en langen, rechten, zwakken, spoelvormigen, aan de zijranden fijngezaagden, zeer spitsen snavel. Er zijn slechts 3 soorten van dit geslacht bekend.
De Afrikaansche Slanghalsvogel (Plotus Levaillantii) is grootendeels zwart met metaalachtig groenen weerschijn. Een zeer fraai effect maakt de breede, zilverwitte streep op ieder van de veeren van den rug en op de vleugeldekveeren; de buitenvlag der groote vleugeldekveeren is grijsbruin of kastanjebruin; de hals is roestkleurig; een streep, die, bij het oog beginnend, langs den hals naar beneden loopt, heeft een zwartbruine kleur, eene andere daaronder is wit. Het oog is roodachtig geel, de naakte plek aan den kop geelgroen, de snavel hoornkleurig, de voet groenachtig grijs. Totale lengte 86 cM. Deze soort komt voor op alle wateren ten zuiden van 15° N.B. tot aan Kaapland.
Bij den Indischen Slanghalsvogel (Plotus melanogaster), die op het vaste land van Indië tot China, den Indischen Archipel en Australië wordt aangetroffen, zijn de groote vleugeldekveeren wit of rosachtig en hebben niet slechts aan den binnen-, maar ook aan den buitenrand een zwarten zoom.
Bij den Amerikaanschen Slanghalsvogel of Anhinga (Plotus anhinga), die van Paraguay tot in het zuiden van Noord-Amerika voorkomt, zijn de groote vleugeldekveeren witachtig grijs zonder zwarten zoom aan de buitenvlag.
De Slanghalsvogels bewonen stroomen, meren en moerassen, in welker nabijheid boomen groeien, of liever nog zulke, die boomrijke eilanden omgeven. Van de boomen vliegen zij ’s morgens uit om op de jacht te gaan; naar de boomen keeren zij terug om te slapen of te rusten; op de boomen staat ook in den regel hun nest. Evenals de Aalscholvers rusten en broeden zij soms ook wel op rotsen; dit geschiedt ongetwijfeld alleen, wanneer het hun aan boomen ontbreekt.
Moeilijk zou men een beteren naam voor dezen Vogel kunnen bedenken dan die, welke de Hottentotten hem gegeven hebben. Zijn hals herinnert aan een Slang, niet slechts door de teekening, maar ook door de beweging. Als de Vogel tusschen den waterspiegel en den bodem van ’t meer zwemt, gelijkt zijn beweging op die van een Slang, zoo ook wanneer de hals bliksemsnel vooruitgestoken wordt bij het afweren van een vijand of bij het aanvallen op den buit. Alle Slanghalsvogels zwemmen meesterlijk en duiken nog beter. Met hen vergeleken zijn zelfs de Aalscholvers stumpers. Op plaatsen waar zij zich op hun gemak met de vischvangst kunnen bezighouden en zich volkomen veilig achten, zwemmen zij halflijfs ingedompeld aan de oppervlakte; zoodra zij echter een mensch of een gevaarlijk dier bespeuren, laten zij zich zoo diep zakken, dat alleen de dunne hals zich boven den waterspiegel verheft. Door dit middel onttrekt de Slanghalsvogel zich zeer gemakkelijk aan de waarneming; men kan dicht bij hem langs gaan, zonder hem op te merken, zelfs wanneer hij zich in volkomen open water beweegt. Tusschen riet, struiken en dergelijke voorwerpen weet hij zich, als hem dit noodig voorkomt, zelfs voor het scherpzichtigste oog te verbergen. Een afstand van meer dan 60 M. legt hij in minder dan één minuut af; naar het schijnt, beweegt hij zich onder water veel sneller dan zwemmend aan de oppervlakte. Hij heeft een waggelenden, doch betrekkelijk snellen gang: in de boomtakken toont hij een behendigheid, die men niet van hem verwacht zou hebben; daar hij zich niet slechts aan de takken kan vasthouden, maar ook op deze heen en weer kan loopen; in ’t laatstgenoemde geval moet hij zich echter met de uitgespreide vleugels in evenwicht houden en ook den snavel tot steun gebruiken. Zijn vlucht gelijkt zoozeer op die van den Aalscholver, dat men den eenen Vogel voor den anderen zou kunnen houden.
Ook door hun wijze van visschen komen beide Vogels overeen; zij duiken van den waterspiegel af in de diepte, waar zij door snel te roeien de Visschen achterhalen, die zij vervolgens door het plotseling strekken van den hals grijpen. Zij hebben zeer veel voedsel noodig, daar zij buitengewoon vraatzuchtig zijn. Wel kunnen zij, evenals de overige van jacht en vischvangst levende Vogels, zonder groot bezwaar dagen achtereen vasten; gewoonlijk echter behoeven zij dit niet te doen, daar hun disch ruim genoeg voorzien is.
De Slanghalsvogels broeden op boomen. Hunne nesten zijn van doode takjes gebouwd en gelijken op die van Reigers. Gewoonlijk vindt men er 4 à 8 op één hoogen boom, het liefst op zulk een, die in het water staat. Van hun broeden valt over ’t algemeen hetzelfde op te merken als van dat van den Aalscholver; ook zij leggen 3 of 4 eieren, die lichtgroen van kleur en met een kalklaagje bedekt zijn.
Bij behoorlijke verzorging kunnen zij het leven in gevangenschap even goed verdragen als hunne verwanten; zeer spoedig worden zij eenigermate tam; een innige gehechtheid aan hun verzorger komt voor bij exemplaren, die door den mensch zijn grootgebracht.

Afrikaansche Slanghalsvogel (Plotus Levaillantii). ¼ v. d. ware grootte.
In afgelegen gewesten, waar de mensch zich zelden vertoont, zijn de Slanghalsvogels zoo weinig schuw, dat hun jacht weinig moeite kost. De jager tracht gewaar te worden, op welken boom zij slapen, gaat des namiddags onder dezen boom staan en wacht de komst van de Vogels af. Na het schot laten alle overlevenden zich in ’t water vallen, als waren zij dood, duiken naar de diepte en verschijnen hier en daar met den hals weer boven den waterspiegel, gewoonlijk echter op plaatsen, waar zij tusschen riet of takken zeer goed verborgen zijn.
De Rotspelikanen (Sulinae) hebben een tamelijk grooten kop, een forschen, rechten snavel, die den kop in lengte overtreft, van achteren verdikt en afgerond, nader bij de spits zijdelings samengedrukt. De bovensnavel is aan de spits een weinig naar beneden gekromd, aan de zijranden met fijne, achterwaarts gerichte „tandjes” bezet; zijn rug is door overlangsche groeven van de zijstukken afgescheiden, zoodat het geheel aan drie boven elkander gelegen kaken doet denken; in deze groeven zijn de zeer kleine neusgaten gelegen. Tusschen de beide onderkaakshelften, die tot dicht bij de spits vaneengescheiden zijn, blijft een groote ruimte over, welke gevuld is met een huid, waarvan een smalle strook, die zich over ’t midden tot aan de keel uitstrekt, onbevederd is; de grenslijn tusschen de bevederde en de naakte huid loopt onder het oog langs, buigt zich naar voren en is vervolgens achterwaarts gericht tot aan den mondhoek. De dikke hals is middelmatig lang; de smalle vleugels zijn lang, wegens de groote lengte van den voorarm; de zeer korte voeten hebben 4 lange, naar voren gerichte, door zwemvliezen vereenigde teenen; de beide middelste pennen van den meer dan middelmatig langen staart zijn lansvormig verlengd. Het glad aanliggende vederenkleed is meestal wit. De 9 bekende soorten van deze onderfamilie gelijken veel op elkander. In den gematigden gordel van het noorder en het zuider halfrond bewonen zij de zee, die zij niet anders dan in den voortplantingstijd verlaten om bij honderden en duizenden broedkoloniën te vormen op eenzame, steile, hoog boven den waterspiegel uitstekende eilanden en klippen, vanwaar zij zich gedurende den broedtijd nooit zeer ver verwijderen.
De Jan-van-Gent (Sula bassana) is, met uitzondering van de bruinzwarte handpennen, wit, op den bovenkop en den achterhals met een geelachtigen tint, in de jeugd op de bovenzijde zwartbruin met witte vlekken, aan de onderzijde op lichten grond met donkerder vlekken en stippels. Het oog is geel, de snavel blauwachtig, de voet groen, de naakte huid aan de keel zwart. Totale lengte 98, vlucht 190, lengte van den vleugel 62, van den staart 26 cM. Het wijfje is iets kleiner.
Deze Vogel bewoont alle zeeën van het noordelijk halfrond van 70° N.B. tot bij den keerkring. Hij is veelvuldig in de buurt van IJsland en van de Fär-öer, van de Orkaden en de Hebriden, zeldzamer bij de Noorsche kust, ’s winters aan onze kust niet zeldzaam na stormachtig weer, hoewel men hier voor ’t meerendeel jonge exemplaren aantreft; hetzelfde geldt van Noord-Duitschland en Frankrijk; aan de Amerikaansche kust en in het noordelijke deel van de Stille Zuidzee komt hij in grooten getale voor. Enkele zijn tot diep in Duitschland afgedwaald. Voor bepaalde eilanden of kustgedeelten toont hij een zekere voorliefde. Zoo mogelijk brengt hij den nacht aan den vasten wal door, in den regel op hooge, steile rotsen, welker voet door de zee bespoeld wordt, waar hij de zee voortdurend kan zien. Op deze rotsen broeden de Vogels gezellig. Aan zijn zuidelijkste broedkolonie, het kleine, rotsachtige eiland Bass voor den ingang van den Firth of Forth aan de oostkust van Schotland, waar duizende paren nestelen, dankt de Jan-van-Gent zijn wetenschappelijken soortnaam en den naam „Bassaangans”, die hem soms gegeven wordt.
Hij vliegt voortreffelijk, hoewel minder goed dan de Stormvogels en Meeuwvogels; minder dikwijls maakt hij van zijne zwemorganen gebruik, misschien niet anders dan om gedurende korten tijd een weinig te rusten; buiten den broedtijd bezoekt hij het land alleen om te slapen. Reeds het staan schijnt hem te vermoeien; hij maakt dan met zijn korte pooten een zeer linksche vertooning; zijn gang is zeer onbeholpen en verdient nauwelijks den naam van waggelen; ook het zwemmen heeft ondanks zijne krachtige zwempooten niet veel te beteekenen. Zijn voedsel verkrijgt hij, door zich van een zekere hoogte in ’t water te storten, waarin hij met zooveel geweld doordringt, dat hij zich soms op verborgen klippen den kop te pletter stoot. Zijn stem bestaat uit kort afgebroken, krassende geluiden, die men ongeveer door de teekens „rab rab rab” voorstellen kan. De jongen maken, naar men zegt, een afschuwelijk krijschend geluid.
De Jan-van-Gent, wiens Nederlandsche naam misschien een verbastering is van den Engelschen naam (Gannet) wordt in verschillende talen aangeduid op een wijze, die hem als een buitengewoon dom dier aan de kaak stelt. Zoo noemen de Duitschers hem „Tölpel”, de Nederlandsche vertaling van dit woord („sul”) gelijkt op den naam, die deze Vogel op Fär-öer draagt („Soela”) en waarvan de wetenschappelijke term (Sula) is afgeleid. Een verwante soort met bruine veeren, die de tropische zeeën bewoont (Sula fusca), heet bij de Engelschen „Booby” (= „domkop”). Daar deze Vogels niet in de gelegenheid zijn geweest om den mensch te leeren kennen, gedragen zij zich in zijn tegenwoordigheid dikwijls zóó, dat zij de bedoelde namen schijnen te verdienen. Vooral is dit het geval, wanneer zij, door den storm buiten hun koers gebracht, naar den vasten wal zijn afgedwaald, of op een andere wijze ergens zijn gekomen, waar zij de zee niet meer kunnen zien. Zij zijn dan dadelijk hun bezinning kwijt. Door het voor hen zeer ongewone vasten meer nog dan door de langdurige vlucht uitgeput, blijven zij stil op den grond zitten en laten zich, hoewel niet zonder tegenstand, met de handen grijpen of mishandelen. Ook door langdurige vervolging schijnen zij niet wijzer te worden. In het binnenland en zelfs op Noordzee-eilanden treft men ze nooit anders dan in genoemden jammerlijken toestand aan. Het landvolk zegt, dat deze Vogels uit de lucht regenen, daar zij soms na een hevig onweer plotseling op een veld gevonden worden; men vindt ze hier echter ook wel bij volkomen helder en stil weer. Het onnoozelst is het gedrag van den Jan-van-Gent, nadat men hem zijn ei heeft ontnomen; naar men zegt, gaat hij dan toch voort met broeden op het ledige nest en braakt zelfs ten behoeve van zijn niet meer aanwezig jong de Visschen uit, die hij met dit doel in den krop bewaard en medegevoerd heeft.
Jegens andere Vogels zijn de Rotspelikanen boosaardig en bijtlustig; op plaatsen, waar zij in grooten getale bijeenkomen, komt aan het twisten en bijten geen einde. Hun kolossale snavel is een zoo gevaarlijk wapen, dat zij geen andere Zeevogels behoeven te vreezen; toch brengen, naar het schijnt, de Fregatvogels en de Roofmeeuwen hen zoozeer in ’t nauw, dat zij den pas verzwolgen buit aan hunne vervolgers afstaan.
Ieder, die Rotspelikanen in de nabijheid van hunne broedplaatsen heeft waargenomen, begrijpt dat zij guanolagen kunnen doen ontstaan. Hunne zwermen verduisteren het zonlicht; het geschreeuw bij hunne broedkoloniën is oorverdoovend. Zij vertoeven er van het einde van April tot omstreeks October. De nesten zijn zoo dicht naast elkander gebouwd, dat er op vele plaatsen geen ruimte om te gaan tusschen overblijft.
Het nest is een onordelijk opeengestapelde hoop zeeplanten. De eerstaangekomen Vogels bouwen het zeer groot, de latere klein, omdat zij tevreden moeten zijn met de overschietende ruimte. Ieder wijfje legt slechts één betrekkelijk klein, door een kalkkorst omgeven ei, dat er aanvankelijk wit uitziet, maar gedurende het broeden door de werking van het nestmateriaal een vuil geelbruine kleur aanneemt. Op St. Kilda wordt ieder jaar een ware slachting onder de jonge Vogels aangericht. De buit wordt van de rotsen naar beneden in zee geworpen en daar in booten gepakt; op de Edinburgsche markt zijn steeds koopers voor dit wild te vinden.
De familie der Pelikaanvogels (Pelecanidae) bestaat uit de grootste en meest in ’t oog loopende leden van de orde; zij zijn vooral gekenmerkt door den kolossalen, als totebel dienstdoenden snavel; deze bestaat uit een door de onderkaak gevormden keelzak, waarop de bovensnavel als een deksel past. Het deksel is zeer lang, geheel en al vlak en van den wortel tot bij de spits nagenoeg overal even breed, hier echter afgerond; de snavelrug strekt zich als een duidelijk zichtbare kiel over den geheelen snavel uit en vormt aan de spits een klauwvormigen, dikken haak. Aan de binnen- of onderzijde van het deksel, aan het gehemelte, bevinden zich scherpe, fijne dwarslijstjes en aan weerskanten een scherpkantige, dubbele, overlangsche lijst, in welker tusschenruimte het raam van den keelzak komt te liggen. Dit raam wordt gevormd door de zeer zwakke, dunne, lage, buigzame onderkaakshelften, die aan de spits samenkomen; het steunt den rand van den buitengewoon wijden, opmerkelijk rekbaren, vliezigen keelzak. Het mannetje en het wijfje zijn gelijk van kleur, de jongen en de ouden echter zeer verschillend.

Pelikaan (Pelecanus onocrotalus). 1⁄7 v. d. ware grootte.
De Pelikanen komen in alle werelddeelen voor en hebben een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied; zij bewonen den warmen aardgordel en de naburige gedeelten van de beide gematigde zonen.
De algemeenste en meest verbreide van de 6 soorten dezer familie is de Pelikaan of Kropgans (Pelecanus onocrotalus), met zijne verwanten de grootste van alle zwemvogels. De kop prijkt met een kuif, die uit lange, rondachtige veeren bestaat. Het vederenkleed is bij den volwassen Vogel wit met rozeroode tint; de handpennen zijn echter bruin, de voorborst is geel. Het oog is hoogrood, de naakte plek er omheen geel, de snavel grijsachtig met roode en gele stippels, de keelzak blauwachtig geel geaderd, de voet licht vleeschkleurig. De kleur van den mantel der jongen is een mengeling van bruin en grauw; de onderzijde is aschgrauw. De lengte kan bij het wijfje 140, bij het mannetje 180 cM. bedragen, maar loopt zeer uiteen.
Van Zuid-Hongarije af is de Pelikaan over het grootste deel van Afrika en Zuid-Azië verbreid. In Zuid-Europa komt hij tegen het einde van April of in het begin van Mei op zijne broedplaatsen en verlaat het land weer in October. Na den broedtijd zwerft hij rond en overschrijdt dan soms de grenzen van zijn gebied; zelfs midden in Duitschland heeft men hem aangetroffen. Aan het Boden-meer heeft zich eens een troep van 130 stuks vertoond.
Het aantal der vischetende Vogels, die op de Egyptische meren en op die van Noord-Afrika in ’t algemeen voedsel vinden, is zoo onbeschrijfelijk groot, dat iemand, die deze gewesten niet kent, er onmogelijk een juiste voorstelling van kan verkrijgen. Bij de strandmeren van Egypte, op het door den Nijl overstroomde land, verder zuidwaarts bij den Witten en den Blauwen Nijl en de daarmede verbondene meren; voorts op de Roode Zee ziet men soms zulke ontzaglijke Pelikanenzwermen, dat het niet mogelijk is er een van te overzien. Zij bedekken in den letterlijken zin van ’t woord een oppervlakte van verscheidene vierkante KM., drijven als reusachtige waterleliën op de meren of omzoomen als een langen, witten muur het strand en de eilanden, terwijl zij zich door de zon laten verwarmen of hun vederenkleed in orde brengen. Op de kleine eilanden, waar deze Vogels neergestreken zijn om te slapen; bedekken zij alle boomen zoo dicht, dat deze, op een afstand gezien, niets anders schijnen te dragen dan groote, witte bloemen, die de groene bladeren geheel verbergen. Vluchten van 10 à 12 stuks zijn zeldzaam, troepen van honderden en duizenden gewone verschijnselen. Als de lente nadert, verdeelen deze zwermen zich eenigzins, omdat dan vele van de Vogels, die gedurende den winter vereenigd waren, naar het zuiden van Europa trekken om daar te broeden en zij, die in Egypte of andere landen van Noord-Afrika blijven, geen broedplaatsen vinden, waar zij alle gezamenlijk kunnen nestelen; ook dan nog ziet men talrijke troepen, die echter uit jonge Vogels bestaan.
De Pelikanen maken geen onderscheid tusschen zoet en zout, maar wel tusschen diep en ondiep water. Door het luchtkussen onder hun huid missen zij het vermogen om hun lichaam onder water te brengen; zij liggen als een kurk aan de oppervlakte en houden zich daarom uitsluitend op in water van zulk een diepte, dat zij het met hun hals en totebel-snavel kunnen uitvisschen. Te dien einde vereenigen zij zich op de ondiepe gedeelten van het water, verspreiden zich in een zekere orde over een uitgestrekte ruimte en visschen nu, hoe langer hoe meer opeendringend, het tusschen hen liggende water leeg. Op de meren en de ondiepe gedeelten van de zee scharen zij zich in een groote, halvemaanvormige reeks en roeien naar het strand; ook groepeeren zij zich wel in een kring, die langzamerhand verkleind wordt; op smalle rivieren of kanalen verdeelen zij zich in twee troepen, die ieder een aaneengesloten reeks vormen, beide reeksen zwemmen naar elkander toe en visschen op deze wijze een bepaald deel van ’t water schoon leeg. Hun totebel-snavel is uitnemend geschikt voor het vangen en vasthouden van den buit. In den regel eten de Pelikanen niets anders dan Visschen; soms vangen zij echter ook andere Gewervelde Dieren. Jonge zwemvogels, die zich in hun nabijheid wagen, loopen steeds gevaar; het inslikken van halfvolwassen Eenden kost hun geen moeite. Hun slokdarm is zoo wijd, dat een mansvuist er met gemak doorheen gestoken kan worden; meer dan eens heeft men gevangen Pelikanen met de hand Visschen uit de maag genomen.
Hun gang gaat gepaard met een tamelijk rechtstandige houding van den romp en is langzaam en waggelend, hoewel eigenlijk niet plomp; soms doen zij betrekkelijk lange wandelingen te voet; ook in de boomkronen weten zij zich zeer goed te bewegen. Als er boomen in de nabijheid zijn, zoeken zij deze in den regel op, om in de kroon te rusten, zich door de zon te laten koesteren of hunne veeren in orde te brengen. Zij zwemmen zonder merkbare inspanning, snel en langen tijd achtereen. Hun wijze van vliegen is prachtig. Vermoedelijk zijn hunne zintuigen niet minder scherp dan die van de overige Roeivoetigen; hunne verstandelijke vermogens schijnen grooter te zijn dan die van hunne verwanten. Op plaatsen, waar zij de menschen niet vertrouwen, gedragen zij zich buitengewoon voorzichtig, op andere plaatsen daarentegen zijn zij zoo argeloos als tamme Vogels; in de havensteden van het zuidelijke gedeelte der Roode Zee b.v. zwemmen zij onbezorgd rond tusschen de schepen en laten zich door de schippers voederen, gelijk onze Zwanen door de wandelaars. Zij letten echter op iedere poging tot vervolging en onderscheiden een mensch, die hen eens bedreigd heeft, zonder fout van alle overigen. De gevangen Vogels kunnen merkwaardig tam worden en geraken zonder opzettelijke africhting aan het vrij uit- en invliegen gewoon. Een tamme Pelikaan, die te Sao Paulo de Loanda vrij rondliep, mengde zich ’s avonds gaarne onder de menschen, die voor hun vermaak wandelden en luisterde schijnbaar met genoegen naar de muziek.
De Pelikanen hebben een geregelde dagverdeeling. De vroege morgenuren worden voor de jacht gebruikt. Tegen 10 uur in den voormiddag hebben alle zich verzadigd en begeven zich nu naar een voor hen bijzonder aanlokkelijke zandplaat of boomgroep, om hier uit te rusten, hun spijs te verteren en tevens hunne veeren te ordenen en op nieuw in te smeren. Tot tegen den middag komen voortdurend nog Vogels aanvliegen; van minuut tot minuut wordt het gezelschap dus talrijker. Des namiddags tusschen 3 en 4 uur begint het weer af te nemen; bij troepen te gelijk gaan de Vogels nogmaals visschen. Deze tweede jachttocht duurt tot zonsondergang; daarna begeven alle zich naar hun slaapplaats.
In Zuid-Europa zijn de broedkoloniën der Pelikanen in moerassen en meren gevestigd. „Deze plaatsen zijn uiterst moeielijk te bereiken,” zegt Graaf Von der Mühle; „op de hier voorkomende drijvende eilanden bevinden zich dicht opeengedrongen de meestal natte of vochtige nesten, die door het neertrappen van riet en biezen op lompe wijze vervaardigd zijn. De geheele omtrek is bedekt met hunne vloeibare, witte uitwerpselen; deze en de talrijke Visschen, die bij het voederen van de jongen verloren gingen en nu verrotten, verbreiden in dit warme jaargetijde een walgingwekkenden, onverdraaglijken, verpestenden stank.” Het nest moet voor het broeden 3 à 5 betrekkelijk kleine eieren bevatten; de blauwachtig witte eischaal is altijd met een dikke kalklaag bedekt. De jongen, die na een broedtijd van 38 dagen het ei verlaten, komen in een grijs donskleed ter wereld, zien er zeer onnoozel uit, maken groot misbaar met hun heesche en sjirpende stem en zijn in alle opzichten leelijke schepsels.
De jager, die bij de slaap- of rustplaatsen van de Pelikanen post vat, kan zonder veel moeite zoovele van deze Vogels dooden, als hij wil; zij hebben reeds aan eene lading fijne hagel genoeg.
Beter dan eenige andere zeevogel kan de Fregatvogel (Atagen aquila) met een Arend vergeleken worden. De door hem vertegenwoordigde familie der Fregatvogels (Atagenidae) kenmerkt zich door den slanken romp, den krachtigen hals, een middelmatig grooten kop met een snavel, die anderhalf maal zoo lang is en van voren in een haakvormig naar beneden gebogen spits uitloopt, door den zeer korten, krachtigen voet met bevederden loop en lange teenen, waarvan drie naar voren gericht en door zeer diep uitgesneden zwemvliezen verbonden zijn (ook de achterteen is door een vlies, dat echter zeer smal is, aan den binnensten voorteen gehecht; elke teen is met een scherp gebogen, puntigen klauw gewapend), door de buitengewoon lange en scherpe vleugels en den zeer langen en diep gegaffelden staart. Het geraamte is buitengewoon licht, het luchtzakkenstelsel zeer uitgestrekt; opmerking verdient een vliezigen keelzak, die willekeurig met lucht gevuld en geledigd kan worden.
Het vederenkleed van het volwassen mannetje is bruinachtig zwart met metaalachtig groenen en purperen weerschijn op den kop, den nek, den rug, de borst en de zijden, grijsachtig getint op de vleugels, bruinachtig op de bovenarmpennen en staartveeren. Het oog is donkerbruin, dikwijls grijsbruin, omgeven door een purperblauwe, naakte plek; de snavel is lichtblauw aan den wortel, wit in het midden en donker hoornkleurig aan de spits; de keelzak is oranjerood, de voet aan de bovenzijde licht karmijnrood, aan de onderzijde oranjekleurig. Hoewel de totale lengte van dezen Vogel 103, zijn vlucht 230, de lengte van den vleugel 65, die van den staart 47 cM. bedraagt, weegt hij toch slechts weinig meer dan 1.5 KG.
De Fregatvogel bewoont den oceaan tusschen de keerkringen. Hoewel men hem op een afstand van 200 à 400 zeemijlen van het naastbijgelegen land aangetroffen heeft, verwijdert hij zich gewoonlijk niet verder dan 15 of 20 zeemijlen van de kust, die hij geregeld, vooral bij ongunstige weersgesteldheid, weer opzoekt. Als de morgen aanbreekt, verlaat hij zijn slaapplaats en trekt, nu eens onder het beschrijven van kringen boven in de lucht, dan weer in den wind op vliegend, naar zee, vischt hier, tot hij verzadigd is en keert met gevulden maag en slokdarm naar het land terug; wanneer er een storm in aantocht is, doet hij dit reeds in den voormiddag, anders eerst in de namiddaguren.
Audubon is, evenals andere waarnemers, geneigd, om den Fregatvogel voor den snelst vliegenden zeevogel te houden. De Zeezwaluwen en de Meeuwen, hoe behendig zij ook zijn, worden door hem zonder moeite ingehaald. „De Havik, de Slechtvalk en de Giervalk, die ik voor de snelste Valken houd, moeten hun prooi wel over een afstand van 800 M. vervolgen, voordat zij haar kunnen grijpen: de Fregatvogel daarentegen, wiens scherpzichtige oogen een wijden kring beheerschen, schiet van een groote hoogte bliksemsnel neer op den Vogel, die zoo even het geluk had een Visch te vangen, snijdt hem iederen uitweg af en dwingt hem den reeds verzwolgen buit weer uit te spuwen.” Onder het vliegen geeft hij voortdurend acht op de bewegingen der roofvisschen en Dolfijnen, stort zich, zoodra de door hen vervolgde Vliegende Visschen boven het water opgestegen zijn, te midden van deze, vangt er één in de vlucht of schiet den in ’t water teruggekeerden buit nog in de diepte achterna. Indien hij zijn prooi niet op de meest doelmatige wijze met den snavel gegrepen heeft, laat hij haar weer los, achterhaalt haar onder ’t vallen, nog voordat zij het water bereikt heeft en tracht haar dan op een betere wijze te vatten. Dit geschiedt soms twee- of driemaal achtereen. Niet zelden vliegen de Fregatvogels uren lang in hooge luchtlagen rond, even vlug en vaardig als Gieren en Arenden, waaraan zij trouwens ook in vele andere opzichten herinneren. Soms jagen zij elkander spelenderwijs na, en maken dan de verwonderlijkste draaiingen en zwenkingen; alleen wanneer zij zich in een bepaalde richting voortspoeden, slaan zij langzaam met de vleugels. Op den vasten grond kunnen zij zich niet redden; op het water schijnen zij niet veel bekwamer te zijn; men heeft ze althans nog nooit zien zwemmen. Van het dek van een schip kunnen zij niet opvliegen; op een vlakken, zandigen oever zijn zij verloren, wanneer een vijand hen bedreigt. Daarom kiezen zij tot rustplaats geen andere boomen dan die, welke een voldoende speelruimte voor het wegvliegen aanbieden.

Fregatvogel (Atagen aquila) ⅕ v. d. ware grootte.
Alle zintuigen van den Fregatvogel zijn zeer goed ontwikkeld, vooral zijn gezicht is uitmuntend. Op een groote hoogte kan hij, naar men zegt, zeer kleine vischjes, die dicht bij den waterspiegel zwemmen, goed onderscheiden en dus een uitgebreid gebied volkomen beheerschen. Een eigenaardigen indruk schijnen heldere kleuren op hem te maken. A. von Chamisso verhaalt, dat Fregatvogels op de bonte wimpels van zijn schip als op een buit toeschoten; een dergelijk feit werd ook door Bennett herhaaldelijk opgemerkt. Woedend stellen zij zich te weer, als zij aangevallen worden; zelfs tegen sterke Honden weten zij met goed gevolg hun leven te verdedigen.
Vliegende Visschen maken, naar het schijnt, het voornaamste voedsel van den Fregatvogel uit, hoewel hij vermoedelijk geen der overige kleine Gewervelde Dieren zal versmaden.

Keerkringvogel (Phaëton aethereus). ⅓ v. d. ware grootte.
In de noordelijkste gedeelten van hun verbreidingsgebied beginnen de Fregatvogels omstreeks het midden van Mei hun nest te bouwen; op de als broedplaatsen dienende eilanden, die telkens weer voor dit doel worden gebruikt, zijn alle geschikte plaatsen bezet; soms zijn hier 500 of meer paren verzameld. De nesten worden bij voorkeur gebouwd op boomen, welker takken zich boven ’t water uitstrekken, gewoonlijk aan de naar ’t water gekeerde zijde, enkele laag, andere boven in de kroon, niet zelden vele op denzelfden boom. Het nest bevat 2 of 3 eieren met dikke schaal, van groenachtig witte kleur. De jongen, die er aanvankelijk uitzien, alsof zij geen pooten hebben, komen in een geelachtig wit donskleed ter wereld en blijven zeer lang in het nest, daar voor de ontwikkeling van hunne vliegwerktuigen een geruimen tijd wordt vereischt.
Gevangen Fregatvogels komen nu en dan in diergaarden voor en kunnen bij behoorlijke verzorging jaren lang in de kooi leven.
„Zoon van de zon” noemde Linnaeus een Vogel, die voor den zeeman een kenteeken is, dat zijn vaartuig den heeten aardgordel bereikt heeft; daar men ze uiterst zelden in de gematigde zone ontmoet. Toch zijn soms enkele exemplaren van deze Keerkringvogels tot onze breedten afgedwaald, o.a. naar de buurt van Helgoland; zij zijn hier echter zeldzame uitzonderingen.
De Keerkringvogels (Phaëtornidae), waarvan men drie soorten onderscheidt, vormen een afzonderlijke familie; hare kenmerken zijn: een ineengedrongen lichaam van geringe grootte; de snavel is zoo lang als de kop, zijdelings samengedrukt, langs den rug flauw gebogen, spits, aan de zijranden fijn getand, met nauwelijks merkbaren haak; de binnenteen of eerste teen is naar achteren gericht en met den tweeden, den binnensten voorteen, slechts door een smal vlies verbonden; de vleugels zijn lang; de staart bestaat uit 12 of 14 pennen, waarvan de beide middelste sterk verlengd zijn en bijna geen vlag hebben; hieraan danken zij den Franschen naam „Paille-en-queue”; de bekleedingsveeren vormen een dicht kleed, dat met teere kleuren prijkt.
De meest bekende en verst verbreide soort is de Keerkringvogel (Phaëton aethereus). De kleine veeren zijn wit met rozeroodachtige tint; een breede, naar achteren smaller wordende teugelstreep is zwart; de mantel, de rug en de staartwortel zijn door den zwarten eindzoom der veeren met golflijnen geteekend; de handpennen hebben een zwarte buitenvlag, de achterste armpennen een zwarten en witten zoom; de staartpennen zijn wit en hebben witte schaften, met uitzondering van de beide middelste, welker schaft aan den wortel zwart is. Het oog is bruin, de snavel koraalrood, de voet geel, met uitzondering van de zwarte zwemvliezen en teenen. De lengte van den Vogel bedraagt ongeveer 1 M., met inbegrip van de beide middelste staartveeren, die 50 à 75 cM. lang zijn en in ’t laatstgenoemde geval 60 cM. voorbij de stuurpennen uitsteken.
In alle zeeën van den tropischen aardgordel treft men Keerkringvogels aan. Het verbreidingsgebied van de bovengenoemde soort—waarop alle volgende mededeelingen toepasselijk geacht kunnen worden—strekt zich tusschen de aangewezen grenzen uit over den Atlantischen, Indischen en Grooten Oceaan. Zooals reeds gezegd werd, dwaalt hij soms naar den gematigden gordel af.
Gewoonlijk ziet men de Keerkringvogels over dag en in de nabijheid van de kust rondzwerven; Lesson zag hen echter in stille nachten bij lichte maan even rusteloos rondvliegen als over dag; Bennett ontmoette ze op een afstand van 1000 zeemijlen van de kust. Over ’t algemeen rekenen de zeelieden er op, dat de tochten van deze Vogels zich over een afstand van 300 zeemijlen uitstrekken.
Alle reizigers, die den Keerkringvogel nauwkeurig nagegaan hebben, zijn vol bewondering over hun schoonheid en bevalligheid. De eerste indruk, dien hij maakt, is, volgens Tschudi, volstrekt niet die van een zeevogel; men meent een landbewoner voor zich te zien, die naar de onafzienbare, eenzame vlakten van den Oceaan is afgedwaald. „De Keerkringvogels,” zegt Bennett, „behooren zonder eenigen twijfel tot de schoonste Vogels van den Oceaan; vooral wanneer de zonnestralen door hun prachtig vederenkleed weerkaatst worden, wekken zij ieders bewondering. Zij zijn even lieftallig van aard als bevallig van bewegingen; het is een lust hen gade te slaan, terwijl zij in de lucht dartelen. Schepen schijnen dikwijls hun aandacht te trekken; zij komen nader, vliegen om het vaartuig heen, dalen uit de bovenste luchtlagen volgens schroeflijnen al lager en lager af en blijven een tijdlang op een geringe hoogte boven het vaartuig „staan”; soms, ofschoon zeer zelden, gaan zij op de ra zitten. Als zij niet gestoord worden, begeleiden zij op deze wijze het schip dagen lang, tot het eindelijk het door hen bewoonde gebied overschrijdt, of een andere reden hen den terugtocht doet aanvaarden. In haar vollen omvang toonen zij hun geschiktheid tot beweging bij ’t visschen. Evenals de groote soorten van Zeezwaluwen blijven zij boven een bepaalde plek in de lucht „staan”, bespieden aandachtig het watervlak onder hen en storten zich vervolgens plotseling met tegen het lichaam aanliggende vleugels in bijna loodrechte richting op het water neer. Dit geschiedt met zulk een kracht, dat zij steeds onder de oppervlakte verdwijnen, een voet diep inzinken en met vleugels en pooten krachtig arbeiden moeten om weer boven te komen.” Hun voedsel bestaat uitsluitend uit Visschen en andere in de bovenste waterlaag zwemmende zeedieren.
De broedtijd schijnt te verschillen in verband met de ligging van de eilanden, waarop zij broeden. Men heeft opgemerkt, dat in oorden, waar men hen nog niet verontrustte, het ei eenvoudig op den grond, meestal onder struiken, wordt gelegd; op eilanden, die door den mensch bezocht worden, is hun broedplaats steeds een holte of spleet in de klippen. Het wijfje legt slechts één betrekkelijk groot ei; dit heeft een glanslooze schaal en is op licht grijsachtig leemkleurigen, grijsachtig rozerooden of grijsachtig paarsen grond met donkerpaarse ondervlekken benevens omberkleurige of roestbruine bovenvlekken en stippels, ook wel met zwartachtige krullen, soms kranswijze, geteekend. De jongen gelijken, naar Bennett zegt, meer op een poudre-de-riz-kwast dan op een Vogel, zijn bolrond en dicht bedekt met teere donsveeren, die op de bovendeelen een aschgrauwe, op het voorhoofd en de onderdeelen een sneeuwwitte kleur hebben. In het derde jaar verschijnt de rozeroode tint en ontwikkelen zich de lange staartveeren. De bewoners van de Vriendschaps-eilanden en van andere archipels in den Grooten Oceaan gebruiken deze veeren als pronk en zijn zeer op haar bezit gesteld. Om ze te verkrijgen wachten zij den broedtijd van den Keerkringvogel af, vangen hem, terwijl hij op zijn nest zit, trekken hem de veeren uit en laten hem weer vliegen. Op dezelfde wijze handelen de Europeanen op Mauritius.
De Duikers hebben een langwerpigen, maar toch krachtigen romp, die, vooral bij de Fuuten (en het meest aan de buikzijde), opmerkelijk breed en plat is. Voorts kenmerken hen de ver achterwaarts geplaatste, korte pooten (het onderbeen is bijna geheel onder de huid van den romp verborgen), waardoor het staan en gaan zeer bemoeilijkt, het zwemmen daarentegen zeer bevorderd wordt. Bij het staan laten zij dikwijls den geheelen loop op den grond rusten en heeft de romp een nagenoeg verticale richting. Zij hebben kleine, d.w.z. korte, smalle en spitse vleugels en een dicht aanliggend vederenkleed, dat wel goed gevuld, maar tevens hard en glad is. De bevedering strekt zich uit tot aan het spronggewricht; de loop is kort en zijdelings sterk samengedrukt; hij draagt 4 teenen, waarbij drie zeer lange, die naar voren zijn gericht en één zeer korte, die achterwaarts gekeerd en hoog aangehecht is. De voorteenen zijn door volslagen zwemvliezen vereenigd, of omzoomd door een breede „zwemlob”; de buitenste voorteen is de langste; de achterteen heeft een vliezigen zoom. De staartpennen zijn zeer kort of ontbreken geheel.
De Zoetwaterduikers, Fuuten of Zwemlobduikers (Colymbidae) hebben een langen en tamelijk dunnen hals, een kleinen, langen en lagen kop, een langwerpig kegelvormigen, zijdelings samengedrukten snavel met ingetrokkene, zeer scherpe zijranden, waarvan de onderste een weinig in de bovenste ingrijpt. De voeten zijn geheel aan ’t einde van den romp geplaatst en hebben een zeer eigenaardige samenstelling: alle voorteenen zijn van den wortel tot aan het eerste gewricht door een spanvlies verbonden, van hier te beginnen wel is waar gescheiden, maar aan weerszijden voorzien met een breeden, niet gelobden, van voren afgeronden zoom (zwemlob), waarop de breede, platte nagels liggen. Een staart ontbreekt geheel; zijn plaats wordt ingenomen door een pluimpje van losbaardige veeren. In het bruiloftskleed is de kop van den ouden Vogel prachtig versierd met een breeden kraag of bovendien met een in twee deelen gesplitste pluim, die zich in den regel door een meer sprekende kleur van de overige veeren onderscheidt.
De Zoetwaterduikers zijn bewoners van den gematigden aardgordel, hun verbreidingsgebied strekt zich niet ver naar ’t noorden en evenmin ver naar ’t zuiden uit; zij houden zich op in stilstaand, bij uitzondering ook wel in langzaam stroomend water, welks oevers met riet en zeggen begroeid zijn, en begeven zich slechts in enkele gevallen voor korten tijd naar de zee. „De Fuuten,” zegt Naumann, „gaan slechts in den hoogsten nood aan land, en blijven ook dan nog dicht bij het water, om zich dadelijk te water te kunnen begeven, wanneer zij overrompeld worden. Hun leven bestaat uit zwemmen en duiken. Andere Zwemvogels zoeken om zich te ontspannen, om te rusten en zich door de zon te laten koesteren, een plekje aan den oever of elders op, waar zij vasten grond onder de voeten hebben; de Fuuten blijven op den waterspiegel en bereiken hier hetzelfde doel. Als zij geheel in rust verkeeren, ligt hun romp zoo weinig ingezonken op den waterspiegel als een stuk kurk; de pooten worden naar voren opgeheven en op de draagveeren langs de vleugels gelegd; de snavel wordt tusschen den rug en schouderveeren gestoken. Zoo rusten en slapen zij bij stil weer op onbewogen water, gewoonlijk ver van het land. Wanneer het water niet geheel in rust is, ontkomen zij aan het gevaar van naar den oever af te drijven, door de pooten in ’t water te laten hangen; vermoedelijk blijven zij dan door zeer eigenaardige bewegingen van hunne roeiwerktuigen op dezelfde plaats. Onder water zwemmen zij zoo snel, dat een langs den oever loopend mensch hen niet kan bijhouden. Zij strekken in dit geval het geheele lichaam en roeien met de voeten zoo hard zij kunnen. Een lichte ruk brengt hen onder den waterspiegel, een stoot in bovenwaartsche richting er weer op. Het zwemmen is hun mogelijk bij elke houding van het lichaam, terwijl dit intusschen willekeurig diep ingedompeld kan zijn.
Zoo gemakkelijk het hun valt, zich zwemmend te bewegen, zooveel moeite kost het hun, op den vasten wal te staan of te gaan. Zij nemen hierbij een zeer zonderlinge houding aan en zien er dan zeer vreemd uit. Van den vasten wal kunnen zij niet opvliegen, wel na een langen aanloop van den waterspiegel af. De lange hals en de kop worden dan naar voren, de breede voeten rechtuit naar achteren gestrekt en de vleugels zeer snel, fladderend bewogen.
Waarschijnlijk zijn hunne zintuigen weinig minder ontwikkeld dan die van andere zwemvogels en hunne verstandelijke vermogens hieraan geëvenredigd. Altijd zijn zij wantrouwig, schuw en listig; wel leeren zij langzamerhand ongevaarlijke menschen en dieren van gevaarlijke vijanden onderscheiden, maar toch gaan zij met gene ongaarne een inniger betrekking aan, leven, om kort te gaan, steeds op zich zelf, bij paren of hoogstens familiesgewijs, zonder zich om andere wezens meer dan noodig is, te bekommeren.
Vischjes, Insecten, kleine Kikvorschen en kikvorschlarven maken hun voedsel uit. Zij halen hun buit uit de diepte, maar verslinden haar eerst, nadat zij weer bovengekomen zijn.
Het mannetje en het wijfje zijn innig aan elkander gehecht, trekken gezamenlijk en keeren met elkander terug naar den plas, die hun in ’t vorig jaar een woonplaats verschafte. Hier bouwen zij een drijvend nest, verschillend van dat van alle andere Vogels, doordat het niet uit droge, maar uit natte stoffen is samengesteld, zoodat de eieren steeds in de vochtigheid, ten deele zelfs in het water moeten liggen. De neststoffen worden van den bodem opgedoken, aan eenige oude riethalmen bevestigd en op een hoogst slordige wijze opeengestapeld, zoodat het geheel meer een bijeengedreven hoop ruigte dan op een nest gelijkt.
Het aantal eieren bedraagt 3 à 6; deze zijn middelmatig groot en langwerpig van vorm; hun dikke, oneffene schaal is met een wit kalkkorstje bedekt, doch heeft overigens een groenachtig witte kleur, die echter spoedig door het vuil van het nest in geelroodachtig of olijfkleurig bruin veranderd en soms gemarmerd wordt. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten; het wijfje zit over ’t geheel genomen langer op ’t nest dan het mannetje, dat, terwijl zijn gade broedt, in de nabijheid rondzwemt. Als beide het nest verlaten, halen zij vooraf steeds een hoop half vergane waterplanten van den bodem en bedekken hiermede de eieren. Na een broedtijd van ongeveer 3 weken komen de jongen ter wereld, ook uit die eieren, welke gedurende het broeden grootendeels in ’t water liggen. Onmiddellijk begeven de jongen zich in hun element; reeds op den eersten levensdag blijkt hun bedrevenheid in de zwemkunst; binnen weinige dagen leeren zij ook duiken. Aanvankelijk nemen hunne ouders hen bij dreigend gevaar onder de vleugels mede naar de diepte; niet zelden worden de jongen ook bij ’t vliegen, tusschen de borstveeren verborgen, meegedragen. Hun nest betreden de kuikentjes zelden weer; gelegenheid om uit te rusten vinden zij op vaders of moeders rug, dien zij ook als slaapplaats gebruiken. Het zou hun niet licht gelukken op dezen warmen en zachten zetel te klimmen, maar ook hiervoor weten de liefderijke ouders raad. Zij geven aan hunne kinderen een teeken om zich zwemmend dicht tegen elkander te dringen, duiken en komen onder de jongen weer boven, zoodat deze op hun rug komen te zitten. Op een dergelijke wijze ontdoen zij zich van hun last, als deze hun hinderlijk wordt, of liever, wanneer een gevaar allen bedreigt. In een kleinen vijver of in een doelmatig ingerichte kooi, waarin zich altijd een grooten waterbak moet bevinden, kunnen de gevangen Fuuten gemakkelijk in ’t leven worden gehouden; natuurlijk moet men hun een voldoende hoeveelheid Visschen en Insecten verschaffen. De grootste soorten behelpen zich met Visschen, zonder meer; de kleinere hebben bovendien ook Insecten noodig. Hun voortdurend onderduiken en weer opstijgen, de verschillende houdingen, die zij aannemen, de argelooze gemeenzaamheid, die zij toonen, doen hun ieders genegenheid winnen.
Het statigste lid van het eenige geslacht der Zoetwaterduikers is de Fuut, ook wel Zandreiger, Lumme, Zanddrijver, Pronkvogel, Certijnduiker, Satijnduiker, in Noordbrabant Keizer, in Friesland Kroonduiker en Groote Aalduiker, in ’t Friesch Haerringslynder genoemd (Colymbus cristatus). In ’t bruiloftskleed draagt de kop een van boven in twee hoornen gesplitste pluim en een uit prachtige, lange, losbaardige veeren samengestelden kraag, die de zijde van den kop en de keel omgeeft. De bovendeelen zijn glanzig zwartbruin, een spiegel op den vleugel, de wangstreek en de keel zijn wit; de kraag is roestrood, aan den rand zwartbruin; de onderdeelen zijn wit met zijdeachtigen glans, in de flanken met roestkleurige en grijsachtig zwarte vlekken. Het oog is karmijnrood, de teugel rood, de snavel lichtrood, de voet aan de buitenzijde donker hoornkleurig, aan de binnenzijde vuilgeelachtig wit. In het winterkleed zijn de pluim en de kraag nog niet tot ontwikkeling gekomen; op de bovendeelen is het zwartbruin met donkergrijs gemengd; het roestrood van den kraag en het roestbruin van de zijden is doffer. Totale lengte 95, vlucht 64, vleugellengte 18 cM.
In alle Europeesche landen, die bezuiden 60° NB. liggen, vindt men den Fuut in alle voor hem geschikte meren en andere binnenwateren. Bij ons is deze soort door de vervolgingen, die zij te verduren had, veel minder talrijk geworden dan voorheen; in Duitschland is zij niet zeldzaam, op de meren van Zuid-Europa overvloedig. In Noordwest-Afrika komt zij eveneens nog geregeld voor; in Egypte ontmoet men haar in kleinen getale en zelden. Even veelvuldig als Europa bewoont zij Middel-Azië en Noord-Amerika, trekt van Siberië naar het zuiden van China en Japan en in Noord-Amerika naar het zuiden van de Vereenigde Staten.

Fuut (Colymbus cristatus). ¼ v. d. ware grootte.
De Fuut houdt zich hier te lande op van April tot September; sommige exemplaren overwinteren aan de kust. Des zomers houdt hij verblijf op groote plassen of meren, die gedeeltelijk met riet en andere moerasplanten begroeid zijn, bij voorkeur op een watervlakte van tamelijk groote uitgestrektheid, zoodat hij te midden van deze beveiligd is tegen een schot. Meer nog dan zijne kleinere verwanten is hij aan ’t water gehecht, omdat het staan en het gaan hem meer moeite kosten. Geen hunner is bekwamer in ’t zwemmen en duiken; zijn volharding vergoedt, wat hem aan behendigheid ontbreekt. Naumann heeft waargenomen, dat hij onder water een afstand van meer dan 60 M. in een halve minuut aflegt. Zijn vlucht is betrekkelijk snel, geschiedt volgens een rechte lijn en veroorzaakt een hoorbaar gedruisch. Boven alle leden zijner familie munt hij uit door voorzichtigheid en schuwheid. Overal waar hij zich niet geheel veilig acht, blijft hij in ’t open water, liefst op een paar honderd schreden afstands van den oever, om door niets verhinderd te zijn in ’t rondkijken en ieder gevaar van verre te kunnen ontdekken. In den voortplantingstijd nadert hij het riet aan den oever slechts dan, als er geen menschen in de nabijheid zijn. Wanneer hij hier overrompeld wordt, verschuilt hij zich soms in het riet, maar verlaat dit, zoodra er kans bestaat om onder water door naar de open ruimte terug te keeren, waar hij dikwijls alleen met den kop boven water komt, om daarna opnieuw te duiken en verder te zwemmen, totdat hij zich veilig acht. Men ziet hem nooit of nooit lang achtereen in het gezelschap van andere Vogels; gedurende den broedtijd wil hij zelfs met zijne soortgenooten niets te maken hebben. Als verscheidene paren in een plas nestelen, handhaaft ieder paar zich streng in zijn gebied en duldt hier geen ander.
De krachtige, ver hoorbare stem van den Fuut biedt veel verscheidenheid aan. Het dikwijls herhaalde geluid „kökökök” dient voor het gewone verkeer tusschen beide seksen; de luide klank „kraor” of „kroeor” vervangt als ’t ware het gezang van andere Vogels, en wordt daarom hoofdzakelijk gedurende den paartijd vernomen; dit geluid klinkt, alsof het door den waterspiegel versterkt en verder voortgeplant wordt, zoodat men het onder den wind op een afstand van een uur gaans kan hooren. In de nabijheid van het nest schreeuwen de Fuuten trouwens niet of slechts zelden: schranderheid en vrees verbieden hen hier veel leven te maken. Het nest wordt in de nabijheid van riet, zeggen of biezen steeds dicht bij het open water en op grooten afstand van den vasten wal, dikwijls geheel vrij in het water gebouwd en daarna aan eenige halmen bevestigd. Het is ongeveer 30 cM. breed en 15 cM. hoog. De holte is zeer ondiep en ontstaat, naar ’t schijnt, langzamerhand door de drukking van den daarop rustenden Vogel. Het geheel gelijkt zoozeer op een toevallig door den wind bijeengedreven hoop rottende plantendeelen, dat een ongeoefende het niet voor het nest van een Vogel zal houden. Men moet zich er over verwonderen, dat deze natte massa den tamelijk zwaren Vogel kan dragen en nog meer, dat zij niet omkantelt, als de Vogel er op of er af klimt. Het aantal eieren bedraagt vier, soms één meer, soms een minder; zij liggen half in het water, zijn aanvankelijk zuiver wit, maar nemen weldra een vuil leemgele kleur aan. Het mannetje en het wijfje broeden beurtelings zeer ijverig en toonen groote liefde voor hun gebroed. Tegen vliegende roovers, b.v. Kraaien, verdedigt het wijfje hare jongen met heldenmoed en niet zelden met succes, door uit het water op te springen en onder jammerlijk geschreeuw naar den vijand te happen en te steken.
De jongen worden door beide ouders gehoed; de vader neemt echter vooral de taak van schildwacht op zich. Aanvankelijk houden de ouders met den snavel hunne jongen kleine insectenlarven voor, later leggen zij deze voor hen op het water neer; zoodra de jongen 8 dagen oud zijn, krijgen zij onderricht in ’t duiken; de moeder legt een vischje voor hen neer; zoodra hare kinderen het willen grijpen, neemt zij het weer weg, duikt en noodigt de teleurgestelde kleintjes door den klank „kwoeang” uit haar te volgen.
In de vrije natuur voedt de Fuut zich bijna uitsluitend met Visschen, hoewel hij groote Insecten geenszins versmaadt. In vijvers, waar Visschen worden gekweekt, kan hij derhalve eenige schaden aanrichten, die echter daar, waar men groote Visschen houdt, van weinig beteekenis is en in ieder geval door het voordeel, dat de Vogel verschaft, wordt vergoed. Zijn vleesch is niet eetbaar, maar zijn rijk bevederde huid, bij de bontwerkers onder den Franschen naam „grêbes” bekend, wordt voor het vervaardigen van kragen en dergelijke artikelen zeer gezocht; hierdoor wordt de vervolging, die men den Fuut doet ondergaan, eenigermate verontschuldigd. Algerië voert ieder jaar 40.000 stuks van deze en dergelijke vogelhuiden uit, Siberië omstreeks 1½ millioen.
In een doelmatig ingerichte kooi, waarin een niet te kleine waterbak moet zijn, kan men den Fuut met kleine Visschen in ’t leven houden. Op een kleinen vijver in een tuin gevoelt hij zich weldra thuis, geraakt in weinige dagen aan zijn verzorger gewoon en wordt ten slotte zoo tam, dat hij komt, als men hem roept, en het voedsel, dat men hem toewerpt, aanneemt, zonder zich om de menschen te bekommeren.
De Roodhalsfuut (Colymbus griseigena) is kleiner dan de vorige soort (46 cM. lang, 80 cM. vlucht). De bovenkop, de nek en de achterhals zijn zwart met zwakken, groenachtigen glans; de kuif en de wangkraag zijn veel minder ontwikkeld dan bij de vorige soort; evenals de keel zijn zij aschgrauw, de veeren van de wangen met smallen, grijsachtig witten zoom; de hals is, van voren en aan de zijden helder kastanjebruinrood; op de grijsachtig zwarte bovendeelen vormen de lichtere vederzoomen een teekening; de onderdeelen zien er uit als witte atlas, met donkergrijsachtige schaftstrepen en vederranden in de flanken; de slagpennen zijn zwartachtig; de witte, binnenste armpennen vormen op den vleugel een smallen spiegel. Het oog is karmijnrood, de snavel aan den wortel oranjegeel, overigens zwart, de loop aan de buitenzijde zwartgroen, aan de binnenzijde groenachtig geel.
Deze soort bewoont alle noordelijke landen der aarde en broedt ook bij ons, maar is minder talrijk dan de vorige.
De Kuifduiker of Kleine Zanddrijver (Colymbus auritus) onderscheidt zich door zijn buitengewoon sterk ontwikkelden wangkraag. Deze is zwart met goudgroenen weerschijn, evenals de bovenkop, de achterhals en de bovendeelen. De breede teugelstreep is donker vuurrood, van boven door een zwavelgelen rand begrensd; de voorhals, de kropstreek en de zijden zijn helder bruinrood, de onderdeelen overigens wit als bij beide vorige soorten, de handpennen grijsbruinzwart met donkerbruine schaften, de armpennen van de tweede af zuiver wit. De snavel is zwart; de wortel van de onderkaak echter karmijnrood, evenals de oogen. De pooten zijn groenachtig, maar hebben vleeschkleurige zwemlobben. Lengte 33, vlucht 62 cM.
Deze soort is over den gematigden aardgordel verbreid; gedurende het winterhalfjaar vindt men haar in kleinen getale op onze kust. Een enkel paar werd broedend gevonden te Vlijmen (Noordbrabant).
De Geoorde Fuut (Colymbus nigricollis) is slechts weinig kleiner dan de Kuifduiker (lengte 33, vlucht 60 cM.); hij heeft een dunneren, eenigszins naar boven gekromden snavel. Een breede, bij het oog beginnende, de oorstreek bedekkende teugelstreep is helder goudgeel en neemt aan den boven- en onderrand een roodachtige tint aan. De overige deelen van den kop benevens de hals en de bovendeelen zijn zwart, de bovenborst en de zijden helder bruinrood, de borst en het midden van den buik atlas-wit, de handpennen, de binnenste armpennen en de bovenste vleugeldekveeren grijsachtig zwart, de 6e handpen aan het einde, iedere volgende ook verder bovenwaarts, wit gezoomd, de korte armpennen zuiver wit. Het oog is helder rood, de snavel zwartachtig groen, de voet grijsgroen.
Deze soort bewoont den gematigden gordel van de Oude Wereld. Een klein getal bezoekt ons in het voor- en najaar op den doortrek. Een enkel exemplaar blijft ’s winters aan de kust. Enkele paren werden broedend gevonden in Zuid-Holland en Noordbrabant (Albarda).
De algemeenste van onze Zoetwaterduikers is de Dodaars, Kleine Fuut of Kleine Duiker, bij Haarlem, Hagelzakje, in Friesland Kleine Aalduiker, in Limburg Duikertje genoemd (Colymbus fluviatilis). Bij dezen zijn de kopveeren slechts weinig zijwaarts verlengd en ontbreekt de witte spiegel op den in rust verkleurenden vleugel, daar de armpennen alleen op de binnenvlag wit zijn. In het prachtkleed zijn de veeren van de bovendeelen glanzig zwart met bruinachtigen weerschijn, die van de onderdeelen grijswit met donkerder, wolkachtige vlekken; de keel en de plek vóór het oog zijn zwartachtig, de zijden van kop en hals en de gorgel kastanjebruinrood. Het oog is roodachtig bruin, de teugel geelachtig groen, de snavel aan den wortel geelgroen, aan de spits zwart, de loop aan de buitenzijde zwart, aan de binnenzijde licht hoornkleurig. In het herfstkleed zijn de bovendeelen meer bruingrijs, de onderdeelen atlas-wit, de kop en de hals lichtgrijs. Lengte 25, vlucht 43, vleugellengte 10 cM.
Het verbreidingsgebied van den Dodaars is ongeveer hetzelfde als dat van zijn grooteren verwant; veelvuldiger komt hij echter gedurende den winter in Noord-Afrika voor. Hier te lande broedt hij vooral aan rivieren, meren, poelen en plassen en overwintert er niet zelden; bij gesloten water houdt hij zich in wakken op. De exemplaren, die in den herfst naar ’t zuiden trekken, hebben voor ’t meerendeel in Zuid-Europa hunne winterkwartieren. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten en hunne larven; daarom geeft hij aan modderig en troebel water de voorkeur, in eigenschappen en levenswijze komt hij met zijne verwanten overeen; evenals deze, is hij een meester in ’t zwemmen en duiken. Hij vliegt echter slecht en doet dit dan ook hoogst ongaarne met zeer snelle korte slagen, „als een sprinkhaan”, zegt Naumann. In tijden van gevaar duikt hij onder, zwemt naar een met planten dicht bedekte plaats, en blijft hier onder water, met den snavel er boven, zoolang verborgen, als hij raadzaam oordeelt. Zijn stem is een als „bieb” of „biebie” klinkend gefluit, dat soms, vooral in den paartijd, zoo dikwijls herhaald wordt, dat het op een triller gelijkt.
Het nest rust op het water tusschen riet, biezen, grassen en andere waterplanten; het is nooit verborgen in dicht begroeide gedeelten van den plas, maar gewoonlijk vrij, zoodat men het van den oever kan zien, hoewel men het niet licht zal herkennen; steeds is het zoo ver mogelijk van den oever verwijderd. Het is een even slordige opeenhooping van plantendeelen als het nest van den Fuut, maar naar verhouding grooter. Tegen het einde van April of in ’t begin van Mei vindt men in de ondiepe nestholte 3 à 6 kleine, langwerpige, oorspronkelijk witte eieren, welker kleur door de bestanddeelen van het nest sterk gewijzigd wordt. Beide ouders broeden om beurten 20 à 21 dagen.
De gevangen Doodaars gaat aanvankelijk plat op de borst en den buik liggen, steekt nu en dan den kop omhoog en gedraagt zich, alsof hij zoomin staan als gaan kan, later echter begint hij rond te loopen, kijkt naar den voor hem gereed staanden bak met water, loopt er omheen, klimt er eindelijk in en vleit zich neder. Dikwijls rent hij pijlsnel als een Leeuwerik de kamer rond. Als men hem pakken wil, gaat hij op den buik liggen en wacht zijn lot af, of vlucht in een hoek. Nooit tracht hij te vliegen; zijne vleugels blijven steeds onder de draagvederen, dicht tegen den romp aangedrukt. Als men Waterinsecten of kleine Regenwormen in een schotel met water doet, loopt hij er om heen en vischt ze er uit.
De kleine familie van de Zeeduikers (Urinatoridae) omvat slechts 4 soorten. Deze zijn over ’t algemeen grooter dan de Zoetwaterduikers, hebben een grooteren, overal met korte veeren begroeiden kop, een dikkeren snavel, een korteren en dikkeren hals, een zeer langwerpige romp, korte, spitse, uit harde veeren samengestelde vleugels en een zeer korten staart, die uit 16 à 20 goed ontwikkelde pennen bestaat. De zwemvliezen zijn niet ingesneden. Het buitengewoon dichte en glad aanliggende vederenkleed is in verschillende jaargetijden en levenstijdperken ongelijk van kleur.
De grootste soort is de IJsduiker of Imbervogel (Urinator glacialis), wiens lengte 95 à 100 cM. bedraagt. In het prachtkleed zijn de bovendeelen en de zijden donker zwart met witachtige, op venstertjes gelijkende vlekken, de kop en de hals groenachtig zwart; het midden van den hals wordt ingenomen door een van voren en van achteren afgebroken halsband, die uit witte en zwarte, overlangsche strepen bestaat; aan de voorzijde komt een dwarsstreep van soortgelijke kleur voor; ook de zijden van de bovenborst zijn zwart en wit overlangs gestreept; overigens zijn de onderdeelen atlas-wit. Het oog is lichtbruin, de snavel zwart, de voet aan de buitenzijde grijs, aan de binnenzijde roodachtig vleeschkleurig. In het winterkleed zijn de bovendeelen en de zijden zwartachtig zonder witte venstertjes, de onderdeelen wit, aan de zijden van den kop met zwarte, overlangsche vlekken, welke bij de (overigens ook op deze wijze gekleurde) jongen ontbreken.
De Parelduiker (Urinator arcticus) heeft in het prachtkleed den bovenkop tot in den nek donker aschgrauw, den rug en de vleugels donkerzwart, een plek met witte, op venstertjes gelijkende vlekken op den bovenrug en een andere op de schouderveeren, een plek op den vleugel met blauwachtige stippels, zwarte, overlangsche strepen op de witte zijden van den hals, een witten, zwartgestreepten dwarsband op den zwartgrijzen onderhals, de flanken eindelijk met zwartachtige, overlangsche vlekken geteekend, de onderdeelen wit. Het oog is lichtbruin, de snavel zwart, de voet aan de buitenzijde grijs, aan de binnenzijde roodachtig vleeschkleurig. Het winterkleed is aan den kop en den achterhals donkergrijs, overigens zwartachtig met lichtere randen om de veeren; de witte onderdeelen hebben aan de zijden van den krop zwartachtige en witte strepen; deze strepen ontbreken bij de jongen. Lengte 75 cM.
De Roodkeelige Zeeduiker (Urinator septentrionalis) is de kleinste (lengte 65 cM.). De zijden van kop en hals zijn aschgrauw; de achterhals is zwart en wit gestreept, de onderhals glanzig kastanjebruinrood, de rug bruinzwart; de onderdeelen zijn wit, aan de zijden van krop en borst met zwarte, overlangsche vlekken. In het winterkleed hebben de veeren van de bovendeelen witachtige spitsen en ziet de keelstreek er wit uit. In het jeugdkleed zijn de kleuren nog eenvoudiger. Het oog is licht bruinrood, de snavel zwart, de voet donkerbruin, aan de binnenzijde blauwgrijs, op de zwemvliezen donkerder.
De IJsduiker bewoont het hooge noorden; in den zomer strekt zijn verbreidingsgebied zich noordwaarts ongeveer tot 76 en zuidwaarts hoogstens tot 59° NB. uit; hij wordt vooral aan de zeekusten van Groenland, Spitsbergen, Europeesch en Aziatisch Rusland en van enkele eilanden zooals de Fär-öer, de Orkney-eilanden en de Hebriden aangetroffen; ’s winters zwerft hij rond en daalt dan soms, hoewel zelden, ook naar onze kusten af, waar hij eenige malen (bij Soeterwoude, op Wieringen, bij den Zwarten Haan, bij Schellinkwoude, op het Sneekermeer) gevangen of geschoten werd.
De Parelduiker behoort, naar ’t schijnt, meer oostwaarts thuis en is in Europa, met uitzondering van Noord-Rusland, overal zeldzaam, in Siberië daarentegen veelvuldig; hij broedt ook in het hooge noorden van Amerika; op zijn winterreis bezoekt hij Zuid- en West-Rusland, Denemarken, Duitschland en Nederland. Bij ons wordt hij nu en dan aan de kust en op de binnenwateren aangetroffen. Evenals van de vorige soort, zijn exemplaren in ’t prachtkleed hier uiterst zeldzaam.
Het verbreidingsgebied van den Roodkeeligen Duiker eindelijk is ongeveer gelijk aan dat van de beide vorige soorten bijeengenomen. Bij ons komt hij veelvuldiger voor dan de andere inheemsche leden van zijn geslacht; men treft hem van October tot Maart langs de kust op de rivieren en de groote meren aan.
In aard en gewoonten komen de Zeeduikers zoozeer met elkander overeen, dat wij ons tot de beschrijving van de levenswijze van den Roodkeeligen Zeeduiker kunnen bepalen. Evenals zijne verwanten, is hij een echte zeevogel, die slechts gedurende den voortplantingstijd en in den winter op den trek de binnenwateren bezoekt, overigens echter zich steeds in de zee ophoudt en hier voortdurend ijverig bezig is met de vischvangst; hij kan uitmuntend zwemmen en is een meester in het duiken; hij vliegt ook snel en lang achtereen. Alle Zeeduikers leggen roeiend met groot gemak groote afstanden af; naar verkiezing liggen zij boven op den zeespiegel of laten zich zoo diep zakken, dat slechts een smalle streep van den rug zichtbaar blijft; zij bewegen zich langzaam en op hun gemak, of snellen met verbazingwekkende snelheid voort, verdwijnen zondere merkbare inspanning en ook zonder eenig gedruisch in de diepte, strekken zich hier lang uit, en schieten nu met dicht tegen het lichaam aangedrukte veeren en vleugels, uitsluitend met de voeten roeiend, pijlsnel door het water, nu eens in deze, dan weer in eene andere richting, hetzij op korten afstand onder de oppervlakte of op een diepte van vele vademen. Zij wedijveren in snelheid met de vlugste zwemmers onder de Visschen, want zij vangen deze; zij zwemmen en duiken reeds op den eersten levensdag en later in alle omstandigheden, daar zij zich in ’t water veiliger achten dan zelfs op aanzienlijke hoogte in de lucht. Op den vasten grond zijn zij vreemdelingen. Hoewel ook zij soms het land betreden, lijdt het geen twijfel, dat zij dit minder dikwijls doen dan de meeste overige Vogels, de Fuuten misschien uitgezonderd. Bovendien betreden zij het niet in den eigenlijken zin van het woord, maar schieten slechts uit het water op het droge, want tot een beweging, die den naam van gaan verdient, en zelfs tot rechtop staan, zijn zij niet geschikt. Zij vliegen veel beter, dan men met het oog op de zwaarte van hun lichaam en de kortheid van hunne wieken zou verwachten. Wel moeten de Zeeduikers een flinken aanloop nemen, voordat zij opvliegen; zoodra zij echter een zekere hoogte bereikt hebben, kunnen zij zich door onverpoosde, zeer snelle beweging hunner wieken zeer vlug voortreppen. Alle Zeeduikers hebben een zeer luide stem.
Over de geestvermogens dezer Vogel wordt verschillend geoordeeld; de gelegenheid om met hen nader kennis te maken, wordt ons trouwens slechts zelden geboden. Het blijkt, dat zij uitmuntende zintuigen hebben, vooral een scherp gezicht en een fijn gehoor; spoedig bemerkt men ook, dat het hun niet aan oordeel en overleg ontbreekt. In ’t nauw gebracht, verdedigen zij zich met woede en brengen met den scherpen snavel hun belager ernstige wonden toe.
Naar alle waarschijnlijkheid gebruikt de Zeeduiker uitsluitend Visschen als voedsel. Zoolang hij zich op zee bevindt, bepaalt hij zich stellig tot dezen buit. Zijn grooten bekwaamheid in ’t zwemmen en duiken maakt het hem gemakkelijk zich met het noodige voedsel te voorzien, te meer, daar hij niet bijzonder vraatzuchtig is en geringe eischen stelt.
Alle Zeeduikers begeven zich om te broeden naar kleine, stille zoetwaterplassen niet ver van de kust, die soms echter op aanzienlijke hoogte boven den zeespiegel gelegen zijn. De nesten komen voor op kleine eilandjes of, indien deze ontbreken, aan den oever, altijd zeer dicht bij het water; zij bestaan uit een slordig opeengestapelden hoop droge zeggen en rietgrassen. De nestplaats is volstrekt niet verborgen, zoodat men den broedenden Vogel van verre kan zien. De Roodkeelige Zeeduiker legt twee langwerpige, eenigszins glanzige eieren, die op somber olijfgroenen grond met donker aschgrauwe ondervlekken en roodachtig zwartbruine bovenvlekken, stippels en vlekjes geteekend zijn. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten met gelijken ijver en zorgen gemeenschappelijk voor de leiding der jongen.
Nut verschaffen de Zeeduikers ons niet. Hun vleesch wordt oneetbaar geacht; hunne veeren zijn niet bruikbaar. In hun noordelijk vaderland maakt niemand jacht op hen.
In December 1870 ontdekte Marsh aan de oostelijke helling van het Rotsgebergte (in Kansas), in aardlagen, die tot het middelste gedeelte van de krijtformatie behooren, het onderstuk van een scheenbeen van een Vogel, die Hesperornis („Vogel van het westen”) werd genoemd, omdat men zijn overblijfselen alleen in Noord-Amerika aantreft. In Juni 1871 vond men een volledig geraamte; later werden beenderen ontdekt van een groot aantal individuën, die gedeeltelijk tot andere soorten of zelfs tot andere geslachten worden gebracht, maar wegens hun overeenkomst één familie vormen (Hesperornithidae). Hunne eigenschappen stemmen het meest met die van de Fuutvogels overeen, hoewel zij zich van alle thans levende Vogels onderscheiden door het bezit van tanden. Deze zijn van kegelvormige gedaante en zeer talrijk (14 boven, 33 onder, in elke kaakhelft), niet, zooals die van de Zoogdieren, met wortels in tandkassen bevestigd, maar in een groeve van het kaakbeen, zooals bij de Krokodillen. Het borstbeen had geen spoor van kam; de vleugels waren rudimentair; van voorarm en hand was zelfs geen spoor aanwezig. De achterste ledematen waren zeer krachtig en op de wijze van die der Fuutvogels gebouwd. Hesperornis was ongeschikt tot vliegen, maar kon waarschijnlijk flink zwemmen en duiken. Sommige soorten bereikten een hoogte van 1 M.
In hetzelfde tijdperk, maar in het oostelijk halfrond, leefden de leden van de familie der Enaliornithidae. Enaliornis (het woord beteekent: zeevogel) was zoo groot als een Duif, had goed ontwikkelde vleugels en voor ’t zwemmen geschikte pooten. Vermoedelijk bezat hij tanden, welken evenals die van Ichthyornis, met wortels in tandkassen bevestigd waren.
De laatste onderorde der Stootvogels is die der Gansvogels of Zeefsnaveligen (Anseriformes), welke slechts één familie van hedendaagsche dieren bevat. Deze, door Fürbringer Anatidae genoemd, kan in onze taal gevoegelijk denzelfden naam dragen als de onderorde. Een andere familie van Zeefsnaveligen, die uit thans niet meer levende wezens bestaat, heeft ter eere van Gaston Plante, den ontdekker van het eerste, hiertoe behoorende overblijfsel, den naam van Gastonvogels (Castornithidae) ontvangen. Zij leefden in den aanvang van den tertiairen tijd (in het eocene tijdvak), hadden zeer lange, krachtige pooten en zwak ontwikkelde vleugels. Bij hen, evenals bij de Vinduikers, bleef de vergroeiing der schedelbeenderen onvolkomen. Ook de beenderen, die te zamen het loopbeen vormen en de bestanddeelen der verticale beenplaat aan ’t einde van den staart waren niet volkomen vereenigd. In grootte evenaarden of overtroffen deze Vogels den Afrikaanschen Struis. De grootste soort (Gastornis Edwardsii) was ongeveer 3 M. hoog. In verschillende opzichten kwamen deze voorwereldlijke dieren duidelijk overeen met de thans nog levende Zeefsnaveligen.—De hoofdkenmerken der onderorde zijn: het ontbreken van de bijveder aan de schacht der omtrekveeren, de middelmatig lange, langs de randen met hoornplaatjes bezette snavel, de korte loop, de vereeniging van de voorteenen door een zwemvlies, de kleinheid en de achterwaartsche stand van den binnenteen.
Bekijk een Eend, zoo hebt gij het type van een Zeefsnavelige voor u. Onze aandacht wordt het eerst getrokken door den bouw van den snavel, die den Vogel in staat stelt zijn voedsel op een eigenaardige wijze te verzamelen. Deze snavel is zelden langer dan de kop, gewoonlijk recht, breed, aan de bovenzijde slechts weinig gewelfd; van voren loopt hij in een breeden „nagel” uit; aan de zijden is hij met hoornplaatjes voorzien; die van de bovenkaak vallen tusschen die van de onderkaak. De huid, die den snavel bekleedt, is slechts langs de randen hard, overigens zacht; de takken van het vijfde paar hersenzenuwen, die zich in deze huid verspreiden, maken haar tot een uitmuntend tastorgaan. De groote, vleezige, fijngevoelige tong is slechts aan den rand verhoornd en hier met franjes en tandjes bezet; zij verhoogt aanmerkelijk de geschiktheid van den snavel om den dienst te verrichten van een zeef, waarmede zelfs de kleinste voedseldeeltjes van de hen omringende, oneetbare stoffen afgescheiden kunnen worden. De romp is krachtig; het steeds zeer rijke, dichte en glad aanliggende vederenkleed bevat een overvloed van donsveeren. Prachtig kan men zijn kleur niet noemen, meestal echter wel zeer bevallig; dikwijls, maar niet altijd, is zij verschillend bij mannetjes en bij wijfjes, bij oude en bij jonge Vogels.
Het verbreidingsgebied van de Gansvogels is beperkter dan dat van andere zwemvogels. Wereldburgers zijn ook zij. Met uitzondering van het vasteland aan de zuidpool ontmoet men ze in alle werelddeelen; zij bewonen echter de warme en gematigde aardgordels in veel grooter aantal dan de koude. Het aantal soorten bedraagt 180; zij zijn over 40 geslachten verdeeld, waarvan er 21 in het noordelijke Rijk van de Oude Wereld vertegenwoordigd zijn.
De talenten van de leden dezer familie, hoewel zeer verschillend, zijn toch gelijksoortig. Eenige van hen hebben wegens hunne ver achterwaarts geplaatste pooten een langzamen en waggelenden gang; geen hunner is echter, gelijk sommige Duikers, genoopt om te kruipen; vele zijn zelfs flink ter been en kunnen zonder zichtbare inspanning uren lang gaan; eenige kunnen zich ook in een boomkroon goed redden. Alle zwemmen behendig en met volharding; er zijn er bijna geen onder, die met tegenzin of slechts uit nood te water gaan; de meeste kunnen bovendien tot meer of minder groote diepte duiken, hetgeen sommigen weinig, anderen meer moeite kost; enkele staan de bekwaamste zwemkunstenaars naar de kroon. Bij het duiken gaan zij van den waterspiegel uit; zij zijn „sprongduikers” en geen „stootduikers”. Wat bekwaamheid in ’t vliegen betreft, staan zij duidelijk bij andere Zwemvogels achter. Bijna alle verheffen zich niet dan met betrekkelijk groote krachtsinspanning van het water of van het land in de lucht; zij vallen zoo plomp naar beneden, dat enkele in ’t geheel niet op den grond durven neerstrijken, maar altijd in het water neerdalen om een minder hevigen schok te ondervinden. Na het bereiken van een zekere hoogte is hun vlucht echter zeer snel; zij leggen in één tocht een grooten weg af, maar moeten hunne vleugels onophoudelijk bewegen.
De verstandelijke vermogens van de Zeefsnaveligen zijn misschien geringer dan die van de meest begaafde Stootvogels; stellig overtreffen zij echter die van alle overige Zwemvogels. Wie de Gans, in gedachtelooze navolging van een oude spreekwijze, een dom schepsel noemt, heeft haar nooit goed nagegaan; iedere jager, die Wilde Ganzen heeft trachten te verschalken, zal er anders over oordeelen. De Zwanen, Eenden en Zaagbekken behooren tot de voorzichtigste van alle Vogels, geven blijken van list en sluwheid, weten over toestanden een juist oordeel te vellen en zich spoedig te schikken in veranderde omstandigheden: dit maakt hen zoo bijzonder geschikt voor huisdieren. Over ’t algemeen zijn zij goedhartig, verdraagzaam en tot gezelligheid geneigd. Met warme liefde is het wijfje aan gade en kroost gehecht; het mannetje neemt echter niet altijd deel aan de verzorging der jongen. Met lofwaardigen moed verdedigt het wijfje in tijden van gevaar hare kinderen.
Boven de andere Zwemvogels munten de Gansvogels uit door de veelzijdigheid en welluidendheid van hun stem. Hun voedsel bestaat uit dierlijke en plantaardige stoffen. Slechts weinige Zeefsnaveligen zijn volslagen roofdieren, d.w.z., dat zij in ’t geheel geen plantaardig voedsel gebruiken; even weinige zijn er, die zich uitsluitend met planten voeden.
Het echtverbond van de Zeefsnaveligen duurt tot aan den dood; hun huwelijkstrouw is echter niet boven allen twijfel verheven. Bij de meeste soorten zorgt de moeder voor het uitbroeden der eieren en het opvoeden der jongen. Het nest bevindt zich soms op plaatsen, waar de moerassige bodem eenige stevigheid vertoont, soms op een vast terrein, soms in een hollen boom, in een gat van den grond of in een holte van het gesteente; het is uit verschillende stoffen, gewoonlijk op eenvoudige, kunstelooze wijze samengesteld; van binnen is het echter zeer regelmatig met dons bekleed.
Van een zeer groot aantal dieren hebben de Zeefsnaveligen een vijandige behandeling te duchten, ofschoon de grootste leden van de familie menig roofdier weten af te weren. De mensch vervolgt hen allen, sommige wegens hun smakelijk vleesch, andere ter wille van hunne veeren; hij neemt hunne eieren weg, berooft de nesten van het bekleedende dons en draagt aanmerkelijk bij tot vermindering van het aantal dezer eigenlijk onschadelijke Vogels. Zeer weinige soorten heeft hij tot huisdieren gemaakt en getemd, ofschoon juist de Zeefsnaveligen voor dit doel uitnemend geschikt zijn. Eerst in den laatsten tijd is men begonnen hun de aandacht te wijden, die zij zoo ruimschoots verdienen.
Afgezien nog van de lof, die in sagen en gedichten over de Zwanen wordt uitgestort, zal men aan deze fiere en statige Vogels den eersten rang onder hunne verwanten moeten toekennen. Men vereenigt ze tot een onderfamilie (Cygninae). Zij hebben een langwerpigen romp met zeer langen hals en middelmatig grooten kop. De snavel, die den kop ongeveer in lengte evenaart, is recht, overal even breed, van voren afgerond, aan den wortel naakt of bultig gezwollen, bij de spits een weinig bol en met een afgeronden „nagel” voorzien. Het vederenkleed is zeer rijk, aan den romp buitengewoon dicht, zacht en zonder glans, aan den kop en den hals fluweelachtig, aan de onderzijde dik en vachtvormig, op de bovendeelen uit groote veeren samengesteld; overal is de huid tusschen de omtrekveeren met een overvloed van dons begroeid.