← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels

De Stootvogels (Pelargornithes). (continued 5)

Reading edition

De beide laatstgenoemde soorten komen in levenswijze zoozeer overeen, dat wij ons tot de geschiedenis van den Grooten Zilverreiger kunnen bepalen. Deze bewoont, evenals de Blauwe Reiger, allerlei wateren, bij voorkeur echter uitgestrekte moerassen en hierin de plaatsen, welke ver verwijderd zijn van de tooneelen van menschelijke werkzaamheid, waar dus de grootst mogelijke rust heerscht. Overal is hij voorzichtig en, voor zoover hij vervolgingen te verduren had, buitengewoon schuw. Zijn gedrag steekt gunstig af bij dat van den Blauwen Reiger. Zijn zeer eenvoudig, maar toch sierlijk kleed maakt een bekoorlijken indruk.

De Groote Zilverreiger bewoont in de Hongaarsche moerassen in den regel ontzaglijk groote rietvelden, hoewel hij de boomen niet vermijdt.

Geloofwaardige personen uit Semlin verhaalden aan Naumann, dat deze Vogel geregeld nestelt op een eiland in den Donau, hier zijn nest bouwt in den top van de hoogste boomen. Baldamus, die in den broedtijd van de Reigers de Donau-laaglanden bezocht, ontving dezelfde mededeeling; de door hem gevonden nesten van den Grooten Zilverreiger kwamen echter niet voor in bosschen, maar in het rietveld van het Witte Moeras. Het is zeer moeielijk in dit gebied door te dringen. „Twee tamelijk groote schuiten werden ieder met drie man bezet en met proviand voor twee dagen voorzien; om 4 uur ’s morgens begon de reis. De beide dappere gidsen hadden, evenmin als wij, een juiste voorstelling van het gevaar, dat wij zouden loopen. Het kostte ons ontzaglijk veel moeite om in deze eenvormige en vreeselijk verwarde wildernis van oud en nieuw riet, dat soms meer dan 3 M. hoog was, van afgebroken stompen, boven en onder de oppervlakte van het hoogstens 1½ M. diepe water en van bodemloos slijk den terugweg te vinden. Wij vonden op den 23en Juni, behalve eenige nesten van Purperreigers, vijf nesten van Groote Zilverreigers, ieder met 3 of 4 eieren. Het nest rust op stoppels en riethalmen, die uit een tamelijk grooten kring bijeengebogen en omgeknikt zijn; het bestaat uit een groote hoop van dit materiaal en is van binnen met rietbladen bekleed. Deels door de menigte tot steun dienende, geknikte halmen, deels door de massa bouwstoffen, die er opgestapeld zijn, hebben de nesten zulk een draagkracht, dat ik op verscheidene kon staan. Het aantal eieren schijnt af te wisselen tusschen 3 en 4”. Zij zijn grooter en gladder dan die van den Blauwen Reiger, langwerpiger van vorm en meer blauwachtig getint. In den regel komt de Groote Zilverreiger tegen het midden van April (een week later dan de Purperreiger) in zijn zomerherberg. Hij wordt in zijn vaderland ijverig vervolgd, vooral wegens zijne prachtige rugveeren. De Hongaren en Walachen beschouwen het als een kunststuk een van deze voorzichtige Vogels te verschalken. Men ontmoet ze tegenwoordig in alle diergaarden; in die van Berlijn hebben zij herhaaldelijk gebroed en jongen voortgebracht.

Een allerliefste Vogel is de 50 cM. lange Koereiger [Ardea (Bubulcus) Ibis], kenbaar aan zijn gedrongen gestalte, korten hals, korten en krachtigen snavel, betrekkelijk korte pooten en schitterend witte kleur. In het bruiloftskleed dragen de bovenkop, de voorborst en de rug lange, losbaardige pronkveeren. Zijn vederenkleed is van roestroode kleur.

Waarschijnlijk houden de meeste reizigers, die Egypte bezoeken, dezen Vogel voor den Ibis, die, naar zij ten onrechte meenen, in het land der Pharaonen nog sterk vertegenwoordigd is. Van hier strekt zich zijn woongebied over geheel Afrika uit, ook over Madagaskar en het westen van Azië, Europa, vooral het zuiden, werd herhaaldelijk door hem bezocht, een enkele maal zelfs is hij naar Engeland afgedwaald. In Egypte en andere Nijllanden behoort hij tot de algemeenste Vogels. In tegenstelling met zijne tot dusver genoemde verwanten, houdt hij zich onbeschroomd in de onmiddellijke nabijheid van de dorpen op, ook wanneer zij niet aan den waterkant gelegen zijn. Gewoonlijk houdt hij verblijf op de akkers, die onder water worden gezet en verzamelt slechts tijdelijk zijn voedsel aan de oevers van den stroom, van de kanalen en meren. Met bijzondere voorliefde zoekt hij het gezelschap van groote dieren; in Egypte vindt men hem op of bij grazende Buffels, in Soedan tusschen en op de Olifanten. De Insecten, die het vee kwellen, vormen dan een hoofddeel van zijn maal. Het vee geraakt spoedig gewoon aan de werkzaamheden van den Koereiger en beschouwt hem als een weldoener, waaraan het, evenals aan den Ossenpikker, allerlei vrijheden veroorlooft. Een Buffel draagt dikwijls 8 of 10 van deze schitterend witte Vogels op den rug en wordt er niet weinig door opgesierd. De Koereiger verkeert op zeer goeden voet met de menschen in zijn vaderland; daar zij hem nooit overlast aandoen, beweegt hij zich onbeschroomd als een huisdier tusschen de op het veld werkende boeren.

De gevangen Koereiger is reeds op den eersten dag aan het verlies van zijn vrijheid gewoon en gedraagt zich, alsof hij in de kamer is grootgebracht; hij vangt Vliegen en andere Insecten, maakt gebruik van het voedsel, dat hem toegeworpen wordt en is soms reeds na verloop van een paar dagen zoo tam, dat hij uit de hand van zijn verzorger eet.

Bij de Ralreigers (Ardeola), die als ’t ware het midden houden tusschen de Dagreigers, de Roerdompen en de Nachtreigers, is de snavel ongeveer even lang als de kop, de loop korter dan de middelste voorteen, de binnenste voorteen korter dan de buitenste. De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht, de 50 cM. lange Ralreiger of Krabreiger (Ardeola ralloïdes) is kenbaar aan de kuif, die zich van den bovenkop tot aan den nek uitstrekt en welker smalle, zeer verlengde, op manen gelijkende veeren roestgeelachtig wit zijn met zwarten zoom. De zijden van kop en hals zijn licht roestgeel, de mantelveeren en de haarvormige pronkveeren van schouders en rug roodachtig isabelkleurig, alle overige veeren wit. Het oog is lichtgeel, de snavel zwartachtig, de voet groenachtig geel.

Zuid-Europa (noordwaarts tot in Hongarije), enkele landen van West-Azië en geheel Afrika vormen het verbreidingsgebied van den Ralreiger. Soms dwaalt hij naar noordelijker gewesten af: naar Duitschland, waar hij eens in de nabijheid van Bremen gebroed heeft, naar Groot-Britannië en naar Nederland. In den zomer van 1859 zijn bij Schollevaarseiland en aan den Hoek van Holland verscheidene exemplaren van deze soort geschoten; reeds vroeger was op het eerstgenoemde terrein een dergelijk voorwerp gevangen en ook later (in den zomer van 1860) is dit éénmaal geschied. De jeugdige leeftijd van de waargenomen Vogels gaf aanleiding tot het vermoeden, dat de Ralreiger soms in deze streken zou broeden.

In vergelijking met zijne reeds beschreven verwanten leidt hij een meer of min verborgen leven. Als broedplaats geeft hij de voorkeur aan uitgestrekte moerassen met veel open water en aan met struiken begroeide rivieroevers en eilanden; ook in zijne winterkwartieren zoekt hij dergelijke plaatsen op. Evenals de Koereiger houdt ook hij zich gaarne in de nabijheid van groote Zoogdieren op; in Hongarije is hij de bestendige begeleider van de Zwijnen, daar deze aan dezelfde terreinen als hij de voorkeur geven; bij hen zoekt hij in tijd van gevaar een toevlucht. In vele opzichten wijken zijne gewoonten af van die zijner verwanten. Door het sterk intrekken van den hals schijnt de gestalte van den staanden Vogel veel meer ineengedrongen dan zij is; wel neemt men ook bij hem zonderlinge standen waar, echter niet de wonderlijke lichaamsverdraaiingen van de Kwakken. Bij ’t gaan verzet hij bedachtzaam poot voor poot, maar sluipt niet met zulke afgemeten passen voort als andere leden van zijn geslacht. Bij ’t vliegen wordt de hals S-vormig gekromd; de slagwijdte van de niet zeer breede vleugels is betrekkelijk gering, hun beweging zacht. Zijn stem, een kort, snorkend, heesch of gedempt, als „karr” of „charr” klinkend geluid, wordt zelden en niet op grooten afstand gehoord. Ook de Ralreiger voedt zich bij voorkeur met Visschen; hij kan echter geen andere dan kleine exemplaren en deze slechts in ondiep water vangen. Bovendien maakt hij jacht op jonge Vorschen en waterinsecten. De evenzeer op deze spijs beluste Zwijnen zijn hem door hun wroeten behulpzaam bij het zoeken van buit.

Door geringe grootte, een slanken snavel, pooten met korten loop, die tot aan het spronggewricht bevederd zijn, betrekkelijk lange vleugels, een korten, zwakken staart en een niet bijzonder rijk vederenkleed, welks kleur bij jongen en volwassenen, bij mannetjes en wijfjes verschilt, onderscheidt zich het geslacht der Dwergroerdompen (Ardetta), in Nederland en andere landen van Europa vertegenwoordigd door het Woudaapje (Ardetta minuta) dat ook wel Kleine Butoor, Waffer, Woudhopje, Woudpitoortje of Houtbutoortje wordt genoemd. Zijn lengte bedraagt 40 cM. De veeren van bovenkop, nek, rug en schouders zijn zwart met groenachtigen weerschijn, die van den bovenvleugel en van de onderdeelen roestgeel, met zwarte vlekken aan de zijden van de borst; de slag- en stuurpennen zijn eveneens zwart. De iris is geel, de snavel op den rug bruin, overigens bleekgeel, de voet groengeel.

Bezuiden het midden van Zweden en de Orkney-eilanden komt het Woudaapje in geheel Europa broedend of op den trek voor. In Nederland broedt deze Vogel, hoewel in kleinen getale, in Noordbrabant, Noord- en Zuid-Holland en Friesland; op den trek werd hij o. a. in Overijsel waargenomen. Algemeen is hij in Oostenrijk, Hongarije, Turkije en Griekenland, niet zeldzaam in Duitschland, het zuiden van Frankrijk en Spanje. Van April tot October houdt hij zich bij ons op, blijft op den trek geruimen tijd in Griekenland en overwintert in Noord-Afrika, van waar hij allengs tot in de keerkringslanden en zelfs tot in het zuiden van Afrika voortdringt. In den zomer houdt hij verblijf in broeklanden, die met veel riet of althans met kreupelhout en hooge moerasplanten begroeid zijn, of aan de met riet en hout bedekte oevers van andere zoete wateren. Daarom gevoelt hij zich in Nederland, Hongarije en Griekenland beter thuis dan in Duitschland.

Over dag zit het Woudaapje zeer goed verborgen en stil in het riet op een boomtwijg; hij heeft er uitmuntend slag van een zitplaats te kiezen, welker omgeving bij de kleur van zijn kleed past; bovendien weet het zich onkenbaar te maken door de vaak zeer zonderlinge standen, die het aanneemt. In de riethalmen beweegt het zich met een waarlijk verbazingwekkende behendigheid. Gloger heeft hiervan de proef genomen door in het hok van een gevangen exemplaar dunne en volkomen gladde wandelstokken, die aan het bovenste einde niet dikker waren dan een riethalm, te plaatsen; zoowel in horizontalen als in schuinschen stand werden deze met groot genoegen als zitstokken gebruikt. „Als ik het eene einde van den stok, waarop de Vogel zat, langzamerhand liet zakken, bleef hij rustig zitten, hoewel ik den stok ten slotte alleen bij den knop vasthield en loodrecht naar beneden liet hangen; hij gleed zelfs dan niet van den stok af, als ik dezen heen en weer slingerde.” In zijn rietbosch acht het Woudaapje zich volkomen veilig; het slaapt zeer licht en bemerkt den rustverstoorder lang voordat het door dezen ontdekt wordt; het loopt over den grond weg in tijd van gevaar, of verwijdert zich door van den eenen riethalm op den anderen te klimmen. Over dag vliegt het niet op, hoewel men met steenen werpt, met stokken in het riet slaat of op andere wijzen geraas maakt. ’s Avonds komt het vrijwillig uit zijn schuilplaats te voorschijn en vliegt dan lang over het open water heen naar andere rietbosschen, of strijkt op de kale oevers neer. „Hoewel deze Vogel zich in alle omstandigheden opgewekter en gezelliger toont dan de meeste andere Reigers”, zegt Naumann, „zou men zich toch zeer vergissen, indien men vertrouwen wilde schenken aan zijne sluwe blikken, daar hij even valsch en moedig is als zijne verwanten. Ieder wezen dat hem te na komt, en dat hij niet kan ontwijken, zal hij onverwachts, door den hals zeer snel en met kracht te strekken, gevaarlijke stooten met den snavel toebrengen; gewoonlijk zijn dezen naar de oogen, bij den mensch ook naar de handen of andere niet met kleeren bedekte lichaamsdeelen gericht.” Het in ’t nauw gebrachte Woudaapje verdedigt zich tot den laatsten ademtocht. Met andere Vogels houdt het geen omgang; het duldt niet eens gaarne soortgenooten in den plas, dien het als zijn eigendom beschouwt In den paartijd hoort men van het mannetje 2- of 3-maal achtereen een doffen bastoon, die door den klank „poemm” of „poemb” kan worden nagebootst; na een lange pauze begint het gebrul op nieuw; nooit roept de Vogel, wanneer hij weet, dat er menschen in de nabijheid zijn. Angst ontlokt aan het mannetje zoowel als aan het wijfje een als „gèth, gèth” klinkend gekwaak.

Het voedsel van het Woudaapje zal wel hoofdzakelijk uit kleine Vorschen en Amphibiën bestaan; bovendien vangt het Wormen en Insecten in alle ontwikkelingstoestanden. Het jaagt alleen ’s nachts, het meest in de morgen- en avondschemering.

Het groote, los en zonder kunst van riet en biezen gebouwde nest staat gewoonlijk op oude rietstoppels boven het water, en bevat in het begin of het midden van Juni 3 of 4 (soms 5 of 6) kleine, dunschalige, gladde, glanslooze, blauwgroenachtig witte eieren, waaruit de met roestgeelachtig dons bekleede jongen na een broedtijd van ongeveer 16 dagen te voorschijn komen. Deze blijven, wanneer zij niet gestoord worden, in het nest, totdat zij vliegen kunnen.

Gevangen Woudaapjes maken dadelijk gebruik van de visch, die men hun als voedsel geeft, verschaffen hun verzorger veel genoegen en kunnen in een groote ruimte gemakkelijk in ’t leven worden gehouden. Ook worden zij eenigszins tam, nooit echter gemeenzaam, steeds behouden zij hun valschen aard. Meesterlijk verstaat deze Vogel de kunst om de pogingen van den jager, die hem wil bemachtigen, te verijdelen.

De Roerdomp, bij Nijmegen Roerdommel, in Overijsel Iperom, in Noordbrabant Butoor en Domphoren, in Limburg Rommeldoes, in ’t Friesch Reitdomp geheeten (Botaurus stellaris), kenmerkt zich door een gedrongen romp, een langen, maar dikken hals, een smallen, hoogen snavel, langteenige pooten, die bijna tot aan het spronggewricht bevederd zijn en welker loop korter is dan de middelste teen, breede vleugels, een uit tien pennen samengestelden staart en een dicht kleed zonder eenige pronkveeren; alleen aan den hals zijn de veeren meer dan gewoon verlengd. De bovenkop is zwart, de achterhals grauwzwart, met geel gemengd, de overige veeren op roestgelen grond geteekend met zwartbruine en roestbruine, overlangs en overdwars gerichte vlekken, banden en strepen van den meest verschillende aard, die aan den voorhals drie overlangsche reeksen vormen. De slagpennen zijn op leikleurigen grond met roestkleurige banden voorzien, de staartveeren op roodachtig roestgelen grond bruinzwart bespat. Het oog is geel, de bovensnavel bruinachtig hoornkleurig, de ondersnavel groenachtig, de voet licht sapgroen, aan de gewrichten geelachtig. De lengte bedraagt 72 cM.

De Roerdomp komt hier te lande van Maart tot October veelvuldig voor en broedt overal in rietvelden; sommige exemplaren blijven den winter over, maar komen meestal om, indien deze streng wordt. In Duitschland treft men dezen Vogel zelden, in de laaglanden van den Wolga en den Donau algemeen aan; oostwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich over geheel Middel-Siberië, westwaarts over Zuid- en Middel-Europa uit; op den trek bezoekt hij Noord-Afrika, maar dringt, naar het schijnt, niet ver in het binnenland door. In alle door hem bewoonde landen vestigt hij zich bij voorkeur in het broekland of aan de oevers van meren en plassen, voor zoover deze gedeeltelijk met hoog riet begroeid zijn. Zoolang het riet nog kort is, houdt hij zich in het hout op.

Roerdomp (Botaurus stellaris). ¼ v. d. ware grootte.
Roerdomp (Botaurus stellaris). ¼ v. d. ware grootte.

Roerdomp (Botaurus stellaris). ¼ v. d. ware grootte.

Nog meer dan het Woudaapje heeft hij de gewoonte om zonderlinge standen aan te nemen. Als hij rust en onbezorgd is, wordt de romp van voren een weinig opgericht en de lange hals zoo ver teruggetrokken, dat de kop op den nek rust; bij ’t loopen is de hals meer opgeheven; woede blijkt uit het ruige voorkomen van het kleed en den opgerichten stand van de achterhoofdsveeren, terwijl tevens de snavel eenigszins opengesperd wordt. Om zich te vermommen, zet hij zich op den loop en strekt zich, zoodat de romp, de hals en de kop met den snavel in elkanders verlengde liggen en scheef naar boven gericht zijn; hij gelijkt dan meer op een ouden, spitsen paal of op een verdord bos riet dan op een Vogel. Zijn gang is langzaam, voorzichtig en traag, zijn vlucht zacht, onhoorbaar, langzaam en schijnbaar plomp. Als hij des nachts vliegt, hoort men ook zijn gewone lokstem: een luid gekras, herinnerend aan dat van de Raaf, dat men door de klankteekens „krah” of „krauh” ongeveer kan voorstellen; want zijn berucht gebrul laat hij slechts gedurende den paartijd hooren. Traagheid en langzaamheid, angstvalligheid en argwaan, list en geveinsdheid, boosaardigheid en valschheid zijn kenmerkende eigenschappen van den Roerdomp. Hij leeft slechts voor zichzelf en schijnt ieder ander schepsel te haten; de dieren, die hij verslinden kan, doodt hij; die, welke hiervoor te groot zijn, hebben woedende aanvallen van hem te verduren, wanneer zij hem te na komen. Zoolang mogelijk ontwijkt hij iederen grooten tegenstander; in ’t nauw gedreven, gaat hij hem dolkoen te lijf en richt zijne snavelstooten zoo behendig, kwaadaardig en snel op de oogen van zijn tegenpartij, dat zelfs de schrandere mensch zich zeer in acht moet nemen om niet gevaarlijk gewond te worden. Door de gevangenschap ondergaat zijn aard geen verandering.

Visschen (vooral Modderkruipers, Zeelten en Steenkarpers), Padden en andere in ’t water levende Amphibiën van verschillende soorten, bovendien ook Slangen, Hagedissen, jonge Vogels en kleine Zoogdieren van de grootte van de Waterrat of kleiner maken zijn voedsel uit. Soms voedt hij zich bijna uitsluitend met Bloedzuigers, en wel hoofdzakelijk Paardenbloedzuigers, zonder zich te bekommeren om hunne scherpe zuigwerktuigen en zonder hen vooraf te dooden. Hij jaagt uitsluitend ’s nachts, maar is van zonsondergang tot zonsopgang hiermede bezig, heeft veel voedsel noodig om verzadigd te worden en brengt toch nagenoeg geen merkbare schade teweeg, daar hij wegens zijne korte pooten alleen in ondiep water kan visschen.

Het vreemdsoortige geschreeuw, dat de mannelijke Roerdomp gedurende den paartijd voortbrengt, een gebrul, dat in stille nachten op een afstand van 2 à 3 KM. hoorbaar is en op dat van een Rund gelijkt, bestaat uit een voorslag en een hoofdtoon; het klinkt als „uuproemb”. Tevens zal iemand, die zich in de onmiddellijke nabijheid bevindt, nog een gedruisch vernemen, alsof er met een rietstengel op het water wordt geslagen. Voordat de Vogel geheel op zijn dreef is, klinkt zijn lied ongeveer als „uu uu proemb”, later als „uu proemb uu proemb uu proemb”. Soms, doch zelden, wordt aan het „proemb” nog de klank „boeh” toegevoegd. Graaf Wodzicky heeft door zijne waarnemingen de overoude verklaring van het ontstaan dezer buitengewoon sterke geluiden bevestigd. „De muzikant”, zegt hij, „stond op beide pooten, hield den romp waterpas en had den snavel in ’t water gestoken; toen begon het gebrom; intusschen spoot het water aanhoudend omhoog. Na eenige tonen hoorde ik de klank „uu”, het mannetje lichtte den kop omhoog, slingerde hem naar achteren, stak vervolgens den snavel in ’t water, waarop een gebrom volgde, dat mij verschrikt maakte. Hierdoor kwam ik tot het besluit, dat de luidklinkende aanvangstonen ontstaan, doordat de Vogel in den beginne het water hooger, tot in den hals, opzuigt en het met veel grooter kracht naar buiten perst dan later. Bij ’t voortzetten van de muziek wordt de kop niet meer teruggetrokken en blijven de luide tonen achterwege. Naar het schijnt, duidt dit geluid dus het bereiken van den grootsten trap van opgewondenheid aan en herhaalt de „balderende” Vogel het niet meer, zoodra zijn hartstocht bevredigd is. Het geplas, dat op het slaan met een riethalm in ’t water gelijkt, wordt voortgebracht, doordat het mannetje twee- of driemaal met den snavel op het water slaat, voordat hij hem er insteekt en zijn lied begint. Het laatste, doffe geluid „boeh” wordt veroorzaakt door het wegstuwen van het water, dat zich bij het terugtrekken van den snavel nog in de mondholte bevindt.

Vooral op plaatsen waar de Roerdomp zich niet geregeld vertoont, veroorzaakt zijn nachtelijk gebrul een bijgeloovige vrees bij onontwikkelde lieden.

Wanneer men zich in het winterseizoen bij een van de Egyptische meren ophoudt, wordt men hier en daar dikke boomen gewaar, die met een talrijk gezelschap van Reigers bezet zijn. Deze kiezen gaarne de sycomoren vóór of in de dorpen als rustplaats uit. Hier zitten zij gedurende den geheelen dag bewegingloos met diep teruggetrokken hals en gesloten oogen; eerst bij ’t naderen van den avond beginnen zij zich te bewegen. De eene opent de oogen half, draait den kop een weinig zijwaarts en knipoogt tegen de zon, als om te onderzoeken, hoe hoog deze nog aan den hemel staat, een andere pluist zich in de veeren, een derde trippelt van den rechter op den linker poot, een vierde spreidt de vleugels uit: kortom, er komt leven in de brouwerij. Intusschen is de zonneschijf beneden de kim gezonken en de schemering aangevangen. De nu geheel ontwaakte slapers huppelen behendig van den eenen tak op den anderen, en komen al nader en nader bij den top. Plotseling laat een hunner zijn kwakende lokstem hooren, de geheele troep vliegt weg, begeeft zich naar een naburig moeras en begint hier zijn dag- of liever nachtwerk. Soms vereenigen zich verscheidene gezelschappen; in den eigenlijken trektijd althans ziet men deze Vogels bij duizenden vliegen, zonder dat men kan nagaan, van waar zij alle gekomen zijn. Zulk een schouwspel geniet men trouwens niet slechts in Egypte, maar ook verderop in het binnenland van Afrika; want de reis van deze in ’t zuidoosten van Europa thuis behoorende nachtvogels strekt zich uit tot aan de wouden bij den Blauwen en den Witten Nijl.

De Kwak, Nachtreiger of Blauwe Kwak (Nycticorax griseus) is 60 cM. lang en onderscheidt zich van de andere Reigers door zijn gedrongen gestalte en korten, dikken, van achteren zeer breeden, op den rug gebogen snavel, door zijne middelmatig hooge, dikke voeten en zeer breede vleugels en door zijn rijk voorzien kleed, welks veeren, met uitzondering van drie draadvormige pronkveeren aan den achterkop, nergens verlengd zijn. Bij den volwassen Vogel zijn de bovenkop, de nek, de bovenrug en de schouders groenachtig zwart, de overige bovendeelen en de zijden van den hals aschgrauw, de onderdeelen licht stroogeel, de drie lange pronkveeren wit, zelden voor een deel zwart. Het oog is prachtig purperrood, de snavel zwart, aan den wortel geel, de naakte plek aan den kop groen, de voet groengeel.

Ook de Nachtreiger heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied. Eenige eeuwen geleden kwam hij in Nederland zeer veelvuldig voor; thans broedt hij in kleinen getale bij meren en plassen in Zuid-Holland. Hij vertoeft hier van Mei tot September. Eénmaal werd een exemplaar van deze soort in de provincie Groningen geschoten. In Duitschland wordt hij verspreid en niet geregeld aangetroffen. Hij broedt er zelden, waarschijnlijk echter vaker dan men meent. In grooten getale bewoont hij de lage oeverlanden van den Donau en dergelijke gewesten aan de Zwarte en de Kaspische Zee. Voorts vindt men hem in Italië, Zuid-Frankrijk en Spanje; hij trekt iederen winter geheel Afrika door, broedt in Palestina, het oostelijke deel van Middel-Azië, China, Indië en op de Soenda-eilanden, bewoont het grootste deel van Noord-, Middel- en Zuid-Amerika en werd slechts in Australië nog niet waargenomen. Een gewest moet, om den Nachtreiger te behagen, rijk aan boomen zijn, want deze heeft hij noodig voor slaap- en broedplaatsen.

Behalve in den broedtijd brengt hij den geheelen dag slapend of rustend door; eerst wanneer de schemering aanvangt, begint hij te zwerven en te jagen. Door zijne bewegingen verschilt hij in menig opzicht van andere Reigers. Werkelijk schuw kan men hem niet noemen, hoewel hij altijd een zekere voorzichtigheid toont. Hierbij valt op te merken, dat men hem gewoonlijk slechts over dag ontmoet en dan met een slapenden of althans slaperigen Vogel te doen heeft. Deze zelfde Vogel is, wanneer de nacht aanbreekt, wel niet bijzonder opgewekt, maar toch wakker en bedrijvig en tevens in alle omstandigheden voorzichtig: angstvallig ontwijkt hij ieder naderend mensch en is nog schuwer, als hij zich vervolgd ziet. Hij vischt ongeveer op dezelfde wijze als de Dagreigers, althans geheel zonder gedruisch. In één opzicht onderscheidt hij zich van vele zijner verwanten: hij is veel gezelliger van aard dan zij, minstens even gezellig als de Koereiger.

De broedtijd valt in de maanden Mei tot Juli. De Kwakken vestigen zich dan met leden van verwante soorten in bepaalde reigerbosschen of vormen afzonderlijke broedkolonies.

In vroegere eeuwen was de jacht op Kwakken, naar het schijnt, een geliefd bedrijf; het werd tot de groote jacht gerekend en de Vogels werden als wildbraad hoog geschat. Tegenwoordig worden zij door stroopers ijverig vervolgd wegens de drie witte nekveeren, die men „Bismarckveeren” noemt en waarvan vederbossen worden gemaakt. Gevangen exemplaren ziet men in de meeste diergaarden. Vermakelijk kan men ze niet noemen, daar zij ook in gevangenschap den geheelen dag slapend doorbrengen.

Tot het geslacht der Nachtreigers wordt ook nog wel gerekend een zeer eigenaardige soort, de Schuitbek of Lepelbekreiger, de Savakoe der Zuid-Amerikanen (Nycticorax cancrophagus of Cancroma cochlearia), die wel in kleur en grootte veel overeenkomst vertoont met onzen Kwak, maar van dezen en van alle overige Reigervogels verschilt door zijn vreemdsoortigen, wanstaltigen, zwak gewelfden, buitengewoon breeden, omgekeerd lepelvormigen bovensnavel, welks stompkantige rug van voren haaksgewijs naar beneden gebogen is en welks eivormige, eenigszins uitgeholde bovenvlakte als de bodem van een omgekeerd, platboomd schuitje in den voorrand en de zijranden overgaat. Het voorhoofd, de keel, de wangen en de voorhals zijn wit, de onderhals en de borst geelachtig wit, de veeren van den rug lichtgrijs, het achterste deel van de bovenhals en de buik tot aan den stuit roestroodbruin, naar de zijden in zwart overgaande, de slagpennen en stuurpennen witachtig grijs. De iris is bruin, van binnen met een grijzen rand, de snavel bruin, aan den rand van de onderkaak geel, de voet geelachtig. De lengte bedraagt 58 cM.

De Savakoe bewoont de struiken en het riet van de oevers van alle stroomen der Braziliaansche wouden; hij leeft eenzaam of in den broedtijd paarsgewijs. Men ziet hem in het dichte struikgewas van de rivieroevers op tamelijk hoog boven het water gelegen twijgen zitten, in de wouden van het binnenland veelvuldiger dan in de nabijheid van de zee; bij ’t naderen van een boot huppelt hij echter tamelijk behendig van de eene twijg op de andere, om zich schielijk te verbergen. Zijn voedsel bestaat, naar men zegt, uit allerlei waterdieren, hoewel niet uit Visschen.

Een van de vreemdsoortigste Vogels van Afrika en van de geheele wereld is de Schoenbek (Balaeniceps rex). Hij heeft een zwaren romp, een dikken hals en een grooten kop met een kolossalen, op een lomp gefatsoeneerden schoen of klomp gelijkenden snavel, welks wijd uiteenstaande onderkaakshelften tot aan hun vereenigingspunt door een lederachtigen huid verbonden zijn. De grondkleur van het vederenkleed is fraai aschgrauw; de randen van de groote bekleedingsveeren zijn lichtgrijs, de slagpennen en stuurpennen grauwzwart. Het oog is lichtgeel, de snavel hoornkleurig, de voet zwart. De lengte bedraagt 140 cM.

Deze reus onder de moerasvogels leeft eenzaam, paarsgewijs en in verspreide gezelschappen, zoo ver mogelijk verwijderd van alle door menschen bewoonde oorden, in de ontzaglijk uitgestrekte, meestal ontoegankelijke moerassen van den Witten Nijl en van eenige zijner bijrivieren, vooral in het land van de Kitsj- en Noeër-negers, tusschen 5 en 8° N. B. Gewoonlijk ziet men hem hier visschen in poelen, die met een dicht bosch van riet en papyruszeggen omringd zijn, soms ook bewegingloos (en niet zelden op één poot) staan op een Termietenheuvel, die zich boven een der droge plekken van het moeras verheft; hier heeft hij post gevat om uit te kijken of om zijn spijs te verteren. Schuw en voorzichtig vlucht hij bij de nadering van een mensch, wanneer deze nog veraf is; onder luid gedruisch vliegt hij dan laag en log over het riet, dat hem weldra aan het oog van den toeschouwer onttrekt.

Door zijn wijze van gaan en vliegen gelijkt de Schoenbek op den Maraboe: hij houdt den romp echter meer horizontaal en laat den zwaren kop op den krop rusten. Bij ’t vliegen trekt hij den hals in, zooals de Reigers doen. Het eenige geluid, dat hij maakt, is een luid geklepper met den snavel, overeenkomende met dat van den Ooievaar.

Over een Schoenbek, dien W. Junker gedurende zijne reizen in Afrika gevangen hield, wordt het volgende bericht: „Hij verschafte ons aan boord van ons vaartuig en later in het station Djoer Ghattas veel vermaak. Dagelijks liet ik in mijn grooten badkuip Visschen zwemmen; grappig was het, te zien hoe de groote Vogel dikwijls langen tijd achtereen roerloos in de nabijheid van het water stond, daarna plotseling den kolossalen snavel er in stak, bliksemsnel een Visch van bijna een voet lengte greep en dezen zonder eenig merkbaar bezwaar doorslikte. Hij was ongeloofelijk bedaard en phlegmatisch van aard, toonde aanvankelijk eenigen schroom, maar liet spoedig toe, dat iemand bij hem ging staan. Vermakelijk was de invloed, die hij oefende op de beide kleine Chimpanzees, die voor mijn tochtgenoot Gessi aangekomen waren; zij lieten een grenzenlooze vrees voor onzen Schoenbek blijken. Dit kwam ons zeer gelegen, want de beide Apen gedroegen zich als stoute kinderen; met hun tandenknarsen, bijten en schreeuwen tyranniseerden zij ons letterlijk gedurende onze maaltijden en dwongen ons dikwijls op te staan en weg te loopen, waarna zij zelf op de gevulde schotels aanvielen. De bedaarde en koelbloedige reus kon echter weldra tot ons groot vermaak als oppasser dienst doen en ons verlossen van den last, dien wij van onze indringerige vriendjes hadden. Sedert dien tijd noemde Gessi hem altijd „den diender”. Zoodra in ’t vervolg de Chimpanzees zich bij ons aan tafel onbehoorlijk gedroegen, jankend met de voeten op den grond stampten en op onbeschofte wijze om eten bedelden, werd er eenvoudig om „den diender” geroepen. Dadelijk dreef dan een van de gedienstige negerjongens onze lieve beschermengel naderbij; roerloos als een beeld bleef deze staan en hoewel hij niet de minste notitie van de Chimpanzees nam, poetsten deze tot aller blijdschap met teekenen van groote angst, herhaaldelijk omkijkend, zoo schielijk mogelijk de plaat.”

De Ooievaars (Ciconiidae) zijn betrekkelijk plomp gebouwde Stapvogels met dikken snavel, en lange pooten, maar korte teenen. Hun snavel is lang, recht, langwerpig kegel- en wigvormig, bij sommige een weinig bovenwaarts gebogen, bij andere in het midden uiteenwijkend, aan de spits zijdelings samengedrukt. De pooten zijn zeer lang en forsch, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; tusschen de met dikke, bolle nagels gewapende voorteenen komen kleine spanvliezen voor. De vleugels zijn groot, lang en breed; de korte, afgeronde staart bestaat uit 12 pennen; de kleine veeren aan den kop en den hals zijn smal en langwerpig of kort en afgerond, bij enkele soorten schaars en wollig of zelfs haarachtig, bij andere eindelijk door hoornachtige, lansvormige spitsen gekenmerkt. Het mannetje en het wijfje verschillen in grootte; de jongen hebben doffere kleuren dan de volwassen Vogels.

Schoenbek (Balaeniceps rex).
Schoenbek (Balaeniceps rex).

Schoenbek (Balaeniceps rex).

In alle werelddeelen en in nagenoeg alle aardgordels komen Ooievaars voor. De verblijfplaatsen van de 20 bekende soorten zijn ongelijk; over het algemeen kan men echter zeggen, dat zij aan boschrijke, vlakke, waterrijke gewesten de voorkeur geven boven hoogere en drogere oorden en daarom in bergstreken, steppen en woestijnen niet gevonden worden. De in ’t noorden broedende soorten zijn trekvogels en doorreizen meestal een verbazend groot gebied, de bewoners van ’t zuiden zwerven. Zij zijn uitsluitend over dag werkzaam, hebben een opgerichte houding met rechtstandigen of slechts zwak S-vormig gekromden hals, gaan stappend met een zekere waardigheid, waden gaarne in het water rond, zwemmen echter slechts bij uitzondering, vliegen zeer fraai, licht en meestal hoog, laten zich niet zelden op hunne wieken drijven, beschrijven dikwijls prachtige schreeflijnen, steken onder ’t vliegen den hals en de pooten recht uit en zijn hieraan op een afstand kenbaar. Men hoort van hen geen ander geluid dan een heesch gesis; zij vergoeden echter het gemis van stem door een luid geklepper met den snavel, en geven hierdoor lucht aan verschillende gemoedsaandoeningen. Zij gedragen zich op ernstige en waardige wijze en toonen ook een groote mate van schranderheid bij het beoordeelen van verschillende toestanden. Verscheidene soorten hebben zich vrijwillig onder de bescherming van den mensch geplaatst en zijn halve huisdieren geworden; zij hebben zich echter niet in slavernij begeven, maar behouden in alle omstandigheden hun onafhankelijkheid. Met hunne soortgenooten leven zij gezellig en met de groote moeras- en watervogels in goede verstandhouding, hoewel niet in vriendschap. Kleinere dieren hebben veel van hen te lijden, want zij zijn roovers van beroep en maken niet slechts jacht op Amphibiën, Visschen, Insecten en Wormen, maar in ’t algemeen op alle zwakkere dieren. Behalve van een door hen zelf gedooden buit, maken zij ook gebruik van aas en zijn hierop niet minder belust dan Hyenas en Gieren. Ondanks hun roofzucht, doen zij ons zelden overlast aan; in den regel zijn zij voor ons eer nuttig dan schadelijk. Op hooge boomen en gebouwen bevinden zich hunne uit doode takken en rijsjes samengestelde, van binnen met zachtere stoffen gevoerde nesten. Deze bevatten een klein aantal groote, ongevlekte eieren, die uitsluitend door het wijfje uitgebroed worden, maar waaraan ook het mannetje zeer gehecht is. Zoolang het wijfje broedt, brengt het mannetje haar het noodige voedsel; bovendien bemoeit hij zich later met het grootbrengen der jongen. Alle soorten kunnen getemd worden; men kan ze gemakkelijk met voedsel voorzien en op deze wijze aan den mensch, of liever aan diens woning, zoozeer gewennen, dat zij niet slechts onbeschroomd af en aan vliegen, maar ook den winter hier doorbrengen, of, indien de lust tot reizen hen te machtig is geworden, in de volgende lente op hun vroegere standplaats terugkeeren. Zij wekken onze belangstelling door hun schranderheid, door hun ernstige en waardige houding en door hun gehechtheid aan den persoon, die hen verzorgt; bovendien maken zij zich verdienstelijk door het verdelgen van allerlei ongedierte. Daar zij veel voedsel noodig hebben, behooren zij echter niet tot de goedkoopste kostgangers.

De eereplaats in deze familie komt toe aan den Ooievaar (Ciconia alba); in het graafschap Zutphen heet hij Stork, in de Betuwe Uiver, in de lage Veluwe, in Overijsel en een deel van Drente Eillèver, in Groningen Eiber, in ’t Friesch Earrebarre en Eibert, in het Oud-Friesch Adebar. Zijne veeren zijn vuilwit, met uitzondering van de slagpennen en de langste dekveeren, die een zwarte kleur hebben; het oog is bruin, de snavel lakrood, de voet bloedrood, de kale plek om het oog grauwzwart. Het mannetje is 110 cM. lang, het wijfje iets kleiner.

Met uitzondering van het hooge noorden, bezoekt de Ooievaar alle deelen van Europa, hoewel hij niet overal broedt. Zoo komt hij tegenwoordig in Engeland, waar hij vroeger veelvuldig geweest moet zijn, slechts zelden voor. Ook in Griekenland wordt hij niet meer gevonden: de bewoners van Morea hebben dezen in Turkije voor heilig gehouden Vogel geheel verdreven. In Spanje is de Ooievaar in vele voor hem volkomen geschikte oorden een zeldzame verschijning. Bovendien ontmoet men hem in Zuid-Rusland, in de gewesten om de Kaspische en de Zwarte Zee, in Syrië, Palestina, Perzië, het stroomgebied van den Oxus en Japan, voorts aan den oostkant van de Oude Wereld in het Atlas-gebied en op de Kanarische Eilanden; volgens Layard nestelt hij „ongetwijfeld” ook in Zuid-Afrika. Op zijn winterreis trekt hij door geheel Afrika en Indië. In Nederland houdt hij zich op van de eerste helft van Maart tot in het laatst van Augustus. De datum van aankomst wisselt af van 25 Februari tot 27 Maart en is dus gemiddeld 14 Maart. Enkele voorloopers en achteraankomers zijn hierbij buiten rekening gelaten (sommige komen reeds 20 Februari, andere eerst op 25 April). Evenzoo varieert de tijd van vertrek van 6 Aug. tot 15 Sept. en is dus gemiddeld 24 Augustus (sommige vertrekken reeds 1 Augustus, andere eerst 29 Sept.). In Middel- en Noord-Duitschland wisselt de tijd van aankomst van den Ooievaar af van den laatsten Februari tot den eersten April. (Enkele komen reeds in het midden van Februari, andere eerst in de tweede helft van April.) In het binnenland van Afrika verschijnt hij weinige dagen na zijn vertrek van hier. Hij geeft de voorkeur aan lage, vlakke, waterrijke gewesten, vooral aan poelen en moerassen; hij vestigt zich echter het liefst in landstreken, waar de mensch den bodem ontgonnen heeft. Wel is waar kiezen vele Ooievaars verblijfplaatsen, die ver van menschelijke woningen in de wouden gelegen zijn en bouwen hun groot nest op een dikken boom; de meeste nestelen echter op boerenerven of althans op daken.

Als men zoo gelukkig is de aankomst van den geliefden dakgast te kunnen waarnemen, zal men het paar, dat het vorige jaar hier nestelde, plotseling van een onafzienbare hoogte langs een spiraalvormigen weg op den nok van het dak zien neerdalen; van het eerste oogenblik af schijnt het zich op deze plek zoo goed thuis te gevoelen, alsof het in ’t geheel niet op reis is geweest. Onmiddellijk na zijn terugkomst hervat de Ooievaar zijne gewone werkzaamheden. Het nest dient hem werkelijk tot woning; van hier vliegt hij naar akkers en weiden, naar poelen en moerassen om te jagen, keert in de middaguren gewoonlijk terug, doet ’s namiddags een tweede uitstapje, komt voor zonsondergang weer thuis, kleppert een poos en gaat daarna slapen. Zoo besteedt hij zijne dagen, totdat de voortplantingstijd aanvangt en de zorg voor het broedsel een zekere afwijking van de gewone levenswijze teweegbrengt.

De Ooievaar heeft iets deftigs in zijne bewegingen. Met omhooggericht lichaam stapt hij langzaam en afgemeten voort. Om op te vliegen doet hij eenige weinige sprongen en klieft vervolgens betrekkelijk langzaam de lucht; hij doet dit echter op sierlijke wijze en zonder merkbare inspanning; onder het vliegen beschrijft hij fraai gebogen lijnen, stijgt volgens een prachtige spiraallijn omhoog of daalt op gelijke wijze naar beneden. Staande, buigt hij gewoonlijk den hals een weinig naar achteren en richt de punt van den snavel naar den grond; nooit is zijn houding zoo onbehaaglijk als die van de meeste Reigers; zelfs in volle rust heeft hij een deftig voorkomen. Zelden vervangt hij zijn stappenden gang door een snellere beweging; deze zou hem te zeer vermoeien; op de gewone wijze voortschrijdend, kan hij uren lang op de been blijven. Het vliegen vermoeit hem niet; hij beweegt de vleugels zelden en ook niet vaak achtereen, maar trekt op zeer geschikte wijze partij van iedere luchtstrooming; op zijne wieken drijvend, rijst en daalt hij naar verkiezing; zijne stuurorganen werken zoo uitstekend, dat iedere wending hem gelukt. Zijn verstand is meer dan gewoon ontwikkeld. „Hij weet zich,” zegt Naumann, „naar den tijd en naar de menschen te schikken en overtreft in dit opzicht bijna iederen anderen Vogel; hij weet uit te vorschen of de menschen in zijn omgeving hem genegen zijn. De schuchtere en voorzichtige Ooievaar, die weinige dagen geleden uit een vreemde landstreek is overgekomen, aanvankelijk de menschen ontweek en iedereen wantrouwde, legt onmiddellijk alle vrees ter zijde na het ontvangen van de uitnoodiging, welke opgesloten ligt in het plaatsen van een wagenrad, dat als grondslag voor zijn toekomstig nest kan dienen, op een hoog dak, een boomstam of een staak. Weinige dagen na het aanvaarden van het voor hem bestemde bouwterrein is hij reeds zoo gemeenzaam geworden, dat hij zich van nabij laat bespieden zonder eenige vrees te toonen. Spoedig leert hij zijn gastvriend kennen en van andere menschen onderscheiden; zeer goed weet hij, welke personen hem genegen zijn en welke hij niet moet vertrouwen.” Ver van het nest is de Ooievaar even schuw als al zijne verwanten. Hoewel hij de boeren, de herders en de kinderen als onschadelijke wezens heeft leeren kennen, vermijdt hij iedere toenadering en komt niet licht binnen het bereik van het wapen van den jager, die hem dooden wil. Nog veel voorzichtiger en schuwer gedraagt hij zich op den trek of in ’t algemeen nadat hij zich vereenigd heeft met andere Vogels van zijn soort. In Afrika wijkt hij voor landgenooten, voor Europeanen, steeds op grooteren afstand uit dan voor inboorlingen.

Ooievaar (Ciconia alba). ⅛ v. d. ware grootte.
Ooievaar (Ciconia alba). ⅛ v. d. ware grootte.

Ooievaar (Ciconia alba). ⅛ v. d. ware grootte.

Dikwijls hoort men den Ooievaar onschadelijk en goedaardig noemen, toch bezit hij deze eigenschappen in geenen deele. „Zijn voedingwijze maakt,” zegt Naumann, „dat het moorden voor hem een zeer gewoon bedrijf is; somtijds ontziet hij zelfs zijne soortgenooten niet. Er zijn voorbeelden van bekend, dat van elders komende Ooievaars een nest bestormden, op de jongen aanvielen en ze in weerwil van den wanhopigen tegenstand der ouders om ’t leven brachten; op verscheidene plaatsen in hetzelfde gewest gedroegen zij zich op deze wijze.” Soms heeft men opgemerkt, dat getemde exemplaren, die geplaagd werden, hun tegenstander te lijf gingen. De aangeschoten Ooievaar verweert zich dapper; de snavelstooten, waarmede hij tot aan zijn laatsten ademtocht zijne vijanden tracht te treffen, kunnen, daar zij gewoonlijk op de oogen gericht zijn, licht gevaarlijk worden voor menschen of Jachthonden.

Het eenige stemgeluid, dat de Ooievaar voortbrengen kan, is een heesch gesis, dat niet nader beschreven kan worden. Het wordt zelden gehoord, het meest nog van getemde exemplaren, die een buitengewone blijdschap aan den dag willen leggen. Gewoonlijk geeft de Ooievaar uiting aan zijn gevoel door snavelgeklepper; hij bespeelt dit zonderlinge muziekinstrument op werkelijk doeltreffende wijze, nu eens langer, dan weer korter, soms sneller, soms langzamer, sterker of zwakker; hij kleppert van blijdschap en van verdriet, als hij hongerig is en nadat hij zich verzadigd heeft; met geklepper doet hij een liefdesverklaring aan zijn wijfje en klepperend liefkoost hij zijne jongen. Deze leeren de merkwaardige, maar volstrekt niet arme taal van hunne ouders nog eerder dan het vliegen en geven, zoodra zij klepperen kunnen, hierdoor hunne aandoeningen te kennen; vóór dien tijd hoorde men van hen jankende of tsjilpende geluiden.

Het voedsel van den Ooievaar bestaat uit dieren van allerlei soort. Hij is een roofvogel in de uitgestrektste beteekenis van het woord. Waarschijnlijk alleen omdat hij Amphibiën, Muizen, Insecten en Regenwormen het gemakkelijkst kan vangen en op zijne gewone wandelingen het meest ontmoet, geeft hij aan deze dieren de voorkeur; hij doodt echter ook Hagedissen, Hazelwormen, Ringslangen en zelfs vergiftige Slangen. Hij eet even graag Visschen als Kikvorschen, maakt nu en dan in troebel water ijverig jacht op hen en verzwelgt soms exemplaren, die zoo lang zijn als een manshand. Als hij zeer hongerig is, worden kleine Slangen zonder eenige voorbereiding doorgeslikt; nog lang bewegen zij zich in zijn hals en sluipen soms weer naar buiten, wanneer hij zich schielijk bukt om een nieuwe prooi te grijpen. Dit maakt, dat zijn jacht een zeer vermakelijk schouwspel oplevert, als hij op den grond verscheidene Slangen voor zich heeft. Ook de vergiftige Adders zijn voor hem een lekkernij; hij pikt ze echter vóór het doorslikken herhaaldelijk in den kop en doet dit zoo krachtig, dat haar de lust tot bijten vergaat. Wanneer hij een enkele maal te vlug en onvoorzichtig te werk gaat en door een Adder gebeten wordt, is hij eenige dagen lang zeer ziek, maar herstelt weder geheel en al. Hij rooft de eieren van alle op den grond nestelende Vogels; de jongen, ook die van Patrijzen, doodt hij zonder genade; zelfs brengt hij soms het geheele vogelnest met wat er in zit, aan zijn kroost. Op weiden en akkers loert hij voor Muizengaten, spietst de Mollen aan zijn snavel, zoodra zij uit den grond opduiken, pakt de jonge Hazen uit het leger op, hoe dapper de moeder zich ook te weer stelt. Op bloemenrijke weiden houdt hij zich ijverig met de vangst van Insecten bezig, grijpt niet slechts die, welke zitten en kruipen, maar tracht ook de vliegende exemplaren in de vlucht op te happen. Van Padden heeft hij een afschuw; uit haat pikt hij ze dood, maar laat ze vervolgens liggen.

Daar de Ooievaar, zooals uit het zooeven gezegde blijkt, schade doet aan de jacht en ook, naar men beweert, Bijen vangt, rekenen de jagers en de bijenhouders hem tot de schadelijke Vogels en verlangen, dat hij uitgeroeid zal worden. Enkele natuuronderzoekers plaatsen zich aan hun zijde, berekenen het aantal door hem gedoode Kikvorschen en verdedigen de stelling, dat hij de akkers en weiden uitmoordt. Het is niet moeielijk de overdrijving aan te toonen, die in deze beweringen schuilt. Zelfs wanneer men in haar vollen omvang de schadelijkheid van den Ooievaar voor de jacht erkent, zal men zich nog wel even moeten bedenken, voordat men over hem een veroordeelend vonnis velt. Hij roeit de Hazen, Patrijzen, Zangvogels, Kikvorschen en Visschen niet uit, vermindert hun aantal niet eens op noemenswaardige wijze; bovendien doet hij geen nadeel aan den landbouw en de houtteelt, waarop toch wel in de allereerste plaats gelet dient te worden. Opmerkzame landbouwers hebben bevonden, dat in jaren, waarin de Ooievaars zeldzaam zijn, het aantal Muizen op bedenkelijke wijze toeneemt en ook andere soorten van ongedierte, vooral Adders, veelvuldiger voorkomen dan gewoonlijk. Dat althans de eerstgenoemde meening gegrond is, zal ieder waarschijnlijk achten, die uit het onderzoek van de uitgebraakte haarballen, het waarlijk onberekenbaar groot aantal Muizen tracht af te leiden, welke door den Ooievaar verdelgd worden. Zoowel de landbouwers als de houttelers hebben dus gelijk, wanneer zij hem als een nuttigen Vogel beschouwen en, met het oog op de door hem bewezen diensten, de onloochenbare overtredingen, waaraan hij zich schuldig maakt, over het hoofd zien.

Hetzelfde nest wordt telkens weer als broedplaats gebruikt: er zijn nesten, die sedert meer dan een eeuw ieder jaar bewoond worden. In den regel komt het mannetje een paar dagen vroeger terug dan het wijfje. Wanneer slechts één van beide terugkeert, hetgeen soms geschiedt, duurt het soms langen tijd, voordat zich bij den overgebleven Vogel een nieuwe echtgenoot voegt; in den regel hebben er dan hevige gevechten plaats om het nest, daar het de begeerlijkheid opwekt van een ander paar, waarschijnlijk jonge Vogels, die gezamenlijk de weduwe of den weduwnaar overvallen en hem of haar trachten te verdrijven of te dooden, hetwelk hun dikwijls gelukt. In een dergelijk geval ziet de mensch zich soms genoopt tusschenbeide te komen om den vrede te herstellen. Uit tal van waarnemingen valt af te leiden, dat de verbintenis van een paar Ooievaars voor het geheele leven gesloten wordt en dat de beide echtgenooten elkander trouw blijven. Als het paar geen stoornis ondervindt, begint het kort na zijn terugkomst in het vaderland zijn nest te herstellen door nieuwe takken en rijsjes aan te voeren en deze boven de oude, min of meer verrotte op te stapelen en door de nestholte met een nieuwe bekleeding te voorzien. Hierdoor worden de hoogte en zwaarte van het nest van jaar tot jaar grooter; dit kan zoo ver gaan, dat de boom of de staak, waarop het nest rust, het niet meer kan dragen en de hulp van den mensch nogmaals vereischt wordt. Op de stevigheid van de woning valt trouwens niet te roemen. Duimdikke takken en stokken, twijgen, doornen, aardkluiten en kleine graszoden vormen er den grondslag van; de tweede laag bestaat uit fijnere rijsjes, halmen en bladen van riet; droge bosjes gras, mest, strootjes, lompen, stukken papier, veeren begrenzen de eigenlijke nestholte. Alle bouwstoffen worden door beide echtgenooten in den snavel aangevoerd; gewoonlijk houdt het wijfje zich meer bepaaldelijk met het bouwen bezig. Beide werken zoo ijverig, dat een nieuw nest binnen acht dagen voltooid is; het herstellen van een oud nest is reeds in twee of drie dagen afgeloopen. Gedurende dezen tijd houdt in den regel de eene Vogel de wacht bij het nest, terwijl de andere uitvliegt om bouwstoffen te halen. Natuurlijk wordt intusschen op de meest afwisselende wijze, men zou bijna kunnen zeggen, op allerlei toonschalen en in verschillende tempo’s, geklepperd uit blijdschap over den voorspoedig volbrachten arbeid. Tegen het midden of het einde van April legt het wijfje het eerste ei, dat binnen weinige dagen door 3 of 4 andere gevolgd wordt. Het is zuiver eivormig en heeft een fijne, gladde, witte, soms eenigszins groenachtige of geelachtige schaal. Het broeden duurt 28 à 31 dagen. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten, het wijfje echter gedurende het grootste deel van den tijd; het mannetje draagt intusschen zorg voor de veiligheid van zijn gezin.

Nadat de jongen uit den dop gekomen zijn, vermeerderen de zorgen van de ouders; zij zijn dan nog waakzamer dan vroeger; nooit verwijderen beide zich te gelijker tijd van het nest. Het eerste voedsel van de jongen bestaat uit allerlei kleine dieren, Wormen, Bloedzuigers, larven, Kevers, Sprinkhanen en andere Insecten; later krijgen zij vasteren kost. Het voedsel, dat de oude Vogel in den krop aanvoert en voor de jongen uitbraakt, wordt hun niet in den bek gestopt; reeds op den eersten levensdag moeten zij zich de moeite geven het zelf op te pikken. De ouders sporen hunne kinderen hiertoe aan door ze bij den snavel te vatten en dezen naar beneden te drukken. Terwijl de oude Vogel bezig is de jongen te voederen, slikt hij telkens een deel van het uitgespuwde voedsel weer in, waarschijnlijk om het nogmaals te verwarmen. Het noodige water wordt door de oude Vogels met het voedsel in den krop aangevoerd en te gelijk met dit uitgespuwd. Als het zeer warm weder is, worden ook de jongen, naar men zegt, met water bespoten; de ouders gaan tevens aan den zonnigen kant van het nest staan om hunne jongen schaduw te verschaffen; bij koud en regenachtig weer daarentegen bedekken zij hen met hun lichaam.—Het familieleven van de Ooievaars levert steeds een onderhoudend, maar niet altijd een aangenaam schouwspel op. Het dak, waarop het nest rust, wordt met hun drek afschuwelijk bevuild; de verrotting van het voedsel dat buiten het nest gevallen is, veroorzaakt veel stank. Niet zelden zal, tot ergernis van de vrouw des huizes, de oude Ooievaar eenige der zooeven gevangen, nog half levende Hazelwormen, Ringslangen of andere griezelige en gevreesde dieren, die hij medenam om er zijne jongen mede te voederen, bij het nest verliezen, zoodat zij bij het dak langs op het erf vallen.—Toch heeft men van het vogelgezin meer genoegen dan last.—De jongen rusten in de eerste levensdagen op den geheelen loop, later op de teenen; ervaren ouders behoeden hen dan tegen het naar beneden vallen door het toevoegen van nieuwe takken en rijsjes aan het nest. De jongen worden spoedig met hun omgeving bekend; reeds vroeg toonen zij, dat hunne oogen voortreffelijk zijn, herkennen op grooten afstand hunne ouders, die met voedsel beladen terugkomen, begroeten hen aanvankelijk met gebaren, later met snavelgeklepper, dat hun in ’t eerst vrij onbeholpen afgaat. Hun groei duurt minstens twee volle maanden. Tegen het einde van dit tijdperk beginnen zij zich in ’t gebruik van hunne vleugels te oefenen, gaan op den rand van ’t nest staan, bewegen hunne wieken en wagen het eindelijk van het nest op den nok van het dak te vliegen. Zoodra zij op hunne vleugels kunnen vertrouwen, maken zij met hunne ouders uitstapjes, maar keren aanvankelijk iederen avond naar het nest terug om hier den nacht door te brengen. Langzamerhand, naarmate de tijd nadert, waarin ouden en jongen de reis naar de winterkwartieren ondernemen, vermindert de gehechtheid van de Vogels aan het verblijf hunner jeugd.

Vóór het vertrek vereenigen alle Ooievaarsfamilies uit de omstreken zich op bepaalde plaatsen, gewoonlijk op weeke, moerassige weilanden. Aanhoudend neemt het aantal leden van het gezelschap toe en tevens de duur van hun dagelijksch samenzijn. In den regel is tegen het einde van Juli de troep voltallig; kort daarna wordt de aanvang van de reis aangekondigd door een geanimeerd afscheidsgeklepper; de Ooievaars stijgen omhoog, vliegen nog eenigen tijd in kringen boven hun geboortegrond en verwijderen zich vervolgens schielijk in zuidwestelijke richting. Waarschijnlijk vereenigen verscheidene troepen zich onderweg en vormen zoo de groote zwermen, waarvan het aantal leden door Naumann op 2000 à 5000 wordt geschat.

De Ooievaar geraakt, wanneer hij uit het nest genomen wordt, spoedig aan de gevangenschap en aan een bepaalden verzorger gewoon, wordt zoo tam, dat men hem kan toestaan naar eigen verkiezing af en aan te vliegen, begroet zijne bekenden met snavelgeklepper en het uitspreiden der vleugels, toont dankbaarheid voor weldaden en vriendelijke behandeling, sluit vriendschap met groote huisdieren, maar maakt zich jegens zwakke dieren aan misbruik van macht schuldig en kan voor kinderen gevaarlijk worden. Als men een mannetje en een wijfje heeft en deze eenige vrijheid laat, nestelen en broeden zij op het erf van hun meester. Wanneer een tamme Ooievaar met een in vrijheid levenden paart en met dezen naar ’t zuiden trekt, keert hij in ’t volgende voorjaar naar ’t erf van zijn meester terug en gedraagt zich hier als vroeger.

Het is gebleken, dat de Huismarter soms jonge Ooievaars overvalt en om ’t leven brengt; er is echter geen roofdier bekend, dat voor de volwassen Vogels gevaarlijk is, tenzij misschien groote soorten van Katten en Krokodillen, die nu en dan een Ooievaar in zijne winterkwartieren buit maken. Toch merkt men geen vermeerdering van het aantal Ooievaars op; zelfs is het in vele gewesten aanmerkelijk verminderd, hoewel de mensch hen gelukkig nergens zoo sterk vervolgt, als door enkelen gewenscht wordt.

De Zwarte Ooievaar (Ciconia nigra), die in den nazomer nu en dan in ons vaderland wordt waargenomen, hoewel hij hier, voor zoover men weet, niet broedt, is gemiddeld 105 cM. lang en heeft 198 cM. vlucht (lengte van den vleugel 55, van den staart 24 cM.). De veeren van den kop, den hals en de geheele bovenzijde zijn bruinzwart, met prachtigen koper- of goudgroenen en purperen weerschijn; de bovenborst en de verdere onderdeelen zijn wit, de slagpennen en staartveeren bijna zonder glans. Het oog is roodachtig bruin, de snavel bloedrood, de voet hoog karmijnrood.

De Zwarte Ooievaar bewoont Middel- en Zuid-, zeldzamer Noord-Europa, vele landen van Azië en in den winter Afrika. Hij nestelt in vele stille wouden van de Noord-Duitsche vlakte, komt in de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie vooral in Middel-Hongarije en Galicië veelvuldig voor, broedt in Skandinavië in kleinen getale tot 60° N.B., in Rusland en Polen hier en daar, in Denemarken op geschikte plaatsen overal, niet zelden in de laaglanden bij den Donau en in Turkije. In Azië strekt zijn broedgebied zich uit over geheel Toerkistan en Zuid-Siberië, over Mongolië en China.

In tegenstelling met den Gewonen Ooievaar kiest hij steeds wouden, nooit echter oorden, waar menschen wonen, tot verblijfplaats. Evenals zijn naaste verwant verkiest hij de vlakte boven het gebergte, waterrijke streken boven droge; toch vestigt hij zich ook wel in een droge of bergachtige streek, als hij er in een stil, weinig door menschen bezocht woud oude boomen met kale takken of dooden top aantreft. Zulke boomen verschaffen hem een broedplaats en een nachtverblijf.

De Reuzenooievaars (Mycteria) zijn de grootste leden van hun familie. Zij hebben een gestrekten romp, een betrekkelijk langen en tevens slanken hals, een tamelijk grooten kop en een zeer langen snavel; deze heeft een nagenoeg rechtlijnigen of eenigszins naar boven gekromden rug; de ondersnavel is daarentegen vrij sterk naar boven gebogen; soms prijkt de bovensnavel met een zadelvormige washuid, de ondersnavel met lellen.

Bij den Zadelbekooievaar (Mycteria senegalensis) zijn de veeren van kop en hals, de bovendekveeren van den vleugel, de schouderveeren en de staart zwart met metaalglans, de overige veeren, de slagpennen er onder begrepen, schitterend wit. Het oog is hooggeel, de snavel aan den wortel rood, verderop zwart, aan de spits bloedrood; de breede, van achteren door een smallen zoom van zwarte veeren begrensde washuid, die den snavelwortel als een zadel bedekt, kan in alle richtingen bewogen worden en heeft, evenals de lellen, een hooggele kleur; de loop is grijsbruin, de teengewrichten zijn karmijnrood. Het mannetje is 146. cM. lang.

Alleen hij, die den Zadelbekooievaar levend en in de vrije natuur heeft leeren kennen, die hem gezien heeft, terwijl hij staat of gaat, of vliegend boven het donkere woud kringen beschrijft, kan den indruk, dien deze kolossale Vogel wekt, begrijpen en zijn schoonheid ten volle beseffen. Buitengewoon fier en recht is zijn houding gedurende het gaan; zijne lange pooten doen hem dan nog grooter schijnen dan hij werkelijk is. Het is een lust hem door ’t luchtruim te zien zwieren; de witte slagpennen maken dan nevens de zwarte bovendekveeren van den vleugel een prachtig effect.

Daar men in de maag van den Zadelbekooievaar Visschen, Amphibiën en Kevers vond, zal zijn voedsel wel in hoofdzaak gelijk zijn aan dat van zijn inheemschen verwant. Andere onderzoekers leerden hem als een Sprinkhanenverdelger kennen. Rüppell’s jagers schoten er een bij het aas; ook Von Heuglin heeft er een buit gemaakt, die aan Gieren en Maraboes de overblijfselen van een gestorven Kameel betwistte. Tegenwoordig komen deze Vogels niet bijzonder zelden in onze diergaarden voor. Men kan ze met vleesch en visch zeer goed in ’t leven houden; zij worden weldra even tam als andere Ooievaars, leeren hun oppasser kennen en van andere menschen onderscheiden, begroeten hem met geklepper, zoodra zij hem zien komen, gehoorzamen zijn bevel en laten toe, dat hij hen aanraakt.

De Amerikaansche Reuzenooievaar, in Brazilië Jabiroe genoemd (Mycteria americana), heeft een wit vederenkleed en een rooden ring om het onderste gedeelte van den hals; de overige deelen van den hals, de kop, de naar boven gekromde snavel en de pooten zijn zwart. Hij houdt zich op aan de meren of moerassen van tropisch Amerika in de nabijheid van bosschen, rust en nestelt op boomen, legt twee eieren en kleppert met den snavel gelijk een Ooievaar.

De leelijkste van alle Ooievaars worden Kropooievaars (Leptoptilus) genoemd, omdat hun slokdarm aan den onderhals een wijden zak vormt, die wel is waar weinig op een echten krop gelijkt, maar toch op dezelfde wijze gebruikt wordt. Overigens kenmerken zij zich door den forschen, bijna plompen romp, den dikken, onbevederden hals, den naakten of hoogstens met weinige donsveeren begroeiden, met een afschilferenden huid bekleeden kop, den kolossalen, aan den wortel zeer dikken, vierzijdigen, van voren in een wigvormige spits uitloopenden, lichten snavel, de lange pooten, de zeer groote, afgeronde vleugels en den middelmatig langen staart, de buitengewoon sterk ontwikkelde onderdekveeren heeft. Deze veeren zijn onder den naam van „Maraboe-veeren” algemeen bekend, worden als sieraad gedragen en zijn hiervoor uitnemend geschikt wegens hare fijne, onderling niet tot een vlag vereenigde baarden.

Maraboe (Leptoptilus crumenifer). ⅛ v. d. ware grootte.
Maraboe (Leptoptilus crumenifer). ⅛ v. d. ware grootte.

Maraboe (Leptoptilus crumenifer). ⅛ v. d. ware grootte.

Bij den in Afrika levenden Maraboe (Leptoptilus crumenifer), is de kop vleeschkleurig en slechts schaars bedekt met korte, haarvormige veeren, zoodat men de als ’t ware met korsten bedekte huid meestal duidelijk kan zien; ook de hals is naakt en roodachtig vleeschkleurig. De mantelveeren zijn donkergroen met metaalachtigen glans, de onderdeelen en nek wit, de slagpennen en stuurpennen zwart en zonder glans; de groote bovendekveeren van den vleugel hebben aan de buitenvlag een witten rand. Het oog is bruin, de snavel vuil witachtig geel, de voet zwart, maar in den regel wit bepleisterd met drek. Totale lengte 160, vlucht 300, lengte van den vleugel 73, van den staart 24 cM.

Behalve door zijn grootte, trekt deze Vogel door zijn lachwekkende deftigheid de aandacht. Hij doet, gelijk Vierthaler zegt, denken aan een door veeljarigen dienst krom gebogen hoveling, die, uitgedost in een blauwzwarten rok en witten spanbroek, het door een vuurrooden pruik gedekt hoofd voortdurend schuw en angstvallig naar zijn strengen gebieder keert, wiens bevelen hij afwacht. Hij herinnert mij aan iemand, die voor de eerste maal een rok aanheeft en dit kleedingstuk op niet zeer gracieuse wijze draagt. De wijze, waarop de Maraboe zich beweegt, is niet minder vermakelijk dan zijn gestalte en zijn houding; een onverstoorbare kalmte spreekt uit al zijne gebaren; zijn gang, iedere stap, dien hij doet, elke wending van den kop is als ’t ware berekend, nauwkeurig afgemeten.

Waarschijnlijk is er geen Vogel, die den Maraboe in vraatzucht evenaart. In de vrije natuur bestaat zijn voedsel gewoonlijk uit allerlei Gewervelde Dieren, welker grootte afwisselt tusschen die van een Rat of van een jongen Krokodil en die van de kleinste soort van Muizen; hij eet echter ook Schelpdieren, Spinachtigen en Insecten en houdt veel van aas. Men haalde uit zijn krop geheele runderooren en runderpooten met hoeven en al, ook beenderen van zulk een grootte, dat een andere Vogel ze in ’t geheel niet zou hebben kunnen verzwelgen; men heeft hem aarde, waarop bloed gestort was, en met bloed bemorste vodden zien doorslikken; exemplaren, die vleugellam geschoten waren, pakten, voordat zij vluchtten, nog in der haast een flinken hap. Met de Gieren en de Honden ligt de Maraboe voortdurend overhoop. Hij strijkt geregeld met de Gieren op het aas neer en weet zich op zijn plaats aan dezen disch te handhaven.

De jacht op Maraboes is moeielijk, wegens hun buitengewone schuwheid. Zelfs, wanneer men zich naar de slaapplaats van deze schrandere dieren begeeft, kan men er niet vast op rekenen, hen te zullen verschalken. Gemakkelijker is het, althans voor den inboorling, aan wiens verschijning de Maraboes gewoon zijn, hen te vangen. Men werpt een schapebout, die aan een stevig, lang touw gebonden is, te midden van het overige afval. De Maraboe, die het lokaas inslokt, zit als aan een hengel vast en wordt gevangen, voordat hij tijd heeft gehad om het been uit te werpen.

In onze diergaarden ontbreekt de Maraboe gewoonlijk niet, omdat hij meer dan eenige andere Vogel van zijn grootte de aandacht trekt. Men kan hem bij allerlei gevogelte houden, zonder dat men voor zijne metgezellen behoeft te vreezen, want reeds op den eersten dag van hun samenzijn zullen allen zijn opperheerschappij erkennen; grooten en kleinen gaan hem voorzichtig uit den weg en gunnen hem den voorrang aan den voederbak. Zoodra hij zich verzadigd heeft, is hij het goedaardigste dier van de wereld; nooit zal hij, zonder geplaagd te zijn, met een ander dier twisten. Maar ook voor den Maraboe behoeft men niet bezorgd te zijn, zelfs bij aanwezigheid van gevaarlijke dieren. Een tam exemplaar, dat op ons erf in Khartoem rondliep, wist in korten tijd zich door alle overige dieren te doen eerbiedigen en deed zelfs onze jonge, plaagzieke leeuwin, die uit pure baldadigheid een aanval op den Vogel had gewaagd, gevoelen, dat het niet raadzaam was met hem gekheid te maken. Onmiddellijk nadat de aanval gebeurd was, keerde de Maraboe zich tegen de Leeuwin en gaf deze met den kolossalen, wigvormigen snavel zulk een gevoelige les, dat „Bachida” het geraden achtte zoo snel mogelijk te retireeren en bij een omheining naar boven klauterde om zich in veiligheid te stellen, toen zij door den dapperen Vogel vervolgd werd.

De Gapers (Anastomus) hebben een dikken, zijdelings samengedrukten, aan de randen binnenwaarts gebogen snavel, welks fijn getande zijranden slechts aan den wortel en aan de spits samenkomen, in het midden echter uiteenwijken.

De Afrikaansche Gaper (Anastomus lamelligerus) is een weinig kleiner dan de Gewone Ooievaar. Zijn vederenkleed onderscheidt zich van dat der overige Ooievaars, doordat de schaften van alle veeren aan hals, buik en schenkels, ongeveer op dezelfde wijze als bij den Pestvogel en het Sonnerat-hoen, aan de spits in lange hoornplaatjes veranderd zijn. Deze plaatjes hebben, evenals de schaften, een groenachtigen en purperkleurigen glans; zij verschaffen aan het vederenkleed, dat er overigens zwart uitziet, een eigenaardige bekoorlijkheid.

Deze Vogel bewoont het midden en het zuiden van Afrika.

Vóór het aanbreken van den dag, dikwijls reeds in den diksten nevel, vertoont hij zich in broeklanden en moerassen, bij regenvijvers en ook aan de zeekust om Slakken en andere Schelpdieren, Visschen en Kikvorschen te vangen. Slakken maken het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uit; naar het schijnt, behelpt hij zich vaak met Schaaldieren, Sprinkhanen en Wormen en maakt ook van dierlijken afval gebruik. De Slakken worden uit het water, de Mossels uit het slijk opgevischt; hij weet de schelpen behendig te openen en van hun inhoud te berooven.

Aan de Ibissen herinneren de Nimmerzats (Tantalus). Zij hebben een forsch gebouwden romp, een middelmatig langen hals en een tamelijk grooten kop; de snavel is lang, afgerond en aan de scherpe zijranden duidelijk naar binnen gebogen; de hooge en krachtige loop draagt lange teenen, die door een breed vlies met elkander verbonden zijn; de spits van de breede en lange vleugels wordt gevormd door de tweede slagpen; de staart is kort, het kleed uit talrijke, hoewel kleine, bij enkele soorten zacht en fraai gekleurde veeren samengesteld.

De Nimmerzat (Tantalus ibis) is wit, op den rug met rozerood waas; de vleugeldekveeren en schouderveeren zijn geteekend met een vóór de witte spits staande, rozeroode of purperkleurige vlek met smallen, donkerder zoom; de slag- en stuurpennen zijn glanzig groenzwart, de dekveeren van de onderzijde van den vleugel gelijken op die van de bovenzijde, maar zijn nog prachtiger van kleur. Het oog is geelachtig wit, de snavel wasgeel, de voet lichtrood, het naakte aangezicht vermiljoenrood. De lengte bedraagt 90 à 104 cM.

Middel-Afrika is het vaderland van den Nimmerzat. Benoorden 18° Z.B. heeft men hem aan alle wateren van het binnenland, in kleinen getale ook aan de zeekust gevonden. In Augustus draagt hij zijn prachtkleed; men mag het er dus voor houden, dat hij in September broedt.

In de morgen- en avonduren houden deze Vogels zich met de jacht bezig; naar het schijnt, vangen zij allerlei kleine dieren zonder uitzondering, dus ook Zoogdieren en jonge Vogels, hoewel Visschen, Wateramphibiën en Wormen wel het hoofdbestanddeel van hun voedsel zullen uitmaken. Des middags ziet men ze gewoonlijk in talrijke scharen op zandige eilanden in den stroom of in ondiep water staan, of ook wel op boomen uitrusten. Door hun wijze van gaan en vliegen gelijken zij zoozeer op onze Ooievaars, dat er eigenlijk geen belangrijk verschil tusschen beider beweging valt op te merken.

In den laatsten tijd heeft men vaak jonge Nimmerzats uit West-Afrika levend naar Europa overgebracht. Het is niet moeielijk hen hier in ’t leven te houden, daar zij tevreden zijn met soortgelijk voedsel als de Ooievaars. Ons klimaat bevalt hun echter niet en vorst kunnen zij niet verdragen. Hoewel hunne gewoonten aan die der Ooievaars herinneren, steken zij bij deze gunstig af door hun zachtmoediger aard en hun buitengewone verdraagzaamheid. Volgens Bodinus onderscheiden deze Vogels zich door de eigenaardigheid, dat zij den geopenden snavel in ’t water steken, alsof zij er op rekenen, dat de Visschen uit vrije verkiezing hun in den bek zullen zwemmen. Deze waan zou slecht passen bij den naam „Nimmerzat”, dien zij trouwens niet verdienen, daar zij volstrekt niet vraatzuchtiger zijn dan hunne verwanten.

Nimmerzat (Tantalus ibis). ¼ v. d. ware grootte.
Nimmerzat (Tantalus ibis). ¼ v. d. ware grootte.

Nimmerzat (Tantalus ibis). ¼ v. d. ware grootte.

De familie der Hamerkopvogels (Scopidae), die zich door den vorm van den snavel en de zeer eigenaardige wijze van nestelen onderscheidt, heeft tot eenigen vertegenwoordiger den Ombervogel (Scopus umbretta). De romp is gedrongen en bijna rolvormig, de hals kort en dik, de kop betrekkelijk groot, de snavel hoog, langer dan de kop, zijdelings zeer sterk samengedrukt, recht, met naar beneden gebogen spits; de voet is middelmatig lang, het vlies, dat de teenen verbindt, diep uitgesneden. De vleugels zijn breed en sterk afgerond, hun spits wordt door de derde slagpen gevormd; de middelmatig lange staart bestaat uit 12 pennen. De kleine veeren zijn dicht en lang; de achterkop prijkt met een groote, dichte kuif. De kleur van het vederenkleed is bijna effen omberbruin, op de onderdeelen, als naar gewoonte, iets lichter; de slagpennen zijn donkerder dan de rug en glanzig; de stuurpennen hebben aan ’t einde een breeden, purperbruinen band en verscheidene onregelmatige, smalle banden aan het wortelgedeelte. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet zwartbruin of zwart. Totale lengte 56, staartlengte 16 cM.

Deze Vogel werd in nagenoeg alle gewesten van het Ethiopische gebied met inbegrip van Madagaskar en het zuiden van Arabië aangetroffen; hij schijnt echter nergens talrijk te zijn. Hij houdt zich bij voorkeur in het lage land op, maar begeeft zich in de gebergten van Abessinië tot een hoogte van 3000 M. Zittend trekt hij den hals zeer sterk in en legt de kuif meestal zeer dicht tegen den rug aan, zoodat de kop onmiddellijk op de schouders schijnt te rusten. Zonder de kuif en de dunne steltpooten zou men hem bijna voor een Raafvogel kunnen houden. Nog meer gelijkt hij op sommige Ibissen. In den regel ziet men hem bij beken in ’t woud, of althans aan de oevers van een stroom op plaatsen waar het woud zich zoo ver uitstrekt. Visschen vormen een hoofdbestanddeel van zijn maal; hij eet echter ook Schelpdieren, Amphibiën (vooral Kikvorschen), kleine Slangen, Schaaldieren, Wormen en larven van Insecten. Het bedrijvigst is hij in de morgen- en avondschemering; over dag zit hij, blijkbaar slapend, bewegingloos op een plaats of houdt zich in de donkerste gedeelten van het woud op.

Het kolossaal groote, kunstig van rijsjes en leem samengestelde nest, dat aan een der zijden met een ronde toegangsopening voorzien is, rust meestal op een der onderste stam- of takgaffels van een mimosa, niet zeer hoog boven den grond; het wordt echter ook wel op een boomtak of op hooge struiken gebouwd. Buitenwerks heeft het 1½ à 2 M. middellijn; ongeveer even hoog is het koepelvormige dak. Het bevat drie vertrekken, vaneengescheiden door volslagen tusschenschotten met een opening er in; van de stoep vóór den ingang komt men in een portaal, van hier in een proviandkamer, waarachter zich de slaapkamer bevindt. De wanden van deze kamers zijn van binnen even netjes als van buiten; alle openingen zijn zoo groot, dat de Vogel er juist door kan. Daar het achterste en ruimste vertrek hooger gelegen is dan de beide andere, kan het regenwater, dat er bij geval in doordringt, wegvloeien; het geheele gebouw is echter zoo goed bewerkt, dat het zelfs door hevige regenbuien niet beschadigd wordt; mocht dit een enkele maal gebeuren, zoo wordt het gebrek spoedig en degelijk door de bewoners hersteld. In de slaapkamer liggen op een zacht kussen van plantendeelen 3 à 5 witte eieren, die door het mannetje en het wijfje om beurten bebroed worden. Het middelste vertrek dient als bergplaats voor den jachtbuit; voortdurend vindt men hier als een bewijs van meer dan voldoenden voorraad, verdroogde of verrotte dieren. In de voorkamer, die de kleinste is, houdt zich een schildwacht op, die steeds op den uitkijk staat, en, zoodra hij onraad bespeurt, door zijn heesch geschreeuw de andere bewoners van het huis waarschuwt en tot vluchten aanspoort.

De laatste familie van de Stapvogels is die der Ibisvogels (Ibidae), waarvan men omstreeks 30 soorten kent, die over de geheele aarde verbreid voorkomen. Zij zijn middelmatig groot en bevallig gebouwd; hun snavel is tamelijk zacht, slechts aan de spits hard en kan tweeërlei vorm vertoonen; een groeve strekt zich bij beide van het neusgat tot aan de spits uit. De voeten zijn middelmatig hoog, de voorteenen door een kort spanvlies verbonden. De vleugel is tamelijk spits, de staart recht afgeknot, het vederenkleed goed ontwikkeld. Deze Vogels hebben een opmerkelijk korte, breede tong. Zij worden over twee onderfamiliën verdeeld.

De Ibisachtigen (Ibidinae), die de eerste onderfamilie vormen, zijn betrekkelijk kleine, maar krachtig gebouwde Vogels met middelmatig langen hals, kleinen kop en slanken, langen, sikkelvormig naar beneden gekromden snavel. Eenige soorten vallen in ’t oog door de naaktheid van ’t aangezicht en van den hals, door de eigenaardige bekleeding van deze lichaamsdeelen, door de grootere lengte van de veeren aan de achterzijde van den hals enz. De mannetjes en de wijfjes vertoonen een gering, de jongen en de ouden een aanmerkelijk kleursverschil.

De Ibisachtigen bewonen hoofdzakelijk den warmen gordel van alle werelddeelen: enkele soorten worden in zeer verschillende landen aangetroffen, andere hebben een meer beperkt verbreidingsgebied. Die, welke in ’t noorden leven, behooren tot de trekvogels; de overige zwerven. Zij houden zich op in moerassen, broeklanden en wouden, slapen ’s nachts, verlaten tegen zonsopgang hunne slaapplaatsen om voedsel te zoeken, zijn over dag werkzaam, rusten in de middaguren, zoeken ’s namiddags opnieuw voedsel en begeven zich ’s avonds naar de boomen, waarin zij gemeenschappelijk slapen; zij trekken niet anders dan over dag, niet eens bij heldere maneschijn ’s nachts. Hun stem is onwelluidend, heeft altijd een doffen en heeschen of krijschenden, klagenden en schellen klank; bij enkele soorten is zij zeer zonderling, bij geen enkel lid der familie werkelijk aangenaam. Zij, die zich bij voorkeur aan riviermonden of aan het zeestrand ophouden, eten hoofdzakelijk Visschen, Schaaldieren en Weekdieren, zij, die het liefst in moerassen leven, Visschen, allerlei soorten van Amphibiën en andere kleine waterdieren. Hun nest bouwen zij steeds in een boomkruin of in het struikgewas, tenzij een hier nestelende Vogel hen van deze moeite ontheft; hier broeden zij op 3 à 6 effenkleurige eieren. De jongen hebben minstens 2 jaar noodig voor hun ontwikkeling. De jager laat hen meestal met vrede, hoewel hun welsmakend vleesch hem een vergoeding zou schenken voor zijn moeite. Des te ijveriger is men er op bedacht hen te temmen, daar zij niet slechts aan den mensch gewend geraken, maar dezen ook door hun verstand en hun beminnelijken aard veel genoegen verschaffen.

Een lange, boogvormige, betrekkelijk dunne snavel, middelmatig lange voeten, tamelijk breede, afgeronde vleugels, een betrekkelijk korte staart en een dicht vederenkleed, dat slechts den teugel onbedekt laat, zijn de kenmerken van het geslacht der Sikkel-ibissen (Plegadis), in Europa vertegenwoordigd door den Gewonen Ibis (Plegadis falcinellus). De hals, de borst, de buik, de schenkels en het bovenste deel van de vleugels zijn kastanjebruinrood; de kruin is donkerbruin met rooden weerschijn, de rug zwartbruin met paarsen of groenachtigen glans; dezelfde kleur hebben de pennen van de vleugels en van den staart. Het oog is bruin en met een naakten, groengrijzen kring omgeven, de snavel vuil donkergroen, de voet groengrijs. Lengte 60 cM. (waarvan er 11 op den snavel en 9 op den staart komen), vlucht 98, lengte van den vleugel 35 cM. In het winterkleed zijn de kop en de achterhals zwart, welke kleur naar onderen lichter wordt, alle veeren hebben een witten zoom; overigens is de kleur der bovendeelen een mengsel van koperkleur en groen, de onderdeelen zijn bruingrijs. Bij de jongen is het bruinrood der onderdeelen door grijsbruin vervangen en heeft het groen der bovendeelen een gelen tint.

De Ibis komt in alle vijf werelddeelen voor. In Europa bewoont hij de lage landen aan den Donau, Rusland en het zuiden van Polen, in kleinen getale ook Zuid-Italië, Zuid-Frankrijk en Spanje, in Azië alle landen van de Kaspische en de Zwarte Zee, Anatolië, Perzië, Syrië en geheel Indië; in Afrika nestelt hij aan de strandmeren van het noorden, misschien ook in het midden, het westen en het zuidoosten van dit werelddeel, waarheen hij zich geregeld op den trek begeeft; in Australië komt hij op voor hem geschikte plaatsen overal voor; in Amerika heeft men hem van 46° N.B. tot 40° Z.B. waargenomen. Uit Hongarije en Rusland dwalen nu en dan enkele exemplaren naar ’t westen en noorden, zelfs naar IJsland af. In Nederland zijn er sedert 1812 twaalf geschoten. In Hongarije is hij geen standvogel zooals in Egypte, maar een zomergast, die geregeld in het einde van April of het begin van Mei komt en in Augustus, op zijn laatst in September vertrekt en zich intusschen ophoudt in de uitgestrekte vlakten aan den benedenloop van den Donau, den Sau en den Drau, die door deze stroomen tijdelijk onder water worden gezet. In ’t algemeen bezoekt hij bij voorkeur strandmeren en broeklanden of slijkerige gronden, ook moerassen; hierbij of hierin bevinden zich zijne broedplaatsen. Bijna altijd vliegen deze Vogels in vrij groote troepen, steeds hoog boven den grond, soms in stomp wigvormige rangorde, vaker echter naast elkander op een lange lijn, zoo dicht opeengedrongen, dat de vleugelspitsen van iederen Vogel die van zijne buren schijnen aan te raken; deze lijn beweegt zich met bevallige, slangsgewijze kronkelingen vooruit. „Het is een prachtig schouwspel”, zegt Naumann, „deze lange reeks door de lucht te zien zwieren. Zij herinnert aan een herfstdraad, die door een zachte koelte in dwarse richting wordt voortgedreven, blijft niet zuiver recht, maar maakt hoogst bevallige, zeer verschillende, zacht opklimmende en afdalende, telkens veranderende kronkelingen. Hoewel de golvingen van deze reeks voortdurend afwisselen, blijft zij steeds gesloten en behoudt iedere Vogel dezelfde richting als zijn buurman.”

De Sikkel-ibissen, hoewel deftig en ernstig van voorkomen, zijn vroolijk en zelfs overmoedig van aard; af en toe plagen zij niet slechts elkander, maar ook andere Vogels. Zij zijn even voorzichtig en schuw als de overige moerasvogels en behooren tot de schranderste leden hunner familie.

Gedurende den zomer bestaat hun voedsel waarschijnlijk grootendeels uit larven van Insecten en wormpjes, doch ook uit volkomene Insecten, vooral Sprinkhanen, Waterjuffers, Kevers, enz.; des winters maken zij Weekdieren, Wormen, vischjes, kleine Amphibiën en anderen Weekdieren buit.

In de gevangenschap houden zij zich zeer goed, kunnen met allerlei Vogels goed overweg en worden zeer tam; ook broeden zij in de kooi.

Wegens zijn prachtige kleur vermelden wij nog de Roode Ibis (Plegadis ruber), die Middel- en Zuid-Amerika bewoont. De volwassen Vogel is karmijnrood, alleen de toppen der slagpennen zijn zwart. In grootte komt hij met den Heiligen Ibis overeen.

De Nijlstroom werd door het volk der Pharaonen beschouwd als de voortbrenger en onderhouder van al wat leeft; hierdoor kwam de Ibis, die met het wassen van den stroom in Egypte verscheen, in hoog aanzien. Men beschouwde hem als een heilige Vogel en zorgde er voor, dat zijn stoffelijk overschot voor bederf bewaard werd en gedurende duizenden van jaren onveranderd bleef. In een der piramiden van Sakhara vindt men duizenden mummiën van deze Vogels in urnen of ook wel in kamers laagsgewijs opeengestapeld.

Niet slechts de Egyptenaars, maar ook vreemdelingen, die het land der wonderen bezochten, verkondigden den lof van den Ibis. Herodotus verhaalt, dat deze Vogel Draken, vliegende Slangen en ander ongedierte doodt en daarom bij de bewoners van Egypte in hooge eer wordt gehouden. Plinius bericht, dat de Egyptenaren bij het naderen van Slangen gebeden tot den Ibis opzonden. Volgens Josephus nam Mozes, toen hij tegen de Ethiopiërs te velde trok, Ibissen in papyrus-kooien mede om de Slangen af te weren. Piraeus verhaalt, dat Krokodillen en Slangen door aanraking met een Ibis-veer betooverd worden, onbewegelijk blijven of zelfs onmiddellijk sterven. Nog bij veel latere schrijvers vindt men vermeld, dat het voedsel van den Ibis uit Slangen en andere Kruipende Dieren bestaat. „Hij heeft,” volgens Belon (1517–1564), „een onbedwingbare begeerte naar slangenvleesch; zijn haat tegen de Kruipende Dieren in ’t algemeen is zoo groot, dat hij ze, zelfs wanneer hij verzadigd is, nog steeds tracht te dooden.” Diodorus van Sicilië beweert, dat de Ibis dag en nacht aan den oever de Kruipende Dieren beloert, hunne eieren opzoekt en tevens Kevers en Sprinkhanen vangt. Cicero merkt op, dat de Egyptenaren alleen aan de dieren die hun nuttig zijn, goddelijke eer bewijzen.

De Ibis of Heilige Ibis (Ibis aethiopica of religiosa), wordt als vertegenwoordiger beschouwd van een gelijknamig geslacht, dat zich van het vorige onderscheidt door den minder slanken, aan den wortel tamelijk dikken snavel, de naaktheid van kop en hals bij het oude dier en het maaksel der schouderveeren, die aan de spits losbaardig zijn. Het vederenkleed is wit, onder de vleugels geelachtig; de schouderveeren en de spitsen van de slagpennen zijn blauwachtig zwart. Het oog is karmijnrood, de snavel zwart, de voet zwartbruin. De naakte, zwarte huid van den hals is fluweelachtig voor het gevoel en kleurt merkbaar af. Totale lengte 75, staartlengte 16 cM.

Opmerkelijk is het, dat de Ibis tegenwoordig Egypte niet meer bezoekt, althans niet meer geregeld en er waarschijnlijk slechts bij uitzondering nestelt en broedt. Als voorbode van het wassen van den Nijl treedt hij eerst in ’t zuiden van Nubië op. Reeds bij Khartoem broeden eenige paren; verder zuidwaarts is dit een zeer gewoon verschijnsel. Onmiddellijk na hun terugkomst begeven deze Vogels zich naar hunne broedplaatsen, die met de uiterste zorg gekozen zijn en maken van hier uit meer of minder verre tochten om voedsel te zoeken. Men ziet ze bij paren in de steppe Sprinkhanen vangen; zij houden zich op aan de oevers van rivieren en regenplassen en zeer dikwijls ook, meestal in gezelschap van den kleinen Koereiger, bij het vee; voor de herders, voor de inboorlingen in ’t algemeen, toonen zij niet de minste vrees. De houding van den Ibis is deftig, zijn gang afgemeten, steeds stappend, nimmer rennend, zijn vlucht zeer licht en fraai, ongeveer gelijk aan die van zijn Europeeschen verwant. Zijn stem klinkt als „Krah” of „Gah”.

Het is wel mogelijk, dat de Ibis kleine Slangen verslindt; met groote en gevaarlijke laat hij zich echter niet in. Gedurende den regentijd bestaat zijn voedsel, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk, uit Insecten. In de maag van gedoode exemplaren vond men Sprinkhanen of allerlei soorten van Kevers, vooral Mestkevers; gevangene exemplaren aten met smaak de kleine Amphibiën, die men hun toewierp, maar gaven toch aan Insecten de voorkeur.

De jonge Ibissen, die wij grootbrachten, werden aanvankelijk met stukken rauw vleesch „gepropt” en aten dit voedsel zeer gaarne. Honger gaven zij te kennen door en vreemdsoortig geschreeuw, dat men even goed door „tsiek tsiek tsiek” als door „tierr tierr tierr” kan nabootsen; het ging gepaard met een trillende beweging van den kop en den hals en soms ook met hevige vleugelslagen; deze moesten als ’t ware aan hun geschreeuw een grooteren nadruk geven. Na weinige dagen aten zij het voor hen bestemde voedsel uit de hand; reeds in den loop van de eerste week was al wat eetbaar is, hun welkom. Het liefst slobberden zij hun voedsel, vooral het brood, evenals de Eenden, met den snavel uit het water op.

Deze jongen gedroegen zich reeds op den eersten dag van hun leven in gevangenschap stil, ernstig en verstandig, werden mettertijd tam en gemeenzaam, kwamen, als men ze riep en volgden hun verzorger ten slotte door het geheele huis. Zij hadden de hoogst zonderlinge gewoonte van zich gaarne op zachte voorwerpen neer te vleien. Telkens wanneer het van leeren riemen gevlochten, veerkrachtige onderstel van het op Soedaneesche wijze vervaardigde bed buiten werd gebracht, kon men er zeker van zijn, na verloop van korten tijd de Ibissen hierop uitgestrekt te zullen vinden; zij lagen steeds plat op den buik met achterwaarts gerichte pooten, schenen zich zeer op hun gemak te gevoelen en stonden niet op, als iemand bij hen kwam. Met alle overige Vogels van ons erf leefden zij in goede verstandhouding; nooit althans waren zij de aanvallende partij. Onderling twistten zij nooit; zij waren steeds bijeen; zelden verwijderde een hunner zich ver van de overige; ’s nachts sliepen zij dicht naast elkander.

Heilige Ibis (Ibis aethiopica). ⅕ v. d. ware grootte.
Heilige Ibis (Ibis aethiopica). ⅕ v. d. ware grootte.

Heilige Ibis (Ibis aethiopica). ⅕ v. d. ware grootte.

De Egyptenaars hebben waarschijnlijk indertijd den Heiligen Ibis in half wilden toestand gefokt. Bij goede verzorging broedt deze Vogel ook wel in onze diergaarden.

De Soedaneezen maken niet opzettelijk jacht op den Ibis, hoewel zijn smakelijk vleesch de moeite wel zou loonen; een toevallig gevangen exemplaar eten zij echter gaarne. De vrije negers gebruiken de losbaardige veeren van dezen Vogel als hoofdtooi.

Ook de onderfamilie van de Lepelaarachtigen (Plataleinae) is zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd. Hare leden zijn grooter en krachtiger dan de Ibissen, hunne naaste verwanten, van welke zij zich onderscheiden door den langen, nagenoeg rechten, lagen, van voren buitengewoon sterk afgeplatten en spatelvormig verbreeden snavel; het afgeronde uiteinde van den bovensnavel verlengt zich tot een kleine, benedenwaarts gebogen spits of nagel; de binnenzijde van de kaken is met overlangsche groeven voorzien. De voeten zijn krachtig en tamelijk lang, de drie voorteenen aan den wortel door betrekkelijk breede spanvliezen verbonden, de klauwen stomp en klein. De vleugels zijn groot en breed; de korte, eenigszins afgeronde staart bestaat uit 12 pennen. Aan den achterhals komt soms een kuif voor; de gorgel en meestal ook een deel van den bovenkop zijn onbevederd. De kleur van hun vederenkleed is in den regel nagenoeg effen; bij het mannetje en het wijfje, in den zomer en in den winter gelijk; tusschen de jongen en de volwassenen bestaat eenig verschil.

Nederland, de laaglanden bij den Donau, geheel Middel-Azië tot Middel-Indië, alsmede de Kanarische Eilanden en de Azoren vormen het vaderland van den Lepelaar, die soms Lepelgans wordt genoemd (Platalea leucorodia). Met uitzondering van een geelachtigen band om den kop, is hij zuiver wit, het oog karmijnrood, de ring er om heen geelachtig groen, de snavel zwart, op het schijfvormige gedeelte geel, de keel groenachtig geel. Totale lengte 80, vlucht 140, lengte van den vleugel 44, van den staart 13 cM.

In Indië en Zuid-Azië in ’t algemeen is de Lepelaar waarschijnlijk, evenals in Egypte, een standvogel; in noordelijker landen komt en vertrekt hij met de Ooievaars. Hier te lande houdt hij zich op van April tot September en broedt op moerassen en plassen in de nabijheid van de monden der groote rivieren. Het zoogenaamde Schollevaarseiland, welks omgeving door de bedijking van den Prins Alexander-polder is droog gelegd, was een zijner meest bekende verblijfplaatsen, zoo ook het Horstermeer, tusschen Amsterdam en Utrecht, en het Zwanenwater bij Calantsoog. Gaarne begeeft hij zich naar slibrijke plaatsen; b.v. naar de Zeeuwsche stroomen, naar het noordelijk gedeelte van Texel en Vlieland, enz. Na den broedtijd zwerft hij eenigen tijd rond en bezoekt dan ook de andere deelen van ons land. Broedkolonies van dezen Vogel zijn echter alleen in Noord- en Zuid-Holland en Noordbrabant gevonden.

Lepelaar (Platalea leucorodia). ⅕ v. d. ware grootte.
Lepelaar (Platalea leucorodia). ⅕ v. d. ware grootte.

Lepelaar (Platalea leucorodia). ⅕ v. d. ware grootte.

Het broeden van den Lepelaar in Nederland is een zeer opmerkelijk verschijnsel, daar zijne overige broedplaatsen in Europa veel zuidelijker liggen, n.l. in Hongarije. In Griekenland komt hij geregeld op den trek, maar broedt er niet, evenmin in Italië, waar hij, vooral in de moerassen op de kust van Sardinië, overwintert, ook niet in Frankrijk, waar hij in ’t voor- en najaar, vooral in Bretagne, vertoeft, noch in Spanje. In zijn vaderland zoowel als in den vreemde geeft hij duidelijk de voorkeur aan strandmeren en moerassen boven de zee; hij is geen zeevogel, maar bezoekt soortgelijke oorden als zijne naaste verwanten, de Ibissen. Wel zijn de ondiepe en modderige kustgedeelten van de zee een zeer geliefd jachtveld van den Lepelaar, doch ook deze zou men als een groot moeras kunnen beschouwen. Oevers, die met hoog opgaande planten begroeid zijn, vermijdt hij steeds; het zijn de slijkerige waterkanten, die hem aantrekken. Met afgemeten passen en ver voorovergebogen bovenlijf stapt hij hier, zoolang hij voedsel zoekt, meestal wadend rond en doorzoekt, terwijl hij den snavel voortdurend heen en weer beweegt, op soortgelijke wijze als de Kluit, het water en de slib. Zelden (alleen om zich te vergewissen, dat geen gevaar hem bedreigt) strekt hij den hals naar boven; in tijden van rust is dit lichaamsdeel in den vorm van een ver naar voren uitpuilende lus gekromd, zoodat de kop nagenoeg tusschen de schouders komt te liggen. De gang van den Lepelaar, hoewel deftig en afgemeten, is toch bevalliger dan die van den Ooievaar. Zijn vlucht is zeer licht en fraai; hij beschrijft dikwijls kringen in de lucht en laat zich vaak op zijne wieken drijven. Van den vliegenden Reiger verschilt hij dan door den steeds recht vooruitgestoken hals, van den vliegenden Ooievaar door de veelvuldigere en sneller opeenvolgende vleugelslagen. Op den trek vliegen de Lepelaars meestal in een lange dwarsreeks. Zij reizen over dag, maar schijnen geen bijzondere haast te maken; onderweg houden zij zich overal op, waar de gelegenheid bestaat om op hun eigenaardige wijze voedsel te zoeken.

Een Lepelaar is voorzichtig en schrander, weet zich in de omstandigheden te schikken en leert iedere gebeurtenis spoedig op haar juiste waarde te schatten. Hij is betrekkelijk gemeenzaam op alle plaatsen, waar hij niets te vreezen heeft, uiterst schuw daarentegen overal, waar op Moerasvogels jacht wordt gemaakt. In het verkeer met zijne soortgenooten toont hij zich in hooge mate gezellig en vreedzaam. Evenals de meeste Stapvogels, werkt de Lepelaar over dag; het heldere maanlicht verlokt hem echter dikwijls tot nachtbraken; hij gaat dan ook ’s nachts een poos voedsel zoeken. Zijn vangst bestaat ongetwijfeld grootendeels uit Visschen. Exemplaren van 10 à 15 cM. lengte kan hij verzwelgen; deze worden zeer behendig met den snavel aangepakt, omgedraaid, totdat zij in de juiste positie komen en met den kop vooruit ingeslikt. Voorts verzwelgt hij Mossels en Slakken met schelp en al en eet waarschijnlijk ook allerlei andere kleine waterdieren, Schaaldieren, in ’t water levende Amphibiën, Insecten in alle ontwikkelingstoestanden, enz.

De stem van den Lepelaar, een kwakend geluid, wordt zelden waargenomen en is slechts op geringen afstand hoorbaar.

De Lepelaars broeden gezellig in streken waar zij veelvuldig voorkomen; elke boom in hunne kolonies draagt zooveel nesten als er op geplaatst kunnen worden. Hun nest is los en slordig gebouwd van droge takjes en riethalmen en van binnen bekleed met droge bladen en pluimen van riet en biezen. Het bevat, als het broeden aanvangt, 2 of 3 (zelden 4) betrekkelijk groote eieren. Op de dikke, grofkorrelige, glanslooze schaal komt op witten grond een uit vele roodachtig grijze en gele vlekken bestaande teekening voor, die zeer verschillend kan zijn.

Voorheen werd ook de Lepelaar met Valken gejaagd; tegenwoordig doodt men hem hier en daar nog ter wille van zijn eetbaar, hoewel niet bijzonder smakelijk vleesch.

De Flamingo’s (Phoenicopteridae), die vroeger als Zwemvogels werden beschouwd, moeten volgens latere, nauwkeurigere onderzoekingen meer in de buurt van de Stapvogels staan. Zij vormen met eenige uitgestorvene Vogels (Palaelodidae) een afzonderlijke groep van de onderorde der Worgvogels, n.l. die der Flamingovogels (Phoenicopterii).

Flamingo (Phoenicopterus roseus). ⅕ v. d. ware grootte.
Flamingo (Phoenicopterus roseus). ⅕ v. d. ware grootte.

Flamingo (Phoenicopterus roseus). ⅕ v. d. ware grootte.

De Flamingo’s hebben een slanken romp, een zeer langen hals en een grooten kop; de snavel is iets langer dan de kop, meer hoog dan breed, maar dik, in het midden stomphoekig benedenwaarts gebogen; de bovenkaak is veel kleiner en smaller dan de onderkaak en zoo plat, dat zij als ’t ware het klepdeksel is van den doosvormigen ondersnavel; de zijranden van beide kaken zijn bezet met uitsteeksels, die aan tanden herinneren. De bovensnavel is aan den wortel met een tamelijk zachte huid bekleed, aan de spits echter hard; de ruimte tusschen de beide helften van den ondersnavel is door een zachte huid gevuld. De snavel is geheel gevuld met de groote tong, welker achterste helft zeer dik en van binnen vet is, terwijl de voorste helft naar voren afhelt. De pooten zijn buitengewoon lang en dun, de drie voorteenen door volslagen zwemvliezen verbonden, die aan den rand ondiep uitgesneden zijn; de achterteen is kort en hoog aangehecht, bij één soort zelfs tot een klein stompje verminderd. De vleugels zijn middelmatig lang; de uit 12 pennen samengestelde staart is kort; het dichte en vaste vederenkleed is buitengewoon zacht en prachtig gekleurd.

Deze familie bevat slechts één geslacht met 6 over de Oude Wereld en Amerika verbreide soorten.

Het grootendeels witte vederenkleed van den Flamingo (Phoenicopterus roseus), heeft een zeer fraaie en teere rozeroode tint; de bovendekveeren van den vleugel zijn karmijnrood, de slagpennen zwart. Het oog is geel, de oogkring karmijnrood, de snavel aan den wortel rozerood, aan de spits zwart, het onbevederde deel van den poot karmijnrood. Het mannetje is 120 à 130, het wijfje hoogstens 110 cM. lang. De jongen, die aanvankelijk geheel wit zijn (de hals grijs, de bovendekveeren van den vleugel gesprenkeld), verkrijgen eerst in hun derde levensjaar de kleur der volwassenen.

De oeverlanden van de Middellandsche en van de Zwarte Zee zijn de kern van het verbreidingsgebied van den Flamingo, dat zich zuidwaarts aan den eenen kant over het noorden van de Roode Zee, aan den anderen over de Kaapverdische eilanden uitstrekt. Bovendien komt hij vrij geregeld voor aan de groote meren van Middel-Azië en aan de zeekusten van Zuid-Azië. Enkele malen zijn exemplaren van deze soort, steeds jonge Vogels, naar Duitschland afgedwaald. In Nov. 1896 werd er één te Woensdrecht (bij Bergen-op-Zoom) geschoten.

Strandmeren met zout of brak water zijn hunne meest geliefde verblijfplaatsen; wanneer zij een enkele maal bij zoetwater aangetroffen worden, blijven zij er nooit lang. Dikwijls ziet men hen echter bij de zee, natuurlijk slechts daar, waar de bodem ondiep en vlak is en zij zich dus op de gewone wijze kunnen bewegen. Zij behooren tot de zwerfvogels, maar schijnen zoo regelmatig te zwerven, dat men bij hen misschien wel van trekken kan spreken. Die, welke men aan de strandmeren van Sardinië aantreft, begeven zich in Maart of in de eerste dagen van April naar Afrika en komen van daar in het midden van Augustus terug; waarschijnlijk broeden exemplaren, die zich gedurende den winter in Italië ophouden, aan de strandmeren van de zuidelijke oevers der Middellandsche Zee. De meeste daar broedende Flamingo’s blijven er gedurende het geheele jaar en zijn dus standvogels.

Het is een prachtig schouwspel de Flamingo’s bij duizendtallen aan de oevers van de door hen bewoonde strandmeren vereenigd te zien. „Als men des morgens te Cagliari naar de meren kijkt,” zegt Cetti, „zou men kunnen meenen, dat deze òf door een rooden dam omgeven, òf met een groot aantal drijvende, roode bladen bedekt zijn. De op rijen geschaarde Flamingo’s brengen door hunne rozeroode vleugels dit verschijnsel teweeg. Nimmer tooide Aurora zich met schoonere kleuren dan die, welke de Flamingo-vleugels versieren; de rozengaarden van Paestus prijkten met geen schitterender gloed. Het is een helder, vurig rozerood, het rood der pas ontloken rozen. De Grieksche naam van dezen Vogel is op de kleur der vleugeldekveeren gegrond” (de bij Aristoteles voorkomende naam „phoinikopteros” beteekent „purpervleugel”); „de Romeinen namen dezen naam over; de Franschen werden door dezelfde beweegreden geleid, toen zij onzen Vogel „flamant” (oorspronkelijk „flammant”) noemden”.

Den eersten indruk, dien de Flamingo’s op mij maakten, zal ik nooit vergeten. Ik keek naar de duizenden en tienduizenden Vogels, die zich op en bij het uitgestrekte Mensalehmeer bevonden (zonder overdrijving zou ik van honderdduizenden kunnen spreken). Mijne oogen bleven gevestigd op een lange, vurige lijn, die een wonderbaarlijk, onbeschrijfelijk prachtig effect maakte. De zonnestralen brachten op de schitterend wit en rozerood gekleurde veeren der op een rij geschaarde Vogels een heerlijk kleurenspel teweeg. Door de een of andere oorzaak opgeschrikt, steeg deze zwerm omhoog; de aanvankelijk heerschende bonte verwarring hield weldra op; de levende rozen voegden zich aaneen tot een lange, wigvormige vluchtlijn, welke op die der Kranen geleek en zich als een vurige streep langs den blauwen hemel voortbewoog. Het was een verrukkelijk schoon schouwspel! Langzamerhand streken de Vogels neer en stelden zich weder op in hun gewone orde. Door den verrekijker kon men opmerken, dat de Flamingo’s niet werkelijk op één lijn zijn geschaard, hoewel den zwerm op grooten afstand gezien, den indruk maakt van een goed geordend leger. De Singalezen noemen hunne Flamingo’s „Engelsche soldatenvogels”, bij de Zuid-Amerikanen heeten zij „Soldaten”. A. von Humboldt verhaalt, dat de inwoners van Angustura kort na de stichting van hun stad in zeer groote verslagenheid geraakten door een troep Reigers en „Soldatenvogels”, die uit het zuiden kwamen. Zij waanden zich bedreigd door een aanval van de Indianen en herkregen hun kalmte niet eerder, dan toen de Vogels zich in de lucht verhieven, om koers te zetten naar de Orinoko-delta.

Bijna angstvallig vermijden de Flamingo-zwermen de nabuurschap van plaatsen, waar hun eenig gevaar zou kunnen bedreigen. Zij visschen in open water, om een vrij uitzicht te hebben in alle richtingen en wachten zich vooral voor rietbosschen. Een boot, die op hen afgestuurd wordt, ontwijken zij reeds op grooten afstand. Daar ieder ongewoon verschijnsel hen schrik inboezemt, is het volstrekt niet gemakkelijk hun leven in de vrije natuur na te gaan. Zelfs wanneer men ze dagelijks voor oogen heeft, krijgt men geen volkomen duidelijk denkbeeld van hun levenswijze, zonder een goeden verrekijker. Gewoonlijk staan zij tot het spronggewricht in ’t water; minder dikwijls begeven zij zich naar de duinen of naar zandige eilanden, het minst naar die, welke op de een of andere wijze begroeid zijn. In het water en op het land nemen zij zeer zonderlinge standen aan. De hals wordt op een eigenaardige wijze ineengekronkeld, „geknoopt” voor de borst gelegd, de kop vervolgens naar den rug gebogen en onder de schouderveeren verborgen. Steeds rust het lichaam dan op slechts één poot; de andere wordt schuins achterwaarts gestrekt, of gebogen en tegen den buik aangelegd, zoodat het spronggewricht achter het lichaam uitsteekt. De Flamingo is gewoon in deze eigenaardige houding te slapen. Als hij volkomen wakker is, kromt hij den hals ook wel als een Reiger S-vormig, zoodat de kop kort boven den nek komt te liggen. Alleen wanneer hij door schrik of op een andere wijze van streek geraakt, heft hij den kop zoo hoog op, als de lange hals toelaat. Terwijl de Flamingo visschend door het water waadt, is de lange hals zoo diep gebogen, dat de bovensnavel in het slijk kan worden gedrukt om het hierin aanwezige voedsel op te sporen. Bij het onderzoeken van den bodem van ’t water beweegt hij zich aanhoudend met kleine pasjes voor- en achteruit, opent en sluit den snavel, die, geholpen door den tong, als een fijngevoeligen zeeftoestel werkt, al wat eetbaar is, terughoudt en het onbruikbare verwijdert. Het trippelen met de voeten is noodig, om de kleine waterdieren, die hem tot voedsel dienen, uit hunne schuilplaatsen op of in het slijk te verdrijven; hij kan ze het gemakkelijkst vangen, wanneer zij in beweging zijn gekomen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings