De Stootvogels (Pelargornithes). (continued 3)
Reading edition

Vechtarend (Spizaëtus bellicosus). ⅙ v. d. ware grootte.
„Door het geheel bevederd zijn van de zijden van den kop”, schrijft Reichenow, „onderscheiden de Havikachtigen (Accipitrinae) zich van de Gierbuizerden. Door het bezit van een langen loop nevens een langen staart en korte of middelmatig lange vleugels verschillen zij daarentegen van de Buizerden. Alleen de Ruigpoothaviken en Harpijen, die in deze onderfamilie de hoogste plaats innemen, vormen een uitzondering op den regel, daar hun loop weinig of niet langer is dan de middelste teen; toch zijn deze Vogels ook reeds aan hun langen staart gemakkelijk te herkennen van de kortstaartige Buizerden. De loop is steeds onbevederd, behalve bij de Ruigpoothaviken.
„De Kuikendieven, welker levenswijze en lichaamsvorm vele eigenaardigheden aanbiedt, buiten beschouwing latend, kan men van de levenswijze van alle leden der onderfamilie een algemeen overzicht geven, geldig zoowel voor den kleinsten Sperwer als voor den Harpij, die alle Roofvogels in kracht overtreft. Alle Haviken voeden zich met levende dieren, die zij zelf vangen en dooden, in tegenstelling met de Buizerden (in de uitgestrektste beteekenis van ’t woord), die ook met doode dieren, met aas, tevreden zijn. De wijze, waarop de Haviken het roovershandwerk beoefenen, verraadt een grootere veelzijdigheid dan bij eenig ander lid der orde voorkomt; zij stooten even behendig op een vliegenden of loopenden als op een zwemmenden of zittenden buit, vangen hun prooi niet minder flink in ’t open veld dan in het dichte woud. Daarom verschilt hun wijze van jagen aanmerkelijk van die der Buizerden en Valken. Terwijl deze in de open lucht kringen beschrijven, of op zekere hoogte blijven staan bij het zoeken van buit en op dezen plotseling pijlsnel neerschieten, brengen de Haviken bij het overrompelen van hun slachtoffer veel meer list in praktijk. Hierdoor zijn zij in staat met evenveel succes te jagen als de Roofvogels, die in de open lucht op hun slachtoffer stooten, welke vaardigheid de Valken en sommige Buizerdachtigen, vooral de Arenden, in veel hoogere mate bezitten. Soms glijden zij in snelle vlucht langs woudranden en omheiningen, doen plotselinge wendingen om boschjes en gebouwen heen, schieten door het kreupelhout naar open plekken in het woud en verschijnen op deze wijze eensklaps, onverwacht op de speelplaatsen hunner niets kwaads vermoedende slachtoffers, die zij zonder inspanning na een vlugge zwenking grijpen. Een andere maal loeren zij als echte struikroovers van uit de kroon van een boom, waarin zij zich verborgen hebben, op een voorbijvliegenden of -loopenden buit, waarop zij zich plotseling neerstorten. Deze wijze van jagen treft men bij de Sperwers zoowel als bij de Harpijen aan; ook de Kuikendieven toonen zich hierdoor waardige leden derzelfde onderfamilie. Als standplaats voor hun horst kiezen de Haviken verborgen plaatsen, nooit vrije, van verre zichtbare boomtoppen; in het dichte, hoogstammige woud of in moeielijk doordringbaar onderhout bouwen zij hun nest op lage takken en dicht bij den stam. De eieren zijn zuiver wit of op witten grond roodbruinachtig gevlekt.”
De Ruigpoothaviken (Spizaëtus) zijn slank gebouwde Haviken met betrekkelijk korte vleugels, langen staart en hooge, krachtige voeten; bovendien zijn zij gemakkelijk te herkennen aan een meer of minder duidelijke kuif op den achterkop.
Het grootste en sterkste lid van dit geslacht, de Vechtarend (Spizaëtus bellicosus), een kolossale Vogel van 80 à 86 cM. lengte, met vleugels van 60 à 65 en een staart van 31 à 34 cM., bewoont Afrika. Op de bovenzijde is bruinachtig aschgrauw de hoofdkleur, op den kop gemengd met zwartbruin (de kleur van de schaft van iedere veer); op den mantel hebben alle veeren lichte randen, waardoor een band over den vleugel ontstaat, gevormd door de topranden der grootste vleugeldekveeren. Een witachtige band strekt zich boven de oogen langs tot den achterkop uit en loopt hier in den korten, breeden kap te niet. De geheele onderzijde is wit met blauwachtig waas, bijna zonder vlekken. De groote slagpennen zijn op de buitenvlag zwart, op de binnenvlag afwisselend licht en donker gestreept, de onderste vleugeldekveeren zuiver wit. Het oog is grijsbruin, de washuid groenachtig blauw, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs.
De Vechtarend kiest een alleenstaanden boom tot rustplaats, omdat hij zeer voorzichtig is en gaarne zien wil, wat er in zijn omgeving voorvalt. Deze boom is het uitgangspunt voor de zwerftochten van het vogelenpaar, dat steeds trouw vereenigd blijft en in zijn uitgestrekt gebied geen soortgenoot en ook geen andere Roofvogels duldt. De gewone buit van den Vechtarend bestaat uit Hazen en kleine Antilopen; stellig worden ook de talrijke soorten van wilde Hoenderen niet door hem gespaard. Uit zijn geheele voorkomen blijkt, dat hij voor de Afrikaansche dieren een even gevaarlijke vijand is als onze Steenarend voor de Europeesche. Geen der overige Zuid-Afrikaansche Roofvogels evenaart den Vechtarend in kracht en geschiktheid voor ’t roovershandwerk. Hij is onbeperkt heerscher in zijn rijk; kracht en vermetelheid gaan bij hem gepaard en maken hem tot een vreeselijken vijand van alle weerlooze dieren. Zijn vlucht gelijkt volkomen op die van den Arend, maar is lichter en sneller. Van zijn stem wordt bericht, dat zij soms scherp en doordringend, soms heesch en dof klinkt.
„De Vechtarend”, schrijft Levaillant, „is wel geschikt om de belangstelling te wekken van ieder, die hem in de kooi ziet; hij is dan zeer aantrekkelijk en schijnt zijn woestheid geheel afgelegd te hebben. Uit zijn buitengewone tamheid en gemeenzaamheid blijkt een welgemeende vriendschap voor den mensch; hij antwoordt althans telkens, wanneer men hem roept. Zijn stem is merkwaardig klankrijk en welluidend, en toch zacht en week, juist het tegendeel van hetgeen men opmerkt bij andere Arenden, welker geschreeuw, gelijk bekend is, niet op welluidendheid kan bogen; door „glioek glioek” zou men dit geluid misschien nog het best kunnen weergeven.”

Kuifarend (Spizaëtus occipitalis). ⅓ v. d. ware grootte.
Ongeveer in dezelfde gewesten ontmoet men een verwanten, doch veel kleineren Havik, dien wij wegens zijn lange kuif Kuifarend (Spizaëtus occipitalis), zullen noemen. Bij deze is de grondkleur van het vederenkleed zeer donkerbruin, de buik donkerder, de borst lichter, de loop vuilwit, de binnenzijde van den schenkel witachtig; de bovenzijde vertoont een koperachtig purperbruinen weerschijn. De wortelhelft van de handpennen is op de binnenvlag wit, op de buitenvlag bruinachtig wit, de eindhelft donkerbruin, op de binnenvlag met twee donkere dwarsbanden; de wortelhelft van de armpennen is wit, de eindhelft bruin; de staartpennen zijn op de buitenvlag bruin, op de binnenvlag bijna wit met drie breede, zwartbruine dwarsbanden en een breeden eindband van gelijke kleur; de kleine dekveeren langs den rand van ’t handgedeelte van den vleugel zijn wit, de overige zwartbruin. Het oog is hooggeel, de snavel hoornblauw, aan de spits donkerder, aan den wortel lichter, de washuid lichtgeel, het onbevederde deel van den voet stroogeel. Totale lengte 50 à 52, vlucht 120 à 130, vleugel 33 à 35, staart 18 à 20 cM.
De Kuifarend is een van de meest algemeen verbreide, zoo niet de algemeenste van alle Afrikaansche Ruigpoothaviken. In de wouden van het Boven-Nijl gebied komt hij tamelijk veelvuldig voor. Hier ziet men hem in een mimosa-top dicht bij den stam rustig zitten en hoogst ernstig met zijn kuif spelen. Nu eens fronst hij het voorhoofd, sluit de oogen half en zet daarna de kuif op, zoodat zij loodrecht omhoog staat, dan weer spreidt hij de verschillende veeren zijwaarts uit en verheft intusschen de overige veeren van zijn kleed eenigszins; soms legt hij de kuif glad neer op den rug. Met deze belangrijke bezigheid kort hij zich uren achtereen den tijd. Hij is dan een volslagen toonbeeld van traagheid, een zeer weinig belovende Roofvogel. Zoodra deze droomer echter een buit bespeurt, leert men hem van een andere zijde kennen. Het zien van een Muis, een Veldrat, een Aardeekhoorntje, een kirrend Duifje, van een vlucht Wevervogels misschien, wordt gevolgd door bliksemsnelle bewegingen; met korte, snelle vleugelslagen draait hij zich behendig tusschen de dichtste struiken door, jaagt den waargenomen buit ijverig na en vangt hem bijna altijd. In aard en gewoonten komt hij nog het meest met onzen Havik overeen. Hij is even driest en roofgierig als deze en in verhouding tot zijn grootte ongeveer de beste roover van het woud. Alleen de Apen zijn veilig voor zijne aanslagen en voor die van de overige groote Valkvogels der Oude Wereld. Bij dieren, die gelijk de Apen van deze gewesten onderling in een geregeld verband staan, elkander steunen en helpen, zouden zij trouwens slechte zaken maken.
De Kuifarend wordt niet al te zelden levend naar Europa gebracht en kan bij behoorlijke verzorging jaren lang in de kooi worden gehouden; hij is taai en weinig gevoelig voor den invloed van het klimaat.
De Sperwerarenden (Morphnus), die in Zuid-Amerika de Ruigpoothaviken vervangen, vereenigen in zich de grootte, de kracht en de fiere houding der Arenden en de gestalte der Haviken. Hun romp is dik, de kop groot, de snavel eenigszins langwerpig, laag en betrekkelijk zwak; de bovensnavelspits is scherp haakvormig naar beneden gebogen, de zijrand weinig naar beneden gekromd, de loop minstens dubbel zoo lang als de middelste teen en slechts weinig onder het spronggewricht bevederd, overigens met gordelvormige schilden bekleed; de teenen zijn kort maar niet zwak en met krachtige, dikke en spitse klauwen gewapend; de vleugel is kort, de staart breed en lang.
De meest bekende soort van dit geslacht is de Sperwerarend (Morphnus guianensis), die 70 cM. lang is en 150 à 154 cM vlucht heeft (vleugel 40 à 42, staart 30 cM.). Het opmerkelijk losse, uilachtige vederenkleed heeft zich aan den achterkop verlengd tot een 15 cM. lange kuif. Bij den volwassen Vogel zijn de kop en de keel donkerbruin, de nek, de rug en de overige bovendeelen, de vleugels, de onderhals en de borst groenachtig zwart, de bovendekveeren van den staart met onregelmatige, witte dwarsbanden en eindzoomen geteekend. In de jeugd is de kleur veel lichter: de kop, de hals, de borst, de buik en de schenkels zijn dan wit.
De Sperwerarend is over het grootste deel van Zuid-Amerika verbreid; hij houdt zich op in de wouden langs de kust, zoowel als in de oasen der steppen, het liefst echter aan de oevers van rivieren. De doode toppen van hooge boomen dienen hem tot rustplaats; uren achtereen ziet men hem hier zitten zonder eenige andere beweging dan het oprichten van zijn prachtige kuif. Hij maakt vooral op Zoogdieren en Vogels jacht, volgens de berichten der jagers het liefst op Apen. Zijn horst bevindt zich in een boomtop.
De kolossaalste van alle Zuid-Amerikaansche Haviken, de Harpij (Thrasaëtus harpyia of Harpyia destructor), de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht, gelijkt eenigszins op de vorige soort; haar snavel is echter veel hooger en krachtiger, heeft een sterk afgeronden rug en een scherpen zijrand, die onder het neusgat uitgesneden is en daarvóór een stompen tand vormt. Ook hare andere wapens, de klauwen, zijn zeer krachtig, krachtiger dan bij eenigen anderen Roofvogel, de teenen zeer lang en met buitengewoon groote, dikke en sterk gebogen klauwen gewapend; de achterteen is 4 cM. lang; zijn klauw heeft, langs de kromming gemeten, een lengte van 8 cM.; de middelste voorteen is 8 cM. lang, met den klauw 12 cM. De loop is aan de achterzijde tot aan het spronggewricht naakt, van voren tot op het midden bevederd, op de naakte gedeelten met groote, plaatvormige schubben bekleed. Het vederenkleed is rijk en zacht, bijna zooals dat der Uilen, in den nek verlengd tot een lange en breede kuif, die opgericht kan worden. De kop en de hals zijn grijs, de verlengde nekveeren, de geheele rug, de vleugels, de staart, de bovenborst en de zijden van den romp leikleurig zwart, de stuurpennen met drie witte banden geteekend; de onderborst en de stuit zijn wit; hetzelfde geldt van de overige onderdeelen en van de schenkels; gene zijn zwart gestippeld, deze met zwarte golflijnen geteekend. De snavel en de klauwen zijn zwart, de pooten geel; het oog is roodgeel. Totale lengte 1 M. (vleugel 54, staart 34 cM.).
Van Mexico tot het midden van Brazilië en van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan ontbreekt de Harpij in geen enkel groot woud. In het gebergte bewoont zij echter slechts de diepste en heetste dalen: in het eigenlijke bergland treft men haar niet aan. Overal waar zij voorkomt, is zij wel bekend en sedert onheugelijke tijden in hoog aanzien. Vele wonderlijke berichten zijn over haar in omloop. Een van de eerste beschrijvers van de voortbrengselen van Amerika, Fernandez, verhaalt, dat de Harpij bijna zoo groot is als een Schaap, om onbeduidende redenen den mensch aanvalt, zelfs wanneer zij getemd is, voortdurend een woesten en gemelijken aard toont, maar toch gemakkelijk voor de jacht afgericht kan worden. Voorts verzekerde men, dat een enkele snavelhouw van de Harpij voldoende is om den schedel van een mensch te verbrijzelen. Door berichten uit lateren tijd werden deze overdrijvingen tot de juiste maat teruggebracht.
De Harpij bewoont binnen de reeds genoemde grenzen vochtige, waterrijke wouden, bij voorkeur rivieroevers. Zij komt overal voor, maar is nergens veelvuldig, waarschijnlijk wegens de felle vervolging, die zij te verduren heeft, omdat hare veeren sinds overouden tijd door de Indianen als opschik gebruikt en op zeer hoogen prijs gesteld worden. Buiten den paartijd ziet men haar steeds eenzaam, als ’t ware uit vrees voor de concurrentie van haar echtgenoot bij de uitoefening van haar bedrijf. Evenals de Havik, ziet men haar niet vaak op hooge boomen zitten, tenzij op de onderste takken. Van hier stijgt zij in korten tijd, bij rukken, doch pijlsnel vliegend, in de eerste plaats loodrecht omhoog, beschrijft eenige minuten lang kringen in de lucht en stort zich, als zij het geluk heeft een buit op te merken, met geweld hierop neer.

Harpij (Thrasaëtus harpyia). ⅙ v. d ware grootte.
Uit verschillende berichten blijkt, dat de Harpij geen enkel warmbloedig Gewerveld Dier versmaadt, voor zoover het niet door grootte of weerbaarheid tegen hare aanvallen beveiligd is. Eenige onderzoekers hellen over tot de meening, dat zij uitsluitend op Zoogdieren en wel vooral op Apen en Luiaards jacht maakt; Tschudi heeft evenwel opgemerkt, dat zij ook ijverig Vogels vangt. „Geen Roofvogel,” zegt hij, „wordt door de Indianen zoo zeer gevreesd als de Harpij. Haar grootte, haar moed en haar vermetelheid maken haar inderdaad tot een der gevaarlijkste vijanden van de Peruaansche landlieden; waar zij zich ook moge vertoonen, wordt zij daarom met de grootste woede vervolgd. In vele boschstreken is het den Indianen gladweg onmogelijk pluimvee of kleine Honden te houden, daar de onverzadelijke Roofvogel ze met bewonderenswaardige stoutmoedigheid wegsleept. Wij hebben gezien, dat een Harpij op een hen stootte en haar medevoerde, hoewel de Indiaan, aan wien de hen toebehoorde, zich op nauwelijks drie schreden afstands bevond. In de wouden verschaffen de talrijke Sjakoehoenderen en Tinamoes haar een overvloed van voedsel; bovendien echter richt zij onder de Eekhoorns, Buidelratten en Apen een groote slachting aan. Als een troep van de laatstgenoemde dieren, vooral van Kapucijner-apen, de lucht krijgen van de nabijheid van een Harpij, beginnen zij jammerlijk te huilen, vluchten alle, indien het mogelijk is, in een boom en trachten zich in het dichte gebladerte te verschuilen. Klaagtonen uiten is het eenige, wat deze weerlooze dieren kunnen doen, als een vijand ze aanvalt.”
De horst van de Harpij staat op een zeer hoogen boom, is zo groot als het nest van een Jabiroe of Reuzenooievaar en wordt, volgens de berichten der Indianen, jaren lang gebruikt.
A. d’Orbigny verhaalt, dat de Harpij door de Indianen zeer dikwijls uit het nest genomen, grootgebracht en in gevangenschap gehouden wordt, met het eenige doel om de veeren, waarop zoo veel prijs gesteld wordt, op een gemakkelijker wijze te verkrijgen dan dit door het dooden van den ouden Vogel kan geschieden. De Indiaan, die een levende Harpij bezit, staat in hoog aanzien bij zijne stamgenooten. De zorg voor de voedering van den Vogel is aan de vrouwen opgedragen, die hem moeten meenemen bij de zwerftochten van den stam in de wouden. Zoodra de gevangen Harpijen haar volkomen kleed verkregen hebben, begint haar lijden, want haar eigenaar trekt haar tweemaal per jaar de veeren van den staart en van de vleugels uit om zijne pijlen er mede te versieren of er een hoofdtooi van te maken. Deze veeren zijn een van de belangrijkste ruilartikelen van de Indianen; sommige stammen, die als bekwame jagers van Harpijen bekend staan, verwerven daarmede al wat een Indiaan begeerlijk voorkomt. In Peru valt den gelukkigen jager nog een extra-belooning ten deel. „De Indiaan, die het geluk heeft een Harpij te dooden,” zegt Tschudi, „gaat er mede bij alle hutten langs en krijgt van de bewoners een premie in den vorm van eieren, Hoenderen, maïs en dergelijke producten.” De wilden en de Europeanen, die bij den Amazonenstroom wonen, beschouwen het vleesch, het vet en den drek van dezen Vogel als uitmuntende geneesmiddelen.
Verscheidene malen reeds zijn levende Harpijen in de Europeesche dierentuinen, vooral te Londen, Amsterdam en Berlijn, te zien geweest. Het zijn fiere, statige Vogels. De wijze waarop zij zich in de kooi gedragen, wordt verschillend beschreven; de volgende mededeeling van Pourlamaques vinde hier een plaats: „Het Museum te Rio de Janeiro kreeg een jonge Harpij, die nauwelijks kon vliegen; dit dier is nu 8 jaar oud en evenaart een Kalkoenschen haan in grootte. Soms houdt zij zich in haar kooi zeer kalm, met opgeheven kop stijf om zich heen ziende, en ziet er dan werkelijk statig uit; meestal echter loopt zij onrustig op de zitstokken heen en weer. Zoodra de een of andere Vogel voorbijvliegt, krijgt haar gelaat onmiddellijk een woeste uitdrukking; zij maakt dan levendige bewegingen en schreeuwt geweldig. In haar woede is zij sterk genoeg om de ijzeren staven van haar kooi te buigen. Ondanks haar langdurige gevangenschap is zij niet tam geworden, heeft niet eens voor haar oppasser genegenheid opgevat en hem integendeel eens een niet onbeduidende wonde aan den schouder toegebracht. Jegens vreemde toeschouwers is zij wild; ieder die haar onvoorzichtig nadert, loopt gevaar door haar aangevallen te worden. Over plagerijen met wandelstokken en parapluies wreekt zij zich onmiddellijk door het voorwerp, dat men haar toesteekt, met de klauwen te grijpen en woedend stuk te breken. Tegen dieren toont zij een toomelooze woede. Zoo trok zij eens een teef, die onvoorzichtig in de nabijheid van haar kooi kwam, onmiddellijk naar binnen en scheurde haar in stukken; hetzelfde deed zij met een jong Stekelvarken. Ook hare soortgenooten valt zij aan. Toen men een tweede levende Harpij in de kooi bracht, namen beide dadelijk een vijandige houding aan. De oudste begaf zich naar den hoogsten zitstok en breidde de vleugels uit, de kleine nieuweling maakte zich op dezelfde wijze gereed tot den strijd. De oppasser wierp een kip in de kooi, welke prooi door den kleinen Vogel, die half razend was van honger, onmiddellijk gegrepen werd. Dadelijk viel nu de groote Harpij op haar soortgenoot aan, ontrukte dezen het Hoen en vloog er mede op haar zitstok. De jongste roover liet een schreeuw hooren, waggelde, een bloederig slijm vloeide hem uit den snavel en hij viel dood neer. Bij de ontleding bleek, dat zijn hart getroffen was.
„Deze Vogel heeft een onverzadelijken honger en is zoo roofgierig, dat hij alle dieren, viervoetige, zoowel als gevleugelde, die hij vermeesteren kan, overvalt en met huid en haren of veeren verslindt. Hij heeft een ontzaglijk groote hoeveelheid voedsel noodig. Toen hij nog klein was, at hij op één dag een big, een Kalkoen, een Hoen en een stuk rundvleesch. Hij wijst niets af; buitengewone lekkernijen legt hij soms eenige uren ter zijde. Aan levende dieren geeft hij de voorkeur boven doode. Als de prooi vuil of bedorven is, werpt hij haar eerst in zijn drinkbak om haar te zuiveren. In weerwil van zijn spierkracht is hij bij den aanval voorzichtig. Sterke Vogels pakt hij met zijne klauwen zóó bij den snavel aan, dat zij geen weerstand kunnen bieden. Gedurende het vreten schreeuwt hij luid en slaat intusschen met de vleugels. Dit geschreeuw is zeer doordringend en zelfs oorverdoovend; in niet opgewonden toestand piept hij als een kuiken.”
Onze Sperwer wordt beschouwd als het type van een naar hem benoemd geslacht (Accipiter), welks leden over alle werelddeelen verbreid zijn en zich kenmerken door een slanken romp, een kleinen kop met een slanken snavel, die in een zeer scherpen haak eindigt, korte vleugels, een langen, recht afgesneden staart en een zeer langen, zwakken loop met dunne, lange teenen, welke met uiterst scherpe klauwen gewapend zijn. De kleur en teekening van het vederenkleed bieden bij de ouden en de jongen weinig verschil aan.
De Sperwers munten uit door vermetelheid en behendigheid bij het uitoefenen van het rooversbedrijf; zij behooren tot de meest begaafde leden der familie.
De Sperwer, in Zuid-Holland Vinkenvalk, Vinkendief of Vinkensperwer, bij Nijmegen Stervalk, bij Haarlem Koekoeksveeren, in Noordbrabant Schietvogel, in Limburg Spelver genoemd (Accipiter nisus), is een van de kleinste soorten van zijn geslacht. Zijn lengte bedraagt 32, de vlucht 64, de vleugellengte 20, de staartlengte 15 cM. Het wijfje is 8 à 9 cM. langer en heeft 12 à 15 cM. vlucht. Bij de volwassen Vogels is de geheele bovenzijde zwartachtig aschgrauw, de onderzijde wit met roestroode golflijnen en schaftstrepen van roestroode kleur; deze is bij het mannetje gewoonlijk helderder dan bij het wijfje; de staart heeft 5 of 6 zwarte dwarsstrepen en een witten zoom aan de spits. De snavel blauw, de washuid geel, de iris goudgeel, de voet lichtgeel.
De Sperwer bewoont het geheele Noordelijke Rijk van de Oude Wereld, van den Amoer tot Madeira. Hij broedt, naar het schijnt, in alle landen van Europa, van Lapland en Noord-Skandinavië tot Griekenland, en is ook in het grootste deel van Middel-Azië vermoedelijk standvogel. In den herfst trekt hij de Vinken achterna en verhuist uit sommige streken van Europa tot naar Noord-Afrika, uit enkele gewesten van Azië tot in Indië. Bosschen, zooals hij ze wenscht, worden het meest in Europa gevonden; daarom is hij in ons werelddeel veelvuldiger dan in Azië, hoewel men hem ook hier ontmoet in elk gebied, dat de door hem gestelde eischen eenigermate bevredigt. Allerlei bosschen verschaffen hem een woonplaats; aan die, welke door akkers omgeven zijn, geeft hij de voorkeur, vooral wanneer zij in bergstreken voorkomen. Wel verre van den mensch te schuwen, zal hij zich gaarne in de onmiddellijke nabijheid van dorpen en steden vestigen, deze, althans in den herfst en den winter geregeld bezoeken en zelfs in kleine boomgaarden te midden van steden zijn bedrijf uitoefenen. Wanneer zijn jacht in zulke oorden gelukkig is geweest, ziet men hem er dagelijks op bepaalde uren verschijnen; soms zal hij zich niet eens de moeite geven de hier gevangen prooi ver weg te dragen, maar haar op een verborgen plekje, in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen verslinden. Hier te lande werd de Sperwer in kleinen getale broedend aangetroffen in de provinciën Limburg, Noordbrabant, Gelderland, Utrecht, Overijsel en Friesland. Deze exemplaren zwerven na den broedtijd rond en kunnen als standvogels beschouwd worden. Andere komen in vrij grooten getale als wintergasten uit het noorden.
De driestheid gaat bij den Sperwer gepaard met merkwaardige tegenwoordigheid van geest, list en geveinsdheid. Hij is een type van een zwervenden gauwdief of struikroover en onderscheidt zich door zijne handelingen zeer van alle overige Europeesche Valkvogels, met uitzondering alleen van zijn in Zuidwest-Europa voorkomenden, kortteenigen verwant (Accipiter brevipes) en van den Havik. Beter dan eenige andere Roofvogel verstaat hij de kunst om zijne booze bedoelingen te verbergen. Reeds Naumann merkte op, dat de Sperwer soms, om de kleine Vogels te bedriegen, als een Gaai vliegt. Hij is de meest gevreesde vijand van alle kleine Vogels; niet zelden trouwens waagt hij zich ook aan grootere. Alle Vogels, die niet grooter zijn dan een Patrijs en niet kleiner dan een Goudhaantje, hebben, naar het schijnt, van zijne aanvallen te lijden; kleine Zoogdieren worden evenmin gespaard. Aan moed en roofzucht ontbreekt het den Sperwer stellig niet; daar hij jacht maakt op ieder wild, dat hij meent te kunnen vermeesteren; schijnbaar zonder doel valt hij soms zelfs weerbare dieren aan. „Eens”, verhaalt Naumann, „wandelde ik in mijn boschje en keek een Reiger na, die op zijn gemak dicht bij de boomen langs vloog. Plotseling schoot uit de dichte kroon van een der laatste boomen een Sperwer naar buiten, die den verschrikten Reiger onmiddellijk bij den hals te pakken had; beide tuimelden onder afgrijselijk geschreeuw naar beneden. Dadelijk snelde ik toe; tot mijn spijt werd ik te vroeg opgemerkt door den Sperwer, die, hierdoor verschikt, den Reiger losliet, waarna deze rustig zijn weg vervolgde. Ik zou wel eens hebben willen weten, hoe deze ongelijke strijd afgeloopen zou zijn, als ik niet storend tusschen beide was gekomen. Zou de kleine, doldrieste roover werkelijk den Reiger overwonnen en gedood hebben?”

Sperwer (Accipiter nisus). ½ v. d. ware grootte.
Alle kleine Vogels kennen en vreezen dezen gevaarlijken vijand in hooge mate. De Musschen kruipen uit benauwdheid in muizengaten; alle trachten zich zoo goed mogelijk te redden en toonen hierbij soms een niet geringe schranderheid. Eenige beschrijven kleine kringen om boomtwijgen of boomstammen, krijgen zoodoende een kleinen voorsprong op den Sperwer, die hen, hoe behendig hij ook is, toch niet zoo snel kan volgen en sluipen dan bliksemsnel te midden van de dichte struiken. Andere laten zich bij het verschijnen van den roover plat op den grond vallen, waar zij zonder beweging blijven liggen en dan dikwijls over ’t hoofd gezien worden, kortom ieder neemt het redmiddel te baat, dat hem het geschiktst voorkomt. De behendigste vogeltjes vervolgen luid schreeuwend den geweldenaar, trekken hierdoor de aandacht van andere Vogels en nopen hen voorzorgsmaatregelen te nemen. Vooral de Boerenzwaluwen verijdelen op deze wijze dikwijls de jacht van den Sperwer. Deze begeeft zich met zijn buit naar een verborgen plekje, waar hij hem, na het uitplukken der groote veeren, op zijn gemak verslindt. De tot ballen saamgeklonterde beenderen, veeren en haren spuwt hij later weer uit. Jonge nestvogels, vooral die, welke in nesten op den bodem uitgebroed zijn, behooren tot zijn liefste spijzen; de eieren worden echter evenmin versmaad.
De Sperwer laat slechts zelden, gewoonlijk niet anders dan bij de horst, zijn stem hooren. Deze bestaat uit de snel opeenvolgende klanken „ki ki ki”, die, naar het schijnt, tot waarschuwing dienen, of uit het langzamere geroep „kèk kèk”.
De horst staat in het kreupelhout of in bosschen met opgaande boomen, zelden hoog boven den grond, maar steeds zooveel mogelijk verborgen, bij voorkeur op naaldboomen, dicht bij den stam. Tusschen den 10den Mei en den 20sten Juni vindt men in het nest 3 à 5 middelmatig groote eieren, die gewoonlijk op krijtwitten, meer of minder grijsachtigen of roodachtigen grond met roodbruine, leemroode en grijsblauwe, groote en kleine vlekken en stippels bezaaid zijn. De beide ouders brengen een overvloed van voedsel aan hunne jongen; dit kan echter alleen door het wijfje op een behoorlijke wijze voor hen gereed gemaakt worden. Men heeft opgemerkt, dat jonge Sperwers, welker moeder gedood was, bij een ruim voorzienen disch verhongerden, omdat hun vader de spijs voor zijn kroost niet geschikt kon maken.
De grootste soorten van Edelvalken en de Havik vreten den Sperwer zonder complimenten op, wanneer zij hem te pakken kunnen krijgen; de kleinere Vogels toonen hun haat minstens door hem te vervolgen. Te recht wordt deze buitengewoon schadelijke Roofvogel door den mensch niet gespaard, maar zonder mededoogen gedood. Toch is de Sperwer nog in den tegenwoordigen tijd bij vele volken van Azië een hooggeschatte jachtvogel. Ook in Europa werd hij voor het vluchtbedrijf gebruikt; het mannetje diende zelden voor dit doel; het wijfje echter werd afgericht voor de vlucht op Kwartels en allerlei kleine Vogels, gelijk thans nog dikwijls geschiedt in de zuidelijke gedeelten van den Oeral. Ook in Perzië en Indië jaagt men nog met Sperwers.
Onze Havik, Duivenvalk of Patrijzenvalk, in ’t Oud-Friesch Hauck geheeten (Astur palumbarius), beantwoordt geheel aan het type van de groep, die zijn naam draagt. Van den Sperwer verschilt hij door een meer gedrongen lichaamsbouw, een langeren snavel, een meer afgeronden staart en dikkere pooten. Hij is een groote, forsch gebouwde Roofvogel: het mannetje heeft 55 cM. lengte en 1.1 M. vlucht (vleugel 31, staart 22 cM.); het wijfje is 12 à 15 cM. langer en heeft 15 à 18 cM. meer vlucht (vleugel 39 cM.). In het volkomen kleed zijn de bovendeelen zwartachtig grijsbruin en meer of minder aschkleurig blauw getint, de onderdeelen wit, elke veer met bruinzwarte schaftstrepen en golflijnen. De snavel is hoornzwart, de washuid lichtgeel, het oog hooggeel, de voet geel. In het jeugdkleed zijn de bovendeelen bruin, elke veer met roestgele kanten en vlekken, de onderdeelen roestroodachtig, later witachtig roestkleurig met bruine, overlangsche vlekken. De snavel en het oog, de voet en de washuid zijn bij de jongen lichter van kleur dan bij de volwassenen.

Havik (Astur palumbarius). Jong mannetje. ¼ v. d. ware grootte.
Het verbreidingsgebied van den Havik omvat het grootste deel van Europa en van Middel-Azië; in de hiertoe behoorende landen komt hij volstrekt niet overal voor, en niet in alle door hem bewoonde gewesten even veelvuldig. Hier te lande broedt hij in alle eenigszins uitgestrekte bosschen van Limburg, Noordbrabant, Utrecht, Gelderland en Friesland; hij is hier standvogel, maar zwerft in het winterhalfjaar rond. In de boschrijke streken van Duitschland is hij een gewone verschijning; daar waar geen toezicht gehouden wordt op de jacht, neemt hij eerder toe dan af, terwijl in andere districten het tegendeel voorkomt. Uit oorden, waar hij zich eens gevestigd heeft en de voorwaarden voor zijn bestaan verwezenlijkt vindt, laat de Havik zich moeielijk verdrijven. Hij verlangt een met dicht houtgewas begroeide streek om veilig te kunnen rusten en zich gemakkelijk op zijn buit te kunnen storten, maakt bijna geen verschil tusschen naaldhout en breedbladige boomen en geeft de voorkeur aan bosschen, die met akkers en weiden afwisselen; in groote wouden komt hij echter veelvuldiger voor dan in kleine. In het koude jaargetijde zwerft hij rond; de jonge Vogels, die in noordelijke streken zijn uitgebroed, verlaten deze geregeld in den winter.
De Havik, een eenzaam levende, ongezellige klant, wiens verkeer met zijn echtgenoote tot den paartijd beperkt blijft, is een hoogst onstuimige, drieste, snelle, sterke en tevens listige en schuwe Roofvogel. Zijn vlucht is altijd snel, doch wordt bij het stooten zoozeer bespoedigd, dat zij aanleiding geeft tot een ruischend geluid; ook laat hij zich dikwijls op zijne wieken drijven en spreidt den langen staart dan gewoonlijk eenigszins uit. Misschien biedt bij geen anderen Valkvogel de vlucht zooveel verscheidenheid van beweging aan als bij den Havik. Hoewel hij een groote snelheid bereikt, maakt hij scherpe en onverwachte wendingen; in ’t eene oogenblik onstuimig voortijlend, toont hij in het andere een voor zulk een grooten Vogel werkelijk verrassende behendigheid. Plotseling snel omhoogstijgend, zweeft hij eenige malen rond, stort eensklaps naar beneden, vliegt zonder eenigszins te aarzelen tusschen dicht bijeenstaande boomen door en bevindt zich nu eens op groote dan weer op geringe hoogte. Op den grond beweegt ook hij zich gebrekkig, gewoonlijk huppelend, slechts zelden stappend. Zijn stem is een krachtig, ver hoorbaar, wanluidend gekrijsch, dat echter niet dikwijls weerklinkt. Het langgerekte „iwieè” geeft boosheid of verdriet te kennen; vreugde over een welgeslaagde jacht wordt aangeduid door „iwieè iwieè”; bij de paring schreeuwt hij „gek gek gek”, „giek giek giek” en later snel achtereen „kjak kjak”; als vrees hem bevangt, laat hij de klanken „wieè wieè” of het zachte „wieswies” hooren.
Men ziet den Havik aan ’t werk en in beweging op iederen tijd van den dag, ook in de middaguren, die door de meeste Roofvogels aan de rust worden gewijd. Tamelijk geregeld doorkruist hij een groot gebied; op plaatsen, waar hij een gelukkige vangst heeft gedaan, keert hij geruimen tijd achtereen iederen dag terug. Zijn verbazingwekkende vraatzucht noodzaakt hem bijna voortdurend te jagen; evenals de Sperwer, is hij zelden werkelijk bevredigd, maar altijd hongerig, althans moordgierig. Hij maakt jacht op alle Vogels, hetzij ze zoo groot zijn als de Trap of het Auerhoen of zoo klein als een Vink, en op alle Zoogdieren, die hij meent te kunnen vermeesteren. Hij stoot op den Haas om hem het leven te benemen, neemt de bijtlustige Wezel van den bodem op, zooals hij het Eekhoorntje van het nest wegneemt, rooft den vliegenden zoowel als den zittenden Vogel, den zwemmenden Vogel zoowel als het loopende Zoogdier en haalt zijn buit zelfs uit schuilplaatsen te voorschijn. Ontzetting maakt zich soms meester van de dieren, die door hem aangevallen worden; dikwijls zijn deze er zoo door bevangen, dat zij roerloos blijven zitten. De roofgierigheid van den Havik wordt slechts door zijn vermetelheid overtroffen; beide zijn echter nog geringer dan zijn moordlust: hij kent geen mededoogen.
Aanhoudend maakt hij jacht op onze huisdieren; een enkel paar Haviken kan binnen weinige maanden de rijkst voorziene duiventil ontvolken. De Duiven slaan, zoodra zij den Havik gewaar worden, ijlings op de vlucht; deze echter schiet in schuins benedenwaartsche richting haar pijlsnel achterna en tracht er een te grijpen, gewoonlijk door van boven af op zijn slachtoffer te stooten. Dit geschiedt met zulk een snelheid, dat het aanleiding geeft tot een ruischen, dat op 100 à 150 schreden afstands hoorbaar is. Als hij er niet in slaagt de Duiven door vervolging buit te maken, neemt hij zijn toevlucht tot list. „Op mijn landgoed in Podolië”, bericht Graaf Wodzicki, „worden vele Duiven gefokt; weldra zagen wij alle duiventillen overvuld. Het groote aantal Duiven lokte weldra alle Haviken en Valken uit den omtrek aan. Men weet, dat deze Vogels elkander niet slechts tegen gevaar waarschuwen, maar ook op een gelegenheid tot rooven attent maken, elkander dus een gastmaal aanbieden. Mijne Duiven werden nu fel vervolgd; hun aantal verminderde sterk; zij durfden niet meer naar den akker vliegen en zochten daarom haar voedsel tusschen de gebouwen. De vermeerderde ervaring van de Duiven, spoorde de Roofvogels tot grootere list aan. De Duiven verlieten hare schuilplaatsen zeer zelden en vlogen altijd dicht bij den grond langs; ook begaven zij zich nooit ver buiten den hof. Toen deze eigenaardige toestand meer dan een week geduurd had, gaven de meeste Roofvogels de jacht op en verlieten de streek; twee sluwe Haviken echter wisten door een verstandige handelwijze iederen dag hun kost te verdienen. De eene zat uren lang met opgezette veeren in een tamelijk verborgen hoek op een stroodak, roerloos, met ingetrokken hals, blijkbaar de houding van een Uil nabootsend. Weldra werden de Duiven gemeenzamer en gingen op hetzelfde dak zitten: de booswicht verroerde zich niet; zoodra echter de Vogels af- en aanvlogen, schoot hij als een pijl uit den boog op hen los en miste zelden zijn buit, waarmede hij telkens in de boomgaard vloog, waarschijnlijk, omdat de ervaring hem geleerd had, dat in dezen tusschen de gebouwen liggenden tuin geen geweer werd afgeschoten. De tweede Havik, nog schranderder, moediger en vindingrijker dan de vorige, kwam iederen dag omstreeks hetzelfde uur aanvliegen, maakte de Vogels zoo verschrikt, dat zij in de duiventil de wijk namen en begon daarna een formeele drijfjacht. Hij ging n.l. op het invliegplankje zitten, liep om het hok heen, nam daarna met uitgespreide vleugels plaats op de eene zijde van de duiventil en trommelde, steeds op dezelfde plaats ronddansend, zoolang tegen de planken, dat eindelijk een Duif haar woning verliet, die hij dan onmiddellijk nazette”.
Zoogdieren vervolgt de Havik met even onvermoeide volharding als Vogels. „Jonge Hazen,” zegt Brehm, de vader, „overmeestert hij zonder moeite, op de oude echter maakt hij jacht volgens een goed overwogen plan. Als Lampe zich door de vlucht tracht te redden, stoot de Havik herhaaldelijk met den snavel op hem neer en grijpt den Haas eerst dan met de klauwen aan, wanneer het slachtoffer door bloedverlies afgemat is, waarna hij hem langzamerhand met den snavel en de klauwen om ’t leven brengt.” Als de gelegenheid gunstig is, bepaalt de Havik zich trouwens volstrekt niet tot één enkel slachtoffer; hij begint met zoovele Vogels te dooden, als hij vangen kan en eet ze daarna op zijn gemak op.
Waarschijnlijk is de reden van de ongezelligheid van den Havik te zoeken in zijn ongeloofelijke roofgierigheid. Bij gevangen exemplaren werd dikwijls opgemerkt, dat zij de leden van hun eigen gezin niet sparen. De sterkste Havik vreet zijn zwakkeren soortgenoot op, zelfs wanneer deze zijn echtgenoot, zijn kind, zijn vader of zijn moeder is.
Een onbeschrijfelijke haat wordt den Havik betoond, zoodra hij zich laat zien. Vooral de Kraaien, die gedurende hun rust waarschijnlijk soms het slachtoffer worden van zijn roofzucht, vervolgen hem onvermoeid en vallen hem met ware doodsverachting aan. „Een Havik”, verhaalt Brehm Sr., „die door drie Kraaien werd vervolgd, trachtte nu en dan een van zijne belagers te grijpen; zij wisten hem echter zoo behendig te ontwijken, dat het hem nooit gelukte er een te verwonden. Nadat zij zóó een poos met den Havik rondgevlogen hadden, zag deze op een afstand van 300 schreden Duiven op een dak; onmiddellijk ijlde hij er heen en schoot in schuinsche richting 160 M. ver naar beneden, maar kwam zonder Duif terug. De Kraaien waren, naar het schijnt, geheel verbluft over zijn „stooten”. Zoolang hij zweefde, konden zij hem zeer gemakkelijk bijhouden, toen hij echter begon te stooten, was geen hunner in staat om hem te vergezellen. Eerst toen hij weer omhoogsteeg, begonnen zij opnieuw hem te plagen. Zij zaten hem nogmaals eenigen tijd na; plotseling begon hij in een niet zeer schuinsche, bijna loodrechte richting te stooten, legde zoo een afstand van 200 M. af, ving een Duif en vloog met haar weg. De Kraaien bemerkten hem echter zeer spoedig en bestookten hem van zoo nabij, dat hij zijn buit moest laten varen en iedere poging om een anderen te krijgen moest opgeven.”
De horst wordt op de oudste en hoogste boomen van het woud, meestal op dikke takken dicht bij den stam gebouwd. In de laatste helft van April of in het begin van Mei is de tijd van het broeden gekomen; het nest bevat dan 2, 3 of 4 groote eieren, die op groenachtig witten grond in geringe mate met gele vlekken geteekend en dikwijls geheel ongevlekt zijn. Het wijfje broedt met groote zelfverloochening en verlaat het nest niet, zelfs wanneer zij herhaaldelijk gestoord wordt; zij vliegt soms niet eens op, wanneer er met hagel op het nest wordt geschoten. Beide ouders trachten iederen aanval op hun horst af te weren en toonen dan een moed, die soms in doldriftige vermetelheid ontaardt. Men heeft opgemerkt, dat zij met woede toeschieten op iemand, die in den boom klimt, waarin zich hun nest bevindt; zelfs is het herhaaldelijk voorgekomen, dat een Havik gedurende den broedtijd, zonder eigenlijk lastig te zijn gevallen, op menschen en zelfs op Paarden aanviel. De jongen groeien schielijk; zij vreten trouwens ongeloofelijk veel; beide ouders hebben volop werk om den honger van hun kroost te bevredigen. De horst wordt dan een ware slachtplaats. De beide volwassen Vogels brengen er al wat zij vinden, zelfs geheele nesten met de daarin aanwezige jongen, vooral van Lijsters en Merels.
Wegens de onberekenbare schade, die de Havik aanricht en die zeer dikwijls den mensch direct treft, wordt deze arglistige roover overal ijverig vervolgd.
In gevangenschap gedraagt de Havik zich even afschuwelijk als in de vrije natuur. Zijn woestheid en kwaadaardigheid, zijn onverdraagzaamheid en moordzucht wekken in de hoogste mate onzen afkeer. Jong uit het nest genomen jongen werden vroeger door onze valkeniers veelvuldig voor het vluchtbedrijf afgericht en voornamelijk gebruikt voor de vlucht op Patrijzen, Fazanten en Konijnen; dit jachtbedrijf kon gemakkelijker uitgeoefend worden dan de hooge jacht met den Valk, daar de Havik steeds in de laagte vliegt, zoodat men ook in bosschen kan jagen en niet te paard behoeft te zijn. Door alle Aziaten, die zich met de valkerij bezig houden, wordt de Havik ook thans nog hooggeschat. In Indië is hij de meest gezochte van alle jachtvalken. Voor een goed afgericht wijfje betaalt men gewoonlijk 20 à 50, voor een mannetje 10 à 30 ropijen.
In Afrika wordt de plaats van onze Haviken ingenomen door verwante Vogels, die men Zanghaviken (Melierax) heeft genoemd. Zij onderscheiden zich van hunne Europeesche neven door een slankeren lichaamsbouw, een zwakkeren snavel, iets langere vleugels, een afgeronden staart en voeten, welker hoogere en slankere loop betrekkelijk kortere teenen en klauwen draagt.
*
De grootste soort van dit geslacht, de eigenlijke Zanghavik (Melierax musicus), bewoont Zuid-Afrika, een kleinere, weinig van hem verschillende vorm, de Sprinkhanenhavik (Melierax polyzonus), Middel-Afrika. Levaillant bericht, dat de Zanghavik op alleenstaande boomen zich ophoudt, Hazen, Patrijzen, Kwartels, Ratten, Muizen en andere dieren rooft, een groot nest bouwt en hierin 4 zuiver witte, rondachtige eieren legt. Volgens hem bezit de mannelijke Zanghavik de gave van het gezang en draagt een tamelijk uitvoerig liedje, zij het dan ook op een vreemdsoortige wijze, geruimen tijd achtereen voor. Bij den Sprinkhanenhavik, die ik dikwijls heb nagegaan, was van gezang geen sprake: een tamelijk lang gerekt gefluit was al wat hij ten gehoore bracht. In de kooi gedragen deze Haviken zich geheel anders dan hunne inheemsche verwanten; zij zijn bedaard en stil, blijven, evenals de Edelvalken, uren lang op dezelfde plaats zitten, leeren, evenals deze, hun verzorger spoedig kennen en worden, wanneer zij geruimen tijd met hem omgegaan hebben, zeer gemeenzaam. Ons klimaat verdragen zij niet lang.
*
De Kuikendieven (Circus) zijn middelmatig groote, slank gebouwde Valkvogels met kleinen, zwakkelijken romp, een fijnen, zwakken, sterk gekromden snavel met langen haak en stompen tand, zeer lange, slanke voeten met korte teenen, groote en lange, maar tamelijk smalle vleugels, een middelmatig langen, breeden staart en een zacht, als zijde glinsterend vederenkleed. In den vleugel steken de derde en de vierde slagpen voorbij de overige uit; de eerste daarentegen is opmerkelijk kort. De veeren van het aangezicht vormen een sluier.
Onze Blauwe Kuikendief, in Gelderland Elsebusch of Blauwe Stootvogel, in Noordbrabant Elsepuist, in Groningen Blauw Schild, in Friesland Blauwe Valk of Blauwe Hanenschrobber genoemd (Circus cyanus), is een van de fraaiste Valkvogels van ons werelddeel. De geheele bovenzijde van het oude mannetje, met uitzondering van den bruin en wit overlangs gestreepten nek, heeft een licht aschkleurig bruine, de onderzijde een witte kleur. Bij het oude wijfje is de bovenzijde vaalbruin; de veeren van achterkop, achterhals en bovenvleugel hebben roestgeelachtige randen; de onderzijde heeft op roestgeelachtigen grond bruinachtige, overlangsche vlekken; de staart is met bruine en roestgele banden geteekend. De iris, de voet en de washuid zijn citroengeel, de snavel is hoornzwart. Totale lengte 48, vlucht 113 cM. (vleugel 36, staart 21 cM.)
Het verbreidingsgebied van den Blauwen Kuikendief is tamelijk uitgestrekt. Hij bewoont geheel Middel-Europa en bovendien een groot deel van Middel-Azië, bezoekt op den trek alle landen van Noord-Afrika tot aan den evenaar en eveneens geheel Zuid-Azië, zoover het de eischen bevredigt, die hij aan een behaaglijk leven stelt. In noordelijke richting vormt de 55e breedtegraad ongeveer de grens van zijn verbreidingsgebied. Hij is een kenmerkende Vogel voor de vlakten, vooral voor die met onderling afwisselende velden, weiden en waterplassen. In Nederland ontmoet men hem van Maart tot October. Enkele exemplaren blijven den winter over. In lage, moerassige streken is hij niet zeldzaam. Broedend heeft men hem waargenomen in Drenthe, Friesland, Overijsel, Gelderland en Noordbrabant.
In Zuid-Rusland, de Donau-laaglanden, Turkije en Griekenland, het zuiden van Middel-Azië en Noord-Afrika ontmoet men, in plaats van den Blauwen Kuikendief, den Steppenkuikendief (Circus macrurus), die zeer zeldzaam ook hier te lande aangetroffen wordt. Het oude mannetje onderscheidt zich door de bleekere of loodkleurig grijze, op den rug witte kleur, de duidelijk aschgrauw gestreepte staartwortel- en staartveeren en de zwarte vleugelspitsen, het oude wijfje door de bruine veeren met lichtroestkleurige kanten van de bovenzijde en van de borst, alsmede door de roodgele, roestkleurig overlangs gevlekte veeren van de onderdeelen; de jonge Vogels hebben een ongevlekte, roestgele onderzijde.
Tusschen de beide genoemde soorten van Kuikendieven bestaat slechts een onbeduidend verschil in zeden en gewoonten; wij kunnen ons daarom in het nu volgende overzicht tot den Blauwen Kuikendief bepalen. Als deze in de laatste dagen van Maart bij ons teruggekeerd is en zich weer in zijn broedgebied gevestigd heeft, leidt hij een zoo geregelde levenswijze, dat men hem hier stellig niet voorbij zal zien. In schommelende vlucht, wankelend en schijnbaar onvast van beweging, dicht bij den bodem langs voortijlend, nu eens zwevend met boven het lichaam opgeheven vleugels, dan weer door flauwe vleugelslagen zijn vaart bespoedigend, volgt hij zijne gewone wegen, bij voorkeur langs een boschje, een beek of een sloot, ook wel langs een reeks van struiken, laat zich herhaaldelijk op den bodem vallen, alsof hij bij iedere nederdaling een slachtoffer grijpt, rijst echter meestal zonder iets gevangen te hebben weer omhoog, zet zijn vlucht als vroeger voort en keert eindelijk langs een wijden boog naar het uitgangspunt van zijn zwerftocht terug.
De Blauwe Kuikendief bouwt zijn horst op een slordige wijze, dit geschiedt steeds op den grond, soms op een lagen doornstruik, op jonge houtkappingen of in het jonge koorn, in het hooge gras van moerassige weiden en zelfs tusschen riet en andere moerasplanten, hier echter altijd op een droge, met biezen begroeide plek. Eigenlijk is het nest eenvoudig een verwarde hoop van droge rijsjes, gras- en riethalmen, aardappelstengels, mistkluiten en dergelijke stoffen, die eerst met de pooten opgenomen en op haar plaats gelegd, vervolgens bijna zonder medewerking van den snavel samengevoegd en van binnen met mossen, haren van dieren, veeren en andere op dezelfde wijze aangesleepte, zachte materialen slordig bekleed worden. De eieren ten getale van 4 of 5, zelden 6, gelijken nog het meest op die van Uilen; zij zijn groenachtig wit van kleur, meestal zonder eenige teekening; indien deze aanwezig is, bestaat zij eenvoudig uit enkele kleine, roodachtig grijze of geelbruine, ronde vlekjes. De jongen zien er allerliefst uit in hun dicht, aan de oppervlakte grijsachtig getint jeugdkleed; in het nest zitten zij met de koppen bij elkaar, drukken zich bij de komst van een vreemd wezen plat op den bodem neer en blijven in deze houding, alsof zij dood zijn, totdat de vijand hen grijpt of zich weder verwijderd heeft; intusschen houden zij zich stil, hoewel zij anders hun geschreeuw, dat aan ’t piepen van jonge kuikens herinnert, duidelijk genoeg laten hooren. Aanvankelijk zwerven zij in gezelschap van hunne ouders door het broedgebied en krijgen van deze onderricht en opleiding voor de jacht; weldra echter wordt de lust om hun eigen gang te gaan in hen levendig en voordat er 3 weken voorbijgegaan zijn, leiden zij hetzelfde leven als de volwassen Vogels. Het valt niet te ontkennen, dat de fraaie, lichtblauwe Vogel, vooral in het voorjaar, als hij boven de groene akkers zweeft, een sieraad van de vlakte genoemd mag worden. Evenmin mag men over ’t hoofd zien, dat hij door het verslinden van Muizen en Insecten, vooral Sprinkhanen, ons groote diensten bewijst, door het wegvangen van Hagedissen en Kikvorschen, die na de Muizen waarschijnlijk zijn voornaamste voedsel uitmaken, ons op zijn minst genomen geen nadeel berokkent. Wegens de vele overtredingen, waaraan hij zich schuldig maakt, kan hij echter geen aanspraken doen gelden op onze bescherming. In weerwil van zijn schijnbare zwakkelijkheid is hij een even drieste als gevaarlijke vijand van alle dieren, die hij vermeesteren kan. Vele kleine Zoogdieren, voor zoover zij niet grooter zijn dan een Ziesel of een jonge Haas, alle jonge, nog weerlooze Vogels, die in een nest op den bodem geboren zijn, de halfwassen Fazanten en Patrijzen zoowel als de Boschzangers, hebben zijne roofgierige klauwen te vreezen. Hoewel Vogels, die hun volkomen kleed reeds bezitten en tot vliegen in staat zijn, hem gemakkelijk kunnen ontkomen, kost het medenemen van het broedende wijfje hem in sommige gevallen niet meer moeite dan het ontvoeren van de halfvolwassen Vogels uit hun nest of het rooven van de eieren.
Met de Kraaien leeft de Blauwe Kuikendief in voortdurenden strijd; van moedige, kleine Vogels, vooral van Zwaluwen en Kwikstaarten, heeft hij veel te verduren. Bovendien wordt hij lastig gevallen door parasieten, die op en in zijn lichaam leven. De eierenzoeker is voor hem de gevaarlijkste mensch, want den jager weet hij in de meeste gevallen te ontkomen. Met den Ooruil lokt men in den regel slechts jonge Vogels aan, tenzij in de nabijheid van de horst. Vallen leiden gewoonlijk ook niet tot het gewenschte doel, met uitzondering misschien van een zorgvuldig verborgen sprenkel, die op behoorlijke wijze met een lokaas voorzien is. De uitkomst van de jacht is dus steeds eenigszins twijfelachtig.
In de kooi houdt zelfs de oud gevangen Kuikendief zich veel rustiger dan alle tot andere geslachten behoorende Valkvogels. Om hem in ’t leven te houden moet men zijn disch met allerlei kleine dieren voorzien, om hem groot te brengen het voedsel bovendien vooraf stuk maken.
De Aschgrauwe Kuikendief (Circus pygargus) bewoont ten deele dezelfde gewesten als de vorige soort en vervangt haar in andere. Hij heeft een minder duidelijken sluier, is veel slanker en een weinig kleiner: totale lengte 44, vlucht 125 cM.; de vleugels zijn naar evenredigheid langer en puntiger, de staart langer (vleugel 48, staart 23 cM.). Het oude mannetje, dat ongetwijfeld de fraaiste van onze Kuikendieven is, heeft den kop en de bovenborst blauwachtig aschgrauw, welke kleur op den nek en den rug, wegens de donkere vederzoomen, die hier duidelijk op den voorgrond treden, in donker aschgrauw overgaat; de onderborst, de buik en de verlengde schenkelveeren zijn wit, doch met smalle, roestroode schaftstrepen zeer fraai geteekend. De handpennen zijn zwart, de armpennen licht aschkleurig blauw met een zwarten band, de achterste armpennen bruingrijs, de beide middelste staartveeren aschgrauw, de overige lichter, de beide buitenste roestbruinachtig, alle met zwarte dwarsbanden. De iris is bij de oude Vogels levendig hooggeel, bij de jongen bruin, de snavel blauwzwart, de washuid geel, de zeer hooge en dunne voet waskleurig geel.
Het verbreidingsgebied van den Aschgrauwen Kuikendief is niet minder uitgestrekt dan dat van zijne reeds genoemde verwanten; deze Vogel behoort echter meer in het oosten dan in het westen van het noordelijke faunistische Rijk der Oude Wereld thuis. In Nederland houdt hij zich van April tot October op; hij werd broedende gevonden in droge streken van Noord- en Zuid-Holland, Noordbrabant, Gelderland, Overijsel, Drente en Friesland, waar hij gewoonlijk in open bosschen en in de duinen nestelt. In Duitschland behoort hij tot de minder veelvuldige soorten van zijn geslacht, hoewel hij op voor hem geschikte plaatsen niet ontbreekt. Hij houdt van uitgestrekte weiden of van moerassen, die in den zomer grootendeels droog zijn, vestigt zich daarom bij voorkeur in de nabijheid van rivieren en vooral in laaglanden, die gedurende den winter bij hoogen waterstand blank staan.
De laatste soort van dit geslacht, die wij te beschrijven hebben, is de Bruine Kuikendief, Klem, Kiekendief, Wouw of Rietwouw, op Texel Schor, in Noordbrabant Koop, in Friesland Hanenbijter, Hanenschrobber, Muizenbijter, Hanemosk, in ’t Friesch Hoanskribber genoemd (Circus aeruginosus). De kleur van het kleed loopt niet slechts bij de mannetjes en wijfjes en bij de jongen en volwassenen, maar ook in de verschillende tijden van ’t jaar vrij sterk uiteen. Bij het oude mannetje hebben de veeren van het voorhoofd en de kruin bruingele randen, overigens zijn de bovendeelen koffiebruin; de veeren van voorhals en voorborst zijn geelbruin gevlekt, die van de overige onderdeelen roestrood, aan den top lichter, de handpennen zwartbruin, een deel van de armpennen en de groote vleugeldekveeren fraai aschgrauw, de stuurpennen lichter grijs en met een roodachtig waas. De kleur van het oude wijfje is minder levendig en biedt minder afwisseling aan dan die van het oude mannetje; vooral het aschgrauw van den vleugel en den staart is zelden aanwezig; de staart is van boven gezien grijsbruin, de kop geelachtig wit met donkere schaftstrepen, een vlek aan weerszijden van den nek, de schouders, de (weinig ontwikkelde) sluier en de borst zijn eveneens lichter van kleur. Bij den jongen Vogel, die over ’t geheel genomen op het wijfje gelijkt, heeft effen donkerbruin de overhand; de bovenkop, de nek en de keel zijn geelachtig. Het oog is bij de ouden geel, bij de jongen bruin; de pooten en de washuid zijn geel. Totale lengte 55, vlucht 136, vleugel 43, staart 24 cM. Het wijfje is 3 à 4 cM. langer en heeft 7 à 9 cM. meer vlucht.

Bruine Kuikendief (Circus aeruginosus). ¼ v. d. ware grootte.
Bezuiden den 57en breedtegraad ontbreekt de Bruine Kuikendief in geen der landen van Europa; men treft hem hier aan in alle gewesten, die de eischen bevredigen, welke hij aan zijn verblijfplaats stelt. Bovendien ontmoet men hem geregeld in geheel West-Azië, in noordelijke richting tot ongeveer op de breedte van het Altaï-gebergte; verder oostwaarts wordt hij steeds zeldzamer; aan den Amoer en in China krijgt men hem slechts zeer zelden te zien. Op den trek doorreist hij het vasteland van Zuid-Azië en ook een groot deel van Afrika. Meer dan eenige andere Kuikendief is hij aan de lage landen gebonden; moeras en water zijn volstrekt noodig voor zijn bestaan; men mag gerust zeggen, dat hij beide nooit uit het oog verliest. In ons vaderland vindt men hem van Maart tot September in moerassige, met riet begroeide streken overal. In vele van deze gewesten is hij de meest talrijke van alle Roofvogels. Soms overwintert hier een enkel exemplaar.
Door levenswijze en aard is de Bruine Kuikendief een onedele Roofvogel. Wegens zijn zwakken lichaamsbouw kan hij geen ander dan krachteloos wild jagen, dat hij op den grond of in een schuilhoek van het moeras overvalt en in den echten zin van ’t woord vermoordt. Angstvallig ontwijkt hij den mensch; behendig weet hij zich in veiligheid te stellen door in het riet of naar ontoegankelijke gedeelten van het moeras te vluchten; op deze wijze ontkomt hij, zonder eigenlijk schuw te zijn, in de meeste gevallen aan zijne vervolgers. Zijn voedsel bestaat bijna uitsluitend uit water- en moerasvogels en hun kroost, zoowel wanneer dit nog in den eitoestand verkeert, als na het verlaten van de eischaal. Alleen wanneer hij geen Vogels kan krijgen, behelpt hij zich met Amphibiën, Visschen en Insecten. Dat hij een even behendige als kwaadaardige nestenzoeker is, weten de oude Vogels zeer goed; zij trachten hem daarom op allerlei wijzen van hunne nesten verwijderd te houden en vervolgen hem met jammerlijk geschreeuw en woedende snavelhouwen. De Wilde Ganzen, Eenden en andere Zwemvogels bedekken hunne eieren, wanneer zij deze voor een tijd moeten verlaten, met nestmateriaal en trachten ze hierdoor voor de oogen van den Bruinen Kuikendief te verbergen.
Alleen in den paartijd verloochenen deze Roofvogels hun tragen aard, hun als ’t ware kruipend leven, alleen dan verlaten zij het moeras en het rietveld om onder allerlei vreemdsoortige kapriolen hoog in de lucht rond te stoeien, alsof zij toonen willen, wat zij van ’t vliegen verstaan. Een paar van deze Vogels, die overigens zoo verborgen leven, dat men ze bijna gedurende het geheele jaar niet opmerkt, kan in de maand April een geheele streek verlevendigen.—Het nest wordt op moerassige plaatsen, tusschen riethalmen of struiken, van riet en andere waterplanten gebouwd; het rust veelal onmiddellijk op het water. Op zijn vroegst in de laatste dagen van April, meestal niet voor de eerste dagen van Mei, vindt men er het voor het broeden noodige aantal eieren in, in den regel 4 of 5, zelden 6. Zij hebben een oneffene of althans doffe, glanslooze schaal van groenachtig witte of blauwgroene kleur.
Van alle Kuikendieven is de Bruine zonder eenigen twijfel de schadelijkste.
Een afzonderlijke onderfamilie vormen de Gierbuizerden (Polyborinae), Amerikaansche Roofvogels, welker kenmerken gelegen zijn in een betrekkelijk langen snavel, welks bovenhelft aan den wortel recht loopt, aan de spits zwak gebogen is en vóór den korten haak geen tand bezit, voorts in voeten met een hoogen en dunnen loop, korte vleugels, een langen en breeden staart en een hard vederenkleed, dat de teugels (in enkele gevallen ook de keel en het voorste deel van ’t voorhoofd) onbedekt laat, terwijl het op den achterkop uit spitse veeren bestaat.
Deze merkwaardige Vogels vervangen in hun vaderland niet slechts de Gieren, maar ook de Raven, Kraaien en Eksters. Men ontmoet ze in Zuid-Amerika overal, van het zeestrand tot in de hooge bergstreken der Andes. „De Gierbuizerden,” zegt D’Orbigny, „zijn voor alle bewoners van deze gewesten, op welken trap van beschaving zij ook verkeeren, de indringendste parasieten. Trouwe metgezellen van den wilden nomade, begeleiden zij hem van den eenen woudzoom tot den anderen, langs de oevers der rivieren of door de vlakte en zetten zich neer dicht bij de plek, die hij tot tijdelijke verblijfplaats kiest. Waar men zich ook voor eenigen tijd moge vestigen en een hut bouwen, steeds zal de Gierbuizerd zich op het dak neerzetten en als ’t ware de eerste zijn, die de woning in bezit neemt; steeds is hij gereed om zich te ontfermen over de weggeworpen overblijfselen van het voedsel van den eenzamen kolonist. Overal waar een vereeniging van menschelijke woningen, een gehucht of een dorp, ontstaat, ziet men de Gierbuizerden verschijnen; zij vatten post in de nabijheid en zwerven onophoudelijk rond tusschen de huizen, die een overvloed van gemakkelijk verkrijgbaar voedsel beloven. De onvermoeide werkzaamheid van den Gierbuizerd schijnt nog toe te nemen, wanneer de tot hoogere beschaving geraakte mensch aanvangt landerijen te ontginnen en zich met een groot aantal huisdieren omgeeft. Zijn kostwinning is nu verzekerd; hij schroomt niet zijn bedrijf uit te oefenen te midden van het dorp, waar hij zijn voordeel doet met de achteloosheid der bewoners, nu eens door jonge hoentjes te rooven, dan weer door het vleesch, dat te drogen hangt, te stelen. Evenals de Gier, moet ook hij de gevolgen van de nalatigheid der bewoners van dorpen en steden afwenden door het verslinden van krengen en drek.” Twee soorten van deze onderfamilie houden steeds de wacht bij de hutten der bewoners van de steppen en woudzoomen, andere zwerven met dezelfde bedoeling om de woningen in ’t gebergte, weer andere houden zich op in de uitgestrekte wouden, eenige eindelijk treft men langs de zeekust aan.
De vliegende Gierbuizerden zijn op een afstand kenbaar aan den vierhoekigen vorm der uitgespreide vleugels, welker slagpennen schijnbaar alle even ver reiken.
De Chimachima (Ibycter crotophagus), die het geslacht der Schreeuwbuizerden vertegenwoordigt, is vuilwit van kleur; een streep, die zich van het oog naar den achterkop uitstrekt, de rug, de vleugels en de staart zijn donkerbruin, de staartveeren hebben op witachtigen grond smalle, zwartbruine dwarsbanden en een breede, zwartbruine spits. Het mannetje en het wijfje verschillen weinig in kleur. Lengte van het mannetje 38, van ’t wijfje 40, staartlengte 16 à 17 cM.
De Chimachima is over een groot deel van Zuid-Amerika verbreid: in Brazilië overal veelvuldig, in Guyana hoofdzakelijk beperkt tot de steppe, vooral tot uitgedroogde moerassen, in Chili algemeen, op Chiloë buitengewoon talrijk, niet ongewoon aan de kust van Patagonië en van Vuurland. Het liefst houdt hij zich op in opene, vlakke gewesten, vooral in veeweiden. Op Chiloë zit hij op alle daken en volgt iederen ploeg. Geregeld ontmoet men hem ook aan de zeekust, in ’t gebergte daarentegen boven een zekere hoogte niet meer. Met vasten tred beweegt hij zich op den bodem; zijn vlucht is niet zeer snel, daar zijn zweven door tamelijk vele vleugelslagen wordt afgebroken. In hooge mate twistziek ligt hij met zijne soortgenooten voortdurend overhoop, hoewel hij met andere, niet tot zijn orde behoorende Vogels in tamelijk goede verstandhouding leeft. Hij vreet, naar Darwin bericht, alles, zelfs het brood, dat met het aanveegsel buitenshuis geworpen is, ook rauwe aardappelen, die hij niet slechts bij de huizen wegsteelt, maar ook uit den grond haalt, kort nadat zij gepoot zijn. Van alle Vogels verlaat hij het geraamte van een kreng het laatst; men ziet hem dikwijls in de borstkas van een Koe of van een Paard als in een kooi. Wormen en insectenlarven zijn hem gedurende een deel van ’t jaar als spijs zeer welkom, zoo ook de Luizen en andere Insecten of maden, die de huisdieren kwellen. In de moerassen verzamelt hij Slakken en Amphibiën; aan de kust vergast hij zich op de zeedieren, die door de golven op het strand worden gespoeld. Op Vogels en Zoogdieren schijnt hij geen jacht te maken. In zijn maag vond men maden en Wormen, Slakken en Visschen, nooit echter overblijfselen van Vogels. Hij wordt lastig door zijn diefachtigheid en driestheid, nog veel lastiger echter door zijn fijn, schelklinkend, dikwijls herhaald gefluit, dat soms met recht oorverdoovend mag heeten.
De Falkland-Chimango (Ibycter australis) onderscheidt zich o.a. door donkerder kleur en aanzienlijker grootte van de vorige soort; hoewel hij met deze eenige gewesten gemeenschappelijk bewoont, wordt hij veelvuldiger aangetroffen aan de zuidelijke spits van het vasteland, en is buitengewoon talrijk op de Falkland-eilanden, die het middelpunt van zijn verbreidingskring schijnen uit te maken. Zijn voedsel bestaat voor een groot deel uit het vleesch van doode dieren. Op sommige eilanden moet voornamelijk de zee in zijn onderhoud voorzien. „Deze Roofvogels,” zegt Darwin, „zijn alles behalve schuw; zij komen in de onmiddellijke nabijheid van de huizen en zoeken er allerlei afval op. Bij het door de jagers gedoode wild verschijnen weldra een aantal Chimango’s, die, op den grond zittend, geduldig wachten op hetgeen er voor hen overschiet. Dikwijls vallen zij ook gewonde dieren aan: een aangeschoten Aalscholver, die naar den oever was gevlucht, werd hier oogenblikkelijk aangevallen door verscheidene Chimango’s, die door snavelhouwen zijn dood verhaastten. De officieren van een oorlogschip, dat in den winter bij de Falkland-eilanden gestationeerd was, vermeldden verscheidene staaltjes van de buitengewone vermetelheid en roofgierigheid van deze Vogels. Zoo overvielen zij een Hond, die in de nabijheid van een der leden van het gezelschap lag te slapen. Op de ganzenjacht hadden de jagers groote moeite om de Chimango’s van het door hen gedoode wild af te houden. Dikwijls loerden verscheidene van deze Vogels voor een konijnengat en vielen gezamenlijk op het Konijn aan, zoodra het zijn hol verliet. Voortdurend vlogen zij om het schip heen; zoolang het in de haven lag, was een nauwgezet toezicht noodig om te verhoeden, dat zij het leer van het touwwerk scheurden, of het vleesch en het wild van het achterdek van het schip stalen.” Op den grond loopen zij opmerkelijk snel, bijna zoo vlug als Fazanten; hun vlucht is echter log en plomp; zij bewegen zich daarom meer loopend dan vliegend. De robbenvangers noemen hen „Kraaien” wegens hun geschreeuw.
*

Carancho (Polyborus brasiliensis). ⅙ v. d. ware grootte.
Tot de Eigenlijke Gierbuizerden (Polyborus) behoort de Carancho, Caracara of Traro (Polyborus brasiliensis). Deze bereikt een lengte van 70 bij een vlucht van 125 cM., de vleugel is 38, de staart 20 cM. lang. De veeren van den boven- en achterkop, die als een kuif opgericht kunnen worden, zijn donker bruinachtig zwart, die van den rug zwartbruin met witte dwarsstrepen, de vleugels donkerbruin; de achterste groote dekveeren en de schouderveeren hebben lichte dwarsstrepen; de wangen, de kin, de keel en de onderhals zijn wit of geelachtig wit; de zijden van borst en hals zijn op dezelfde wijze gestreept als de rug; de buik, de schenkels en de stuit zijn effen zwartbruin; de slagpennen zwartbruin aan den wortel en de spits, in ’t midden echter wit met fijne, donkere dwarsbanden, stippels en driehoekige randvlekken op de buitenvlag, de stuurpennen wit met zeer smalle, lichtbruinachtige dwarsbanden en een breeden, zwartbruinen eindband. Het oog is grijs of roodachtig grijs, de snavel licht blauwachtig, de voet oranjegeel.
Paarsgewijs bewonen deze Vogels alle vlakke gewesten van Zuid-Amerika, vooral de steppen en schraal bezette wouden. In de oerwouden vindt men ze evenmin als in het gebergte. Buitengewoon talrijk komen zij voor in moerassige landstreken.
Hun voedsel bestaat uit allerlei dierlijke stoffen. In de steppen maken zij, evenals onze Buizerden, jacht op Muizen, kleine Vogels, Amphibiën, Slakken en Insecten; aan ’t zeestrand gebruiken zij ’t geen door de golven wordt aangevoerd. De Prins Von Wied vond in hun maag overblijfselen van Insecten, vooral van Sprinkhanen, die in de Braziliaansche vlakten zoo talrijk zijn. Azara leerde hen kennen als vervolgers van Nandoes, van lammeren en van hertkalveren. „Als een schapenkudde,” verhaalt hij, „niet door een goeden Hond bewaakt wordt, gebeurt het soms, dat de Carancho de pasgeboren lammeren bij levenden lijve begint te verslinden en hen de darmen uit de lichaamsholte rukt. Als een van deze vogels vreest, dat zijn kracht niet voldoende zal zijn voor het overmeesteren van een buit, roept hij 4 of 5 van zijne kornuiten te hulp; vooral hierdoor wordt hij gevaarlijk.” Op krengen treft men hem geregeld aan. „Een dier, dat in de vlakte sterft,” zegt Darwin, „verschaft eerst een gastmaal aan den Gallinazo, daarna pikt de Carancho de beenderen schoon. Langs de wegen in de woestijnachtige vlakten van Patagonië ziet men dikwijls een vrij groot aantal van deze Vogels bezig met het verslinden van de lijken der dieren, die van honger en dorst omgekomen zijn.” Bij het landvolk is de Carancho zeer gehaat, omdat hij het vleesch, dat te drogen ligt, met de grootste brutaliteit wegsteelt, tot afwisseling echter ook zeer gaarne jonge Hoenderen rooft of andere zwakke en zelfs sterke huisdieren lastig valt. Dikwijls ziet men hem op den rug van een Paard of van een Muildier staan, zoekend naar parasieten, maar tevens bezig met het wegpikken van de korsten hunner wonden; het arme dier blijft met ingezakten rug en hangende ooren rustig staan, daar het zich tegen den Vogel toch niet verweren kan. Jachtgezelschappen, die met Honden en Paarden uittrekken, worden over dag voortdurend begeleid door eenige Carancho’s; deze nemen de geschoten Vogels dikwijls voor de oogen van de schutters weg. Ook andere Roofvogels vliegen zij na, met het doel hun een zooeven gevangen buit af te troggelen. Op hun beurt worden zij zelve ook door allerlei Vogels gekweld en vervolgd. Zelfs met hunne naaste verwanten twisten zij aanhoudend.—Bij ’t schreeuwen legt de Carancho den kop geheel op den rug en brengt het ratelend geluid „traaa” voort, licht hem vervolgens weer op en roept „rooo” met een krijschende, heesche stem. Zijn geschreeuw herinnert eenigszins aan het knarsend geluid van twee stukken hout, die met geweld op elkander geslagen of gewreven worden. Het is op grooten afstand hoorbaar en maakt een zeer onaangenamen indruk.
De broedtijd is verschillend al naar de landstreek, waar de Carancho woont. In Paraguay nestelt hij in den herfst, in Middel-Amerika gedurende de lentemaanden. De horst is groot en plat, van rijsjes vervaardigd, inwendig bekleed met fijne wortels, gras en mos; men vindt hem zoowel op zeer hooge, als op lage boomen. De eieren ten getale van drie, hoogstens 4, dikwijls slechts 2, zijn zeer verschillend van kleur en teekening, meestal echter op geelachtigen grond bruin en bloedrood gevlekt. De jongen komen in een wit donskleed ter wereld, worden door hunne ouders met de grootste zorgvuldigheid opgevoed, bijgestaan, zoolang zij hulp behoeven, kort daarna echter verstooten of althans met onverschilligheid behandeld.
Audubon beschrijft het leven van een uit het nest genomen Carancho-paar in de kooi. Het mannetje toonde zich dikwijls heerschzuchtig jegens zijn zuster en liet zelden een gelegenheid voorbijgaan om haar door herhaalde en hevige slagen te kwellen, hetgeen van weerszijden aanleiding gaf tot een luid geschreeuw. Jegens hun verzorger waren de Carancho’s volstrekt niet vriendschappelijk gezind. Als men ze met de hand aanvatte, verweerden zij zich zoo hevig met den snavel en de klauwen, dat men wel genoodzaakt was ze los te laten. Zij aten doode zoowel als levende dieren, Ratten, Muizen en verschillende soorten van Hoenderen. Even behendig als Arenden en Valken droegen zij hun buit in de klauwen weg. Bij ’t „kroppen” hielden zij hun voedsel met de klauwen vast en slikten de losgescheurde stukken spiervleesch met huid en haren of veeren zonder nadere voorbereiding door. In de tweede lente verwisselden zij hun kleed tegen dat van de oude vogels; de volle schoonheid van deze verkregen zij echter eerst later.
Tusschen de Valkvogels, die nu afgehandeld zijn, en de Gieren verdient het geslacht der Baardgieren (Gypaëtus) een plaats. Zij onderscheiden zich van alle andere Roofvogels zoozeer door hun in ’t oog vallend gerekten lichaamsbouw, dat zij als vertegenwoordigers van een afzonderlijke onderfamilie beschouwd worden. Hun romp is krachtig, de kop groot en lang, de vleugel zeer lang en spits, de zeer lange, uit 12 pennen samengestelde staart trapvormig of wigvormig; de groote en lange snavel heeft ongetande zijranden en loopt uit in een scherpen haak; de snavelrug is bij den wortel zadelvormig; de korte, betrekkelijk zwakke loop draagt middelmatig lange, zeer zwakke teenen, die met dikke, hoewel weinig gekromde en tamelijk stompe nagels gewapend zijn. Borstelachtige haarveeren omgeven den snavelwortel, bedekken de washuid aan weerszijden en vormen aan het achterste deel van den ondersnavel een naar onderen gerichten „baard” van zwarte kleur. De kop is bekleed met korte, dons- of borstelvormige, de hals daarentegen met groote, eenigszins opgerichte veeren; het vederenkleed van den romp ligt iets gladder tegen het lichaam aan; de loop is geheel bevederd; de veeren van de schenkels zijn sterk verlengd, vormen een „broek”, die tot op de teenen reikt.
In den regel worden alle Baardgieren der aarde als leden van één soort beschouwd. Die van Abessinië en Zuid-Afrika onderscheiden zich van de overige door hun minder ver bevederden loop. In levenswijze en gewoonten stemmen alle Baardgieren overeen.
De Baardgier of Lammergier (Gypaëtus barbatus) is 1 à 1.15 M. lang en heeft 2.4 à 2.6 M. vlucht; de vleugellengte bedraagt 79 à 82, de staartlengte 48 à 55 cM. De eerstgenoemde afmetingen gelden voor het mannetje, de andere voor het wijfje. In het volkomen kleed zijn het voorhoofd, de kruin en de zijden van den kop geelachtig wit, met een door de borstelvormige veeren gevormde, donkere teekening; de achterkop en de achterhals zijn fraai roestgeel. De veeren van den rug en den staartwortel zijn, evenals de bovendekveeren van vleugel en staart, donkerzwart met witachtige schaften en een geelachtige vlek aan den top. De slagpennen en stuurpennen zijn zwart met aschgrauwe binnenvlag en hebben witachtige schaften. De geheele onderzijde is hoog roestgeel, het donkerst aan den voorhals. De borst draagt een krans van witachtig gele veeren met zwarte vlekken. Een zwarte teugelstreep loopt van den snavelwortel door het oog en buigt zich aan den achterkop om; zij bereikt die van de andere zijde niet geheel en vormt dus slechts een onvolledigen krans. Het oog is zilverwit, de buitenste oogkring menie-rood, de washuid blauwachtig zwart, de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet loodkleurig grijs.
De Lammergier is ver verbreid. In Europa bewoont hij de Alpen en de hooge gebergten van Zevenburgen, in kleinen getale ook den Balkan en de Pyreneeën, benevens alle hooge gebergten van de drie zuidelijke schiereilanden en eindelijk den Kaukasus. In Azië strekt zijn gebied zich uit over alle hooge gebergten, van den Altaï tot aan de Chineesche rand- en middel-gebergten en van deze zoowel als van gene tot aan den Sinaï, de gebergten van Zuid-Arabië en de Himalaja. In Zwitserland broedt hij sedert eenige jaren waarschijnlijk niet meer. Hij bewoonde hier min of meer geregeld de hoogste gebergten van Bern, Grauwbunderland, Tessino en Wallis. De laatste Lammergier van Zwitserland, was vermoedelijk die, welke bekend stond onder den naam van „’t oude wijf”, zich ophield in de Lötschenthaler Alpen (van Wallis) en op den Hochgleifen nestelde. Dit oude wijfje werd in den winter van 1887 vergiftigd gevonden en bevindt zich nu opgestopt in ’t museum te Lausanne. In de Duitsche en Oostenrijksche Alpen is de Lammergier bijna of geheel uitgeroeid; het is mogelijk, dat hij enkele van deze bergketenen nog bezoekt en zich daar tijdelijk ophoudt. Op het Balkan-schiereiland ontbreekt hij in geen der hooge gebergten; zoo is het ook in Spanje, met uitzondering van Galicië en Leon. Het hier voorkomende ras bewoont ook den noordrand van Afrika.

Lammergier (Gypaëtus barbatus).
Meer dan eenig ander lid van zijn familie, misschien zonder andere uitzondering dan de Kondors, mag men den Lammergier beschouwen als een bewoner van den hoogsten gordel van het gebergte. Tot vermijding van misverstand moet hier bijgevoegd worden, dat hij wel is waar van de hooge streken houdt, maar toch de lage volstrekt niet vermijdt. Om storm en boos weer, om ijs en sneeuw bekommert hij zich niet, maar ook de hitte, die in den regel in de lagere gedeelten van de zuidelijke gebergten heerscht, hindert hem niet merkbaar; bij zijn snelle beweging zullen zelfs heete luchtlagen hem afkoeling verschaffen; ten allen tijde kan hij trouwens een hinderlijk hooge temperatuur ontgaan en zich baden in de zuivere lucht van de koude hoogte. In Spanje, waar hij in alle hooge gebergten volstrekt geen ongewone verschijning is, nestelt hij ook op bergruggen van 200 à 300 M. hoogte. Hetzelfde geldt voor Perzië. Naar mij gebleken is, leeft hij paarsgewijs of eenzaam, hoogstens in kleine vluchten. Ieder paar bewoont een gebied van vele vierkante kilometers oppervlakte en doorkruist dit iederen dag; het doet dit zelfs op eenigszins regelmatige wijze. In streken waar hij zich ophoudt, zal men hem dus stellig opmerken.
In de morgenuren ziet men hem zelden of nooit; eerst ongeveer 1½ uur na zonsopgang begint hij in zijn gebied rond te zwerven; niet later dan 5 uur ’s avonds begeeft hij zich naar zijn slaapplaats. Het mannetje en het wijfje vliegen op een niet al te grooten afstand van elkander langs de voornaamste richtingslijnen van het gebergte, gewoonlijk niet hooger dan ongeveer 50 M. boven den bodem. Zij volgen de lengteas van het gebergte, keeren soms terug bij den top van een buiten de richting liggenden berg en zoeken dan de andere zijde af. Over dwarsdalen, die door den hoofdketen heenbreken, vliegen de Vogels heen op dezelfde hoogte, waarop zij zich tot dusver bevonden; zelden doorzoeken zij deze meteen; boven ketelvormige dalen blijven zij daarentegen meestal een geruimen tijd kringen beschrijven. Een Lammergier, die een inspectiereis maakt, laat zich niet licht ergens door ophouden. Menschen schuwt hij in ’t geheel niet, dikwijls zweeft hij hun bij ’t zoeken van buit op een afstand van weinige meters voorbij. Ook bij het rondzwerven vliegt de Baardgier buitengewoon snel; zonder merkbare beweging van de vleugels maken zijne veeren dan een luid hoorbaar geruisch. Om deze reden en wegens zijn sierlijke houding kan men hem onmogelijk met een anderen Gier of met een Arend verwarren.
Bij het vliegen laat hij zijne blikken naar alle zijden waren; zoodra hij iets ontdekt heeft, begint hij onmiddellijk boven dit voorwerp schroeflijnen te beschrijven; zijn metgezel volgt dit voorbeeld onverwijld; beide vliegen nu dikwijls langen tijd boven één plek rond, voordat zij hun tocht voortzetten. Indien het gevonden voorwerp van eenig belang blijkt te zijn, dalen zij langzamerhand verder naar beneden, zetten zich eindelijk op den grond neer en loopen nu als Raven naar den gezochten buit. Steeds kiest de Lammergier hoog gelegen plaatsen uit om zich neer te zetten, het liefst uitstekende rotspunten of althans rotsterrassen. Blijkbaar valt het opvliegen hem zwaar en acht hij het daarom wenschelijk zich bij den aanvang van den tocht op een zekere hoogte te bevinden; van hier kan hij zonder vleugelslag verder komen, want, zoodra hij zweeft, is de geringste luchtstrooming voldoende om hem tot iedere gewenschte hoogte te doen opstijgen. Gewoonlijk moet hij, wegens de lengte van zijn staart, bij ’t zitten den romp een horizontalen stand geven. Op rotsen, waar zijn staart hem niet hindert, zit hij tamelijk rechtop. Hij gaat betrekkelijk goed, stappend en niet huppelend.
Als men een geloofwaardigen Spaanschen jager vraagt, wat de Lammergier eet, zal hij stellig geen jacht-, spook-, roof- en moordgeschiedenissen vertellen, gelijk de Zwitser van zijn „Gierarend”; hij zal eenvoudig zeggen, dat de „Beenderenbreker” (Quebrantahuesos) aas, Konijnen, Hazen en nog andere kleine Zoogdieren eet, hoofdzakelijk echter beenderen, die hij verbrijzelt door ze van een aanzienlijke hoogte naar beneden te laten vallen. Als ik naar den Vogel vroeg, die Geiten en Schapen, kinderen en Honden rooft en verslindt, noemde men mij nooit den Lammergier, maar steeds den Steenarend. Van dezen, maar alleen van hem, had men evenveel staaltjes van roofzucht te verhalen, als bij ons in omloop zijn over den Lammergier. Deze wordt in Spanje als een zeer onschadelijken Vogel beschouwd. Geen herder vreest hem, geen veefokker weet iets van rooverijen, waaraan hij zich zou hebben schuldig gemaakt. Iedereen verzekert echter, dat hij geregeld met de Gieren op het aas aanvalt en, zooals reeds gezegd is, beenderen naar beneden werpt om ze te verbrijzelen. Er is dan ook werkelijk geen reden om te betwijfelen, dat hij op deze wijze groote beenderen stuk maakt. Zeearenden en andere Roofvogels en ook Raven en Meeuwen, doen, volgens de verzekeringen van de nauwgezetste onderzoekers, precies hetzelfde. De Lammergier draagt zijn Spaanschen naam dus te recht.
Van den Abessinischen Lammergier bericht Von Heuglin, „dat zijn voedsel bijna uitsluitend bestaat uit beenderen en anderen afval van slachterijen, dat hij verongelukte dieren en lijken van menschen verslindt, maar slechts in geval van nood zelf jaagt; want het gelukt hem zelden een Haas of een verdwaalde of gewonde Geit te vangen. Gedurende den veldtocht van Koning Theodorus tegen de Galla begeleidden deze Vogels bij dozijnen het leger.”
„Het woord Lammergier,” zegt Krüper, „wekt onwillekeurig de voorstelling van den stoutmoedigsten van alle Roofvogels; een rilling bevangt ons bij het hooren van zijn naam, zoo vreeselijk zijn de verhalen, die over hem in omloop zijn. Is de Lammergier werkelijk voor menschen en vee zoo verschrikkelijk? Brengt hij zooveel schade teweeg? Of kreeg hij zonder zijn schuld den slechten naam, dien hij in wetenschappelijken werken en hoofden heeft? In Arkadië, waar de gebergten niet zeer hoog zijn, begint zijn gebied in de onmiddellijke nabijheid van de zee. Wat rooft deze gevaarlijke buurman dan daar in de vlakte? Zoekt hij daar lammeren, Geiten of misschien zelfs Runderen, om ze te verslinden? Men ziet hem soms op vrij geringe hoogte aan den voet van een met veel kreupelhout begroeiden berg rondvliegen, met naar beneden gerichten kop het terrein bespiedend; plotseling daalt hij neder en verdwijnt. Stellig heeft hij op dit oogenblik een buit gegrepen. Is het een Geit?—Neen, het is maar een Schildpad, die dienen zal om zijn eigen honger te stillen of die aan zijne jongen goed zal smaken. Om het vleesch van den Schildpad te kunnen verkrijgen, werpt hij haar van boven neer op een rots, waardoor zij verbrijzeld wordt. De Engelsche reiziger Simpson, die den Lammergier in Algerië heeft waargenomen, is van dezelfde meening; hij verhaalde mij dat elk van deze Vogels op een bepaalde rots de buitgemaakte schildpadden te pletter laat vallen. Den 14en Mei 1861 bezocht ik de horst van een Lammergier. Aan den voet van den rotswand lagen een groot aantal Schildpadden benevens verscheidene beenderen.”
„Mergpijpen,” zegt Simpson, „zijn de lekkernijen, die het meest in den smaak van den Lammergier vallen. Bij ’t einde van den maaltijd, nadat andere Gieren het vleesch van het geraamte van een dood dier hebben afgevreten, komt hij de beenderen verslinden, die vooraf stuk gebroken worden, wanneer het niet mogelijk is op een andere wijze het merg te verkrijgen.”—„Deze Vogel,” zegt ook Gurney, „verzwelgt groote beenderen. De maag van het exemplaar, dat ik (op de zuidoostkust van Afrika) schoot, was er mede gevuld. De beenderen waren ongetwijfeld doorgeslikt zonder eenig vleesch er aan; zelf heb ik gezien, dat de Lammergier een afgekloven bonk opnam. Het grootste been, dat ik in zijn maag vond, was een runderwervel, die 10 cM. lang, 7 cM. breed en 5 cM. dik was. Tusschen de beenderen vond ik een groote hoeveelheid haar van Klipdassen, waaruit blijkt, dat de Lammergier ook zulke dieren rooft, waarschijnlijk, terwijl zij zich over dag buiten hun hol door de zon laten koesteren.”—Hij vangt, volgens Adams, „Marmotten, maar bepaalt zich niet uitsluitend tot een levenden buit, want men ziet hem ook op zijn gemak langs de hellingen van den berg zweven om aas en ander afval te zoeken. In de maag van een Vogel, die door mij in het gebergte van Kasjmir gedood werd, vond ik verscheidene lange beenderen en een hoef van een Steenbok.”
Deze talrijke, bijna volkomen overeenstemmende mededeelingen wekken twijfel aan de juistheid van de uit Zwitserland afkomstige berichten over de spierkracht, de vermetelheid en de roofzucht van den Lammergier. Zij voeren tot het besluit, dat deze Vogel een evenknie is op vergroote schaal van den in vele opzichten zoo nauw met hem verwanten Aasgier: een zwakke, lafhartige, zoomin lichamelijk als geestelijk begaafde Roofvogel, die slechts nu en dan een zwak, levend Gewerveld Dier buit maakt, maar gewoonlijk zich voedt met beenderen en ander afval van dieren. Wij mogen echter niet verzwijgen, dat de Lammergier volgens enkele nauwgezette onderzoekers soms met goed gevolg groote dieren en zelfs kinderen aanvalt. Waarschijnlijk zijn deze feiten echter zeldzame uitzonderingen.
Onze bekendheid met de voortplanting van den Lammergier werd in den laatsten tijd door verscheidene onderzoekers aanmerkelijk vermeerderd. Zij zijn het er vrij wel over eens, dat deze Vogel, evenals zoovele andere leden van zijn familie, herhaaldelijk van hetzelfde nest gebruikt maakt en in zuidelijke streken zonder eenig bezwaar te midden van de Echte Gieren een broedplaats kiest. In den regel is dit een ruim hol van een meestal ontoegankelijken rotswand. In Januari, op zijn laatst in de eerste dagen van Februari, begint het wijfje te leggen. In verreweg de meeste gevallen vond men niet meer dan één ei in het nest. Het is groot en afgerond; de grofkorrelige schaal is op vuil-witachtigen grond met kleine en groote, soms zeer groote, aschgrauwe of roodgrijze vlekken en okergele, bruinroode of roodbruine stippels en vlekjes geteekend, die van onderen of in het midden van het ei dichter opeengehoopt zijn. Hoe lang de broedtijd duurt, is niet bekend, wel, dat in het begin van Maart, op zijn laatst in April, in Zwitserland zoowel als in het zuiden van Spanje en in het noorden van Afrika, pas geboren jongen gezien zijn. In de Pyreneeën vond mijn broeder een horst op een vooruitstekende rotspunt, die door het eenigszins overhangende gesteente min of meer tegen de zonnestralen beschut was; het nest lag weinig meer dan 15 M. boven den voet van den laatsten rotskam en was dus betrekkelijk gemakkelijk te bereiken. De middellijn van het onderste deel van het nest bedroeg ten naastenbij 1.5 M., die van de ongeveer 12 cM. diepe nestholte 60 cM., de hoogte 1 M. De onderbouw bestond uit lange takken, welker dikte afwisselde tusschen die van een kinderarm en van een duim; hierop volgde een dunne laag van twijgen en takjes tot begrenzing van de nestholte. Het bovenste deel van het nest was van soortgelijke, maar iets fijnere bestanddeelen vervaardigd en van binnen zorgvuldig bekleed met stukken bast en met haar van Runderen en Paarden. In de nabijheid van het nest waren alle rotsterrassen met een sneeuwwitte korst van drek bedekt.—Een dergelijke horst, die Krüper in Griekenland vond, was van dikke takken gebouwd; de wand was geheel doorweven (en de nestholte van binnen glad gevoerd) met haren van verschillende dieren, vooral van Geiten. In het nest zat een jong van drie weken, wiens disch voorzien was met beenderen, een geheelen ezelsvoet, Schildpadden, enz. Niet ver vandaar waren zijne beide ouders; deze lieten af en toe een fluitend geluid hooren. Hoewel zij ook op andere wijze hun bezorgdheid toonden, blijkt het echter niet, dat zij den onderzoeker van hun nest lastig gevallen hebben. Ook Salvin zegt, dat alle Lammergieren, die hij bij het nest zag, terwijl de jongen er uitgenomen werden, zich op een bescheiden afstand hielden en geen aanval op den mensch waagden.
De indruk, dien men van den gevangen Lammergier verkrijgt, stemt volkomen overeen met hetgeen van zijn leven in de vrije natuur bekend is. Een jong gevangen Lammergier werd aanvankelijk met stukjes vleesch grootgebracht; later at hij vleesch van allerlei Zoogdieren en ook beenderen, nooit echter wilde hij Vogels of stukken van deze, die men hem toewierp, aanroeren. Jegens zijn meester en bekende personen was hij zeer tam en gemeenzaam; vreemdelingen trachtte hij te bijten. Hij was gewoon water te drinken, maar vond het zeer onaangenaam, als hij in ’t water gezet en gewasschen werd. Tot gezelschap kreeg hij een volwassen, vrouwelijke Lammergier, die vleugellam geschoten was. De beide gevangenen konden zeer goed met elkander overweg. Ook het oude wijfje versmaadde het vleesch van Vogels en was niet te bewegen om er het kleinste stukje van te eten. Een Kauw, die in hetzelfde hok werd opgesloten, had niet den minsten last van zijne lotgenooten; deze lieten zich zelfs allerlei stoutigheden van haar welgevallen en waren zoo goedaardig mogelijk. Bij dit gezelschap kwamen later nog een jonge Steenarend en twee jonge Krenggieren, zonder dat de vrede verstoord werd. Aan de goede verstandhouding kwam echter dadelijk een einde, toen aan het gezelschap een Havikarend werd toegevoegd.
Girtanner merkt op, dat Lammergieren, die jong gevangen zijn, zich gunstig onderscheiden van hunne soortgenooten, die eerst op lateren leeftijd hun vrijheid verloren. Deze zijn traag, dom en koppig; nooit verliezen zij hun wantrouwen jegens den mensch; de jongen daarentegen zijn niet slechts veel beweeglijker, maar toonen ook veel meer bevattingsvermogen, zijn naar geest en lichaam zelfstandiger, gaan met hunne verzorgers vertrouwelijker om en stellen ons daarom in staat een juister inzicht te verkrijgen in het leven der Lammergieren in vrijen toestand. Een jonge Lammergier, die 7 maanden lang door Baldenstein verzorgd werd, gaf zijn verlangen naar een bad zeer duidelijk te kennen door op den grond te gaan liggen, de vleugels te bewegen, alsof hij wilde zwemmen en met den staart heen en weer te vegen. Toen er een tobbe met water in zijn kooi werd gezet, sprong hij er dadelijk in en herhaalde alle bewegingen, die hij zooeven op den grond vertoond had, met blijkbaar welgevallen in het water, dook bijna geheel onder en maakte zich door en door nat. Als hij door zijn meester te erg geplaagd werd, viel hij dezen spelenderwijs aan, zonder hem leed te doen; steeds bleek uit al zijne handelingen een innige gehechtheid aan den persoon, die hem verzorgde en dien hij als zijn weldoener had leeren kennen. Een buitengewone uitspanning was het voor hem om, terwijl hij op tafel stond en den kop even hoog kon houden als het hoofd van zijn meester, met dezen te stoeien, hem den snavel in den baard of bij den pols in de mouw te steken; door een als „giech” klinkend geluid gaf hij dan zijn behagelijke gemoedstemming te kennen. Baldenstein kon hem intusschen naar welgevallen streelen, zonder dat hij ooit eenigen argwaan toonde. Tegenover vreemden gedroeg hij zich geheel anders.—Een andere jonge Lammergier, die door Amstein getemd was, vloog, toen deze bezig was hem uit te schilderen en hem daarom voor zich had geplaatst, van tijd tot tijd op den schouder van zijn meester, dien hij met den snavel streelde, alsof hij wel begreep, dat men iets met hem voor had en alvast het spel beginnen wilde. Dat evenwel Lammergieren, zelfs die, welke gewoonlijk een goedaardig karakter toonen, soms zeer boos kunnen worden, merkte Salis op bij een exemplaar, dat reeds een jaar lang in zijn bezit was en sedert geruimen tijd met een Havik dezelfde kooi bewoonde. De goede verstandhouding was verstoord door een twist over een stuk vleesch. Met fonkelende oogen en overeindstaande halsveeren pakte de Lammergier den Havik met de klauwen in de borst en ging, terwijl zijn kameraad, doodelijk gewond, stuiptrekkend op den grond lag, bedaard weer aan ’t eten, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.
De schade, die de in vrijheid levende Lammergier den mensch veroorzaakt, is gering, althans niet te vergelijken met die, welke de Steenarend teweegbrengt. In de zuidelijke landen, waar hij gemakkelijk aan den kost kan komen door het opzoeken van aas en beenderen, Schildpadden en andere kleine dieren, vergrijpt hij zich slechts bij uitzondering aan de bezittingen van den mensch; in andere gewesten is hij zoo zeldzaam geworden, dat reeds hierdoor zijne rooverijen van geen beteekenis zijn. Van een noemenswaard voordeel, dat de mensch aan hem te danken heeft, kan trouwens evenmin sprake zijn, tenzij men het van veel belang mocht achten, dat de Toearegs dezen bij hen veelvuldig voorkomenden Vogel ter wille van zijn vleesch en vet dooden, om het vleesch als voedsel en het vet als geneesmiddel tegen den beet van vergiftige Slangen te gebruiken.
Van de jacht op dit dier en van de wijze waarop men het vangt, valt niet veel te berichten. Als het toeval den jager niet begunstigt, of het ontdekken van een horst hem de jacht gemakkelijk maakt, moet hij er niet tegen opzien dagen achtereen in de nabijheid van een aas op de loer te liggen. Met een goed geplaatste vossenklem kan het beoogde doel spoediger bereikt worden; de klem moet dan echter goed vastgemaakt zijn, zoodat de Vogel haar niet kan losrukken en medevoeren. Gevaar levert de jacht in ’t geheel niet op. Zelfs, als hij gewond is, denkt de Lammergier er niet aan, zich tegen den mensch te verweren, gelijk de Vale Gier in een dergelijk geval steeds doet.
De Gieren (Vulturinae), die door ons als een onderfamilie van de Gier-valkvogels worden aangemerkt, zijn de grootste van alle Roofvogels. Hun snavel is langer of althans niet korter dan de kop, grootendeels recht, slechts kort vóór de spits van den bovensnavel haakvormig naar beneden gebogen, hooger dan breed en met scherpe zijranden voorzien; de washuid is groot en neemt een derde, bij zwakkere Gieren zelfs de helft van de lengte van den snavel in. Bij eenige soorten komen huidwoekeringen aan den hals voor. De pooten zijn krachtig, de teenen echter zwak, de nagels kort, weinig gebogen en altijd stomp, zoodat de voeten als middelen van aanval of verdediging weinig te beteekenen hebben. De vleugels zijn buitengewoon krachtig, maar tevens breed, meestal zeer afgerond, omdat de vierde slagpen gewoonlijk de langste is. De middelmatig lange staart is afgerond of sterk trapvormig en uit stijve veeren samengesteld. De slokdarm verwijdt zich tot een krop van aanzienlijke grootte, die in gevulden toestand als een zak aan de voorzijde van den hals zichtbaar wordt.
De begaafdheden van de Gieren zijn voor een deel hoog, hoewel eenzijdig, ontwikkeld. Zij hebben een achtelooze houding, zitten op den grond zeer laag, dragen de vleugels een weinig van het lichaam verwijderd en besteden aan het in orde brengen hunner veeren slechts zelden eenige zorg; hun meestal stappende gang is niet zeer bevallig, maar tamelijk licht; zij vliegen langzaam, maar met buitengewone volharding. Hunne zintuigen wedijveren in scherpte met die der andere bevederde roovers. Daarentegen schijnen hunne geestvermogens gering te zijn. Zij zijn schuw, zelden echter werkelijk voorzichtig,—oploopend en hartstochtelijk, maar niet ondernemend en nog veel minder stoutmoedig,—gezellig, maar volstrekt niet vredelievend, integendeel geneigd tot bijten en boosaardig, tevens echter lafhartig; hun geest verheft zich niet eens tot list. Zelden worden zij werkelijk gehecht aan een ander wezen. Altijd gedragen zij zich ruw en plomp. Zij onderscheiden zich door een merkwaardige neiging om een onderneming, die zij eens begonnen zijn, door te zetten. Men noemt hen traag, omdat zij soms uren achtereen met de grootste kalmte bewegingloos op één plaats blijven; men zou echter van hen, die het grootste deel van den dag vliegend doorbrengen, ook wel het tegendeel kunnen beweren. Hun aard is een mengelmoes van de meest verschillende en schijnbaar tegenstrijdige eigenschappen. Men zou geneigd zijn, hen voor bedaarde en stille Vogels te houden, hoewel uit een nauwkeurig onderzoek blijkt, dat zij tot de hartstochtelijkste van alle Roofvogels gerekend moeten worden.
Eerst door het nagaan van de wijze waarop de Gieren hun voedsel verkrijgen, worden hunne eigenaardigheden voor ons verstaanbaar. De naam Roofvogel verliest bij hen een deel van zijn beteekenis. Weinige Gieren (en ook deze waarschijnlijk slechts bij uitzondering) vallen levende dieren aan met de bedoeling om ze te dooden; gewoonlijk zamelen zij eenvoudig op, wat door een gunstig toeval voor hen beschikbaar is. Zij verslinden lijken en afval.
Vogels, die zich op deze wijze voeden, kunnen slechts de warme of gematige aardgordels bewonen. Het rijke zuiden is vrijgeviger dan het noorden; het verschaft ook aan de Gieren zooveel als zij voor hun onderhoud behoeven. Met uitzondering van Australië en Amerika worden alle werelddeelen door Gieren bewoond. Eenige soorten komen in nagenoeg gelijken getale in Europa, Azië en Afrika voor, of zijn, zoo zij hier of daar ontbreken, door nauw verwante vormen vervangen. Men ontmoet ze in de heete, door de zon geblakerde vlakten zoowel als in het gebergte. Van een vaste standplaats kan bij hen trouwens bijna geen sprake zijn. Hunne ontzaglijke vliegwerktuigen stellen hen in staat om een uitgestrekter gebied te doorkruisen dan eenige andere Roofvogel en hun eigenaardige kostwinning noodzaakt hen er toe. Alleen in den voortplantingstijd bindt de zorg voor hun gebroed hen aan een bepaald gewest, gedurende het overige deel van het jaar leiden zij in meerdere of mindere mate een zwervend leven. Plotseling verschijnen zij in grooten getale in streken, waar men dagen en weken achtereen geen enkele van hun soort waarnam om even plotseling, als zij gekomen zijn, te verdwijnen. Slechts enkele Gieren vermijden de nabuurschap van menschelijke woningen; andere komen juist hier gemakkelijker aan den kost dan in gewesten, waarover de mensch om zoo te spreken zijn heerschappij nog niet heeft uitgestrekt. Geregeld ontmoet men deze Roofvogels in de steden en dorpen van Zuid-Azië en Afrika.
Om de levenswijze van de Gieren aanschouwelijk te maken, zullen wij eenige van deze Vogels handelend laten optreden.
Aan den zuidelijken zoom van de woestijn ligt een gestorven Kameel. De vermoeienissen en ontberingen van de reis hebben zijne krachten gesloopt; den vorigen dag heeft de drijver hem zijn last afgenomen om hem onbeladen naast zijne bevrachte kameraads te laten loopen; toch heeft hij de Nijloevers niet wedergezien, maar is, volkomen uitgeput, voor altoos ter aarde gestort. Zijn meester, die duidelijk droefheid liet blijken over het verlies, dat de dood van dezen dienaar hem veroorzaakt, heeft den Kameel onaangeroerd laten liggen, omdat zijn geloof hem verbiedt, iets, hoe weinig dan ook, te gebruiken van dieren, die gestorven en niet volgens de wettelijke voorschriften gedood zijn.
Den volgenden morgen ligt het lijk nog ongeschonden op het vale zand, zijn sterfbed. Daar verschijnt een Raaf boven den naastbijgelegen bergtop. Haar scherpzichtig oog bespeurt het aas; schreeuwend schiet zij met versnelde vleugelslagen er op toe en vliegt eenige malen in een kring boven het gevallen dier, voordat zij neerstrijkt en op een niet te grooten afstand van den buit den bodem betreedt, gaat er vervolgens snel op af en loopt verscheidene malen, voorzichtig toekijkend, om den buit heen. Andere Raven volgen haar voorbeeld; weldra is een talrijk gezelschap van deze nergens ontbrekende Vogels op het lijk verzameld. Nu komen ook andere liefhebbers aanvliegen. De overal tegenwoordige Egyptische Wouw en de nauwelijks minder veelvuldige Krenggier beschrijven boven het aas kringen in de lucht, een hongerige Arend nadert, verscheidene Kropooievaars draaien op duizelingwekkende hoogte volgens schroeflijnen rond boven de ook voor hen aanlokkelijke spijs. Nog altijd laten de voorsnijders van het gerecht op zich wachten. Wel wordt er door het reeds aanwezige gezelschap hier en daar aan het op den grond liggend lijk geknaagd; de dikke lederhuid is echter voor de zwakke snavels dezer Vogels veel te stevig; het is hun onmogelijk zich groote stukken van den buit toe te eigenen. Slechts het eene naar boven gerichte oog heeft een Krenggier uit zijn kas kunnen scheuren. Allengs echter is de tijd gekomen, waarin ook de groote leden van de Gieren-familie uit vliegen om voedsel te zoeken. Het is 10 uur geworden; hun slapen en droomen heeft lang genoeg geduurd; achtereenvolgens hebben alle hun slaapplaats verlaten. Eerst vlogen zij laag, langs het gebergte; daar zij er echter niets eetbaars vonden, verhieven zij zich in de lucht en bereikten een onafzienbare hoogte. Hier vliegen zij nu in kringen rond, al verder en verder; de eene volgt den anderen, althans met de oogen; alle rijzen of dalen tegelijkertijd; ieder keert zich op ’t zelfde oogenblik als zijn voorganger naar deze of gene zijde. Van de hoogte waarop de Gier zich bevindt, kan hij een verbazend groot gebied als ’t ware met één blik overzien en zijn oog is zoo verwonderlijk scherpzichtig, dat hem bijna niets ontgaat. Bij ’t opmerken van het gewemel daar beneden, verkrijgt hij hiervan dadelijk een heldere voorstelling en komt tot de overtuiging, dat daar het gezochte maal te vinden is. Na eenige spiraalwindingen in dalende richting is hij in staat het geval van naderbij te onderzoeken. Zoodra hij zekerheid heeft gekregen, legt hij plotseling de kolossale vleugels tegen het lichaam aan en stort zich in suizenden vaart 100, misschien 1000 M. ver naar beneden en zou zich te pletter vallen, indien hij niet te rechter tijd de vleugels half uitbreidde, ten einde de snelheid van den val te verminderen en zijn richting te wijzigen.