De Stootvogels (Pelargornithes). (continued 4)
Reading edition
Op den eerst aangekomen gast volgen zonder voorbehoud alle overige feestgenooten, die zich binnen bepaalde grenzen bevinden. Het naar beneden schieten van den eersten Gier is voor al zijne verwanten een sein tot den maaltijd. Zij snellen nu van alle kanten toe en verspillen geen tijd meer aan een nader onderzoek. Men hoort in den loop van één minuut herhaaldelijk het suizende gedruisch, dat zij bij het naar beneden storten maken. De uit alle richtingen afdalende lichamen, die onder ’t vallen schielijk grooter worden, zijn Vogels, welker vlucht bijna 3 M. bedraagt, en die men kort te voren niet eens als stipjes aan ’t zwerk kon waarnemen. Niets zou thans deze dieren kunnen tegenhouden. Zoodra zij aan den rijk voorzienen disch gezeten zijn, schuwen zij geen gevaar meer en laten zich niet eens door het verschijnen van een jager verdrijven. Onmiddellijk na hun aankomst op den bodem ijlen zij met horizontaal naar voren gerichten hals, opgeheven staart en half uitgespreide, over den grond slepende vleugels op het aas toe. Nu toonen zij zich den naam van Gieren waardig, want begeeriger, gulziger Vogels dan zij, kan men zich niet voorstellen. Zij hebben geen ander doel voor oogen dan het bevredigen van hun honger; voor andere overwegingen zijn zij niet vatbaar. Het kleinere gepeupel wijkt vol eerbied voor hen uit; tusschen de leden van even sterke soorten ontbrandt een hevige strijd. Het kost moeite om een duidelijke voorstelling te verkrijgen van hun werkzaamheid; het dooreenkrioelen, dringen, twisten, vechten, dat er mede gepaard gaat, laat zich bijna niet beschrijven. Met twee of drie snavelhouwen verscheuren de diksnavelige Gieren de lederhuid van het aas; eenige andere snijden de spierlagen door; zoodra de buikwand geopend is, steken de Vogels, die met een zwakkeren snavel gewapend zijn, den langen hals zoo ver mogelijk in de lichaamsholte om bij de ingewanden te komen. Met gulzige haast wroeten zij hierin rond; de eene tracht intusschen telkens den anderen te verdringen of hem den loef af te steken. De lever en de longen worden zelden in haar geheel losgerukt, maar bij stukken binnen de lichaamsholte verslonden; de darmen daarentegen worden naar buiten gesleurd, door een moeielijk te beschrijven achteruit huppelen al verder en verder uitgetrokken en vervolgens, na een woedenden strijd tusschen de vele mededingers, bij stukken verzwolgen. Ook nu nog storten zich voortdurend hongerige Gieren van boven af te midden van hunne reeds smullende verwanten, met het vaste voornemen om zoo mogelijk enkele slempers van den kostelijk voorzienen disch te verdrijven en hun plaats in te nemen; dit geeft aanleiding tot nieuwen strijd, tot een hervatting van het tieren, bijten en woedend kijven. De zwakkere gasten zitten, terwijl de groote heeren feestvieren, watertandend op een afstand, vol aandacht voor hetgeen er aan de tafel voorvalt; daar zij reden hebben om te verwachten, dat de feestelingen hun nu en dan, natuurlijk zonder opzet, in de verwarring van ’t gevecht een brok zullen toewerpen. Niet zelden zweven ook Arenden en Wouwen, beurtelings hoog en laag, boven het schransende gezelschap en storten zich, alsof zij op een vliegenden buit willen neerschieten, te midden van het feestgewoel, grijpen met de klauwen een door de Gieren losgescheurd stuk vleesch en vliegen er mede omhoog, voordat de beroofden tijd hebben kunnen vinden om zich op hunne belagers te wreken.
Een klein Zoogdier wordt door zulk een vraatzuchtige bende binnen weinige minuten met huid en haar verslonden; zelfs van een Rund of van een Kameel blijft na één enkelen maaltijd weinig over. De verzadigde dischgenooten verwijderen zich niet dan schoorvoetend van de feestplaats.
Niet overal en altijd komt het beloop van een Gierengastmaal met de bovenstaande beschrijving overeen. Reeds in Zuid-Europa en nog vaker in geheel Afrika komen telkens, als Gieren in de nabijheid van bewoonde plaatsen een kreng hebben op te ruimen, nog andere hongerige klanten op het aas af. In alle zuidelijke landen bestaat het voedsel van de Honden gedeeltelijk uit aas; de echte Paria-honden kunnen zich werkelijk alleen dan eens volkomen zat vreten, als zij een kreng vinden. Verderop in het binnenland van Afrika nemen behalve de Honden ook de Maraboes aan de smulpartij deel. Zij laten zich zelfs door de Gieren niet verdrijven, maar steken met hunne wigwormige snavels naar rechts en naar links onder de schare, totdat zij een plaats hebben gevonden, die hun aanstaat.
Hoewel de Gieren, wanneer de honger hen kwelt, nu en dan ook op levende dieren, vooral op ziek vee, aanvallen, geven echter alle soorten, naar het schijnt, aan aas of althans aan beenderen boven ieder ander voedsel de voorkeur. Hoewel zij krengen van Zoogdieren het hoogst schatten, versmaden zij de lijken van Vogels, Amphibiën en Visschen niet. In Indië verslinden zij ook de lijken van menschen, die de Hindoes aan den heiligen Ganges toevertrouwen, of die de Parsen op de „torens van het zwijgen” te Bombay neerleggen, gelijk door Garbe, Haeckel en anderen beschreven wordt. De kleinere soorten zijn minder vraatzuchtig dan de groote. Enkele kunnen zich, naar ’t schijnt, geruimen tijd zonder aas redden; sommige voeden zich met beenderen, andere hoofdzakelijk met drek van menschen en dieren en maken tevens jacht op Insecten en kleine, niet al te behendige Gewervelde Dieren.
Na den maaltijd verwijderen de Gieren zich niet gaarne van den disch, liefst blijven zij uren lang in de nabijheid zitten en wachten hier het begin van de spijsvertering af. Geruimen tijd later begeven zij zich naar de drinkplaats en brengen ook hier weer verscheidene uren door. Zij drinken veel en baden zich zeer dikwijls. Weinige Vogels hebben trouwens meer dan zij behoefte aan een zorgvuldige reiniging; want, als zij van tafel gaan, zijn zij bedekt met vuil en afval, vooral de langhalzige soorten zijn dikwijls overal met bloed bevlekt. Wanneer ook de schoonmaakkuur naar behooren afgeloopen is, brengen zij gaarne eenige uren op de traagst mogelijke wijze door; zij buigen de pooten in het spronggewricht zóó, dat de geheele loop op den grond rust en breiden de vleugels uit om zich flink door de zon te laten verwarmen, of gaan plat op het zand liggen. Eerst in de namiddaguren begeven zij zich op weg naar hunne slaapplaatsen.
Vóór het opvliegen doen zij snel achtereen eenige tamelijk hooge sprongen; hierop volgen verscheidene langzame slagen met de breede vleugels. Op een zekere hoogte gekomen, reppen zij zich bijna zonder vleugelslagen voort; door wijziging van den stand der vliegwerktuigen dalen zij langs een weinig hellend vlak naar beneden of laten zich door den hun te gemoet stroomenden wind weer opheffen. Zonder eenige merkbare inspanning, bereiken zij op deze wijze volgens een schroeflijn stijgend, de verbazende hoogten, waarop zij vliegen, wanneer het doel van de reis veraf ligt; met schijnbaar in rust verkeerende vleugels bewegen de Gieren zich dan zeer snel door de lucht.
Vroeger dacht men, dat de Gieren door den reuk het gezochte aas vinden. Daar zij echter ook neerstrijken op aas, dat nog volkomen versch is en volstrekt geen dampen verspreiden kan, die voor het reukzintuig waarneembaar zijn, daar zij zelfs bij krachtigen wind uit alle richtingen komen aanvliegen, zoodra één van hen een lijk heeft opgespoord, terwijl zij op een bedekt aas eerst dan verschijnen, als het door de Raven en Krenggieren gevonden is en het gewemel dezer Vogels hun aandacht getrokken heeft, bestaat er goeden grond voor de bewering, dat het oog hen tot hun eigenaardige levenswijze in staat stelt.
Vóórdat de lente in hun vaderland aanvangt, begeven de Gieren zich naar hun nest, in Europa dus in de eerste maanden van het jaar. Alleen die, welke hier zelden voorkomen, bouwen een afgezonderd staande horst; alle overige soorten nestelen koloniesgewijs. Op een voor dit doel geschikten rotswand of in een woud, dat aan de gestelde eischen voldoet, is iedere bruikbare plaats bezet. Eenige soorten nestelen uitsluitend op rotsen, andere slechts op boomen, nog andere op den vlakken bodem. De meeste dulden in hun broedkolonie Vogels van geheel verschillenden aard, b.v. Zwarte Ooievaars, zonder deze eenigszins lastig te vallen. De op boomen staande horst stemt over ’t geheel genomen met die van andere Roofvogels overeen. De eieren (1 of 2) zijn rondachtig van vorm en grofkorrelig van schaal en hebben op grijsachtigen of geelachtigen grond donkerder vlekken, punten, stippels en vegen. Het met wollig dons bekleede jong is in de hoogste mate leelijk en hulpbehoevend en wordt eerst na verscheidene maanden zelfstandig.
De Gieren worden door verscheidene tegenstanders lastig gevallen, door weinige in gevaar gebracht. Woekerdieren storen hun rust; Arenden, Valken, Kraaien en andere gevleugelde kwelgeesten plagen hen zooveel zij kunnen; het aas wordt hun door Maraboes en Honden betwist. De mensch treedt tegen de groote Gieren, welker nut hij overal erkent, slechts dan vijandig op, als zij van het pad der deugd afwijken en, in plaats van doodgravers te blijven, voor een enkele maal beunhazen in het bedrijf van andere Roofvogels. De meeste soorten echter beschouwt hij met een soort van heiligen schroom. Een ware vriendschap acht men hun niet waardig; in de „Erfstellingen van rijke en welgezinde Mahomedanen” worden zij, in den tegenwoordigen tijd althans, niet meer bedacht. Voor den aan zielsverhuizing geloovenden Indiër, die door hen de lijken zijner dooden laat verslinden, zijn zij ongetwijfeld heilige wezens. De bewoner van Centraal-Afrika laat hen eenvoudig begaan, hoewel hij wel degelijk nu en dan het een of ander misdrijf op hun rekening stelt.

Zuid-Europeesche Gieren: 1) Monniksgier (Vulter monachus), 2) Witte Krenggier (Neophron perenopterus), 3) Vale Gier (Gyps fulvus).
Alle Gieren zijn taaie Vogels, die zelfs onze strengste winterkoude kunnen trotseeren, omdat zij bij het opstijgen en neerdalen aan een zeer groote afwisseling van temperatuur gewoon zijn. Zij nemen het geringste voedsel voor lief en kunnen, als zij een tijd lang volop voedsel gehad hebben, dagen, ja weken lang zonder voedsel blijven; men kan ze daarom gemakkelijk in de kooi houden. Verreweg de meeste, zelfs die, welke in volwassen toestand onder de heerschappij van den mensch komen, worden weldra tam. Voor menig bezwaar van de gevangenschap toonen zij zich onverschillig. Toch beschouwen enkele geruimen tijd hun oppasser als een vijand, wien zij in voorkomende gevallen op arglistige wijze hun kracht laten gevoelen. Het best voldoen ons de Gieren, wanneer zij met andere groote Roofvogels een ruime kooi bewonen. Hoewel zij ook dan gedurende het grootste deel van den dag stil en rustig op de eens gekozen plaats blijven zitten, geeft het verkeer met zulk een gemengd gezelschap niet zelden aanleiding tot eigenaardige handelingen. Vooral de voedering brengt een bijna onbeschrijfelijke opgewondenheid te weeg. Met alle wapens wordt gestreden, ieder middel te baat genomen om het beste stuk te bemachtigen. Het gaat echter hier zooals overal: de machtigste en behendigste stelt de hoogste eischen, onderdrukt de overige leden van ’t gezelschap en bevoordeelt zich te hunnen koste. Vooral de Vale of Ganzengieren trekken dan de aandacht van den toeschouwer. Met ruig opstaande veeren en ingetrokken hals zitten zij met fonkelende oogen voor het vleesch, zonder het aan te raken, hoewel hun voornemen om het tegen ieder ander te verdedigen duidelijk zichtbaar is. Bliksemsnel wordt de lange hals in alle richtingen uitgestoken, alle leden van het gezelschap blijven op eerbiedigen afstand uit vrees voor de hun toegedachte beten. In zulke oogenblikken levert de houding van den Valen Gier een merkwaardige overeenkomst op met die van een vergiftige Slang, welke gereed is om te bijten. Dat zulk een twist steeds met een hevig gesis, met grinnekend en kokkerend gekrijsch, klappen met den snavel en wuiven met de vleugels gepaard gaat, met andere woorden, dat een helsch geraas veroorzaakt, behoeft niet uitdrukkelijk verzekerd te worden.
Herhaaldelijk hebben Gieren in de kooi een nest gebouwd, eieren gelegd en met groote volharding gebroed; meestal werd het gewenschte resultaat niet bereikt.
De Arendgieren of Kuifgieren (Vultur) kenmerken zich door een krachtigen romp, een korten, dikken hals, een grooten kop met krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel en breede vleugels. De kop is met kort, kroes, wollig dons bekleed, dat aan den achterkop een niet bijzonder hooge kuif vormt. De achterhals en eenige plekken van den voorhals zijn naakt. Aan den hals komt een tot aan den achterkop reikende kraag van korte, breede, bijna niet losbaardige veeren voor. De top van de schaft steekt voorbij de vlag van de staartpennen uit. De loop is korter dan de middelste teen.
Europa wordt bewoond door één vertegenwoordiger van dit geslacht, de Monniksgier of Grauwe Gier (Vultur monachus). Hij is de grootste Vogel van ons werelddeel; het mannetje is 1.1 M. lang en heeft 2.22 M. vlucht; de vleugel is 76, de staart 40 cM. lang. Het wijfje is 4 à 6 cM. langer. Het vederenkleed is effen donkerbruingrijs, het oog bruin, de naakte ring er om heen paars, de snavel aan de washuid blauw, op sommige plaatsen roodachtig, verderop licht paars en aan de spits blauw, de voet vleeschkleurig met paarse tint; de onbevederde deelen van den hals zijn licht loodkleurig grijs. De kraag strekt zich om den geheelen hals uit.
De Monniksgier broedt in Spanje, op Sardinië en in alle gebergten van het Balkanschiereiland, voorts in Slavonië, Kroatië en de Donau-laaglanden, zelfs in de Karpaten.
Van hier strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over een groot deel van Azië tot China en Indië. In Afrika, met uitzondering van de Atlas-landen en een deel van de westkust, komt hij niet voor. De in Duitschland geschoten exemplaren waren vermoedelijk uit Hongarije afkomstig.
In het zuiden van Spanje ziet men ze eenzaam of in kleine vluchten van 3 à 5 stuks. Op het aas, waar men ze met de Ganzengieren aantreft, gedragen zij zich veel rustiger en betamelijker dan deze. Hunne handelingen zijn in volkomen harmonie met hun grooten, goed gevormden kop, hunne bewegingen meer afgemeten dan die van de Krenggieren en, waar zulks mogelijk is, volhardender en gelijkmatiger. Hun houding is edeler, komt meer overeen met die der Arenden; hun oog heeft volstrekt geen valsche, maar eerder een vurige en schrandere uitdrukking. Van het aas verslinden de Monniksgieren vooral de spieren, doch ook wel de beenderen,—de ingewanden alleen bij gebrek aan iets beters. De jagers in de gebergten van Zevenburgen verzekeren eenstemmig, dat de Monniksgieren ook levende dieren vangen en dooden.
De Monniksgier nestelt eenzaam en, in Spanje althans, uitsluitend op boomen. Zijn groot nest rust op den dikken tak van een den of op de breede kruin van een altijd groene eik, dikwijls niet meer dan 3 of 4 M. boven den bodem. Het bestaat uit een grondlaag van armdikke takken, hierop volgt een tweede laag van dunnere takken en daarna eerst het ondiepe, eigenlijke nest, dat van dunne, doode takjes vervaardigd is. Tegen het einde van Februari bevat het één wit ei met dikke schaal, niet grooter, dikwijls zelfs iets kleiner dan dat van den Witten Krenggier. Het jong is aanvankelijk met een dicht, wit, wollig dons bekleed en eerst na minstens 4 maanden in staat om te vliegen. Het wordt door de ouders met vleesch van doode dieren gevoerd, maar volstrekt niet zoo heldhaftig verdedigd, als men gewoonlijk meent.
De gevangen Monniksgier, waarover Leisler bericht, was aanvankelijk zachtzinnig en goedhartig; later werd hij kwaadaardig; tegen ieder, die hem naderde, stelde hij zich met snavel en klauwen te weer; alleen voor zijn oppasser maakte hij een uitzondering. Hij at even graag rottende lijken als versche en verslond ze met huid en haar; zelfs de staart van een jongen Vos moest mede naar binnen; de onverteerbare stoffen werden later weer uitgebraakt, beenderen van 12 à 15 cM. lengte echter geheel en al verteerd. Visschen waren niet naar zijn smaak; levende dieren viel hij niet aan; een Raaf en een Kraai, die maanden lang met hem verkeerden, werden niet lastig gevallen, evenmin een Haas, die zich in zijn hok bevond, terwijl men hem honger liet lijden. Doode Katten at hij zeer gaarne; toen er echter één met een touw aan den poot in zijn hok geworpen en heen en weer getrokken werd, sprong hij vol vrees op zijde, ging na eenigen tijd op het nu stilliggende voorwerp af, haastig retireerende na iederen slag met den poot, tot hij van den dood van het dier overtuigd was.
Een andere Monniksgier was koppig, zoo lang men hem opgesloten hield, vroolijk en speelsch, nadat men hem had toegestaan vrij in den hof rond te loopen. „Hij jaagt de Hanen schrik aan,” bericht Graaf Lázár, „maar doet ze geen kwaad, trekt de varkens bij den staart, loopt de Honden na en drijft ze soms op de vlucht. Met alle menschen, die hem niet plagen, leeft hij in goede verstandhouding; zelfs kinderen kunnen zonder vrees in zijn nabijheid komen. Tegen iederen aanvaller verdedigt hij zich evenwel dapper en deelt krachtige snavelhouwen uit. In toorn laat hij de half geopende vleugels over den grond slepen en zet de lange rugdekveeren op; met horizontalen romp en vooruitgestoken hals trippelt en huppelt hij dan op zoo zonderlinge wijze rond, dat men het lachen nauwelijks kan laten. Hij is even vraatzuchtig als de Ganzengier, maar kan niet zoo lang honger verdragen. Water is voor hem een behoefte: hij drinkt dikwijls en houdt veel van baden. Hoewel hij ook Vogels eet, geeft hij aan het vleesch van Zoogdieren de voorkeur boven al het andere. Visschen worden zelfs bij den grootsten honger niet aangeroerd.”
De Oorgier (Vultur auricularis), de reus van deze onderfamilie, kenmerkt zich door een zeer grooten, krachtigen snavel, hooge pooten, groote, breede, maar eenigszins afgeronde vleugels, een betrekkelijk korten staart en een eigenaardig vederenkleed. De veeren van de bovenzijde komen in vorm overeen met die van de andere groote Gieren; de onderzijde echter is dicht bedekt met tamelijk lang dons van witachtig grijze kleur, waarboven enkele lange, smalle, sabelvormige veeren uitsteken. Ook aan den schenkel en den scheen zijn gewone veertjes zeer schaars; het dons dat deze deelen bedekt, onderscheidt zich echter door grootere lengte en een vaalgrijze kleur van het op de borst groeiende. De kop, de helft van den achterhals en de geheele voorhals zijn naakt; de huid van den kop vormt dwarse plooien; aan weerszijden van den hals bevindt zich een overlangsche plooi. De kin is met haarvormige veeren bekleed. Het mannetje is 100 à 105 cM. lang en heeft 270 à 280 cM. vlucht; de vleugel is 69 à 72, de staart 34 à 36 cM. lang; het wijfje is aanmerkelijk grooter. Vaalgrijsbruin is de heerschende kleur van het vederenkleed; de slagpennen en de staartveeren zijn donkerder; de groote vleugeldekveeren hebben lichtere randen. Het oog is donkerbruin, de snavel aan de zijden hoornkleurig, op den rug en aan den ondersnavel donkergrijs, de voet licht loodkleurig grijs, het naakte deel van den hals grijs, de eveneens naakte wang paars. Wanneer de Vogel zeer opgewonden is, worden alle naakte plekken van den kop en den hals, met uitzondering van de kruin, rood.

Kaalkoppige Gier (Vultur calvus). 1⁄7 v. d. ware grootte.
De Oorgier is van Opper-Egypte af over geheel Afrika verbreid en verheft zich in bergstreken tot een hoogte van 4000 M. Verscheidene malen werd deze Vogel, naar men zegt, in Europa waargenomen.
In Indië wordt hij vervangen door den Kaalkoppigen Gier (Vultur calvus), de Soekoeni der Hindoes, wiens verbreidingsgebied geheel Vóór-Indië tot Birma omvat. De kop en hals zijn geheel naakt en roodachtig vleeschkleurig; aan weerszijden van den hals ziet men een groote, overlangsche huidplooi. De hoofdkleur van het vederenkleed is zwartbruin, op ’t achterste gedeelte van den krop door wit afgebroken. De snavel is blauwachtig zwart, de washuid geel; de pooten zijn donkergeel.
In Middel-Nubië en verder zuidwaarts gelegen landen mist men den Oorgier zelden bij een kreng van eenigen omvang. Hoewel minder goedvertrouwend dan de kleine Amerikaansche Raafgieren, schuwt hij den mensch niet en komt onbeschroomd in de dorpen of op de slachtplaatsen der steden. Op het aas speelt hij de rol van alleenheerscher; met uitzondering misschien van de bijtlustige Ganzengieren, worden alle gevleugelde concurrenten door hem van den buit verdreven. Den Honden, die in geheel Noordoost-Afrika in het bedrijf van de Gieren beunhazen, weet hij steeds ontzag in te boezemen. Hetzelfde wordt van zijn Indischen verwant bericht.
Na iederen maaltijd vliegt de Oorgier naar het naastbijgelegen water, om hier te drinken, zich te reinigen en vervolgens uit te rusten; nadat hij zich, behaaglijk als een Hoen in het zand liggend, door de zon heeft laten beschijnen, vliegt hij in kringen, dikwijls geruimen tijd achtereen zonder de vleugels te bewegen, naar zijn slaapplaats. Deze is niet altijd op een der grootste boomen gelegen, maar op elk hiervoor geschikt gewas; dikwijls slaapt hij op een mimosa-struik, die nauwelijks 3 M. hoog is. Hier zit hij met sterk teruggetrokken kop en slap naar beneden hangenden staart in zeer rechtstandige houding, als een mensch. Des morgens blijft hij minstens nog 2 uur na zonsopgang op zijn slaapplaats en is dan zoo weinig schuw, dat het mogelijk is onder hem te komen en hem door een schot hagel naar beneden te laten tuimelen. De Oorgieren verschijnen nooit vóór 10 uur ’s morgens op het aas en blijven er hoogstens tot 4 of 5 uur ’s namiddags; zij zijn kenbaar aan hun bedaarde, fraaie vlucht en vooral ook hieraan, dat zij, na het vinden van een aas, zich van een hoogte van veel meer dan 100 M. naar beneden laten vallen, hierna de vleugels uitbreiden, de pooten ver vooruitsteken en in schuinsche richting neerdalen. Zij en de Monniksgieren verslinden hoofdzakelijk de spieren van het aas en versmaden, naar het schijnt, de ingewanden.
Gedurende mijn langdurig verblijf in Khartoem maakte ik een maand lang iederen dag jacht op Gieren, na ze door het neerleggen van aas aangelokt te hebben. Dit geschiedde op een uitgestrekte vlakte en achter een aarden wal, waardoor het ons mogelijk werd het smullende gezelschap tot op een afstand van 20 schreden te naderen. Wat ik bij deze jacht heb waargenomen, werd hierboven medegedeeld. Herhaaldelijk is het mij gelukt door schielijk van geweer te verwisselen verscheidene Oorgieren te dooden; eens heb ik er zelfs vier met één schot neergeveld. Bovendien werden op dit terrein vallen geplaatst; deze waren van de allereenvoudigste soort, maar beantwoordden toch aan het doel. Ik had in korten tijd een vrij groot aantal Gieren bijeen. Hierbij waren steeds verscheidene Oorgieren en deze werden spoedig mijne lievelingen. Zij gedroegen zich in de gevangenschap van den beginne af kalm en verstandig; in tegenstelling met de Ganzengieren toonden zij geen vrees, maar een zekere mate van vertrouwen. Alle waren vastgelegd aan touwen; geen van hen kwam echter op het denkbeeld de kracht van hun kolossalen snavel op dezen kluister te beproeven. Reeds op den derden dag van zijn gevangenschap begon de eerste Oorgier, dien ik gekregen had, water te gebruiken; op den vierden dag maakte hij een aanvang met het verslinden van een voor hem liggende, doode Kat, die hij drie dagen lang versmaad had; op den vijfden dag at hij reeds voor mijne oogen; van nu af ging hij geheel op de gewone wijze zijn gang, zelfs als ik dicht bij hem stond. Later nam hij mij het voedsel uit de hand.—In een groote gezelschapskooi gedraagt de Oorgier zich even kalm als in vrijen toestand. Hij heeft het bewustzijn van zijn kracht en verdraagt geen beleediging, maar gaat nooit aanvallenderwijze te werk. Hij schijnt ons klimaat goed te kunnen verdragen, hoewel hij zeer veel van warmte houdt.
De Ganzengieren (Gyps) kenmerken zich door een langwerpigen, slanken, betrekkelijk zwakken snavel en korte pooten, maar vooral door hun langen hals, welke op dien van een Gans gelijkt, overal even dik is, zonder scherpe scheiding met den langwerpigen kop verbonden en met witachtige, donzige borstels schaars begroeid is. Bij jonge Vogels zijn alle veeren, vooral die van den halskraag, lang; jonge Ganzengieren zijn dus kenbaar aan hunne lange, fladderende, de oude aan hunne korte, losbaardige, haarvormige kraagveeren. Ook de kleur wijzigt zich; de kraag is bij de jonge Vogels donker vaalbruin, bij oude wit of geelachtig wit.
De Gewone of Vale Gier (Gyps vulfus), bereikt een lengte van 112, een vlucht van 256 cM. (vleugel 68, staart 30 cM.). Zijn vederenkleed is zeer gelijkmatig licht vaalbruin, op de onderzijde donkerder dan van boven, iedere veer met een lichtere schaft. De breede, wit gezoomde vleugeldekveeren vormen een lichten band op de bovenzijde van den vleugel; de handpennen en stuurpennen zijn zwart, de armpennen grijsbruin, op de buitenvlag met een breeden, valen rand. Het oog is lichtbruin, de washuid donker loodkleurig grijs, de snavel roestkleurig, de voet licht bruinachtig grijs. Bij jonge Vogels komen de schaftstrepen beter uit en is het geheele kleed donkerder.
De Vale Gier komt veelvuldig voor in Zevenburgen, het zuiden van Hongarije en het geheele Balkan-schiereiland, in Oost-, Zuid- en Middel-Spanje, op Sardinië en op Sicilië, zeer zeldzaam daarentegen op het Italiaansche schiereiland. Meer en meer verbreidt hij zich over Krain, Karinthië en Salzkammergut, waar hij allengs de plaats van den Lammergier inneemt. Niet al te zelden dwaalt hij naar Duitschland af. Jaren geleden werd een exemplaar van deze soort te Putten (Gelderland) geschoten. De noordelijkste broedplaatsen zijn die van de Salzburger Alpen. Nog talrijker dan in Zevenburgen is hij in geheel Egypte en Noord-Nubië, in Tunis, Algiers en Marokko, ook in Noordwest-Azië tot aan den Himalaja wordt hij aangetroffen.
In Middel-Afrika is hij vervangen door den Sperwergier (Gyps Ruppellii), het fraaiste lid van zijn geslacht (lengte 100, vlucht 225, vleugel 63, staart 25 cM.). Bij den ouden Vogel zijn, met uitzondering van de slag- en stuurpennen, alle veeren donker grijsbruin, versierd met een vuilwitten, halvemaanvormigen, meer of minder breeden eindzoom, waardoor het kleed bontgevlekt wordt. De doorschemerende, naakte huid van den met slechts weinig dons bekleeden hals is grijsblauw en gaat van voren en aan de zijden van den onderhals in vleeschrood over; de naakte plekken op den schouder hebben een blauwachtig vleeschrooden zoom. Het oog is zilvergrijs, de snavel aan den wortel geel, aan den top loodkleurig, de washuid zwart, de voet donker loodkleurig grijs.
Alle Ganzengieren bewonen, naar het schijnt, hoofdzakelijk rotsen; men ontmoet ze daarom het veelvuldigst in de nabijheid van gebergten met steile wanden.
De bewegingen van de Ganzengieren zijn lichter en sierlijker dan die van hunne reeds genoemde verwanten; vooral bij het afdalen uit groote hoogten gedragen zij zich anders, daar zij bijna met de lichtheid van een Valk onder veelvuldige zwenkingen naar beneden zweven, in plaats van zich zonder beweging van de vleugels van een zeer aanzienlijke hoogte te laten vallen, totdat zij dicht bij den bodem zijn. Hun gang op den grond is zoo goed, dat een mensch zich zeer moet inspannen om een loopenden Gier in te halen. Nog meer, hoewel niet in hun voordeel, onderscheiden de Ganzengieren zich door hun aard van de overige leden der onderfamilie: door hartstochtelijkheid, oploopendheid en arglistigheid munten zij uit. Zij leven in groote troepen bijeen en nestelen koloniesgewijs. Hoewel zij zich in den regel ook met andere Gieren vereenigen, zijn en blijven zij altijd de rustverstoorders, die het meest aanleiding geven tot twist. Steeds weten zij zich spoedig van de opperheerschappij meester te maken; doldriest verdedigen zij zich tegen ieder, die hen aanvalt. De door een schot gewonde exemplaren stellen zich moedig en grimmig te weer, gaan als kwaadaardige Honden op den mensch af en springen meer dan een halven meter hoog van den grond op, terwijl zij den langen hals onder duidelijk hoorbaar snavelgeklepper in de richting van het gelaat van hun tegenstander strekken.
Bij het uit den weg ruimen van een aas vreten zij bij voorkeur de lichaamsholte van het doode dier leeg. Met eenige snavelbeten scheuren zij een rond gat in den buikwand en steken hierdoor hun langen hals zoo ver mogelijk naar binnen. Zonder den kop uit de holte te halen, verscheuren en verslinden zij de lever, de nieren en dergelijke ingewanden; de darmen daarentegen worden eerst naar buiten getrokken, door hevige achterwaartsche bewegingen losgerukt, daarna doorgebeten en bij stukken verzwolgen.

Sperwergier (Gyps Ruppellii). ⅕ v. d. ware grootte.
In Spanje broedt de Vale Gier in de laatste helft van Februari of in het begin van Maart. Zijn nest, een dunne laag van niet zeer dikke takjes, bevindt zich gewoonlijk in een uitholling of althans onder een uitstekende punt van een rots en bevat één wit, dikschalig ei, zoo groot als dat van een Gans. Beide ouders broeden om beurten; het mannetje zit gewoonlijk gedurende den voormiddag en de eerste uren van den namiddag op het ei; het wijfje blijft gedurende den overigen tijd op het nest. Op een gunstig gelegen broedplaats vindt men altijd verscheidene nesten, op een afstand van ongeveer 100 of 200 schreden van elkander. Opmerkelijk is het, dat de Gieren, die op zulke rotswanden gemeenschappelijk broeden, naast en onder zich ook Lammergieren, Havikarenden en op de boomen in de onmiddellijke nabijheid zelfs Zwarte Ooievaars rustig laten nestelen. Het jong, dat op een prop wol gelijkt, wordt door beide ouders met veel liefde behandeld en zorgvuldig gevoederd, aanvankelijk met vleesch, dat door verrotting geheel week geworden is, later met krachtiger voedsel.
Slechts bij uitzondering wordt de Vale Gier tam. Een slager hield er een verscheidene jaren achtereen in leven op de binnenplaats van zijn woning. Deze Gier was zeer bevriend met een ouden Slagershond. Toen deze stierf, werd zijn lijk den Gier voorgeworpen, die, hoewel hij honger had, zijn dooden makker niet wilde aanraken; van stonden af begon hij te kwijnen, weigerde te eten en bezweek op den achtsten dag.
In Egypte worden de veeren van den Valen Gier voor verschillende doeleinden gebruikt; vooral de slagen stuurpennen dienen voor versierselen en huishoudelijke artikelen. Op Kreta en in Arabië wordt het vel gelooid en levert een zeer gezocht bont.
De Witte Krenggier (Neophron percnopterus), Aasgier, Drekgier, Malteser Gier, Racham, Alimosj, „Pharao-hen” en hoe hij meer genoemd moge zijn, is sedert overouden tijd bekend en beroemd. Hij is de Gier, wiens afbeeldsel op de Oud-Egyptische gebouwen prijkt, die in den ouden tijd bij de Egyptenaars en Hebreërs als een zinnebeeld van ouderliefde werd geëerd en ook thans nog zijn ouden roem niet geheel verloren heeft. Een raafachtige gestalte, lange, tamelijk spitse vleugels, een lange, trapvormige staart en een eigenaardig vederenkleed kenmerken hem. De zeer langwerpige snavel is voor meer dan de helft met een washuid bekleed, de haakvormige spits van den bovensnavel ver naar beneden gebogen, maar teer en zwak. Het aangezicht en de kop zijn naakt, de nek en de achterhals met lange, smalle en spits toeloopende veeren begroeid. Het grootendeels vuilwitte vederenkleed zweemt aan den hals en de bovenborst min of meer naar donkergeel, maar is op den rug en den buik zuiverder wit van kleur; de handpennen zijn zwart, de schouderveeren grijsachtig. De iris is roodbruin of licht bronskleurig geel, de snavel aan de spits blauwachtig, overigens helder oranjegeel, evenals de naakte gedeelten van den kop en de kropvlek; de huid van de keel is iets lichter van kleur dan de rand van den ondersnavel. Het wijfje is 70 cM. lang en heeft 169 cM. vlucht (vleugel 50, staart 26 cM.).
De Krenggier werd eenige malen in Duitschland geschoten. Veelvuldiger komt hij voor in Zwitserland; zelfs heeft een paar bij Genève genesteld. Verder zuidwaarts is hij veel talrijker. In het Zuiden van Frankrijk ziet men hem niet zelden; hij broedt in de omstreken van Nizza, op het voorgebergte Argentar; opmerkelijk is het, dat hij op Sardinië, het bevoorrechte woongebied van andere Gieren, niet als broedvogel voorkomt; in Spanje vindt men hem overal, hoewel niet zeer overvloedig; in Griekenland en op het geheele Balkan-schiereiland is hij algemeen. Tot zijn broedgebied behooren ook de Krim en Zuid-Rusland; hij is hier trekvogel; slechts weinige exemplaren blijven er den winter over. Standvogel is hij daarentegen in Afrika (misschien met uitzondering van de westelijke kustlanden) en in een groot deel van West- en Zuid-Azië.
Schuw en voorzichtig is de Krenggier slechts in Zuid-Europa. In alle gewesten van Afrika, die nog niet hebben geleden door de moordzucht der Europeanen, vertrouwt hij den mensch. Hij is alles behalve dom, onderscheidt zeer juist verschijnselen die hem voordeel kunnen brengen van die, welke hem schade kunnen doen en toont dikwijls, terwijl hij in zeer moeielijke omstandigheden den kost wint, een zekere list. Evenmin kan men hem van traagheid beschuldigen, daar hij zeer veel in beweging is en dikwijls uren achtereen spelenderwijs vliegt. Daarentegen blijft hij na een overvloedig maal geruimen tijd rustig zitten. De loopende Aasgier gelijkt op onze Raaf; de vliegende herinnert eenigszins aan onzen Ooievaar, maar ook aan den Lammergier; zijn vlucht is echter veel langzamer en minder sierlijk. Met één sprong verlaat hij den bodem, verkrijgt door eenige langzame wiekslagen de noodige snelheid en zweeft daarna vlug, zonder vleugelbeweging verder. Bij fraai weer stijgt hij al hooger en hooger, soms tot 1000 à 1200 M. boven den bodem. Het liefst rust hij op rotsen; hij houdt niet van boomen; in groote wouden treft men hem in ’t geheel niet aan. Even dikwijls als op rotsen, ziet men hem op oude gebouwen zitten, in Noord-Afrika, Indië en Arabië op tempels, moskeeën, monumenten en huizen. Gezellig is hij niet minder dan zijne verwanten. Eenzaam ziet men hem hoogst zelden, vaker paarsgewijs, het meest echter in groote of kleine troepen. Hij houdt zich bij andere soorten van Gieren op, omdat zijn beroep dit medebrengt, maar altijd slechts voor korten tijd; zoodra het gemeenschappelijke maal afgeloopen is, bekommert hij zich niet meer om zijne verwanten. Het besef van zijn zwakheid maakt hem vredelievend en verdraagzaam. In Zuid-Egypte en Zuid-Nubië ziet men talrijke vluchten van Krenggieren, die zich uren lang met prachtige vliegoefeningen vermaken, gemeenschappelijk hunne slaapplaatsen opzoeken en op voedsel uitgaan, steeds zonder twist of strijd. Bescheiden houden zij zich op den achtergrond, terwijl de grootere Gieren op een kreng gastmalen, en kijken angstig naar hunne woeste gebaren.
De Krenggier is niet kieskeurig, elke kost is hem welkom. Zijn voornaamste voedsel bestaat echter niet uit lijken van dieren. Wel verschijnt ook hij op ieder kreng en tracht hiervan partij te trekken naar de maat van zijne zwakke krachten; hij pikt het lijk de oogen uit, maakt bij den aars een opening en doet zijn best om er de ingewanden uit te halen; ook wacht hij, totdat de groote Gieren zich verzadigd hebben en knaagt dan de beenderen af, die zij overlieten: een dergelijke smulpartij valt hem echter slechts bij uitzondering ten deel. Een betere gelegenheid om in zijn onderhoud te voorzien vindt hij aan de oevers van groote rivieren of aan de zeekust. De stroom werpt soms een aas of althans doode Visschen op het droge en levert allerlei lagere dieren op. Hij overvalt ook Ratten, Muizen, kleine Vogels, Hagedissen en andere Kruipende Dieren, plundert nesten met eieren en vangt behendig Sprinkhanen in velden en dreven. Een Ortolaan, dien hij het geluk had te vangen, doodde hij met een enkelen snavelhouw, hield hem vast en verslond hem onmiddellijk. Don Lorenzo Maurel verhaalde aan Bolle, dat het moeielijk is op de Kanarische Eilanden Pauwen te fokken, omdat de Krenggieren de hennen overal achterna sluipen om de pas gelegde eieren weg te nemen. Toch helpt zoomin het rooven als het stelen deze Gieren op voldoende wijze aan den kost. Zij weten zich gelukkig op eene andere wijze te redden. In geheel Afrika en zelfs reeds in Zuid-Spanje maakt menschendrek hun voornaamste voedsel uit.
Nauwkeurige berichten over de voortplanting van de Krenggieren geeft Bolle: „Zij nestelen gaarne gezellig en vestigen zich overal, waar een steile rotswand geschikte nestplaatsen aanbiedt, zonder zich veel te bekommeren over de meer of minder warme ligging van het terrein. Door de groote hoeveelheid uitwerpselen, die zich naast en onder de nesten ophoopt, zijn deze op een afstand zichtbaar. De Gieren schijnen er geen behoefte aan te gevoelen hun veiligheid te bevorderen door de keuze van een verborgen broedplaats, maar zich alleen te verlaten op de ontoegankelijkheid van den door hen bewoonden rotswand.” Het nest bevat gewoonlijk 2 eieren; deze zijn langwerpig van vorm, meestal op geelachtig witten grond leemkleurig of roestbruin gevlekt en gemarmerd; enkele zijn als ’t ware met bloedzwarte, groote vlekken en strepen besmeerd. De jongen, die aanvankelijk met een grijswitachtig dons bekleed zijn, worden uit den krop gevoederd, blijven lang in het nest en daarna nog eenige maanden in het gezelschap van hunne ouders.
Jong gevangen Krenggieren worden zeer tam, volgen ten slotte hun verzorger als Honden op den voet na en begroeten hem met vreugdegeschreeuw, zoodra hij zich vertoont. Ook oude dieren geraken spoedig aan de gevangenschap gewoon en verdragen het verlies van hun vrijheid vele jaren.
Nevens den Witten Krenggier komt in Middel- en West-Afrika een iets kleinere, donkerbruine soort van hetzelfde geslacht voor—de Kapgier (Neophron pileatus). Deze zou men bijna een huisdier kunnen noemen. Hij is minstens even driest als onze Bonte Kraai en evenaart in dit opzicht bijna onze Huismusch. Zonder schroom loopt hij voor de huisdeur op en neer, houdt zich in de onmiddellijke nabijheid van de keuken op en vliegt, als hij uitrusten wil, hoogstens in den top van een der naastbijgelegen boomen. Des morgens wacht ook hij voor een hut op de uitwerpselen der bewoners en is onmiddellijk bij de hand om hiermede zijn maag te vullen. Op iedere slachtplaats is hij een gewone gast; nooit neemt hij echter iets weg, wat hem niet toekomt; nooit rooft hij een kuiken of een ander levend klein huisdier.
Door zijn houding is de Kapgier een zeer fraaie Vogel en een echte Gier. Zelfs wanneer hij vliegt, kost het dikwijls moeite hem van zijne grootere verwanten te onderscheiden, terwijl zijn neef, de Witte Krenggier, reeds op een afstand kenbaar is aan zijne witte vleugels en wigvormigen staart. Een eigenaardigen tooi verschaffen hem de heldere kleuren van de onbevederde gedeelten van den kop en de keel, die alle tinten vertoonen, welke men aan de naakte huidwoekeringen van den Kalkoen opmerkt. Zijn naam ontleent hij aan een breede, met bruinachtig grijs, fluweelachtig dons bekleede strook, die, boven op den kop aanvangend, zich langs den achterhals uitstrekt.
De Kapgier wordt evenmin vervolgd als zijne overige verwanten. Het is niet moeielijk hem te schieten, omdat hij overal, waar men hem aantreft, den mensch vertrouwt. Ook kan men hem zeer gemakkelijk vangen. Hij wordt zeer tam en is, behoudens zijn neiging voor het eten van vuil, een knappe, flinke Vogel. Soms, doch steeds nog zelden, krijgt men deze soort in diergaarden te zien.
Het meest in ’t oog vallende kenmerk van de Gieren der Nieuwe Wereld (Sarcorhamphidae), die als een afzonderlijke familie worden beschouwd, is gelegen in hunne groote, langwerpig ronde neusgaten, welke toegang verleenen tot neusholten, die door een onvolledig verbeend middelschot vaneengescheiden zijn en dus in het geraamte met elkander in gemeenschap staan. Voorts kenmerken deze Vogels zich door een meer of min langwerpigen snavel, welks bovenhelft aan den wortel met een zachte washuid bekleed en vóór deze ingesnoerd is; de spits van den bovensnavel is sterk gekromd en haakvormig. De pooten zijn krachtig en hebben een dikken loop; de vleugels zijn lang en spits; de staart is tamelijk lang. De kop en de bovenhals zijn naakt en prijken meestal met kamvormige huidwoekeringen op den snavelwortel en het voorhoofd, benevens schel gekleurde opzwellingen en plooien aan den hals. Het inwendig maaksel dezer Vogels verschilt aanmerkelijk van dat der Gieren van ’t Oostelijk halfrond.
Als de edelste leden van deze familie worden de Kamgieren (Sarcorhamphus) beschouwd; hun naam danken zij aan den kam, die den snavelwortel en het voorhoofd van het mannetje versiert.
Den Kondor (Sarcorhamphus gryphus) is hetzelfde lot ten deel gevallen als den Lammergier. Evenals deze heeft men hem miskend en belasterd, de wonderlijkste verhalen over hem in omloop gebracht en geloofd. Voor deze eeuw bleef de taak bewaard, de natuurlijke geschiedenis van dezen Vogel van fabelen te zuiveren.
Het vederenkleed van den volwassen Kondor is zwart met zwakken, donker staalblauwen glans; de vleugelveeren zijn dof zwart, de buitenste dekveeren van alle drie rangen en de halskraag, die uit zachte, harig-wollige, maar tamelijk lange veeren bestaat, zijn wit, de armpennen op de buiten vlag wit gezoomd. De achterkop, het aangezicht en de keel zijn zwartachtig grijs; een smalle huidplooi aan de keel en de beide, met wratten bezette huidplooien aan iedere zijde van den hals van het mannetje hebben een helder roode kleur; de hals is vleeschrood, de kropstreek bleekrood. Het oog is vurig karmozijnrood, de snavel aan den wortel en op den rug hoornzwart, aan de zijden en de spits hoorngeel, de voet donkerbruin. Volgens de metingen van Von Humboldt bedraagt de lengte van het mannetje 102, de vlucht 275, de vleugellengte 115, de staartlengte 37 cM.; de lengte van het wijfje is 2½, haar vlucht 24 cM. geringer.
Het vaderland van den Kondor strekt zich van Quito tot dicht bij de zuidspits van Zuid-Amerika uit. Hij bewoont hier de bergstreken der Andes, bij voorkeur den hoogtegordel tusschen 3000 en 5000 M.; bij de Magalhaes-straat en in Patagonië nestelt hij op steile klippen onmiddellijk aan de kust. Ook in Peru en Bolivia daalt hij dikwijls tot aan de kust af; in hooge streken is hij echter minstens tienmaal zoo talrijk als in de lage. Volgens A. von Humboldt ziet men hem dikwijls boven den Chimborazo zweven, zesmaal hooger dan de wolkenlaag, die boven de vlakte ligt, 7000 M. boven de zee.
De levenswijze en de gewoonten van de Kondors zijn in hoofdzaken gelijk aan die van de Gieren. Zij leven in den voortplantingstijd paarsgewijs, overigens in troepen, kiezen steile rotspunten als rustplaatsen uit en keeren geregeld daarheen terug. Bij het opvliegen verheffen zij zich door langzame vleugelslagen en zweven vervolgens met gelijkmatige snelheid voort, zonder de vleugels te bewegen. Als een van hen iets eetbaars opmerkt en zich naar den bodem begeeft, volgen alle Kondors, die dit zien, schielijk zijn voorbeeld. „Het is”, zegt Tschudi, „dikwijls onbegrijpelijk, hoe in minder dan een kwartier op een lokaas een menigte Kondors zich verzamelen, terwijl vóór dien tijd zelfs het scherpzichtigste oog geen enkelen Vogel van deze soort ontdekken kon”. Na een gelukkige reis keeren zij tegen den middag naar hunne rotsen terug en verdroomen hier eenige uren.
De Kondors eten, evenals de Gieren, bij voorkeur aas. Humboldt bericht, dat zij met hun tweeën niet slechts het Hert van de Andes en den Vicuña, maar ook den Guanaco en zelfs kalveren aanvallen, deze dieren vervolgen en zoo lang wonden, totdat zij ademloos neerstorten. Tschudi verzekert, dat de Kondors de wilde en tamme kudden volgen en zich oogenblikkelijk van ieder gestorven dier meester maken. Soms schieten zij neer op jonge lammeren, kalveren en zelfs op gewonde Paarden, die zich niet tegen hen verweren kunnen. In dit geval vreten zij het vleesch rondom de wond weg, tot zij de borstholte bereikt en hun slachtoffer om ’t leven gebracht hebben. Bij het ontweien van gedoode Vicuñas of Andes-herten is de jager in den regel omringd door scharen van Kondors, die met gulzige haast op de weggeworpen ingewanden aanvallen en daarbij niet den minsten schroom voor den mensch aan den dag leggen. Op gelijke wijze letten zij, naar men zegt, op den jagenden Poema en maken gebruik van ’t geen er van zijn maal overblijft. „Als de Kondors”, zegt Darwin, „neerstrijken en daarna eensklaps alle te zamen omhoogstijgen, weet de Chileen, dat het de Poema was, die bij het bewaken van een door hem buitgemaakt en gedood dier de Roofvogels verjaagd heeft.” In den lammertijd van de Schapen beloert de Kondor de kudden en neemt iedere gunstige gelegenheid te baat om Geiten of lammeren te rooven. In de door Kondors bewoonde gewesten, zijn de Herdershonden er op afgericht om het neerdalen van den roover te voorkomen, door zoolang hij in de lucht zichtbaar is, naar boven te kijken en te blaffen. Op het zeestrand verschaffen de op ’t droge geworpen lijken van groote zee-zoogdieren, die in groote getale langs de kust van Zuid-Amerika leven, den Kondor voedsel. Hij mijdt de menschelijke woningen en valt nooit kinderen aan. Wanneer kinderen door hunne ouders, die op hooggelegen plaatsen arbeiden, medegenomen worden, zooals dikwijls geschiedt, slapen zij in de open lucht, zonder gevaar te loopen van de roofzucht der Kondors. Volgens het eenstemmig gevoelen der Indianen is de Kondor niet gevaarlijk voor den mensch. Bij den maaltijd gedraagt hij zich geheel op de wijze van de Gieren. Daarna is hij traag en kan zich moeilijk bewegen. Wanneer de nood hem dwingt om te vluchten, braakt hij, evenals andere Gieren, eerst het in den krop aanwezige voedsel uit. „De Kondor”, zegt Tschudi, „is een fiere, statige Vogel, als hij op zijne uitgebreide, bijna beweginglooze vleugels drijft, of met naar voren gestrekten hals op een uitstekende rotspunt staande, naar buit zoekend, met scherpzichtig oog de omgeving bespiedt. Wanneer hij echter met onbeschrijfelijke gulzigheid zijn buit verslindt, groote stukken aas doorzwelgt en, nadat hij zich dikgevreten heeft, bijna ongeschikt voor eenige beweging, naast de overblijfselen van zijn de omgeving verpestend maal ineengehurkt op den grond zit, is hij niets anders dan een walgingwekkende Aasgier.”

Kondor (Sarcorhamphus gryphus):—1) Mannetje. 2) Wijfje.—½ v. d. ware grootte.
De broedtijd van den Kondor valt in onze winter- of lentemaanden. Zijn nest staat op een ontoegankelijke rots en verdient nauwelijks dien naam, want dikwijls legt het wijfje hare 2 eieren op den naakten grond. De eieren zijn glanzig wit en ongevlekt. De jongen komen in een grijsachtig donskleed ter wereld, groeien langzaam, blijven lang in het nest en worden, nadat zij reeds uitgevlogen zijn, nog door hunne ouders gevoederd en in tijd van gevaar met grooten moed verdedigd.
Om Kondors te vangen gebruiken de Indianen een met bedwelmende kruiden volgestopt kreng als lokaas; de Vogels, die na dezen maaltijd rondwaggelen, alsof zij beschonken zijn, kunnen gemakkelijk vermeesterd worden. In de vlakten leggen de jagers vleesch neer binnen een omheining, wachten, totdat de Kondors zich volgegeten hebben, rennen er heen, zoo snel de Paarden loopen willen en slingeren hunne werpkogels te midden van het nu half versufte gezelschap. Een andere, zeer merkwaardige vangwijze heeft reeds Molina beschreven; de juistheid van de mededeelingen van den Chileenschen geleerde (schrijver van een „Natuurlijke Geschiedenis van Chili”, 1782) wordt door de onderzoekers uit lateren tijd, waaronder Tschudi, volkomen bevestigd. Een versche koehuid, waaraan nog stukken vleesch vastzitten, wordt op den bodem uitgebreid, zoodat een daaronder liggende Indiaan, die met de noodige hoeveelheid touwen voorzien is, er geheel door bedekt wordt. „Deze schuift, nadat de Aasvogels zich op het vel hebben neergezet, het stuk van de huid, waarop de Kondor zit, bij den poot van den Vogel omhoog en bindt er een touw omheen. Nadat eenige Kondors op deze wijze gekluisterd zijn, komt de Indiaan van onder het vel te voorschijn; zijne stamgenooten snellen toe, werpen den Vogels mantels over den kop en brengen hen naar het dorp, waar zij voor het „stierenhitsen” worden bewaard. Een week lang voor het begin van dit wreede vermaak laat men de Kondors honger lijden. Op den bepaalden dag wordt iedere Kondor op den rug van een stier gebonden, die vooraf met lanssteken bloedig gewond werd. De hongerige Vogel verscheurt nu met zijn snavel den rug van het gemartelde dier, dat tot groote vreugde der Indianen als dol door het strijdperk holt.—In de provincie Hoearochirin bevindt zich op de hoogvlakte een plaats, waar deze Vogels met gemak in grooten getale gedood worden. Daar is een groote, door de natuur gevormd, ongeveer 20 M. diepe trechter, die een opening van ongeveer 20 M. middellijn heeft. Aan den buitensten rand wordt een lijk van een Muildier of van een Lama neergelegd. Dit kreng, waarop de Kondors spoedig afkomen, stort in de diepte, terwijl zij bezig zijn het te verscheuren; de Vogels volgen hun buit om dezen niet te verliezen en kunnen, na zich volgegeten te hebben, van den nauwelijks 5 M. wijden bodem van den trechter niet opvliegen. Met lange stokken gewapend dalen de Indianen in den kuil af en slaan de Vogels dood.”
Sommige Kondors worden in de gevangenschap zeer tam, andere blijven wild en bijtlustig. Haeckel heeft er geruimen tijd twee gehad, die zeer beminnelijk waren. Gourcy zegt van deze dieren: „Merkwaardig is hun genegenheid voor hun meester. Het mannetje springt op diens bevel van den grond op een zitstok, van hier op zijn arm, laat zich door hem ronddragen en liefkoost op zeer vleiende wijze zijn gelaat met den snavel. Haeckel steekt den vinger in den bek van het dier, gaat op zijn rug zitten, bijna zonder op den grond te steunen, trekt het den halskraag over den kop en laat het als een Hond allerlei kunstjes doen. Intusschen wordt het wijfje, dat naar voedsel verlangt, ongeduldig en trekt haar meester aan den rok, totdat het iets te eten krijgt. Over ’t algemeen zijn zij zoo ijverzuchtig op de liefkoozingen van hun verzorger, dat één hunner hem dikwijls de kleeren verscheurt, bij het streven om hem van den anderen, waarmede hij speelt, af te trekken.” Aan de Gieren, die met hen gevangen zitten, weten zij achting af te dwingen en deze te behouden. Wanneer het tot bijten komt, weten zij zich met hun snavel zoo flink, behendig en krachtig te verweren, dat zelfs de bijtlustige Ganzengieren eerbiedig plaats voor hen maken.
„Een dergelijken indruk, als de Kondor maakte op de eerste reizigers in Peru”, zegt Tschudi, „wekte de Gierenkoning in Mexico en Zuid-Amerika bij zijne ontdekkers. Reeds bij Hernandez vindt men hem vermeld. Aan zijn levendig gekleurd, sierlijk vederenkleed, dat hem van alle andere Roofvogels onderscheidt, heeft hij den naam „Koning” te danken”. Bovendien laat hij, evenals alle groote leden van zijn familie, die met kleinere verkeeren, deze voor zijn lichaamskracht en halsstarrigheid bukken en werpt zich dus tot hun vorst en beheerscher op.
De Gierenkoning (Sarcoramphus papa) is 84 à 89 cM. lang en heeft 1.8 M. vlucht, met vleugels van 52 en een staart van 23 cM. Het kleed van den volwassen Vogel is werkelijk prachtig. De halskraag is grijs; het voorste deel van den rug en de bovenste vleugeldekveeren zijn helder roodachtig wit, de buik en de onderdekveeren van den vleugel zuiver wit, de vleugel- en staartveeren donkerzwart, de slagpennen op de buitenvlag met grijzen zoom. Korte, stijve, borstelvormige veeren bedekken de vleeschroode huid van de kruin en van het gelaat; de rondachtige wratten, die achter en onder het oog voorkomen, en een gezwollen huidplooi, die zich tot aan den achterkop uitstrekt, zijn donkerrood, de hals en de kop lichtgeel. Het oog is zilverwit, de hooge, in lobben verdeelde kam, die ook bij het grootere wijfje gevonden wordt, zwartachtig, de snavel aan den wortel zwart, in het midden vuurrood, aan den top geelachtig wit, de washuid geel, de voet zwartgrijs.
De Gierenkoning is ten noorden van den 32en graad Z. B. over alle lage landen van Zuid-Amerika, tot Mexico en Texas verbreid, en is, naar men zegt, zelfs in Florida waargenomen. In het gebergte komt hij niet hooger dan 1500 M. boven den zeespiegel. Zijn eigenlijk gebied zijn de oerwouden of de met boomen bedekte vlakten. In de boomlooze steppen en de gebergten zonder bosschen ontbreekt hij geheel. Den nacht brengt hij, op lage boomtakken zittend, meestal in gezelschap door; naar het schijnt, keert hij iederen avond naar bepaalde slaapplaatsen terug; zoodra de morgen aanbreekt, vliegt hij uit en zweeft langs en in de nabijheid van het woud om te onderzoeken of bijgeval een Jagoear voor hem de tafel heeft gedekt. Als hij het geluk heeft, een kreng op te merken, stort hij zich in suizende vlucht van een aanzienlijke hoogte er op neer, gaat echter vooraf op geringen afstand van het doel zitten en werpt slechts nu en dan een blik op het lekkere maal. Dikwijls verschaft hij eerst na een kwartier of een half uur voldoening aan zijn eetlust, want hij is altijd voorzichtig en tracht zich vooraf zoo zorgvuldig mogelijk van zijn veiligheid te overtuigen. Ook hij overlaadt zijn spijskanaal dikwijls in zulk een mate, dat hij zich niet meer bewegen kan. Als zijn krop met voedsel gevuld is, verbreidt hij een onverdraaglijke krengenlucht; na afloop van de spijsvertering ruikt hij sterk naar muscus. Bij het einde van den maaltijd vliegt hij in een hoogen, liefst dooden boom en houdt hier zijn middagslaap.
Gewoonlijk hebben de overal veelvuldige Kalkoengieren nog vroeger dan de Gierenkoning een kreng opgespoord en kondigen dit door hun gewemel aan. Schomburgk zegt: „Al zijn ook honderden van Aasgieren met het verslinden van hun buit bezig, voor den naderenden Gierenkoning maken zij onmiddellijk plaats om op de naastbijgelegen boomen of, zoo deze ontbreken, op den grond zittend, met begeerige en afgunstige blikken te wachten, totdat hun meester zijn honger gestild en zich verwijderd heeft. Nauwelijks is dit geschied, of zij hervatten met woeste, door het wachten nog vermeerderde gretigheid hun deerlijk verminderd maal en verslinden de door hun machtigen voorganger versmade overblijfsels. Daar ik zeer dikwijls getuige ben geweest van zulk een voorval, kan ik verzekeren, dat geen andere Vogel zich beroemen kan op een dergelijke voorkomendheid en zelfopoffering van den kant der kleine Aasgieren. Wanneer deze, ijverig bezig zijnde aan hun maal, den Gierenkoning in de verte zien aankomen, gaan zij oogenblikkelijk uit den weg; bij het verschijnen van hun meester maken zij zeer eigenaardige kopbewegingen tegen elkander. Het is, alsof zij hem begroeten; mij kwam het althans voor, dat dit de beteekenis kon zijn van het vooruitsteken van den kop en het hiermede gepaard gaande op- en neer bewegen van de vleugels. Nadat de Gierenkoning plaats genomen heeft aan hun disch, zitten zij volkomen stil en kijken met hongerige maag toe, zoolang hij bezig is met het verslinden van den door hen opgespoorden buit.”

Gierenkoning (Sarcorhamphus papa). ⅕ v. d. ware grootte.
In de gevangenschap wordt de Gierenkoning licht tam; hij toont zich echter alleen aan zijn verzorger gehecht en is jegens vreemden dikwijls zeer onvriendelijk; door zijn bijtlust weet hij zelfs den mensch eerbied af te dwingen.
De Raafgieren of Hoendergieren (Catharista) bewonen geheel Amerika. Onder hen kenmerkt zich de Kalkoengier, Jota of Aura (Catharista aura) door den betrekkelijk korten, maar dikken snavel, welks washuid zich tot den voorrand van de groote, langwerpig ronde neusgaten uitstrekt, door den van boven naakten hals, den trapvormigen staart en den betrekkelijk korten loop. De kop is van voren naakt en karmijnrood, van achteren met opzwellingen bedekt en blauwachtig rood, om de oogen bleekrood; van den hals is het naakte deel vleeschrood, het bevederde deel, evenals de bovenrug en de onderdeelen, zwart met groenachtigen metaalglans. De iris heeft een zwartbruine, de snavel een licht hoorngele, de voet een witte kleur. De lengte bedraagt 78, de vlucht 164 cM.; de vleugel is 49, de staart 26 cM. lang.
De snavel van den Raafgier, Gallinazo of Oeroeboe, in Noord-Amerika Zwarte Gier of Aaskraai genoemd (Catharista atrata), is dunner en langer, de (recht afgesneden) staart korter en de pooten hooger dan bij de vorige soort. Van den snavel over de kruin tot aan den nek loopen zwakke, tamelijk regelmatig achter elkander geplaatste dwarsrimpels. Het geheele vederenkleed is dofzwart met donker roestbruinen weerschijn, wanneer het licht op een bepaalde wijze invalt; het oog is donkerbruin, de snavel zwartbruin, aan de spits hoorngrijs. Lengte 60, vlucht 136 cM.
Men heeft de beide genoemde soorten van Hoendergieren en de drie andere, onderling weinig verschillende leden van hetzelfde geslacht zoo dikwijls met elkander verward, dat het moeite kost in ieder geval uit te maken, op welke soort de tot dusver bekend geworden berichten meer bepaaldelijk betrekking hebben. Alle Hoendergieren komen echter in levenswijze zoozeer overeen, dat een samenvoeging van de belangrijkste dezer mededeelingen ongetwijfeld een tamelijk juiste voorstelling zal geven van ieders aard en handelingen.
De Kalkoengier is bezuiden de Saskatschawan-rivier (die op 54° N.B. in het Groot-Winipig-meer uitmondt) over geheel Noord-, Middel- en Zuid-Amerika tot aan de Magalhäesstraat en van de kust van den Atlantischen tot aan die van den Stillen Oceaan verbreid, maar komt niet overal even veelvuldig voor; de Gallinazo daarentegen behoort meer in Zuid-Amerika thuis, wordt in de Vereenigde Staten niet ten noorden van Carolina aangetroffen, maar is zoowel in de landen, die aan de Golf van Californië grenzen, als in Middel- en in Zuid-Amerika een van de algemeenste Vogels.

Kalkoengier (Catharista aura). ⅙ v. d. ware grootte.
Door levenswijze en gewoonten gelijken zij op de Gieren; zij zijn echter nog minder schuw, daar in de meeste landen van Zuid-Amerika ieder, die een dezer straatreinigers doodt, van overheidswege een zware straf beloopt. Niet overal komen beide soorten gezamenlijk voor; ieder hunner geeft aan bepaalde terreinen de voorkeur. Zoo leeft, volgens Tschudi, de Kalkoengier meer aan ’t zeestrand en bijna nooit in het binnenland, terwijl de Gallinazo in groote getale in de steden, nu en dan ook wel in ’t gebergte, doch slechts zelden aan de oevers der zee gezien wordt. „De Europeaan, die voor de eerste maal de kust van Peru betreedt, verbaast zich over het ongeloofelijk aantal Aasgieren, die hij aan het strand, op alle wegen, in alle steden en dorpen aantreft en over de driestheid en gerustheid, waarmede deze Vogels den mensch naderen.” Zij schijnen te weten, dat hun zeer noodzakelijk beunhazen op het terrein van de gebrekkig geregelde reinigingsdienst hun een vrijbrief verschaft. In alle Zuid-Amerikaansche steden vervullen zij de rol van onze straatvegers. „Zonder deze Vogels,” verzekert Tschudi, „zou de hoofdstad van Peru een van de ongezondste plaatsen van het geheele land zijn, daar van overheidswege niets gedaan wordt voor het wegruimen van het vuil. Vele duizenden van Gallinazo’s leven in en om Lima en zijn zoo weinig schuw, dat zij op de markt in het dichtste menschengewoel rondhuppelen.”
Hunne bewegingen gelijken op die van de Gieren. Zij gaan met hoog opgericht lichaam rond en gelijken hierdoor op Kalkoenen, hetgeen waarschijnlijk aanleiding gegeven heeft tot hun naam. Zij vliegen zonder merkbare inspanning, laten zich vaak op hunne wieken drijven en stijgen dikwijls tot groote hoogten op; gewoonlijk behoeven zij zich echter niet veel in te spannen, omdat het hun zelden aan voedsel ontbreekt.
Burmeister beschrijft op zeer aanschouwelijke wijze een van hunne maaltijden. „De groote, zwarte Vogels, die ook in Brazilië de rottende dierlijke stoffen uit den weg moeten ruimen, treft men overal aan. Wanneer ergens een dier gevallen is, strijken zij met hun twintigen, dertigen, veertigen of in nog grooter aantal op het lijk neer, pikken het de oogen uit en wachten daarna met een vurig verlangen, dat duidelijk uit al hunne gebaren blijkt, het heerlijke oogenblik af, waarin de toenemende spanning van de gasvormige rottingsproducten, die zich onder den invloed van de zomerwarmte schielijk in het lichaam ontwikkelen, den door bederf verzwakten buikwand zal doen barsten en zijn geurigen inhoud tot streeling van hun gehemelte beschikbaar zal stellen. Dan ontstaat een vreeselijk gedrang. Iedere Vogel pakt een stuk van de naar buiten tredende ingewanden; in een oogwenk zijn de weeke, half verteerde darmen verscheurd en verzwolgen. Volgepropt als zij zijn, begeven de Gieren zich naar den naasten boom en zitten hier dicht opeengedrongen, de oogen onverpoosd gericht op het aas, te wachten tot het door verrotting voldoende verweekt is, om verder verslonden te worden. Van tijd tot tijd strijkt een begeerige minimumlijder, die bij den eersten maaltijd niet genoeg gekregen heeft, op het ontweide lichaam neer, tracht op de een of andere plaats met den snavel een opening te maken, pluist aan de wondranden en opent op deze wijze nieuwe banen voor de steeds verder voortschrijdende verrotting. Wanneer de overige Vogels bemerken, dat het streven van dezen voorvechter niet vruchteloos is, volgen zij weldra zijn voorbeeld, hakken en rukken in het lichaam om en verslinden het eene stuk na het andere, totdat de beenderen geheel schoon afgekloven zijn. In twee dagen zijn zij met hun arbeid gereed; als zij niets meer weten te vinden, is er nog altijd iets voor de Vliegen over.” De Gieren versmaden echter geen versch vleesch, wanneer zij het in stukken kunnen scheuren; ook levende dieren vangen en dooden zij, hoewel men vaak het tegendeel heeft beweerd. Door hun driestheid en onbeschaamdheid worden zij lastig voor menschen en dieren. Zoo zegt de Prins Von Wied, dat zij van alle kanten toesnellen, zoodra er een schot in het woud gelost wordt. „Wanneer wij boven een dicht beschaduwde woudbeek een Eend of zelfs maar een kleinen Vogel schoten, waren zij onmiddellijk bij de hand; met hun achten, tienen of meer hadden zij op de naburige boomen post gevat. Als wij ons maar een oogenblik verwijderden, lag in ’t volgende de geschoten Vogel reeds op het droge om door hen verslonden te worden”. De Jagoear doet soortgelijke ervaringen op als de menschelijke jagers. „Bij Joval”, verhaalt Von Humboldt, „zagen wij den grootsten Jagoear die ons ooit onder de oogen gekomen is. Hij lag in den schaduw van een grooten mimosa en had juist een Waterzwijn gedood; op dezen nog gaven buit rustte één van zijne pooten. De Gieren waren bij troepen nader gekomen om de overblijfselen van het maal van den „Tijger” te verslinden. De zonderlinge vereeniging van brutaalheid en schroom, die wij bij hen opmerkten, vermaakte ons niet weinig. Zij waagden zich tot op een afstand van ½ M. van den Jagoear, maar weken bij de geringste beweging van het roofdier achteruit. Om de handelingen van deze dieren meer van nabij te kunnen bespieden, begaven wij ons in een klein vaartuig. Het gedruisch van de roeiriemen noopte den Jagoear om langzaam op te staan en zich achter de struiken van den oever te verbergen. Van zijn aftocht wilden de Gieren gebruik maken om het Waterzwijn te verslinden; de „Tijger” echter sprong, ondanks de nabijheid van ons vaartuig, midden tusschen de Vogels en sleepte vol toorn, zooals bleek uit zijn gang en het slaan met den staart, den buit in het woud”.
Volgens Tschudi nestelt de Gallinazo op daken van huizen, op kerken, bouwvallen en afgelegene, hooge muren; hij doet dit in Februari en Maart. Hij broedt op 3 witachtig bruine eieren. Volgens denzelfden berichtgever bouwt de Oeroeboe zijn nest op met zand bedekte rotsen aan de zeekust of op kleine eilanden dicht bij de kust en legt hier in den genoemden tijd 3 of 4 eieren, die meer afgerond en lichter van kleur zijn dan die van den Gallinazo. Zeer dikwijls nestelen zij te midden van Reigers en andere moerasvogels.
Tegenwoordig ziet men gevangen Hoendergieren niet zelden in dierentuinen. Door Azara weten wij, dat zij buitengewoon tam en zelfs echte huisdieren kunnen worden. Een vriend van dezen onderzoeker had een tammen Hoendergier, die vrij uit- en invloog en zijn meester op diens wandeltochten of jachten, ja zelfs op grootere reizen gezelschap hield, als een gehoorzame Hond kwam, wanneer hij geroepen werd en zich uit de hand liet voederen.
Waarschijnlijk niet ten onrechte heeft men een Roofvogel, die door sommigen als een Havik, door anderen als een Gierbuizerd wordt beschouwd, maar die een zeer eigenaardig voorkomen heeft, tot vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie, die der Kraangieren (Serpentariidae), verheven. Deze omvat slechts één soort.
De Secretaris (Serpentarius secretarius) onderscheidt zich van alle overige Roofvogels door zijn buitengewoon langen loop; hierdoor herinneren zijne pooten aan die van de Kraai. Hij is slank gebouwd en heeft een tamelijk kleinen, breeden, op de kruin eenigszins plat gedrukten kop; zijn hals is betrekkelijk lang en dun. De snavel is korter dan de kop, dik, bijna van den wortel af gebogen. De vleugels zijn lang, aan de spits echter bijna recht afgesneden, omdat de vijf eerste pennen nagenoeg gelijke lengte hebben. De sterk trapvormige staart is bijzonder lang; de beide middelste veeren zijn ver voorbij de overige verlengd. Het vederenkleed is goed gevuld en uit groote, voor ’t meerendeel glad aanliggende veeren samengesteld, aan den achterkop echter verlengd tot een kuif, die uit zes paar, naast en achter elkander geplaatste, ongeveer 15 cM. lange veeren bestaat en opgericht kan worden. De kleursverdeeling is eenvoudig, maar bevallig. De bovendeelen zijn licht aschgrauw, met een bruinachtig waas overtogen, de eenigszins versmalde en verlengde veeren van den achterhals grijsachtig vaal, de oorstreek, de zijden van den hals en de onderdeelen vuil grijsgeel; de pluim in den nek, de hand- en armpennen benevens de dekveeren van de handpennen en de langste schouderdekveeren, de staartwortel, de aarsstreek en de onder-schenkels zijn zwart (de onderschenkels van het mannetje met bruine en witte dwarsbanden), de stuurpennen grijsbruin, bij het uiteinde zwart, aan de spits wit. Het oog is grijsachtig bruin, de snavel donker hoornkleurig, aan de spits zwart, de washuid donkergeel, de loop oranjegeel. De lengte van het mannetje bedraagt 115 à 125, de vleugellengte 62, de lengte van de middelste staartveeren 68, de hoogte van den loop 29 cM. Het wijfje is iets grooter dan het mannetje.
De Secretaris is over een groot deel van Afrika verbreid. Men heeft hem van den Kaap tot aan den 16en graad N.B. en van de kust van de Roode Zee tot aan den Senegal gevonden: zijn verbreidingsgebied omvat dus Zuid-Afrika, Oost-Afrika tot aan den Samhara, West-Afrika tot aan den Gambia en vermoedelijk ook uitgestrekte gedeelten van het binnenland van dit werelddeel. Zijn eigenaardige lichaamsbouw brengt ons reeds van te voren op het vermoeden, dat hij slechts uitgestrekte, op steppen gelijkende vlakten bewoont. Een Roofvogel van ’t maaksel van den Secretaris moet den bodem bewonen en in meerdere of mindere mate een vreemdeling zijn in ’t rijk der lucht. Niet slechts het woud, maar ook de nabuurschap van hooge boomen vermijdt hij: zijn jachtgebied bestaat uit steppen, uit droge zoowel als vochtige, op weilanden gelijkende vlakten, hier en daar misschien bovendien uit schaars met houtgewas begroeide velden, maar niet uit wouden.
In verband met de groote lengte van zijn loop, is zijn gang lichter en beter dan die van eenigen anderen Roofvogel. Met hoog opgericht lichaam stapt hij met zeker vertoon van waardigheid mijlen ver over den bodem voort, zonder vermoeid te worden. Jagend of vluchtend, loopt hij met voorover gebogen romp bijna even snel als een Trap of een andere Loopvogel; slechts ongaarne maakt hij van zijne vleugels gebruik. Om zich in de lucht te verheffen moet hij trouwens eerst een aanloop nemen. Het vliegen schijnt hem aanvankelijk moeite te kosten; zoodra hij echter een zekere hoogte heeft bereikt, zweeft hij licht en fraai, gewoonlijk over een grooten afstand zonder eenigen vleugelslag verder. Hij strekt daarbij de pooten als een Ooievaar achterwaarts en den hals dikwijls recht naar voren; dit verschaft hem zulk een eigenaardig voorkomen, dat men hem niet licht verwarren kan met een anderen vliegenden roover.

Secretaris (Serpentarius secretarius). ⅛ v. d. ware grootte.
De Secretaris leeft paarsgewijs en bewoont een tamelijk uitgestrekt gebied. Werkelijk talrijk is hij nergens, hoewel hij overal voorkomt. Slechts bij bijzondere gelegenheden treft men deze merkwaardige Vogels in grooter aantal aan. Wanneer b.v. vóór den regentijd het gras van de steppe in brand gestoken wordt en de vuurzee, die alle dieren der steppe voor zich uitdrijft, een breedte van vele mijlen heeft bereikt, ziet men de van heinde en ver bijeengekomen Kraangieren, die hier zeker zijn van een overvloedigen buit, uren achtereen voor de steeds verder voortschrijdende vlammenlijn heen en weer loopen en vliegen.
De Secretaris maakt hoofdzakelijk jacht op Reptiliën en Amphibiën, hoewel hij ook andere Gewervelde Dieren niet versmaadt, wanneer hij ze op zijn weg ontmoet; gedurende een deel van ’t jaar maken Insecten een hoofddeel van zijn voedsel uit. Zijn eetlust is bijzonder groot: men kan hem bijna onverzadelijk noemen. Levaillant haalde uit den krop van een door hem gedood exemplaar 21 kleine Schildpadden, 11 Hagedissen en 3 Slangen, bovendien nog een groot aantal Sprinkhanen; de groote maag bevatte een massa beenderen van Gewervelde Dieren, pantsers van Schildpadden en vleugels van Insecten, die later waarschijnlijk uitgebraakt zouden zijn. „Hij schroomt niet”, zegt Levaillant, „de gevaarlijkste Slangen aan te vallen en vervolgt de vluchtende zoo snel, dat hij boven de oppervlakte schijnt te zweven. Als de Slang achterhaald is, zich te weer stelt en al sissend den hals sterk opblaast, breidt de Vogel een vleugel uit, gebruikt deze als een schild ter beschutting van zijne voeten, slaat daarmede het aanvallende Reptiel terug, huppelt voor- en achteruit en maakt de zonderlingste sprongen. De beten van de Slang vangt hij met den eenen vleugel op, mat hierdoor zijn verraderlijke vijandin af, velt haar neer door een slag met den anderen vleugel, werpt den op deze wijze verdoofden buit soms bovendien nog met den snavel in de lucht, bijt hem den schedel stuk en verzwelgt hem ten slotte, nadat hij hem verscheurd heeft.”
Drayson zegt, dat men den Secretaris ook vliegend ziet jagen. „Een van deze Vogels zweefde op een hoogte van ongeveer 60 M. boven den bodem, staakte plotseling zijn beweging, streek op den bodem neer en liep op den gevonden buit af, breidde zijne vleugels uit, viel met den snavel op den vijand aan en gebruikte de vleugels als verdedigingsmiddel. Soms maakte hij hooge luchtsprongen, waarschijnlijk op het oogenblik, dat zijn tegenstander wiens listen hem welbekend zijn, zich hevig te weer ging stellen, kwam echter onmiddellijk daarna ongeveer 6 M. verder op den grond terug en hervatte den aanval, totdat het gewenschte doel bereikt was.” Heuglin zag, dat een Secretaris door een slag met den krachtigen poot het pantser van een Woestijnschildpad verbrijzelde. Volgens vroegere berichten zou onze Vogel groote Slangen naar boven medevoeren en ze van een aanzienlijke hoogte op den bodem laten vallen om ze te verpletteren; de reisbeschrijvingen uit lateren tijd maken hiervan geen melding; deze mededeeling is echter volstrekt niet onwaarschijnlijk, daar andere Roofvogels ook zoo handelen.
Tot dusver heeft men nog niet met zekerheid kunnen uitmaken, of de Secretaris aan de gevolgen van een beet van een niet uitgeputte, groote Vergiftige Slang bezwijkt of tot op zekere hoogte tegen slangengif bestand is; wel heeft men opgemerkt, dat hij doode Vergiftige Slangen met tanden en al zonder eenige aarzeling verzwelgt, en zich dus blootstelt aan het gevaar van door de tanden inwendig gewond en vergiftigd te worden.
Het nest van den Secretaris bevindt zich bijna altijd op den top van een hoogen en dichten struik, meestal van een mimosa, maar ook wel op alleenstaande boomen. Opeengestapelde takjes, welker tusschenruimten met leem dicht gemaakt zijn, vormen den grondslag van het nest, plantenwol, veeren en andere zachte stoffen de voering van de ondiepe nestholte. Niet vóór Augustus legt het wijfje hierin hare 3 of 4 eieren. Deze hebben bijna de grootte van een ganzenei, maar een meer ronden vorm; zij zijn soms zuiver wit, soms met weinige roodachtige vlekken geteekend. Het wijfje bebroedt ze gedurende 6 weken en wordt intusschen door het mannetje van voedsel voorzien. De jongen zijn bij het verlaten van de eischaal met sneeuwwit dons bedekt.
Bij zorgvuldige behandeling worden de Kraangieren weldra tam; zij wekken belangstelling door hun edele houding, hun fieren gang, hunne mooie, vurige oogen en het levendige gebarenspel van hunne nekveeren. Zij laten echter, zooals Von Heuglin ondervond, hun roofzuchtigen aard nooit geheel varen, worden hierdoor dikwijls schadelijk voor het pluimvee en durven zelfs een aanval te wagen op Katten en Honden, die zij (waarschijnlijk alleen uit strijdlust en overmoed) niet zelden gevaarlijke, altijd naar den kop gerichte slagen met den voet toebrengen. Zij zijn met iedere soort van voedsel, dat met hun aard overeenstemt, tevreden, maar buitengewoon vraatzuchtig; zij verzwelgen merkwaardig groote brokken en geven zich dikwijls niet eens de moeite den buit met den snavel te verscheuren. In onze dierentuinen behooren zij nog altijd tot de zeldzaamheden. Vroeger hield men in Kaapland tamme Kraangieren op het erf wegens hun grooten ijver bij het verdelgen van allerlei ongedierte en had toen, naar ’t schijnt, niet over hen te klagen.
In het Kaapland wordt het dooden van dezen nuttigen Vogel met een zware straf bedreigd. Men heeft getracht, hem ook op Martinique in te voeren en te acclimatiseeren, om de buitengewoon gevaarlijke Lanskopslangen, die een plaag zijn voor dit eiland, te verdelgen; deze poging is evenwel mislukt, niet, omdat de Secretaris het vreemde klimaat niet verdragen kon, maar omdat men de bepalingen tot bescherming van dezen Afrikaanschen bondgenoot niet kon handhaven.
Van oudsher draagt de Kraangier den naam van „Secretaris”, omdat hij wegens zijn vederenpluim vergeleken wordt met een schrijver, die zijn pen achter het oor heeft gestoken. De Arabische namen van dezen Vogel zijn dichterlijker, maar minder goed te verklaren. In het westen van Soedan heet hij het „Paard des duivels”, in het noordoosten „Vogel van het noodlot”.
In de tweede groep der Stootvogels, die der Stapvogels (Pelargo-herodii), worden de vijf familiën van de Reigervogels, Schoenbekken, Ooievaars, Ombervogels en Ibisvogels vereenigd, die zich alle kenmerken door de aanzienlijke lengte van den snavel en van de pooten, welker achterteen even laag is ingeplant als de voorteenen.
„Wat aard en beweging betreft, bestaat er tusschen de Stapvogels een duidelijk merkbare overeenkomst. Zij leven in laagvlakten, in moerassen en aan waterkanten, aan het zeestrand, bij lagunen, op zandbanken en in de nabijheid van riviermonden. Men ontmoet ze aan de zeekust, veelvuldiger echter op geschikte plaatsen in het binnenland. Op den vlakken bodem bewegen zij zich altijd langzaam stappend, nooit rennend. Dikwijls waden zij tot aan den romp in ’t water; ook zwemmen zij meer of minder goed, wanneer de nood hen er toe dwingt. Hun vlucht is rustig en gelijkmatig. Vele laten zich na eenige vleugelslagen gedurende geruimen tijd op hunne wieken drijven. Bij gemeenschappelijk ondernomen reizen vormen zij groepen, die in een bepaalde orde gerangschikt zijn. De Stapvogels begeven zich alleen dan op den bodem, wanneer zij voedsel gaan zoeken; zij rusten op boomen en rotsen (de Schoenbekken maken hierop echter tot op zekere hoogte een uitzondering). Hun voedsel bestaat uit Weekdieren, Schaaldieren, Insecten en Gewervelde Dieren, vooral uit Visschen, Reptiliën en Amphibiën; het wordt altijd op den bodem, op weiden, in moerassen en in ondiep water, gezocht. De Stapvogels kenmerken zich, behoudens eenige uitzonderingen, door een zekere neiging tot gezelligheid; dit blijkt niet slechts bij het reizen, maar ook bij het broeden; de vereenigingen, die zij dan vormen, bestaan niet uitsluitend uit soortgenooten, maar bevatten ook leden van andere soorten hunner afdeeling; zelfs zien zij zonder tegenzin (of dulden althans) de tegenwoordigheid van nog minder met hen verwante vormen in de oorden, waar zij hunne nesten bouwen. In den regel geschiedt dit op boomen, alleen daar waar deze ontbreken, op den bodem, in het riet van meren en moerassen en in lage struiken. Hunne nesten zijn dikwijls zeer los uit rijshout samengevoegd, soms van binnen met riet bekleed. Zij broeden op 3 à 5 eieren, die meestal effen van kleur, wit of blauw, minder vaak bruinachtig, soms echter op witten grond gevlekt zijn. De vorm van de eieren is ovaal of langwerpig spits. De meeste Stapvogels hebben een stemorgaan, dat doffe en heesche, of krijschende en schelle geluiden voortbrengt; enkele missen dit orgaan; snavelgeklepper is dan hun eenig geluid. Men vindt de Stapvogels over de geheele wereld verbreid, met uitzondering van het hooge noorden. Zij zijn nestblijvers: hunne jongen worden in het nest door de ouders met voedsel voorzien, totdat zij volkomen in staat zijn om te vliegen.”
De hoogst ontwikkelde en soortenrijkste familie van de groep is die der Reigervogels (Ardeidae). Hun romp is in ’t oog loopend zwak en buitengewoon smal, de hals zeer lang en dun, de kop klein, smal en plat. De snavel is in den regel langer dan de kop, minstens even lang als deze, tamelijk dik, recht, zijdelings sterk samengedrukt, op den rug en de kiel smal, aan de eenigszins ingetrokken zijranden scherp als een mes, bij de spits getand, nagenoeg overal (de omgeving van de neusgaten uitgezonderd) met een gladde, harde hoornmassa bekleed. De pooten zijn middelmatig hoog, de teenen lang; de klauw van den middelsten voorteen is aan de binnenzijde fijn kamvormig getand. De vleugels zijn lang en breed, van voren echter stomp, omdat de tweede, derde en vierde handpen ongeveer gelijke lengte hebben; de korte, aan de spits afgeronde staart bestaat uit 10 à 12 pennen. De bekleedingsveeren zijn zeer overvloedig, zacht en los, op de kruin, den rug en de bovenborst dikwijls verlengd, gedeeltelijk ook losbaardig; haar kleur is zeer verschillend en niet zelden bevallig, hoewel werkelijk prachtige kleuren niet voorkomen. De beide seksen onderscheiden zich naar het uitwendige alleen door een gering verschil in grootte; de jongen hebben een minder fraai kleed dan de volwassen Vogels.
De Reigervogels bewonen alle werelddeelen, alle hoogtegordels en alle landen, met uitzondering van het hooge noorden. Reeds in den gematigden gordel zijn zij talrijk; in de keerkringsgewesten maken zij een hoofdbestanddeel uit van de bevolking der moerassen en binnenwateren. Eenige soorten bewonen bij voorkeur de zeekust, andere rivieren, nog andere moerassen, eenige houden van open streken, andere van kreupelhout of zelfs van wouden.
De aard van de Reigervogels is niet innemend. Zij nemen de zonderlingste standen aan, die echter geen van alle aanspraak kunnen maken op bevalligheid. Zij zijn tamelijk goed in staat om zich te bewegen: bij hen echter heeft iedere beweging in vergelijking met die van andere Stapvogels iets plomps of althans iets onbehaaglijks. Hun gang is gemakkelijk, langzaam en voorzichtig; zij zijn volstrekt niet onbekwaam in ’t vliegen, maar doen dit op een eenvormige wijze en zonder veerkracht. Een zekere behendigheid bij het klimmen in het riet of in de twijgen mag men hun niet ontzeggen, hoewel zij daarbij een onbeholpen vertooning maken; zij kunnen zwemmen, maar doen dit zoo, dat men er onwillekeurig om lachen moet. Hun stem is een onaangenaam gekrijsch of een luid, ver hoorbaar gebrul, dat bij velen huivering wekt; het gejank der jongen is afschuwelijk. De oogen zijn ongetwijfeld hunne meest ontwikkelde zintuigen; hoewel fraai en meestal licht van kleur, herinneren zij aan die der Slangen door hun eenigszins valsche uitdrukking, welke door den aard van den Reiger niet gelogenstraft wordt. Deze mag men wel als de arglistigste en boosaardigste van alle Stapvogels beschouwen. Hoewel zij dikwijls in groote gezelschappen bijeenleven, kan men ze bezwaarlijk gezellig noemen: vervuld van afgunst over elkanders geluk, nemen zij iedere gelegenheid te baat om hun booze gezindheid te luchten. Jegens groote dieren vol vrees, zooals blijkt uit hun vlucht of uit pogingen om zich door het aannemen van een zonderlinge houding onkenbaar te maken, toonen zij zich jegens kleine dieren moordzuchtig en bloedgierig, op zijn minst genomen vijandig en twistziek. Visschen zijn hun liefste buit; Insecten vormen het hoofdvoedsel van de kleinste leden der familie; ieder ander dier, dat zij bemachtigen kunnen, is hun echter welkom. Zij verslinden kleine Zoogdieren, jonge en onbeholpen Vogels, allerlei soorten van Amphibiën (Padden misschien uitgezonderd), voorts Weekdieren en Wormen, misschien ook Kreeften. Hoogst omzichtig en zonder geluid te maken laten zij, begeerig naar buit, hunne blikken over het water waren en houden, terwijl zij wadend voortsluipen, den langen hals zoo ver teruggetrokken, dat de kop op de schouders rust en de onderkaak tegen den hals aanligt; door het plotseling strekken van den hals treft de snavel als een met kracht geworpen lans hun meestal reddeloos verloren slachtoffer. Op soortgelijke wijze verdedigen zij zich tegen hunne belagers. Zoo lang mogelijk vluchten zij voor iederen sterkeren vijand; maar vallen hem vol woede aan, als hij hen in ’t nauw gebracht heeft, trachten hem steeds in ’t oog te treffen en kunnen hoogst gevaarlijke wonden toebrengen.
Alle Reigervogels nestelen gaarne in gezelschap van hunne soortgenooten of van verwante en niet verwante Vogelsoorten. Hunne nesten zijn groot en lomp van maaksel; zij rusten op boomen; in het rietveld echter op geknikte halmen. Het wijfje broedt op 3 à 6 ongevlekte, groenachtig witte of groenachtig blauwe eieren, en wordt intusschen door het mannetje met voedsel voorzien. De jongen verlaten het nest eerst, als zij kunnen vliegen, of kort voor dien tijd en worden vervolgens nog een tijdlang door hunne ouders gevoederd.
Goed bezette reigerkoloniën leveren een indrukwekkend schouwspel op, waarvan de beschrijving van Baldamus een denkbeeld kan geven: „De maand Juni is pas begonnen; de riethalmen hebben een hoogte van 2 M. bereikt en bedekken den troebelen waterspiegel van het Witte Moeras. Zoover het oog reikt, vindt het nergens een rustpunt op deze eindelooze vlakte, bij welker groen en blauw echter merkwaardige, gele, grijze, witte en zwarte gestalten prachtig afsteken: Zilver-, Purper- en Ralreigers, Kwakken of Nachtreigers, Lepelaars, Ibissen, Aalscholvers, Zeezwaluwen, Meeuwen, Ganzen en Pelikanen. Op de hier en daar voorkomende, hoogstammige wilgen en populieren nestelen de Reigers. Een van hunne koloniën heeft hoogstens een omvang van eenige duizenden schreden; het aantal nestendragende wilgen bedraagt niet meer dan 100 à 150. maar op vele van deze rusten 10 à 20 nesten. Die van den Blauwen Reiger staan op de dikste takken van de grootste wilgen en dienen dikwijls zelve tot steun voor die van den Kwak. Op zwakkere en hoogere takken zijn de nesten van den Kleinen Zilverreiger en van den Kleinsten Aalscholver gebouwd, terwijl verder benedenwaarts op de slanke zijtakken de kleine, doorzichtige nesten van den Ralreiger heen en weer schommelen. Op de hier bedoelde nestelplaats is, zooals gewoonlijk, de Kwak het talrijkst vertegenwoordigd; dan volgen de Kleine Zilverreiger en de Blauwe Reiger, het minst talrijk zijn de Ralreigers. Met uitzondering van de Kleinste Aalscholvers zijn alle zoo weinig schuw, dat het weken lang voortgezette schieten hen niet van de plaats verdreven heeft. Hoewel een schot hen doet opvliegen, strijken zij spoedig weer neer, zelfs blijven zij niet zelden zitten op den boom, dien een der jagers bezig is te beklimmen. Men behoeft zich slechts korten tijd stil te houden in de boot onder de boomen, om de bevederde bewoners van dit oord weldra weer hunne werkzaamheden te zien hervatten; men krijgt dan zulk een groote verscheidenheid van verrassende tafereelen te aanschouwen, dat de aandacht voortdurend gespannen blijft. Het eerst dalen de Kwakken onder luid geschreeuw en met vreemdsoortige gebaren uit de bovenste twijgen af naar hunne lager gelegen nesten, waaraan zij steeds het een of ander te verbeteren hebben: zij verschikken de eieren, keeren zich naar alle zijden en sperren met een heesch gekras den grooten, rooden snavel tegen een al te dicht bij hen komenden buurman ver open. Daarna komen de Kleine Zilverreigers op onhoorbare wijze aanvliegen, de eene heeft een voor het nest bestemd, dood takje in den bek, de andere stapt behendig van de eene twijg op de andere, tot hij zijn nest bereikt heeft. Intusschen ziet men de prachtig gele Ralreigers, welker onhoorbare wijze van vliegen aan die der Uilen herinnert, terugkeeren. Eindelijk naderen iets voorzichtiger de Blauwe Reigers. Het oor wordt verward en vermoeid door het getier, gekrijsch, gesteen, gekras en geknor, dat men hier hoort, het oog door het gewemel van sneeuwwitte, gele, grijze en zwarte vluchtige gestalten op den lichtblauwen achtergrond. Eindelijk wordt het gezelschap rustiger, het getier vermindert. Verreweg de meeste Vogels zitten broedend op, of wakend naast het nest, slechts enkele vliegen, neststoffen aandragend, af en aan. Plotseling komt een zich vervelende Kwak op het denkbeeld, dat een rijsje van het nest van zijn buurman hem te pas kan komen; dit geeft aanleiding tot een versterking van het sinds kort een weinig verminderde geschreeuw. Nogmaals een »piano”, want werkelijke pauzen komen hier niet voor. Waarom nu op eens dit schrikwekkende »fortissimo”? Kijk! een Wouw die 50 schreden verder zijn horst heeft, grijpt op zijn gemak met elken poot een jongen Aalreiger. De moeder verlaat morrend en dreigend haar nest, maar laat den roover stil met hare beide kinderen vertrekken, hoewel zij zich door een enkele poging om haar gevaarlijk wapen en haar kracht te gebruiken op den moordenaar van haar kroost op afdoende wijze had kunnen wreken. Eenige Kwakken begeleiden schreeuwend den ongenooden rustverstoorder, maar worden eensklaps door een nieuw en sterker gekrijsch teruggeroepen. Hier heeft een Ekster, ginds een Bonte Kraai gebruik gemaakt van de afwezigheid der Vogels om eenige eieren weg te sleepen. De buren van de beroofden vliegen onder ontzettend geschreeuw omhoog, terwijl andere leden van het diefachtig gespuis op de pas verlaten nesten aanvallen en bliksemsnel met hun buit wegsnellen. Nog weerklinkt het verwarde angst- en wraakgeschreeuw, maar eensklaps wordt een ruischen in de lucht vernomen, dat aanleiding geeft tot een doodsche stilte. De machtige koning der lucht, een reusachtige Arend, trok voorbij, over de broedplaatsen heen naar het gindsche, ontoegankelijke rietbosch, waar het luide gesnater van de Ganzen en Eenden plotseling verstomt. Daar knalt een schot van uit de weidegronden aan de overzijde; alle bewoners van de broedkolonie, zelfs de Kwakken, vliegen op en vermengen zich met de duizendtallen, die daar ginds uit het moeras zijn opgejaagd en na een poos rondgezworven te hebben zich eindelijk weer te water begeven.”
De Reigers worden ijverig vervolgd, omdat zij aan het vischwater meer schade toebrengen dan eenig ander visschenroovend dier.
Jonge Reigers kan men temmen en gewennen om zich vrij te bewegen, zoodat zij het grootste deel van hun voedsel zelf zoeken. Veel genoegen kan men van de bij ons voorkomende Blauwe en Purperreigers niet verwachten, wel van de kleine, fraai gekleurde soorten uit zuidelijke landen, die in dierentuinen zeer de aandacht trekken. In de kooi planten vele soorten zich voort.
Een snavel, welks lengte die van den kop verre overtreft, en een uit 12 pennen samengestelde staart, kenmerken het geslacht der Reigers of Dagreigers (Ardea), dat in verscheidene ondergeslachten wordt gesplitst.
De 90 cM. lange Purperreiger of Roode Reiger [Ardea (Phoyx) purpurea], die een gelijknamig ondergeslacht vertegenwoordigt, nadert tot de Roerdompen door de groote lengte zijner teenen en door zijn levenswijze, o. a. door het nestelen in ’t riet. De bovenkop en de kuifveeren zijn zwart, zoo ook een streep tusschen den snavel en den achterkop en een aan iedere zijde van den hals; de zijden van kop en hals, de wapperende schouderveeren en de schenkels zijn kaneelroodbruin, de kin en de keel wit; de wapperende veeren voor aan den hals zijn roestvaalwit met zwarte schaften, de achterhals en de nek aschgrauw, de overige bovendeelen donker grijsbruin met grijsachtigen weerschijn, de vleugeldekveeren lichter, de slagpennen zwart, de dekveeren aan den handrand en de onderdekveeren van den vleugel geelbruinachtig rood, de staartveeren grijsbruin; de zijden van borst, buik en schenkels zijn donker purperbruinrood, de overige onderdeelen zwart. Bij den jongen Vogel is de hoofdkleur der veeren roestrood, aan de onderdeelen met vaalwitte zoomen. Het oog is oranjegeel, de naakte huid om en voor de oogen bleekgeel, de snavel groenachtig wasgeel, de loop en de teenen zwartachtig bruin (bij de jongen bleek groengeel).
Het verbreidingsgebied van dezen Reiger omvat Middel-, Zuid-, Oost- en West-Europa, het grootste deel van Middel- en Zuid-Azië en Afrika. Hij is op de Soenda-eilanden en Celebes veel menigvuldiger, in Europa echter veel minder talrijk dan de Blauwe Reiger, ontbreekt hier op vele plaatsen geheel en behoort over het algemeen, ook in ons land, tot de meer zeldzame Vogels. Hij houdt zich in Nederland op van April tot September, broedt in kleine koloniën aan de meren in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht, zwerft na den broedtijd rond en wordt dan ook in andere provincies waargenomen, in de noordelijke echter slechts zelden. Meestal houdt hij zich in of bij het riet schuil en komt niet of zelden aan open plaatsen, zooals de Blauwe Reiger in den regel doet. Zijn voedsel bestaat uit Wormen en waterinsecten. Men vindt zijn groot, uit riet of biezen bestaand nest in het riet of in struiken dicht bij den grond; het bevat 3 of 4 bleek-groenachtige eieren. De Purperreiger is in Duitschland zeldzaam, maar broedt ook in Hongarije, Galicië en de oeverlanden van de Middellandsche, Zwarte en Kaspische Zee.
De Blauwe Reiger, in Friesland Aalreiger, in ’t Friesch Ielregel genoemd (Ardea cinerea) is de meest bekende vertegenwoordiger van het ondergeslacht der Reigers i. e. z. (Ardea). Het voorhoofd en de bovenkop zijn wit; de hals is grijswit, de rug aschgrauw, door de witte, verlengde veeren bandvormig geteekend; de onderdeelen zijn wit, de flanken echter zwart; een streep, die aan het oog begint en naar den achterhals loopt, de drie lange kuifveeren, een drievoudige reeks van vlekken aan den voorhals en de slagpennen zijn zwart, de schouderveeren en de stuurpennen grijs. Het oog is goudgeel, de naakte plek in ’t aangezicht groengeel, de snavel stroogeel, de voet bruinachtig zwart. De lengte bedraagt 100 à 106 cM.
Noordwaarts reikt het verbreidingsgebied van den Blauwen Reiger tot aan den 64en graad; in bijna alle verder zuidwaarts gelegen landen van de Oude Wereld komt hij voor, niet slechts als trekvogel, maar ook als broedvogel. In het noorden is hij trek-, in het zuiden zwerfvogel. Ons land bewoont hij van April tot October; een klein getal blijft echter den winter over. Langzaam volgt hij op zijn reis naar ’t zuiden den loop der groote stroomen, verschijnt in October overal in Zuid-Europa en vliegt eindelijk naar Afrika over. Hij broedt koloniesgewijs in de bosschen van ons geheele vaderland.
Bij den in Afrika en Indië inheemschen Reuzenreiger (Ardea nobilis) zijn de bovenkop en de pluim, de kop en de vleugelbocht kastanjebruin, zoo ook de onderdeelen, met uitzondering van de witte keel; de zijden en het achterste deel van den hals zijn lichter, de overige bovendeelen blauwachtig aschgrauw, de wapperende veeren van den voorhals op de buitenvlag wit, op de binnenvlag zwart, de schaften dikwijls roestbruin. Het oog is geel, de teugel groen, de bovensnavel zwart, de ondersnavel aan de spits groengeel, aan den wortel viooltjeskleurig, de voet zwart. De lengte bedraagt 136 cM.
Allerlei wateren, zoowel de zee als de beek in het gebergte, dienen tot verblijfplaats en tot jachtgebied van den Blauwen Reiger (wiens levensbeschrijving wij voldoende achten). De eenige eisch, die hij aan het water stelt, is geringe diepte. Daar hij ijveriger vervolgd wordt dan zijne verwanten, is hij schuwer en vreesachtiger. Iedere donderslag vervult hem met ontzetting, iedere mensch in de verte boezemt hem argwaan in. Een oude Reiger let op ieder gevaar, gaat bij zijn vlucht met overleg te werk en laat zich daarom zeer moeielijk verschalken. Zijn krijschende stem klinkt als „krèiek”; om te waarschuwen schreeuwt hij „ka”.
Zijn voedsel bestaat uit Visschen van hoogstens 20 cM. lengte, Kikvorschen, Slangen (vooral Ringslangen), jonge Moeras- en Watervogels, Muizen, Insecten, die in het water leven, Schelpdieren en Regenwormen.
„De Blauwe Reiger,” schrijft Schlegel, „nestelt gezellig op boomen en somtijds bij duizenden in groote bosschen ver van het water, hetwelk hij echter dagelijks opzoekt om te gaan visschen. Zoodanige bosschen noemt men „reigerbosschen”. Behalve op de boomen der wouden in de heidelanden nestelt de Blauwe Reiger ook in boschjes, zelfs in het hakhout. Het grootste reigerbosch in ons land is het Soerensche woud in Gelderland. Daar er in dit bosch jaarlijks eenige duizenden paren Reigers broeden, en de ver in ’t rond uitgestrekte heide het paardrijden veroorlooft, biedt het een der geschikste gelegenheden tot de jacht met Valken op Reigers aan, en deze had er ook, tot in het jaar 1854, jaarlijks in de maanden Juni en Juli op groote schaal plaats.” Het vluchtbedrijf op Reigers, dat vroeger in geheel Europa beoefenaars vond, is tegenwoordig alleen nog bij de Aziaten, b. v. in Indië, en ook bij eenige Arabische stammen van Noord-Afrika in zwang.
Alle vervolgingen ten spijt keeren de bewoners van de reigerbosschen ieder jaar terug, zelfs indien deze van het naastbijgelegen water 10 KM. of meer verwijderd zijn. In de nabijheid van de zeekust, nestelen in deze koloniën in den regel ook Aalscholvers, die hier in de gelegenheid zijn om zonder moeite een broedplaats te verkrijgen. (Een voorbeeld hiervan leverde het voormalige Schollevaarseiland.) De boomen en de grond worden door den drek van de Vogels met een witte laag bedekt, die al het groen doet verwelken. De voor hun taak ongeschikte bladen vallen af, de ontbladerde twijgen bezwijken door den schok bij het af- en aanvliegen der Vogels, of worden door hen afgebroken en voor den nestbouw gebruikt, de met nesten zwaar beladen takken zijn niet bestand tegen de werking van den storm. Dit verklaart den treurigen toestand, waarin de boomen der reigerbosschen verkeeren; te recht worden dus de Reigers als nadeelig voor de boschkultuur beschouwd. Een niet gering bezwaar tegen hun aanwezigheid leveren ook de tallooze overblijfselen van het voedsel der jongen, waarmede de grond als bezaaid is en die door hun rotting de omgeving verpesten.
Het nest van den Blauwen Reiger heeft ongeveer 1 M. middellijn, maar een geringe hoogte; het is zonder eenige kunstvaardigheid samengesteld uit doode takken en rijsjes, bladen en halmen van riet, stroo enz. en bevat een ondiepe holte, slordig bekleed met borstels, haar, wol en veeren. Het aantal eieren bedraagt 3 of 4. Deze zijn iets grooter dan kippeneieren en hebben een spoedig verbleekende, groene, dikke en gladde schaal. De jongen, die na een broedtijd van 3 weken den dop verbreken, zijn leelijke, hulpbehoevende schepseltjes, die ongelooflijk veel eten en voortdurend honger hebben; zij worden rijkelijk met voedsel voorzien, maar stooten dit voor een groot deel door hunne gulzige bewegingen over den rand van ’t nest naar beneden. Ruim vier weken blijven zij in hun wieg, leggen zich neer, zoodra zij de waarschuwende stem van hunne ouders hooren, maar staan overigens dikwijls rechtop. Zij verlaten het nest, wanneer zij een goed gebruik van hunne vleugels kunnen maken, worden nog eenige dagen door hunne ouders onderricht en gaan vervolgens hun eigen gang. Alle bewoners van de kolonie beginnen in Juli rond te zwerven; van deze maand tot in de tweede helft van Maart is het reigerbosch verlaten.
De volwassene Vogels worden aangevallen door Edelvalken en groote Uilen, ook wel door enkele Arenden; de zwakkere Valkvogels, de Raven en de Kraaien plunderen de nesten. „Opmerkelijk”, zegt Baldamus, „is de vrees van de Reigers voor alle Roofvogels en zelfs voor Kraaien en Eksters; waarlijk belachelijk is zij bij wezens, die met zulk een goed wapen zijn uitgerust. De roovers zijn zeer goed bekend met den indruk, dien zij maken, gaan daarom met de grootst mogelijke onbeschaamdheid te werk en halen de eieren en jongen midden uit een dichten zwerm van Vogels weg, zonder dat deze iets anders doen dan vreeselijk schreeuwen, schroomvallig achteruitwijken en den bek wijd opensperren; hoogstens hebben de dieven een zwakken vleugelslag te duchten.”
Gevangen Reigers kan men met Visschen, Vorschen en Muizen gemakkelijk in ’t leven houden; het is echter niet raadzaam ze bij andere huisvogels te brengen, daar zij zich niet ontzien jonge Hoenderen en Eenden te grijpen en te verslinden.
Door den slanken bouw van romp en ledematen, den langen hals, den betrekkelijk zwakken snavel en het eigenaardige, schitterend witte vederenkleed kenmerkt zich de 104 cM. lange Groote Zilverreiger [Ardea (Herodias) alba], van het ondergeslacht der Zilverreigers. Zeer sterk ontwikkeld zijn bij hem de los- en langbaardige rugveeren; bij den volwassen Vogel reiken zij verder dan de staart; tot pluimen samengevoegd, worden zij onder den naam van „egretten” of „reigerbossen” als versierselen hoog geschat. Het oog is geel, de snavel donkergeel, de naakte huid van de wangen groenachtig geel, de voet donkergrijs.
De Groote Zilverreiger bewoont het zuiden (maar vooral het zuidoosten) van Europa, voorts Middel- en Zuid-Azië, Afrika en Australië. Naar Nederland dwaalt hij zeer zelden af. „In Januari en Februari 1855 werden twee voorwerpen bij Zutfen geschoten en in dienzelfden tijd eenige bij Breda en Maastricht” (Albarda). Ook in Duitschland behoort hij tot de zeer zeldzame Vogels, hoewel men met zekerheid kan aantoonen, dat hij hier vroeger gebroed heeft. In de Donau-laaglanden is hij veel minder talrijk dan voorheen, in Griekenland, Italië en Spanje ook niet overvloedig; in aanzienlijken getale daarentegen bewoont hij nog de landen om de Kaspische zee en Noord-Afrika.

Groote Zilverreiger (Ardea alba). ⅙ v. d. ware grootte.
De Kleine Zilverreiger [Ardea (Garzetta) garzetta], die het ondergeslacht der Egretreigers vertegenwoordigt, is slechts 62 cM. lang en, evenals de vorige soort, geheel wit. De losbaardige rugveeren zijn echter fraaier en naar verhouding langer; ook de veeren van den onderhals zijn verlengd; twee smalle veeren van den nek steken, evenals bij den Blauwen en den Purperreiger, ver voorbij de overige uit, maar zijn wit van kleur. Het oog is hooggeel, de snavel zwart, de voet zwart, in de gewrichten groengeel.
De Kleine Zilverreiger bewoont dezelfde landen als de Groote, maar is overal veel talrijker. In de laaglanden van den Donau, den Wolga en den Nijl is hij niet zeldzaam; in de reigerbosschen is hij een van de sterkst vertegenwoordigde soorten. Op den trek begeeft hij zich tot in Zuid-Azië; op de boomen bij de sawahs op Sumatra (waar hij onder den naam van Bangoh Poetih bekend is) komt hij zoo veelvuldig voor, dat deze op een afstand met groote, witte bloemen getooid schijnen te zijn. Ook de Purperreiger (de Bangoh) is hier zeer overvloedig. Naar Nederland dwaalt hij uiterst zelden af. In het Museum te Groningen wordt een voorwerp bewaard, dat jaren geleden, tusschen Kollum en Burum (Friesland) geschoten werd.