← Table of contents
Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners

ALGEMEENE BESCHOUWING VAN HET EILAND VLIELAND.

Reading edition

Het eiland Vlieland, dat thans ééne gemeente uitmaakt, behoort als zoodanig tot het arrondissement Hoorn, kanton Medemblik.

Het ligt op een half uur afstands N. O. van het eiland Texel, welke ligging naar men meent, zeer geschikt zou zijn tot eene vereeniging met laatstgenoemd eiland, en vatbaar voor eene bedijking, waardoor eene uitgestrektheid lands zou worden aangewonnen van p. m. dertig duizend bunders, grootendeels bestaande uit zeer goede kleigronden.

Van groot gewigt, voorwaar! zou zulk eene onderneming zijn: de instrooming der Noordzee zou daardoor verminderd, de zeegaten van Texel en Vlieland dieper, en een vast bolwerk verkregen worden voor de aan de Zuiderzee en aan de Wadden grenzende provinciën, wier zeeweringen en veiligheid, deze eilanden noodwendig van het grootste belang zijn; naardien de geweldige kracht van de door stroom en wind voortgestuwde watermassa, onophoudelijk strijd voert tegen de zeeweringen van de Friesche en Groninger Noordkusten.

Wat de naams-oorsprong van Vlieland aangaat, zoo meenen sommigen, dat deze gezocht moet worden in den vlietenden grond, die hier in der daad zeer belangrijk is. Deze meening lijdt echter, onzes inziens, schipbreuk op een ander gevoelen, dat meer grond van waarschijnlijkheid in zich bevat, en volgens hetwelk men in Vlieland een overblijfsel van het oude Flevum, Flevo, meent te bezitten. De oude oorkonden melden ons, dat er in het tweede vierde der 13de eeuw een geduchte watervloed heeft plaats gehad, die vooral de Holkamalanden, tusschen Westergoo en de eilanden Terschelling en Vlieland gelegen, overstroomde en aldaar de grootste verwoestingen aanrigtte. Het Vlie zou, in slechts weinige uren tijds, al het land, tusschen Noordholland en Friesland gelegen, overstroomd hebben, en de bewoners, bij het aanbreken van den dageraad het schrikbarend tooneel aanschouwende, elkander hebben toegeroepen: „Het is al Flie-land!” En sedert dien tijd zou dit eiland zijnen naam erlangd hebben. Volgens Winsemius, moet deze stormvloed gesteld worden op den jare 1246, alhoewel wij weten, dat oude Friesche Aanteekeningen dit op 1237 stellen. Dus leest men bij de laatsten:

„Da men schreef CIↃCCXXXVII da wasser ien heage zea in Frieslân.” (Toen men schreef 1237, was er eene hooge zee—vloed—in Friesland.)

In vorige eeuwen was Vlieland vereenigd met Texel, doch gescheiden van Terschelling; terwijl er tusschen dit laatste en Vlieland eene rivier in de Noordzee vloeide, welke naar sommiger gevoelen de Vecht, of, volgens andere schrijvers, de mond van het meer Flevo was. Uit deze rivier werd ten jare 1213 eene sloot of grift gegraven langs Vlieland naar Texel, welke, te digt aan de Noordzee gebragt, aanleiding heeft gegeven tot eene doorbraak, die de scheiding van beide genoemde eilanden ten gevolge had.

Ziet hier, welke omstandigheden tot deze doorgraving aanleiding gaven.

Onder de vele geduchte stormvloeden, welke ons vaderland in den loop der eeuwen teisterden, moeten vooral ook genoemd worden de St. Juliaansvloed van 1164 en de Allerheiligen-vloed van 1170. Deze zoo hoogst noodlottige vloeden, en vooral de eerstgenoemde, rigtten in ons vaderland de ontzettendste verwoestingen aan. Het water, door den geweldigen en aanhoudenden orkaan voortgestuwd, rees zoo hoog, dat de zee, volgens geloofwaardige berigten, zelfs tot Utrecht opliep, voor welke stad men toen kabeljaauw en anderen zeevisch ving. Gansch Noordholland en Friesland werden overstroomd; de landen op de Waard, reeds eenmaal aan de baren onttogen, werden andermaal ingezwolgen; terwijl er een gat scheurde tusschen de eilanden Vlieland en Texel, en de golven zich eenen weg baanden tot nabij de Hondsbosschen, zoodat het land, waarop Huisduinen, den Helder en Texel lagen, kort hierna een eiland werd genoemd.

Even als de oppervlakte van de overige eilanden (Texel, Terschelling, Ameland, enz.), welke den noordelijken schutsmuur van ons vaderland tegen de Noordzee uitmaken, zoo is ook die van Vlieland, door gedurige overstroomingen en stormvloeden ontzettend afgenomen. De omliggende platen bewijzen dit ten duidelijkste; terwijl het door de zee verzwolgen dorp West-Vlieland, daarvan mede ten sprekendste bewijze strekt. De aanleidende oorzaak van het wegspoelen van West-Vlieland was een fluit of ander vaartuig, dat bij eenen hevige Noord-Westen storm op het strand geslagen werd; waardoor eene opening in den dijk (zeker een stuifdijk) ontstond, door welke de zee naar binnen drong, en van tijd tot tijd een kreek of slufter vormde, welke dat gedeelte, waarop West-Vlieland lag, van het overige eiland afscheidde. Slechts bij laag water was deze kreek doorwaadbaar. Vóór omstreeks 60 à 70 jaren bestond zij nog; doch nu is zij weêr digt gespoeld of gestoven. Die kreek vereenigde dus de Noordzee met de Zuiderzee, even als zulks vroeger ook op Ameland het geval was, toen de Slenk dáár nog in wezen was.

Het ontstaan van genoemde kreek moet hebben plaats gehad in het begin der 18de eeuw, en bepaaldelijk op den 26 Februarij 1714, toen ook de kerk instortte.

Na zoo veel grondverlies is van Vlieland slechts eene lange en smalle strook gronds overgebleven, welke zich in hare lengte van het zuidwesten naar het noordoosten uitstrekt, in welke rigting het gansche eiland, met inbegrip van de Hors en andere buitengronden, eene lengte heeft van zes uren gaans.

De tuinen welke rondom Oost-Vlieland gelegen zijn, zijn tamelijk vruchtbaar, en worden hoofdzakelijk bewerkt tot verkrijging van moesgroenten, wat peulvruchten en, tot vermaak, eenige bloemen; terwijl die gedeelten der duinen, welke ontgonnen zijn, zeer welsmakende aardappelen opleveren.

De konijnen die zich nog in de duinen ophouden, worden, des winters vooral, met netten, strikken of geweren, gevangen, het vleesch hier meestal genuttigd, en de vellen uitgevoerd. Een vogelkooi zoude, onzes bedunkens, op Vlieland wel behoorlijke winsten opleveren; want er houden zich dikwerf aanzienlijke scharen wilde eenden, talingen, smeenten, enz., op. De veestapel is mede van geene groote beteekenis, en bij lange na niet voldoende om in de dagelijksche behoeften, anders dan van melk, te voorzien. In 1856 telde men op Vlieland (volgens eene ons verstrekte opgave) omstreeks een veertigtal koeijen en klein rundvee, 12 paarden, 8 schapen en 40 geiten.

De luchtgesteldheid op Vlieland is zeer gezond: de bewoners genieten over het geheel een vaste gezondheid; terwijl men er vele oude lieden aantreft, wier vlugheid, spierkracht en welvarend voorkomen, eenen veel lageren ouderdom doen vooronderstellen, dan zij inderdaad bereikt hebben. Nogtans werd de bevolking meermaals door de gewone inlandsche ziekten bezocht. Voor nog geen twintig jaren werden in bijna alle huisgezinnen één of meer leden door de kinderziekte geteisterd; nog geen tien jaren geleden stierven velen aan de typhus; en kinkhoest en mazelen, ontvolkten bijna de school geheel.

Dat de oudtijds in deze streken verblijf houdende volken de veeteelt, en welligt ook den landbouw, als hoofdmiddelen van bestaan, beoefend hebben, schijnt, blijkens het opleggen eener belasting van ossenhuiden door Drusus aan de Friezen, buiten allen twijfel te zijn. De gedurige inbraken der Noordzee echter, welke zooveel vruchtbaar land, ook in deze gewesten, heeft verzwolgen, noodzaakten den bewoners, zich het noodig onderhoud door zeevaart en visscherij te verschaffen. Hiertoe werkte naderhand zeer mede de groote visscherij of Groenlandsvaart, zoodat Vlieland eenmaal vier en zeventig kommandeurs of kapiteins die op Groenland voeren, benevens nog een groot aantal scheepsgezagvoerders of grootschippers onder zijne bewoners telde; terwijl nog heden ten dage het grootste gedeelte der Vlielanders van de zeevaart het dagelijksch brood erlangt. Er wonen veel loodsen.

In het begin der zeventiende eeuw heerschte er op Vlieland eene algemeene welvaart, en was het sterk bevolkt, waarvan het aantal huizen dat vroeger 700 beliep doch thans tot op ongeveer 120 verminderd is, ten bewijze dienen kan. Vóór het jaar 1500 bestonden er vier in volle werking zijnde bierbrouwerijen, welke, in oorlogstijd verbrand, sedert niet weder herbouwd zijn.

Meermalen moest dit eiland in de rampen van den oorlog deelen. Zoo bedreven er de Engelschen in 1666 veel moedwil en schade; terwijl zij mede onderscheidene koopvaarders en andere vaartuigen op de reede van Vlieland verbrandden. Bijna eene eeuw vroeger, en wel in Oogstmaand des jaars 1575, was Vlieland door Caspar de Robles, Heer van Billij en Gouverneur van Friesland, deerlijk geteisterd. Het gansche eiland werd door zijne op roof verhitte stroopbenden geplunderd, en te Oost-Vlieland 450 huizen aan de vlammen opgeofferd.

Notes in this chapter

Note 1 · Zie Aanteekening I, hierachter.Note 2 · Zie Aant. II.Note 3 · Zie Aant. IV.Note 4 · De Vliereede, waar de uitgaande en binnenvallende schepen geklaard en geloodst worden, is op het groote vaarwater, dat circa een half uur vaNote 5 · Zie Aant. IV.Note 6 · Fokke Sjoerd, Beschr. van Friesl. I D. p. 82. Schotanus, Beschr. v. Friesl. 4o. p. 19 en 315.Note 7 · Zie Aanteek. V.Note 8 · Zie Aant. VI.Note 9 · Zie Aant. VII.Note 10 · Zie Aant. VIII.Note 11 · Zie Aant. IX.Note 12 · Zie Aant. X.Note 13 · In vroegeren tijd besteedde ’s Lands hooge Regering veel zorg en kosten voor het behoud dier gronden, waarvoor nog in 1722 op haren last eenNote 14 · In een oud aardrijkskundig werk, dat ten jare 1789 te Delft uitgegeven werd door M. Roelofswaert, las ik betrekkelijk Vlieland, o. a. het voNote 15 · Zuidwaarts van het eiland, op de zoogenaamde waardgronden, liggen welvoorziene mosselbanken. Alleen des winters, wordt van dit product tot eNote 16 · Zie Aant. XI.Note 17 · Vlieland is een langwerpig, smal eiland. Van het Oost- tot het Westeinde heeft het eene lengte van ongeveer 5¾ uren gaans; terwijl de grootsNote 18 · In Friesland vooral, was de schade aan de binnendijken zoo belangrijk en groot, dat vele eigenaars der omliggende landerijen, niet bij magteNote 19 · Volgens kadastrale opmeting beslaat Vlieland thans eene oppervlakte van ongeveer 5215 bunders en 70 vierkante roeden, waarvan ruim 1689 bundNote 20 · Vlieland’s bodem, geheel uit zandgrond bestaande, neemt vooral aan den Noordkant zeer sterk af, welke afneming, indien zij zoo voortgaat, alNote 21 · Vroeger vond men in de reeds genoemde valleijen, hier en daar eenig groen. Dan, door de hevige stormen die in 1834, 1835 en 1836 plaats grepNote 22 · De voortbrengselen van Vlieland zijn overigens van weinig belang, en bepalen zich tot eenige konijnen, meereenden en andere watervogels, wieNote 23 · Zonder twijfel was Vlieland reeds bij de Romeinen bekend, vermits dat overwinnende volk gewoon was, zijne krijgsbenden en legertrein naar Oo
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings