Note 1 — ALGEMEENE BESCHOUWING VAN HET EILAND VLIELAND.
Reading edition
Vlieland is een langwerpig, smal eiland. Van het Oost- tot het Westeinde heeft het eene lengte van ongeveer 5¾ uren gaans; terwijl de grootste breedte misschien ¾ uur bedragen zal. Het oostelijkste gedeelte is geheel met duinen bezet, terwijl het overige eigenlijk slechts eene zandbank is, de Hors1 genaamd, welke bij hooge waterstanden geheel ondervloeit. Door het Eijerlandsche Gat2 is het van het met Texel vereenigde Eijerland, en door den mond des Vliestrooms, van Terschelling gescheiden. Aan den zuid-oostelijken hoek des eilands ligt de nette, doch thans slechts voor binnenvaartuigen en kleine platboomde zeeschepen bruikbare haven, welke men alleen bij hoog water of half tij naderen kan. Uit deze haven komt men in de zoogenaamde Monnikesloot (waarvan straks nader), thans meestal enkel de Sloot3 geheeten, welk vaarwater om de oostzijde van het eiland loopt, op het grootscheeps-vaarwater of Vliestroom uitkomt4, en door onderscheidene gaten in gemeenschap staat met de Noordzee. De voornaamste dezer gaten zijn Oud- en Nieuw-Stortemelk, waarvan echter alleen het laatste bruikbaar is. Het Nieuwe Gat, dat oostelijker ligt, behoort meer aan Terschelling5. Tusschen de Sloot en den mond van den Vliestroom ligt eene zandbank, de Rigchel genaamd, welke zich Noord- en Zuidwaarts, ter lengte van ongeveer een uur gaans uitstrekt, en met de hoogste watergetijden ondervloeit. Uit de haven loopt nog een vaarwater over den Wal (ook de Waard genoemd) ten zuiden van het eiland, waarvan alleen bij wassend of hoog water gebruik kan gemaakt worden, aangezien de Waard met de ebbe bijna geheel droog valt. Deze Waard zou (naar men mij mededeelde) bijzonder geschikt zijn tot eene indijking, daar zij, behalve eene daartoe zeer gunstige ligging, uit goeden kleigrond bestaat. Men vindt er vele en welvoorziene mosselbanken op. Zij strekt zich uit tot het oude Vlie, een vaarwater, dat bijna in eene oost- en westwaartsche rigting van den Vliestroom naar Texel vloeit.