← Table of contents
Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners

VLIELANDS BEVOLKING.

Reading edition

Over het geheel doen de Vlielanders zich niet ongunstig kennen. Jegens vreemdelingen zijn zij voorkomend en dienstvaardig, en met eenvoudige hartelijkheid deelen zij van hetgene hunne tafel oplevert mede. Hunne levenswijze is zeer eenvoudig. Men vergenoegt zich met de soberste spijzen en dranken, uitgenomen bij zoogenaamde partijen of onderlinge zamenkomsten; waarbij echter de matigheid nimmer uit het oog wordt verloren. Eenvoudige gulheid en ongekunstelde vrolijkheid zitten daarbij steeds voor; terwijl men onderling in den meest gewenschten vrede verkeert. Op mooije kleêren wordt, vooral door het jongere geslacht, grooten prijs gesteld, en het naäpen van hetgeen de mode als fraai voorschrijft, is ook op deze geïsoleerde plaats gewoonte geworden. Uitgenomen de wijze van begraven bestaan er op Vlieland geene bijzondere gewoonten of vermaken meer, even min als elders onbekende kinderspelen. Ieder jongen heeft een scheepje, om des zomers aan de zuidzijde des eilands, op de Waard, als het hoog water is, te zeilen. Zwemmen wordt bijna niet gedaan, ofschoon bijna alle Vlielandsche jongens moeten varen. Het begraven geschiedt nog eigenaardig: ofschoon bijna alle Vlielanders Protestanten zijn, wordt er des nachts een nachtlicht in de kamer geplaatst, waar het lijk ligt. Op den dag der begrafenis gaat ieder die zulks verkiest, uit eigen beweging (dus zonder voorafgaande uitnoodiging), naar het sterfhuis, en volgen het lijk grafwaarts. De vrouwen zijn bij die gelegenheid gesluijerd. Gedurende de dagen die de begrafenis voorafgaan, komen bekenden en vrienden rouw klagen in het sterfhuis; en hoe meer er komen, hoe grooter eer voor den overledene en voor de achterblijvenden.—Van het oude queesten, kweesten of vrijen, is alleen dit nog overgebleven, dat de verliefden of verloofden hunne bijeenkomsten meestal des nachts houden, en dus het grootste gedeelte van hunne nachtrust aan dat voor velen zoo zalige genot, opofferen, tot zoolang doorgaans, dat trouwen noodzakelijk is geworden. Echter moet men tot eer van Vlieland’s jongelingschap zeggen, dat zij hun meisje, als het eens zoo verre is gekomen, nimmer verlaten, maar door een wettig huwelijk als hunne vrouw eeren; al bestaan er dan ook soms geene genoegzame middelen van bestaan.—Over ruwe ondeugden, zoo als b. v. dronkenschap, vechterijen, enz. valt hier hoogst zeldzaam te klagen. In beschaving staan de Vlielanders zeker niet achter bij de bewoners van andere zeeplaatsen. In hunne betrekking als loodsen, komen zij veel in aanraking met vreemdelingen. De zeevaart brengt ondervinding, menschen- en wereldkennis te weeg; en ofschoon dit vele aanleiding tot buitensporigheden geeft, zoo zou men nogtans der waarheid te kort doen, indien men omtrent hun zedelijk gedrag, over het algemeen, geen gunstig getuigenis gave:—Van daar dan ook, dat de dronkaard of losbandige algemeen verachting inboezemt. Wat aangaat het volksonderwijs, dit is sedert de tien laatste jaren veel verbeterd, naardien elk kind thans van het openbaar onderwijs kan, en zoo veel mogelijk, moet gebruik maken. In vroegere jaren was dit niet zoo algemeen; zulks blijkt uit de omstandigheid, dat vele bejaarde lieden lezen noch schrijven kunnen.—De Nederlandsche taal wordt hier met een bijzonder accent, alleen den Vlielander eigen, uitgesproken. Bepaalde regels zijn er echter niet van op te geven, daar dezelfde klank in verschillende woorden ook verschillend wordt gehoord. De h wordt meestal verzwegen dáár waar zij gehoord—en gehoord dáár waar zij verzwegen moest worden; zoo zegt men, b. v.: ok voor hok, en heer voor eer. Eenige klanken worden ook vaak verwisseld: zoo als aa met ee in paard; ij met i of ui. Zoo wordt o. a. het woord ijs uitgesproken als huis, en huis als ies: posthuis, post-ies; schuit, schijt of schiet (zeer kort), enz. Bij oude lieden is de uitspraak vrij temig of slepend; bij de jongere, en vooral bij vrouwen en meisjes, vlugger en korter, zoodat men bijna zou kunnen zeggen, dat er op Vlieland eene mannelijke en vrouwelijke uitspraak bestaat. Een eigenlijk bijzonder taaleigen bestaat er echter op dit eiland niet. Bijzondere uitdrukkingen of spreekwoorden worden hier niet, of althans hoogst zeldzaam, gehoord. Even als op het eiland Marken, worden vader en moeder ook hier taat en mem genoemd. Een pas geboren kind heet een bijtje of beitje; lief kind is een kostje; openbaren is openderen; van den hak op den tak springen, is hier van het houtje op het stokje.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings