TWEEDE HOOFDSTUK.
Reading edition
§ 1.
HET VOORMALIGE DORP WEST-VLIELAND.
Weinig is er in geschrifte meer bekend van het voormalige dorp West-Vlieland, dat, blijkens den naam, aan de westzijde des eilands lag, en door tal van watervloeden, die er van omstreeks het midden der 17de tot aan het midden der 18de eeuw plaats vonden, geheel verwoest werd; zoodat men nu, ter plaatse waar dat dorp plagt te staan, eene diepte peilt van 15 vademen waters. Voor ettelijke jaren bespeurde men des zomers, bij stil weder en zeer lagen waterstand, op het uiteinde van de Hors, nog het plaveisel van de Kerkstraat. Nadat Oost-Vlieland van West-Vlieland was gescheiden, kreeg het een eigen leeraar. De eerste die in deze gemeente het predikambt vervulde, was Hendrik Jansz., die in 1598 herwaarts beroepen, reeds vijf jaren later, uit hoofde van den ongunstigen staat zijner gezondheid, Emeritus werd.
§2.
HET DORP OOST-VLIELAND.
De kerk, die reeds vóór de hervorming in aanzijn was, was oorspronkelijk eene parochie-kerk, welke door de Graven van Holland begeven werd; terwijl de instelling door den Officiaal van Utrecht geschieden moest. Ten jare 1415, was zekere Engelbertus Willemszoon, wonende te Rotterdam, hier pastoor, die bij afwezigheid een jaarlijksch inkomen genoot van zes ponden Vlaamsch of 36 gulden Hollandsch. Deze Pastorie had geene vaste goederen, dewijl de landerijen, die er vroeger aan behoorden, en waarop vijftien runderen konden weiden, door de zee verzwolgen waren. Om een goed onderpastoor te hebben, bragten de landlieden echter de noodige gelden gewillig op, tot een behoorlijk onderhoud van den Geestelijken noodig. Behalve deze, bij wijze van hoofdelijken omslag, opgebragte gelden, trok de Pastorie nog een zeker hoofdgeld, dat zoo wel over menschen als over vee werd omgeslagen, zoodat acht hoofden één Filipsgulden, dat is: ƒ 1,25 Ct., benevens eene bepaalde hoeveelheid boter, moesten opbrengen.
Zoo doende bestonden alle inkomsten dezer Pastorie met lasten en al, in 90 Rhijnsche- of 125 Hollandsche Guldens.
De Koster werd door de kerkmeesteren en huislieden aangesteld, doch hij genoot geene vaste inkomsten of voordeelen.
Tegenwoordig is de kerk een goed onderhouden kruisgebouw, zonder orgel of toren doch van binnen bevat zij eene gaanderij, die vroeger tot zitplaats der weezen diende, doch thans niet meer in gebruik is. De kerk werd ten jare 1840 tegelijk met de Pastorie, merkelijk verbeterd, tot welke herstellingen ’s Rijks schatkist en het fonds voor Noodlijdende Kerken, ieder eene som van duizend guldens verstrekte; terwijl de overige kosten door de gemeente zelve gedragen werden.
Weleer was hier ook eene Doopsgezinde Gemeente; doch door het steeds afnemen van het aantal leden, is zij te niet gegaan. Hare voormalige kerk diende vroeger tot pakhuis van gestrande goederen. Tegenwoordig strekt zij tot magazijn der Maritieme goederen tot het loodswezen alhier behoorende. De laatste predikant der Doopsgezinde Gemeente was Adriaan Vrijer, die hier in 1778 zijn dienstwerk aanvaardde, en twintig jaren later overleed.
De welingerigte school, welke ten jare 1839 gebouwd is, wordt doorgaans door een getal van 120 kinderen, van 4–14 jaren bezocht. De eerste steen van dit gebouw werd gelegd door den Heer D. C. Harinck, Visiteur alhier, en President der plaatselijke School-commissie.