GEOGNOSTISCHE GESTELDHEID.
Reading edition
De beide zoo even beschreven gedeelten des eilands zijn ook in een geognostisch opzigt geheel van elkander onderscheiden. Wij willen daarom elk in het bijzonder beschouwen.
Het hoog liggend gedeelte.
De in het werk gestelde boringen en gravingen tot op eene diepte van 1,5 el onder A. P. en 10,7 ellen onder het hoogste punt des eilands, hebben hier vier verschillende lagen doen kennen.
De eerste en magtigste, op het punt a eene dikte hebbende van 8,3 ellen, aldaar eindigende op O,9 el en in c op 1,5 el boven A. P., bestaat uit eene over het algemeen geelachtig rood gekleurde leem, waarvan echter de geaardheid zoowel als de kleur op verschillende punten en diepten nog aan vrij groote afwisselingen is onderworpen, hoofdzakelijk ten gevolge van het verschillend gehalte aan ijzeroxydhydraat, en het al of niet aanwezig zijn van koolstofzuren kalk. Deze ontbreekt algemeen in de hoogere gedeelten der laag, doch is daarentegen in grooten overvloed aanwezig in de diepere, waar de leem in waren leemmergel overgaat. De grond verkregen bij de graving op het punt A, op de diepte van 3 ellen, of van 1,3 el boven A. P., vooraf zwak gegloeid, bleek te bevatten 28,83 proc. in zoutzuur oplosbare stoffen, waaronder 19,71 proc. koolstofzuren kalk en 3,13 proc. ijzeroxyd. In het bovenste gedeelte is de leem ook meer zandachtig, lichter van kleur, plaatselijk zelfs geelachtig grijs, terwijl benedenwaarts de kleur donkerder wordt, ten deele bruinrood en violetrood, al naar gelang van de hoeveelheid aanwezig ijzeroxydhydraat, welke stof in hoeveelheid toeneemt met de diepte, zoodat het benedenste gedeelte der bedding tot den aard eener ware oerbank nadert.
De mikroskopische bestanddeelen zijn gerolde kwartskorreltjes en scherpkantig gruis van kristallinische gesteenten, in afwisselende betrekkelijke hoeveelheden. Beide deze bestanddeelen zijn algemeen doorschijnend en kleurloos. Waar koolstofzure kalk voorkomt, bestaat deze meerendeels uit zeer kleine vormlooze ligchaampjes. Het ijzeroxydhydraat is er in bevat als zeer kleine moleculen, die alle de ruimten tusschen de overige bestanddeelen vullen. Van schelpvezelen is geen spoor te zien, evenmin als van Foraminiferen of andere mikroskopische organismen.
De hardheid en vastheid dezer geheele laag, doch vooral van hare diepere gedeelten, is zeer groot, en wordt inzonderheid veroorzaakt door het ijzeroxydhydraat, waardoor de overige deeltjes onderling zamengebakken zijn. Reeds is vermeld, dat de gebezigde grondboor daarin geheel onbruikbaar is geworden. Bij de derde boring namelijk, was aan de overigens uit goed gehard ijzer bestaande boorbuis, reeds eene vrij sterke uitwijking der wanden waar te nemen. Ook bij de later in het werk gestelde graving, werd de bodem zoo hard bevonden, dat men op sommige punten daarin met de spade alleen niet kon voortwerken, maar genoodzaakt was een' koevoet te gebruiken, om de brokken los te breken.
Echter heeft deze leem slechts weinig plasticiteit, wanneer zij met water wordt aangemengd, hetgeen grootendeels het gevolg is van de talrijke tusschen de overige bestanddeelen verstrooide zandkorrels en steentjes van allerlei grootte. Deze geringe plasticiteit is ook opgemerkt door den tegenwoordigen Hoofdingenieur Jonkh. J. Ortt van Schonauwen, die in 1834, bij het verbeteren der haven op de zuidkust, dezelfde leem aantrof, en zich genoodzaakt zag de voor het werk benoodigde klei van het lager gedeelte des eilands te doen aanvoeren.
In deze geheele bedding is het getal gerolde steenen overgroot. Het meerendeel is klein, van één tot eenige duimen in doormeter. Doch er komen ook vele merkelijk grootere rolsteenen voor. Ik zelf heb een granietblok gezien van nagenoeg ronden vorm en O,7 el in doorsnede, hetwelk was opgegraven uit het kerkhof, gelegen ter zijde van de kerk, dus in de nabijheid van het hoogste punt. Ook verhaalde mij de doodgraver, dat hij eenmaal, bij het maken van een' grafkuil, op eenen steen had gestoten, waarvan het zigtbare gedeelte de lengte van het geheele graf, zijnde 7 A. voeten of bijna 2 ellen, innam. Daar hier nu nimmer dieper gegraven wordt, dan tot op 7 voeten, zoo blijkt, dat althans het bovenste gedeelte der bedding rolsteenen van zeer aanzienlijke grootte bevat. Dit wordt ook bevestigd door eene mededeeling van den Burgemeester, dat namelijk in een huis, gelegen aan de Noord-Westzijde, voor eenige jaren, bij het graven van eenen kelder, een steen werd gevonden, welke zoo groot was, dat de kozijnen van een venster moesten worden uitgebroken, om hem uit het huis te verwijderen. Dezelfde berigtte mij in het algemeen, dat men op zeer verschillende diepten, van 6, 8, 10, 12, 15, 20 en zelfs meer voeten, groote steenen in den grond had gevonden, zoodat hieruit derhalve schijnt te volgen, dat zij door de geheele bedding verspreid liggen.
1. Graniet. De hieruit bestaande steenen zijn zeer talrijk; zij kunnen tot de volgende varieteiten gebragt worden:
a. Zeer fijnkorrelige graniet, met gelijkmatig verdeelde bestanddeelen: roode veldspaath, roode kwarts en weinige zwartachtige glimmer. Hieruit bestaat de groote, zoo even vermelde uit het kerkhof opgegraven steen.
b. Zeer grofkorrelig, met ongelijkmatig verdeelde bestanddeelen: donker vleeschkleurige veldspaath, witte kwarts, ten deele in groote aders, en zilverkleurige glimmer in nesten. Stukken van deze zamenstelling zijn gevonden, zoowel op het kerkhof, derhalve in het bovenste gedeelte der laag, als nabij hare onderste grens in A, vanwaar een stuk van ongeveer O,2 el in doormeter tot deze varieteit behoort.
c. Tamelijk fijnkorrelig en gelijkmatig, met veel roode veldspaath, witte kwarts en weinige witte glimmer.
d. Tamelijk fijnkorrelig, met roode veldspaath, witte kwarts en zwarte glimmer.
e. Tamelijk fijnkorrelig, met roode kwarts, roode veldspaath en zwarte glimmer.
f. Fijnkorrelig, met violetblaauwachtige kwarts, zeer weinige roodachtige veldspaath, zwarte en witte glimmer.
g. Fijnkorrelig, met witte kwarts, witte veldspaath en zwarte glimmer.
h. Fijnkorrelig, met witte veldspaath, witte kwarts en groene glimmer.
i. Tamelijk fijnkorrelig, met witte veldspaath, witte kwarts en veel zilverwitte glimmer.
Onder deze varieteiten zijn die, waarin de veldspaath en ook de kwarts geheel of ten deele rood gekleurd zijn, zoodat het gesteente, op eenen afstand gezien, zich meer of min gelijkmatig rood vertoont, de talrijkste.
2. Syeniet.
a. Met witte kwarts, witte veldspaath, veel zwarte hoornblende en zeer weinig glimmer.
b. Met violette kwarts, zwarte hoornblende en weinige witte veldspaath.
c. Met veel roode veldspaath, witte kwarts en hoornblende.
d. Met labrador, violette, bloedroode, granaatroode en gele kwarts, hoornblende en weinige zwarte glimmer; deze bestanddeelen zijn gelijkmatig dooreengemengd. Een zoodanig stuk is in het bovenste gedeelte der laag gevonden.
e. Met vleeschkleurige en witte veldspaath, weinig witte kwarts, zwarte hoornblende en bronskleurige glimmer.
f. Met veel gedeeltelijk gekristallizeerde roode en witachtige veldspaath, witte kwarts en groene glimmer.
3. Gneis. Mede in verschillende varieteiten, waarvan de merkwaardigste zijn:
a. een stuk gneis van O,14 el in doormeter, zijnde een fragment van eenen veel grooteren steen, bij het graven van de regenput bij den vuurtoren gevonden, veel zilverwitte glimmer bevattende en tusschen de massa verspreide edele granaten.
b. Dichroitgneis. Hiertoe behooren drie steenen van 3 tot 4 duimen in doormeter, gevonden in de diepere gedeelten der bedding, met daarin bevatte dichroit, welk mineraal ook afzonderlijk is aangetroffen.
Het meerendeel dezer graniet-, syeniet-en gneissteenen draagt de blijken van sterk en lang gerold te zijn. Eenige echter, en daaronder sommige tamelijk groote stukken—gelijk b. v. dat vermeld onder b op bl. 13,—hebben nog vrij scherpe kanten en hoeken, en vertoonen weinige sporen van afslijting. Ook de graad van verwering is zeer verschillende. Bij eenige steenen is daarvan te naauwernood iets te bespeuren, zelfs aan de oppervlakte, terwijl daarentegen andere, en daaronder stukken van 3 en 4 duimen in doormeter, zoo door en door verweerd zijn, dat zij bij de minste drukking tot poeder vergruisd worden.
4. Porphier, rood gekleurde. De daaruit bestaande steenen zijn slechts, ter grootte van 2 tot 3 duim, in gering aantal gevonden.
5. Veldspaath. Eenige weinige der kleinere gerolde steenen, 1–2 duimen in doormeter hebbende, bestaan uit denzelfden rooden veldspaath, als die, welke een bestanddeel der meeste granieten uitmaakt.
6. Kwarts. Alhoewel er, gelijk reeds gezegd is (bl. 11), tusschen de overige bestanddeelen van de leem dezer bedding talrijke kleine (1/20–⅕ streep in doormeter hebbende) gerolde kwartskorreltjes voorkomen, zoo is het aantal van grootere gerolde stukken kwarts zeer gering. Sommige zijn melkachtig wit (vetkwarts), andere rood (ijzerkiezel), slechts zeer weinige helder en doorschijnend. De grootste stukken hebben eenen doormeter van 3 duimen.
7. Glimmerschiefer, in vrij talrijke stukken, waarvan de grootste 5 duim in doormeter hebben, meer of minder kwartsrijk, doorgaans fijnbladerig en ten deele verweerd.
8. Chlorietschiefer. Hiervan is slechts één stuk gevonden van eene graauwgroene kleur en 2 duim in doormeter.
9. Zandsteen. Brokstukken van zandsteenrotsen zijn door de geheele bedding verspreid, en wel als twee hoofdverscheidenheden:
a. glimmervrije zandsteen, eenige stukken geel, andere rood gekleurd, veel minder talrijk dan de volgende;
b. glimmerhoudende zandsteen. De meeste hiertoe behoorende stukken zijn hetzij lichtgrijs of wel geheel of ten deele door ijzeroxydhydraat geel gekleurd. De grootste in deze laag gevonden stukken hebben 4 duim in doormeter.
Andere in geringer aantal voorkomende glimmerhoudende zandsteenen zijn tegelrood en harder dan de vorige. Hiervan zijn stukken aangetroffen tot van 8 duim in doormeter.
10. Zwarte kalkhoudende thonschiefer. Slechts eenmaal is een zoodanig stuk gevonden, 2 duim groot.
11. Kwartsiet. In geringe hoeveelheid, als roode of roodachtig witte gerolde korrels van 1 tot 2 duim in doormeter.
12. Klei. Op verscheidene punten zijn hiervan stukken gevonden van 2 tot 3 duim in doormeter, eenige bijna zuiver wit als pijpaarde, andere roodachtig wit en donkerrood, soms geheel het voorkomen hebbende der zoogenaamde Thongallen in zandsteen, en zich, behalve door meerdere taaiheid, van de omgevende leem onderscheidend door het geheel ontbreken van koolstofzuren kalk. De meeste dezer kleibrokken, zoo niet alle, zijn blijkbaar afkomstig van op de plaats zelve verweerden graniet, waarvan dikwijls nog kleine herkenbare stukjes zijn ingemengd.
13. Kalkgesteenten. Het aantal rolsteenen, geheel of grootendeels uit koolstofzuren kalk bestaande, is hoogst aanzienlijk, en overtreft dat van alle andere rotsgesteenten te zamen genomen.
In grootte doen de meeste kalksteenen onder voor vele der uit graniet, syeniet en gneis bestaande rolsteenen, doch er zijn toch ook van sommige der hieronder genoemde verscheidenheden steenen van eenen tamelijk grooten omvang gevonden.
Het getal dier verscheidenheden is vrij aanzienlijk. Men kan hen onder de volgende hoofdrubrieken rangschikken:
a. Marmer, als roode en witte of rood en wit geaderde stukken; de meeste sterk gerold, sommige eenen doormeter van 4 tot 5 duim hebbende.
b. Vezelige kalksteen. Hiervan is slechts eenmaal een plat stukje gevonden van 2 duim lengte.
c. Kalkspaath. Een enkel stuk, halfdoorschijnend, van 3 duim in doormeter, is gevonden in het onderste gedeelte der bedding.
d. Vaste lichtgekleurde kalksteen, zeer fijnkorrelig, geheel homogeen van zamenstelling, dof en schelpachtig op de breuk, bijna zuiver wit, grijsachtig wit of licht geelachtig, in allen deele de kenmerken dragende van Jurakalk. De witte en geelachtig gekleurde stemt geheel overeen met Portlandkalk.
e. Blaauwachtig grijze kalksteen, minder fijnkorrelig dan de vorige, ruw en oneffen op de breuk, met glinsterende kalkspaathkristallen, en zeer talrijke kleine, van 2 tot 3 streep in doormeter hebbende, fossilen insluitend, welke behooren tot de familie der Trilobiten. Bij beschouwing door de loupe zijn de van facetten voorziene oogen duidelijk zigtbaar, doch overigens is eene nadere soortbepaling moeijelijk, daar het niet gelukt hen te isoleren, uit hoofde van de hardheid der omgevende steenmassa en hunne eigene broosheid. Slechts eenmaal is een zoodanig stuk, dat sterk gerold was, gevonden op het kerkhof, en dus afkomstig uit het bovenste gedeelte der bedding.
h. Bonte kalksteen, violet, rood, vleeschkleurig, wit en zeegroen gevlekt, fijnkorrelig, zonder kristallen, minder hard en vast dan de Portlandkalk, doch harder dan krijt. Een groot gerold blok van O,45 el in doormeter, en eenige kleinere stukken zijn in het onderste gedeelte der bedding gevonden. Fossilen komen er niet in voor.
i. Wit krijt en vuursteenen. Beide zijn door de geheele bedding verspreid. De stukken krijt zijn alle gerold, de grootste van 3 duim. De daarin voorkomende Foraminiferen zijn Rotalia globosa en Textilaria acicularis, dezelfde, die het talrijkst in het Engelsche krijt worden aangetroffen. In de nabijheid der vuursteenknollen bevat het krijt bovendien vele naalden van zeesponzen. De meeste vuursteenen zijn scherpkantige fragmenten. Echter worden er ook verscheidene geheele knollen aangetroffen; de grootste heeft eenen doormeter van 4 duim. Meerendeels zijn zij zwartbruin of bruinachtig geel en half doorschijnend, eenige bleekgeel of roodachtig en ondoorschijnend.
Behalve de genoemde kalkgesteenten bevat de bodem nog talrijke uit koolstofzuren kalk bestaande rolsteenen, die minder duidelijk gekenmerkt zijn, doch gedeeltelijk, tot een der beschreven varieteiten (d en g) kunnen gebragt worden; de meesten zijn blaauwachtig grijs of grijsachtig wit.
Eindelijk zij hier nog vermeld, dat ik, door tusschenkomst van den heer Backer de Wit, van den Mr. metselaar A. Last te Enkhuizen ontvangen heb een stuk van Astraea annularis Lam., hetwelk door hem in het jaar 1820 bij het bouwen der school op het eiland gevonden is, op eene diepte van 8 voeten onder den grond. Volgens zijne mededeeling bevonden zich daar ter plaatse nog verscheidene andere dergelijke ten deele grootere stukken, die verward door elkander lagen. Het stuk, dat ik onder de oogen heb, is 5 duimen lang en bijna 3 duimen dik en breed. Het heeft eenigzins afgeronde kanten, en ook de oppervlakte, waar zich de cellen bevinden, is glad afgeslepen, terwijl de kleur door geinfiltreerd ijzeroxydhydraat geelachtig is geworden, doch overigens komt het fossile exemplaar overeen met de nog in de Westindische zee levende voorwerpen.
13. Mergel, grijsachtig wit, gedeeltelijk violet, een stuk van 3 duim, in aard en kleur geheel overeenstemmend met stukken keupermergel, alhier op het mineralogisch kabinet voorhanden.
14. Doleriet, zeer fijnkorrelig, graauw, groen en sterk magnetisch. Een stuk van 5 duimen is gevonden in het onderste gedeelte der bedding.
Daar het nuttig kan zijn, voor eene latere vergelijking met hetgeen elders in ons vaderland in eenen bodem van overeenkomstige zamenstelling voorkomt, de verhouding te weten, waarin elk der rotssoorten tot de gezamenlijke hoeveelheid der gevonden steenen staat, zoo volgt hier eene lijst met de namen der rotssoorten en het aantal der daaruit bestaande steenen, verzameld bij de graving van den 5,8 ellen diepen kuil op het punt A. Onder dit aantal zijn echter alleen zulke steenen begrepen, wier doormeter 1 duim of meer bedraagt. Dewijl deze inzameling is geschied door den vuurtorenwachter, die in last had ontvangen alle de gevonden steenen zonder onderscheid aan mij over te zenden, zoo mag men aannemen, dat hier alle willekeur buiten gesloten is geweest, en de cijfers inderdaad vrij juist de verhouding uitdrukken, waarin de verschillende steensoorten in dit gedeelte des bodems voorkomen.
Graniet, a. roode 43 9,4 proc. 27,7 proc.

Graniet, ,, b. anders gekleurde 36 7,9 proc. ,,
Syeniet 24 5,3 proc. ,,
Gneis 23 4,0 proc. ,,
Porphier 2 0,4 proc. ,,
Veldspaath 3 0,7 proc. ,,
Kwarts 6 1,3 proc. ,,
Glimmerschiefer 9 2,0 proc. ,,
Chlorietschiefer 1 0,2 proc. ,,
Zandsteen, a. zonder glimmer, gele 2 0,4 proc. ,, 5,6 proc. ,,

Zandsteen, ,, b. zonder ,, glimmer, ,, roode 2 0,4 proc. ,,
Zandsteen, ,, c. glimmerhoudend, gele en grijze 19 4,1 proc. ,,
Zandsteen, ,, d. glimmerhoudend, roode 3 0,7 proc. ,,
Kalkhoudende thonschiefer 1 0,2 proc. ,,
Kwartsiet 2 0,4 proc. ,,
Klei, a. witte 2 0,4 proc. ,,
Klei, ,, b. roode 6 1,3 proc. ,,
Kalkgesteenten, a. marmer 15 3,3 proc. ,, 53,8 proc. ,,

Kalkgesteenten, ,, b. witte en gele Jurakalk 29 6,3 proc. ,,
Kalkgesteenten, ,, c. graauwe, met duidelijke fossilen 12 2,6 proc. ,,
Kalkgesteenten, ,, d. bonte 5 1,1 proc. ,,
Kalkgesteenten, ,, e. kalkspaath 1 0,2 proc. ,,
Kalkgesteenten, ,, f. vezelige 1 0,2 proc. ,,
Kalkgesteenten, ,, g. niet nader bepaald, doch ten deele tot b en c behoorend 183 40,1 proc. ,,
Krijt 15 3,3 proc. ,,
Vuursteen 10 2,2 proc. ,,
Mergel 1 0,2 proc. ,,
Doleriet 1 0,2 proc. ,,
Som 457
In deze bedding is ook nog op 2,3 ellen boven A. P. gevonden een stukje hout uit eene bruinkoolformatie. Het is ongeveer 2 duimen lang, ligt, bruin, doch niet met ijzeroxyd geincrustreerd. Het is gemakkelijk snijdbaar en stemt in maaksel zeer na overeen met het hout van Taxus baccata, daar de houtcellen van hofstippels en van eenen breeden spiraalband voorzien zijn. Het is derhalve afkomstig van eenen boom behoorende tot het fossile geslacht Taxites Goeppert.
De tweede laag, waarvan de dikte hoogstens een el bedraagt, bestaat uit eenen zwartachtig grijzen zandigen leemmergel, hier en daar met een' geelachtigen of bruinachtigen tint. Zij onderscheidt zich van de hoogere, behalve door de kleur, vooral ook door eene meerdere gelijkmatigheid en inniger vermenging der bestanddeelen. De diepere gedeelten der laag bevatten het meeste zand en hebben eenen losseren zamenhang dan de hoogere.
De mikroskopische bestanddeelen zijn dezelfde als die der eerste laag, alleen in andere betrekkelijke hoeveelheden. Hetzelfde geldt van de scheikundige bestanddeelen. Koolstofzure kalk en ijzeroxyd komen er in merkelijk geringere mate in voor. De bodem op 0,3 el boven A. P., nagenoeg uit het midden der laag, bevat 8,27 proc. in zoutzuur oplosbare deelen, waarvan 4,87 koolstofzure kalk zijn en 1,29 proc. ijzeroxyd.
Er worden mede een aantal gerolde steenen in aangetroffen, grootendeels tot dezelfde rotssoorten behoorende als die in de eerst beschreven laag. Steenen van zoo grooten omvang als in deze zijn hier niet gevonden. Echter zoude ik niet durven beweren, dat zij er niet in voorkomen, daar dit gedeelte des bodems alleen uit de graving in A en de boring in c bekend is.
Onder de granietblokken zijn er verscheidene, die rood en groen gevlekt zijn, ten gevolge van tusschen de roode veldspaath verspreid olivin. Een dier stukken heeft eenen doormeter van 10 duimen. Buitendien worden de meeste der boven beschreven varieteiten ook hier vertegenwoordigd.
De zandsteenen zijn mede dezelfde. Nabij de bovenste grens is er een gevonden van 18 duimen in doormeter, plat aan weerszijden, grijs en aan de eene zijde door ijzeroxydhydraat geel gekleurd.
Het geheele getal der steenen van één duim of meer in doormeter, bij de graving in A uit deze laag verzameld, bedraagt 104, die op de volgende wijze verdeeld zijn:
Graniet, a. roode 6 5,8 proc. 21,2 proc.

Graniet, ,, b. anders gekleurde 9 8,7 proc. ,,
Gneis 4 3,9 proc. ,,
Veldsteenporphier 1 0,9 proc. ,,
Veldspaath 2 1,9 proc. ,,
Kwarts 5 4,8 proc. ,,
Zandsteen, a. zonder glimmer, gele 1 0,9 proc. ,, 5,7 proc. ,,

Zandsteen, ,, b. zonder ,, glimmer, ,, roode 1 0,9 proc. ,,
Zandsteen, ,, c. glimmerhoudend, gele en grijze 4 3,9 proc. ,,
Kalkgesteenten, a. marmer 1 0,9 proc. ,, 24,8 proc. ,,

Kalkgesteenten, ,, b. Jurakalk 5 4,8 proc. ,,
Kalkgesteenten, ,, c. bonte 1 0,9 proc. ,,
Kalkgesteenten, ,, d. niet nader bepaald 19 18,2 proc. ,,
Krijt 5 4,8 proc. ,,
Vuursteen 40 38,5 proc. ,,
104
Hieruit blijkt, dat het voornaamste verschil met de vorige laag gelegen is in het aanzienlijk getal van vuursteenen, waaronder verscheidene groote knollen, tot van 9 duimen in doormeter.
Eindelijk is in deze laag ook nog gevonden een vrij goed bewaard fragment eener zuil, vermoedelijk van Actinocrinus laevis Mill., uit tien geledingen bestaande.
De derde laag wordt gevormd door eenen licht geelachtig grijzen leemachtigen zandmergel, in A de dikte van 1,3 el hebbende. Reeds is gezegd, dat de leemmergel der tweede laag benedenwaarts allengs zandachtiger wordt. Werkelijk is het ook niet wel mogelijk eene scherpe grens tusschen deze beide lagen te trekken, die integendeel schier onmerkbaar in elkander overgaan, in dier voege, dat de kleur al lichter en lichter, en de zamenhang der deelen al losser en losser wordt naarmate de diepte toeneemt. Dat deze twee lagen eigenlijk bij elkander behooren wordt ook nog daardoor bevestigd, dat in c (nabij de vuurtoren) onder de laag zandmergel wederom eene laag zwartgrijze leemmergel gevonden wordt, geheel gelijk aan de daar boven liggende. Straks zullen wij zien, dat het gevolg hiervan is, dat daar ter plaatse eene watergevende wel in de zandmergellaag is gevonden.
Ook deze laag bevat talrijke gerolde steenen, wederom grootendeels tot dezelfde rotssoorten behoorende als die in de hoogere lagen.
Onder de granietachtige gesteenten treft men er verscheidene aan, die geen waar graniet zijn, maar euriet of granuliet. De hier voorkomende zijn rood of wit gestreept.
Zandsteenen, beantwoordende aan de hooger liggende, zijn hier niet aangetroffen, maar, in stede daarvan, eenige stukken van eenen groveren en vasteren graauwackezandsteen of psammiet, de grootste eenen doormeter hebbende van 7 duimen.
Onder de kalksteenen verdienen, als niet in de hoogere lagen voorkomende, vermeld te worden: een violetrood en groen gevlekt stuk marmer, een geelgrijze harde kleihoudende kalksteen, en bovendien een stuk kalkhoudende kieselschiefer, zwartachtig grijs gekleurd, zeer fijnkorrelig, schelpachtig op de breuk, zonder fossilen, 7 duimen in doormeter hebbende.
Ook zijn hier wederom verscheidene stukken doleriet gevonden en desgelijks eenige stukjes anamesiet, ter grootte van 1 tot 2 duimen.
Eindelijk nog een klein fragment van den rand eener schelp, die niet nader te bepalen is, doch, te oordeelen naar de witte kleur en de geringe fossilificatie, waarschijnlijk uit eene jongere tertiaire formatie afkomstig.
Het getal der verzamelde rolsteenen, van meer dan 1 duim doormeter bedraagt 118. Hiervan behooren tot:
Graniet, a. roode (ten deele euriet) 21 17,9 proc. 24,6 proc.

Graniet, ,, b. anders gekleurde 4 3,4 proc. ,,
Gneis 2 1,7 proc. ,,
Hoornblende 1 0,8 proc. ,,
Veldsteenporphier 1 0,8 proc. ,,
Kwarts 8 6,8 proc. ,,
Glimmerschiefer 7 6,0 proc. ,,
Kalkhoudende kieselschiefer 1 0,8 proc. ,,
Kwartsiet 3 2,6 proc. ,,
Psammiet 4 3,4 proc. ,,
Kalkgesteenten, a. marmer 1 0,8 proc. ,, 16,0 proc. ,,

Kalkgesteenten, ,, b. Jurakalk 1 0,8 proc. ,,
Kalkgesteenten, ,, c. kleihoudende 1 0,8 proc. ,,
Kalkgesteenten, ,, d. niet nader bepaald 16 13,6 proc. ,,
Krijt 8 6,8 proc. ,,
Vuursteen 33 28,0 proc. ,,
Doleriet 3 2,6 proc. ,,
Anamesiet 3 2,6 proc. ,,
118
Vergelijken wij nu deze uitkomsten met die der hoogere lagen, dan komt men in het algemeen tot het resultaat:
1o. dat het aandeel der plutonische gesteenten zich tamelijk gelijk blijft;
2o. dat het aandeel der oudere kalkgesteenten in de bovenste laag verreweg het grootst is, en benedenwaarts afneemt;
3o. dat daarentegen het krijt en de daaruit afkomstige vuursteenen in de diepere lagen het menigvuldigst zijn;
4o. dat er in geen der lagen fossilen gevonden worden, afkomstig van dieren, welke op de plaats zelve geleefd hebben, maar daarentegen verscheidene, die aan gesteenten van zeer verschillenden geologischen ouderdom eigen zijn.
De vierde of diepste laag, waartoe men is doorgedrongen, en welke in A op 1,5 el onder A. P. eenen aanvang neemt, bestaat uit zand, dat geheel vrij is van koolstofzuren kalk, en zich daardoor zeer wezenlijk van de hooger liggende lagen onderscheidt.
Bij de graving heeft men slechts een zeer klein gedeelte (0,1 el) van deze laag leeren kennen. Hier aan de bovenste grens, is het zand zeer fijn en nog niet geheel vrij van ingemengde leemdeelen.
Men mag aannemen, dat deze zandlaag zich onder het geheele hoogere gedeelte des eilands uitbreidt, daar,—gelijk later nog nader blijken zal,—het meerendeel der putten, zoo niet alle (alleen met uitzondering van die bij den vuurtoren) tot in deze laag doordringen en daaruit hun water ontvangen. De bodem van de put (p), in het midden van het hoogere gedeelte, ligt op 1,5 el onder A. P., dus juist op de diepte, waarop de zandlaag in A nabij de kust mede gevonden is (verg. de doorsnede in fig. 3), zoodat, alhoewel het waarschijnlijk is, dat de bodem van die put zich iets dieper onder de bovenste grens der zandlaag aldaar bevindt, hare helling in elk geval zeer gering is.
Of er in deze laag ook gerolde steenen voorkomen, kan ik niet beslissen, uit hoofde der te geringe diepte, waartoe men daarin gegraven heeft, maar in het daarvan ontvangen monster zijn er geene.
Het laag liggend gedeelte.
De geognostische gesteldheid van dit gedeelte verschilt ten eenenmale van het hoogere en kondigt dadelijk eene jongere alluviaal-formatie aan.
Deze formatie is nog van tweederlei aard, namelijk eensdeels door aanspoeling uit de zee, anderdeels in zoet water ontstaan.
De geheele omtrek, voor zoo ver zij aan de zee grenst, wordt door zand bedekt. Langs de Noord-Oostkust, waar ook nu nog het paalwerk ontbreekt, en vroeger de reede is geweest, alvorens door het graven der haven voor eene betere ligplaats der schepen was gezorgd, is het strand door zand opgehoogd, ter hoogte van 1 el tot 1,5 el boven A. P., als het ware eene duinvorming op zeer kleine schaal daarstellende. Ook de overlangs evenwijdig met de Noord-Westkust loopende rug, welke reeds vroeger (bl. 9) vermeld is, bestaat enkel uit zand. Waar thans door paalwerk het verder opwerpen van het zand door de zee verhinderd is, en derhalve ook op den genoemden rug, daar is het zand op vele plaatsen bedekt met een dun laagje teelaarde, doch onmiddelijk daaronder treft men het zand aan.
De zoogenaamde Staart,—althans het bovenste gedeelte tot op 0,3 duim onder de oppervlakte,—is alweder geheel uit zand gevormd.
Eindelijk behoort hiertoe ook het, alhoewel aan gene zijde van het hooge gedeelte gelegen, door aanspoeling nieuw gevormde stuk gronds B. Bij eene graving tot op 1,9 el werd daarin niets dan zand gevonden.
De zamenstelling van dit zand is overal dezelfde. Het is tamelijk grofkorrelig, en bevat zeer talrijke schelpen (dezelfde die ook nu nog de omringende zee bewonen) en gelijke rolsteenen als die, welke nog dagelijks door de zee worden opgeworpen, en waarover wij straks nader zullen spreken. Alleen vermeld ik hier, als min of meer de grens te kennen gevende van de kracht, die de golven der Zuiderzee vermogen uit te oefenen, dat op den zandrug, welks midden op eenen afstand van omstreeks 50 ellen van de zee is verwijderd, steenen gevonden worden tot van 20 duimen in doormeter, die derhalve door de stormen in de jaren 1775 en 1776 zijn opgeworpen. Behalve deze schelpen en steenen treft men hier en daar, in het zand gravende, ook eene derrieachtige massa aan, ten deele naar het schijnt uit losgewoeld veen bestaande.
In de nabijheid der Noord-Westkust, en waarschijnlijk ook aan de tegenovergestelde zijde, ligt onder het zand eene kleilaag. In het punt C is deze aangetroffen op eene diepte van 1,1 el. Deze klei sluit nog vele kleinere en grootere zandkorrels in. Dat ook zij door de zee is aangevoerd, wordt bewezen niet alleen door de talrijke daarin bevatte fragmenten van schelpen, welke tot dezelfde soorten behooren als die in het hooger liggende zand, maar ook worden er de kiezelschalen van Coscinodiscus cellosus, van Actinocyclus senarius, van eenen Actinoptychus en fragmenten van Nonionina germanica in aangetroffen.
Geheel het middengedeelte wordt daarentegen door eene zoetwater-formatie ingenomen. Nabij de oppervlakte treft men, in plaats van zand, eene zandige klei aan, plaatselijk afgewisseld met dunne veenstrooken, vooral in de nabijheid van het vroeger moerassige gedeelte, doch zelden eene grootere dikte hebbende dan van 5 tot 10 duimen, en grootendeels gevormd door mossen (Sphagnum, Hypnum), terwijl men op vele punten de gelegenheid heeft alle de opvolgende toestanden van dit zich vormend veen waar te nemen, van de nog frissche mosplantjes aan de oppervlakte af, tot aan de onderste geheel in veen overgegane laag toe.
Deze zandige klei bevat vrij talrijke kleine kwartskorreltjes en een scherpkantig gruis van kristallinische gesteenten; ook komen er vele chlorietkorrels in voor, alsmede eenige straalsteenschilfers. Een gedeelte van het fijne gruis bestaat uit koolstofzuren kalk, doch van overblijfselen van zee-organismen komt geen spoor voor. Daarentegen zijn er de kiezelschalen van eene zoetwater-diatomee (Navicula Brebissonii Kütz.) op eenige punten in vrij groot aantal in aangetroffen, sommige nog eene groene kleurstof bevattende.
Benedenwaarts wordt deze klei allengs minder zandig, tot dat zij (in d op 0,25 el onder A. P.) in eenen donker gekleurden taaijen kleimergel overgaat, waarvan de mineralogische bestanddeelen dezelfde als die van de hooger liggende zijn, doch waarin alleen de betrekkelijke hoeveelheid der kwartskorrels minder is. In dezen kleimergel, vooral in de diepere gedeelten, treft men vele verveende plantenoverblijfselen aan.
Werkelijk rust deze kleimergel ook op eene laag waar veen, waarvan de bovenste grens (in d) op 1,5 el onder A. P. ligt, terwijl de onderste grens op 2,8 el onder A. P., zijnde het diepste punt der boring aldaar, nog niet bereikt is.
Dit veen draagt al de kenmerken van gewoon laag veen. Bij de boring zijn, op de grootst bereikte diepte, daaruit verscheidene stukken hout opgehaald, welke in allen deele beantwoorden aan dat van den gewonen wilgenboom (Salix alba), en daarmede bepaaldelijk in mikroskopisch maaksel geheel overeenstemmen. Deze boom, die thans volstrekt niet meer op dit gedeelte van het eiland voorkomt, heeft dus daar vroeger gegroeid, tenzij het hout er is aangespoeld gedurende de veenvorming, hetgeen echter minder waarschijnlijk is, omdat veen alleen in water ontstaat, waarin weinig strooming is. Dit hout is wel roodachtig bruin gevonden, doch overigens weinig veranderd. Zelfs bezitten de houtvezelen nog in hooge mate de taaiheid en buigzaamheid, welke aan het wilgenhout eigen zijn.
Op dezelfde plaats en uit gelijke diepte zijn ook eenige fragmenten van beenderen opgeboord, welke afkomstig zijn van een rund. Herkenbaar zijn: een gedeelte der onderkaak met bijna drie kiesholten, een gedeelte der onderste geledingsvlakte van eene tibia, een gedeelte van een os hamatum, en een os sesamoideum. Deze beenderen zijn iets kleiner dan die van eene tegenwoordige volwassen koe.
Ten slotte blijft mij nog over hier iets te zeggen nopens het voorkomen van barnsteen op Urk. Ik heb mij vele vergeefsche moeite gegeven, zoowel tijdens mijn verblijf op het eiland, als later, door het meest zorgvuldig onderzoek der van daar medegebragte of mij toegezonden gronden, om daarvan iets te vinden, zonder dat het mij zelfs gelukt is het kleinste mikroskopische brokstukje te ontdekken. De zaak verdiende inderdaad dit naauwkeurig onderzoek, omdat het opwerpen van barnsteen door de zee tot het vermoeden zoude kunnen leiden, dat zich op geene zeer groote diepte onder den zeebodem eene bruinkolenbedding bevindt, welke barnsteen bevat, een vermoeden echter, dat nog meer grond zoude hebben, indien barnsteen niet zulk eene ligte zelfstandigheid is, zoodat de stukken van elders door de zee kunnen zijn aangevoerd.
Hoe het zij, zoo schijnt echter dit punt van genoegzaam gewigt, om, bij gebrek van eigene stellige uitkomsten, hier die berigten van anderen bijeen te stellen, welke de vraag, of er van tijd tot tijd barnsteen op Urk is gevonden, bijna met zekerheid bevestigend doen beantwoorden.
Het eerste berigt daaromtrent vind ik in de reeds vroeger (bl. 3) vermelde briefwisseling tusschen N. Witsen en G. Cuper. In eenen brief, gedagteekend 18 Aug. 1709, schreef de eerste:
„Op het eiland Urk heb ik weder barnsteen doen zoeken en gevonden: 't is bijzonder, men vindt er barnsteen in de aarde, welke ontdekt werd als de zee het land afspoelde en wel allerhande soort, witte, geele, heldere en donkere van kleur, ja in sommige stukken zie ik onreinigheden van bladertjes, als andersins.”
Ook het antwoord van Cuper aan Witsen moge hier eene plaats vinden, als zijnde kenmerkend voor de meeningen van dien tijd, aangaande den aard des barnsteens. Den 23 Augustus van hetzelfde jaar schreef hij:
„Hetgeen UWE. mij schrijft van barnsteen op Urk is zeer opmerkelijk, te meer dewijl het mij toeschijnt dat hetzelve wordt gehaald uit den grond en uit de aarde van dit eiland, en dat de zee hetzelve afspoelende ontdekt waar het ligt. Ik verzoek U dit nader te onderzoeken en te doorgronden, omdat het zoo verschilt van het begrip van kenners, die vermeenen, dat deze stof liquida uit de aarde komt en opdrijvende uit de zee, na zich neemt wat het ontmoet, vliegjes, visschub enzv.”
Ofschoon nu in lateren tijd de barnsteen op geen dezer beide eilanden meer is ontmoet, zoo laten echter de daaromtrent medegedeelde berigten geenen twijfel over, of het is aldaar vroeger voorgekomen, en wel, naar allen schijn, opgeworpen door de zee. Tevens echter blijkt daaruit, dat de hoeveelheid ten allen tijde zeer gering geweest is. De mollemaarde, waarvan in deze berigten sprake is, zoude het vermoeden kunnen versterken, als of deze barnsteen afkomstig was uit eene door de zee omgewoelde bruinkolenlaag, doch reeds boven hebben wij gezien, dat tusschen het zand, dat het vroegere zeestrand vormde, zich veel derrie bevindt. Hoogstwaarschijnlijk was het deze, waarin men den barnsteen vond. Deze derrie nu draagt alle de kenmerken van losgespoeld veen. Van hout van coniferen, die zoo algemeen in de bruinkolenbeddingen voorkomen, en bepaaldelijk in die, welke den barnsteen bevatten, is geen spoor te vinden.
Maar bovendien is het genoeg bekend, dat de barnsteen zeer veelvuldig voorkomt in zand- en leemgronden, gelijk inzonderheid langs de geheele Oostzeekust het geval is. Hij is daarheen gevoerd uit andere tertiaire bruinkolenbeddingen, en het zoude derhalve zeer wel mogelijk kunnen zijn, dat barnsteen ook hier en daar onder het Zuiderzeestrand ligt, zonder dat zulks daarom nog eene nabij zijnde bruinkolenbedding verraadt. Het soortelijk gewigt van barnsteen is 1,08; het verschilt derhalve zeer weinig van dat van water, en gevolgelijk kunnen stukjes, gelijk op Urk gevonden zijn, zeer gemakkelijk van groote afstanden daarheen door den stroom der zee zijn overgevoerd.
De bodem der zee rondom Urk.
Op de hier achter gevoegde plaat, stellen fig. 1, 2, 3 en 4 eene reeks van doorsneden voor, volgens de op de kaart door de lijnen O P, Q R, S T en U V aangewezen rigtingen. Deze doorsneden zijn, wat de horizontale uitbreiding betreft, op dezelfde schaal geteekend als de kaart, namelijk op die van 1/20500, terwijl voor de vertikale hoogte en diepte de schaal van 1/1000 is gekozen. Alle hellingen zijn dus in werkelijkheid ruim 20 maal vergroot voorgesteld. De lijn A P duidt in alle figuren de wateroppervlakte aan; de bijgevoegde cijfers geven de hoogten en diepten boven en onder A. P. te kennen, terwijl door 0 0 de plaatsen worden aangewezen, waar de bodem onder de wateroppervlakte daalt en zich in land- en zeebodem scheidt.
Het blijkt, zoowel uit de kaart als uit deze doorsneden, dat het rif zich rondom het eiland als een onderzeesch plateau uitbreidt, dat, vooral aan de Westzijde, op vele punten digt onder de wateroppervlakte is gelegen. Ook gebeurt het bij zeer laag water van tijd tot tijd, dat het rif grootendeels droog komt, zoodat de eilandbewoners zich tot nabij zijnen rand droogvoets kunnen begeven.
Aan de Oostzijde ligt niet alleen de oppervlakte van het rif in het algemeen dieper, maar zij loopt ook langzaam glooijend af tot aan het punt, waar de zee hare gewone diepte heeft bereikt welke, aan die zijde (tusschen Urk en Schokland), nergens meer dan 4 ellen, doorgaans slechts 3,6 tot 3,8 el bedraagt.
Daarentegen is aan de Westzijde de helling aan den rand van het rif veel steiler (zie fig. 1 en 2), zoodat de diepte op eenen korten afstand van dien rand snel toeneemt. Ook is het daarbuiten gelegen gedeelte der zee sedert lang bekend onder den naam van het Val van Urk, dat, aan de andere zijde begrensd door het Enkhuizer zand, werkelijk eene soort van onderzeesche vallei of dal daarstelt, waarvan de grootste diepte 5,6 el bedraagt, zijnde dit tevens de grootste diepte der Zuiderzee bezuiden Enkhuizen, alleen met uitzondering van een paar punten op de hoogte dier stad zelve, waar de diepte tot 6,2 el onder A. P. bedraagt.
De bodem van dit geheele rif bestaat uit grof zand met gerolde steenen, waaronder vele van buitengewone grootte, vooral op het westelijk gedeelte. Ik zelf heb verscheidene dier steenen gezien, welke 1 tot 1,5 el in doormeter hadden, en waarvan sommige nog slechts fragmenten waren van merkelijk grootere steenen, die men, bij laag water, door middel van kruid had laten springen. Ook deelde de Burgemeester mij mede, dat men in vroegeren tijd steenen had gevonden van 15 voet of ruim 4 ellen in doormeter, doch dat steenen van die grootte thans zelden meer voorkomen.
Toen ik het eiland bezocht, vond ik er echter nog vele op een' grooten hoop gestapeld aan het strand nabij de haven, die men daar kortelings uit de zee had aangebragt, zoodat ik de welkome gelegenheid had, om den aard dier steenen nader te kunnen onderzoeken. De aldaar verzamelde rolsteenen bestonden uit:
1. Graniet, a. een brokstuk van eenen grooteren rolsteen; de doormeter van het fragment bedroeg 1,25 el; de bestanddeelen waren: witte veldspaath (olikoglas), witte kwarts, zwartachtig groene glimmer en eenige weinige hoornblende, waardoor deze steen tot syeniet nadert.
b. Een brokstuk van 0,75 el in doormeter, met roozenroode veldspaath, witte kwarts en donkergroene glimmer; deze bestanddeelen zijn zeer ongelijkmatig gemengd.
c. Een geheele rolsteen van 0,85 el in doormeter, bestaande uit zeer veel tegelroode veldspaath, weinig graauwe kwarts, en bijna geen glimmer.
d. Een geheele rolsteen van 0,5 el in doormeter, fijnkorrelig, met graauwwitte veldspaath en kwarts, en zwarte glimmer.
e. Een brokstuk van 0,5 el in doormeter, fijnkorrelig, de hoofdmassa bestaande uit witte, roode en groenachtige kwarts; verders uit roozenroode veldspaath en weinig groenachtig gekleurde glimmer.
2. Syeniet. Twee brokstukken, van geheel dezelfde rotssoort, die waarschijnlijk gedeelten van denzelfden door kruid gesprongen steen hebben uitgemaakt. Het grootste heeft eenen doormeter van 1,5 el, het kleinste van 0,75 el. De bestanddeelen zijn: roode veldspaath, witte kwarts, zwarte glimmer en hoornblende, en bovendien triphaan.
3. Gneis. Een brokstuk van 0,9 el, met gelijke bestanddeelen als 2, alleen laagswijze geordend.
4. Euriet, een rolsteen van 0,75 el in doormeter, wit met roode aders, granaten insluitend.
5. Lichtgrijze kalksteen, een rolsteen van 0,5 el in doormeter, tamelijk homogeen en hard, met onduidelijke fossile schelpen.
Behalve door deze groote blokken, bestond er nog gelegenheid om den aard der steenen van het rif te leeren kennen door die, welke de zee op het strand geworpen heeft, zoowel op de Staart als langs de Noordoostkust en op het nieuwlings aangespoelde stuk gronds bij de haven. Natuurlijk zijn deze steenen over het algemeen kleiner, doch er bevinden zich toch onder van 0,2 el in doormeter. Zeer vele dier steenen stemmen volmaakt overeen met die, welke in den bodem van het hoogliggend gedeelte des eilands voorkomen. Men treft daaronder aan: verschillende soorten van graniet, waarvan de roode ook hier de overhand heeft; ook is daaronder een stuk goed gekenmerkt schriftgraniet gevonden; verders syeniet, gneis, waaronder één stuk met donkerroode veldspaath en kwarts in zeer duidelijke scherp afgescheidene dunne lagen; voorts euriet, veldsteenporphier, witte en violetroode kwarts, zwartachtig groene hoornsteen, gele zandsteen, marmer, lichtgeelachtig witte Jurakalk, blaauwachtig grijze kalksteen, krijt en talrijke vuursteenen.
Bovendien werden er nog, als fossilen uit oudere lagen afkomstig, op het strand tusschen de rolsteenen gevonden: eene geheel in kalkspaath veranderde Astraea rotularis Michelin, waaraan, ten gevolge der afslijting, de cellen alleen nog op sommige plaatsen goed herkenbaar zijn, en een steenkern, waarschijnlijk van Melania Zenkeri Dunker.
Overzigt en gevolgtrekkingen.
De thans medegedeelde uitkomsten van het onderzoek des bodems van Urk en van het rif, dat dit eiland omgeeft, bewijzen voldingend, dat het hooger liggende gedeelte met het rif van diluvialen, het lagere gedeelte daarentegen van alluvialen oorsprong is.
Dat het eiland ook aan de Oostzijde in omvang verloren heeft, zullen wij straks zien, doch het aangevoerde is voldoende ten betooge, dat ook het hooge diluviale gedeelte zich vroeger verder in zee heeft uitgestrekt. Inderdaad is dan ook de stelling zeer waarschijnlijk, dat eertijds het geheele Oostelijk gedeelte van het rif daartoe heeft behoort, en dat, terwijl door de zee het fijnere slib is weggespoeld, het zand en de steenen op de plaats zijn blijven liggen. Hiervoor pleit ook de zonderlinge wigvormige gedaante van dit hooge gedeelte, als het ware de helft van eenen vroegeren diluvialen heuvel voorstellende, terwijl de andere thans verdwenen helft naar de Westzijde waarschijnlijk mede langzaam glooijend afliep.
Wat de wijze aanbelangt, hoe deze leem- en leemmergelbank met de groote daarin besloten gerolde rotsblokken op die plaats gekomen is, zoo is voorzeker thans de tijd nog niet gekomen, om op goede gronden eene keuze te doen uit de vele hypothesen, die, ter verklaring van het ontstaan der geheele formatie, waartoe dit gedeelte van het eiland behoort, zijn uitgedacht. Alleenlijk kan men eenige waarschijnlijke gissingen opperen, aangaande den oorsprong der in den bodem gevonden steenen.
Even als veelal in het diluvium,—doch hier te opmerkelijker, uit hoofde van de vastheid der massa, waarin zij bedolven liggen,—vinden wij gesteenten uit alle tijdvakken, van de oudste plutonische rotsen af, tot aan de bruinkool der tertiaire periode toe, in de grootste verwarring dooréén liggen. Talrijke varieteiten van graniet, syeniet en gneis, kalksteenen, die, blijkens de daarin voorhanden versteeningen (Leptaena depressa, Beyrichia complicata, Actinocrinus laevis), tot het silurische en devonische stelsel behooren, andere kalksteenen, die tijdens de Juraperiode gevormd zijn, en de daaraan eigene fossilen (Pentacrinus pentagonalis, Terebratula flabellula, T. plicatella) bevatten, verders mergel, zandsteenen van verschillenden aard en waarschijnlijk ook van zeer verschillenden ouderdom, krijt en vuursteenen, hout van eenen Taxites uit eene tertiaire laag, zelfs de uit vulkanische streken afkomstige doleriet en anamesiet,—ziedaar het bonte geheel, welks ontcijfering voorzeker altijd uiterst moeijelijk zal blijven. Intusschen kunnen wij reeds nu op enkele punten opmerkzaam maken. Vooreerst op het zeer in het oogloopend verschil tusschen de steenen welke in den Urkschen bodem voorkomen, en die, welke in de zuidelijke streken van ons vaderland in diluviale gronden worden aangetroffen. Steenen, die eenen zuidelijken of zuidoostelijken oorsprong, namelijk van het Ardenner- of Nederrijnsche leigebergte zouden verraden, en waarvan op onze Noordbrabandsche, Geldersche en Utrechtsche heidevelden velen worden gevonden, komen op Urk nagenoeg volstrekt niet voor, en zelfs gelijken de grauwacke-zandsteenen of psammieten, die in geringen getale, slechts één op de tweehonderd, aldaar zijn aangetroffen, weinig op die, welke in zuidelijker streken voorkomen. Daarentegen is de Urksche bodem zeer rijk aan kalkgesteenten, zoo zelfs, dat de daaruit bestaande rolsteenen alle de overige gezamenlijk in aantal overtreffen, terwijl deze, gelijk men weet, in de zuidelijker streken van het diluvium zeer spaarzaam gevonden worden.
In de tweede plaats geven de gevonden rotsfragmenten eenige, zij het dan ook nog onzekere, gronden aan voor gissingen aangaande de oorspronkelijke plaatsen, van waar die steenenmassa afkomstig is.
Echter ben ik verre van te willen beweeren, dat alle de talrijke varieteiten van plutonische gesteenten, die in den bodem van Urk voorhanden zijn, stellig eenen noordschen oorsprong hebben. Eenige hunner gelijken zoo zeer op dergelijke gesteenten uit Schotland, alhier in het mineralogisch kabinet aanwezig, dat men zeer geneigd wordt hen als van daar afkomstig te beschouwen. Deze meening wordt nog versterkt, door de talrijke vuursteenen en het krijt, dat geheel beantwoordt aan het krijt der Engelsche kusten, en waarvan vooral de onderste lagen der leembank eene aanzienlijke hoeveelheid bevatten. Ook zijn de overige gevonden gesteenten geenszins in strijd met eenen westerschen oorsprong, maar sommige schijnen dezen veeleer aan te duiden. Bepaaldelijk geldt zulks van de vrij talrijke kalksteenen met Beyrichia complicata, hoogstwaarschijnlijk tot het silurische stelsel behoorende (zie bl. 17), terwijl het verders niet moeijelijk zoude zijn, voor alle de andere gesteenten in Engeland meerdere vindplaatsen aan te wijzen, vanwaar men met eenigen grond zoude kunnen vermoeden, dat de Urksche steenen gekomen zijn. Doch zulk eene optelling zoude voor het oogenblik zeer weinig waarde hebben, te meer, dewijl men, welligt met even veel grond, dergelijke vindplaatsen in andere niet zeer ver verwijderde oorden zoude kunnen aantoonen. Ik onthoud mij er derhalve van, het aan lateren tijd overlatende, om over dit moeijelijke vraagstuk meer licht te verspreiden.
Thans van het hoogere op het lagere, of van het diluviale op het alluviale gedeelte des eilands overgaande, herinner ik in de eerste plaats, dat het onderzoek geleerd heeft, dat hier het geheele middengedeelte uit eene zoetwaterformatie bestaat, namelijk uit veen en daarop rustende klei, en dat alleen de randen langs de Noordwest- en Oostkust door eene zeeformatie zijn bedekt. Blijkbaar is hier de zoetwaterformatie de oudere, en de zeewaterformatie de jongere.
Toen ik op Urk was, vond ik ook daar de overlevering algemeen, dat het eiland eertijds veel grooter was geweest, en wel bepaaldelijk in de oostelijke rigting. De Burgemeester verhaalde mij, dat hij voor eenige jaren, bij eenen buitengewoon lagen waterstand, tot een vierde uurs ver van de Oostkust in zee was gegaan, en toen aldaar een palen hoofd had gevonden, zigtbaar ter lengte van minstens 14 ellen. Ik herinner hierbij, dat nog tot in het begin dezer eeuw aan denzelfden kant van het eiland de reede voor de schepen is geweest.
Dat eindelijk, zelfs nog vóór een betrekkelijk gering aantal jaren de bodem van het eiland in de noordoostelijke rigting door de zee verloren heeft, blijkt uit den vroeger (bl. 31, 32) medegedeelden brief van Ds. Weerman. Later is het echter weinig meer afgenomen; althans op de uitvoerige kaart, in 1789 op last der Amsterdamsche regering vervaardigd door den Stads-Landmeter J. Schilling, vertoont het eiland nagenoeg geheel denzelfden vorm als thans. Alleenlijk springt het noordelijkst gedeelte der Noordwestkust iets minder ver in zee dan toen, en is, gelijk reeds vroeger is gezegd, sedert het aanleggen der haven in 1819, tusschen de zuidwestelijke punt, waarop de vuurtoren staat, en het havenhoofd, door aanspoeling van zand, een nieuw stuk gronds gevormd. Eindelijk had toen ook de Staart een eenigzins ander beloop en splitste zich aan haar uiteinde in twee takken, waarvan er thans slechts een is overgebleven.
Het water in de putten.
Er zijn op Urk een twintigtal putten, waarvan het meerendeel bijzonder eigendom is van de bewoners der huizen, waar of in welker nabijheid zij zich bevinden. Een dier putten, in het midden van het hoog liggend gedeelte gelegen (zie de kaart), is echter voor algemeen gebruik bestemd. De mond van dezen put ligt op 4,5 el boven A. P. De wanden zijn geheel bekleed met rolsteenen van het rif afkomstig, en zijne diepte bedraagt 6,1 el; zoodat derhalve zich de bodem 1,6 el onder A. P. bevindt. (Zie de doorsnede in fig. 3 p.)
Nabij den vuurtoren, is mede een put. De omgevende grond ligt hier op 7,7 el boven A. P. De diepte bedraagt 6,43 el, zoodat derhalve de bodem van dien put op 1,27 el boven A. P. is gelegen. (Zie de doorsnede in fig. 4 p′.)
Reeds hieruit blijkt, dat het water in deze beide putten zeer waarschijnlijk eenen verschillenden oorsprong heeft, daar de bodem van den laatsten 2,87 el hooger ligt dan die des eersten, hetgeen, op dien korten afstand (omstreeks 380 ellen), tot eene veel grootere helling der het water leverende zandlaag zoude doen besluiten, dan gewoonlijk in dergelijke gevallen wordt waargenomen.
Werkelijk hebben dan ook de in het werk gestelde boringen en gravingen doen zien, dat op het punt A, ter diepte van 1,5 el onder A. P. eene zandlaag wordt aangetroffen, dat is slechts weinig hooger, dan de bodem van den in het midden gelegen put, terwijl daarentegen in c, dat is nabij den vuurtoren, op eene diepte van 1,4 el boven A. P. de laag zandmergel eenen aanvang neemt, die benedenwaarts in bijna zuiver zand overgaat, en op 1 el boven A. P. wederom van onderen door eene laag leemmergel begrensd wordt.
Men mag derhalve veilig aannemen, dat, terwijl de eerstgenoemde put, en waarschijnlijk het meerendeel der overige putten, hun water ontvangen uit de zandlaag, die zich onder het geheele diluviale gedeelte van het eiland uitbreidt, de put nabij den vuurtoren daarentegen gevoed wordt door water uit de zandmergellaag, die, wel is waar, ook elders wordt aangetroffen, doch zonder de daaronder liggende leemmergellaag, die, ten gevolge harer veel geringere doordringbaarheid, het water daarin houdt opgesloten.
De hoofdbron van het water in de putten is natuurlijk het regenwater, waarvan een gedeelte, op de daken der huizen nedervallende, door de inwoners, hetzij in regenbakken of op eene andere wijze wordt opgevangen, terwijl het overige in den bodem dringt.
Het water in de wellen is echter verre van zuiver regenwater te zijn. Drie omstandigheden oefenen daarop invloed uit:
1o. de oplosbaarheid van sommige stoffen in den bodem, hetzij door water alleen, of nadat dit koolstofzuur heeft opgenomen, dat in den bodem voorkomt, ten deele als het product van humificerende plantaardige stoffen, in de nabijheid der oppervlakte;
2o. de stortzeeën, die bij stormweder vaak over het paalwerk heenslaan, zoodat de bodem langs de kust bij zulke gelegenheden door zeewater gedrenkt wordt;
3o. het water der omringende zee, dat benedenwaarts in den bodem dringt en in de putten opstijgt.
Het spreekt van zelf, dat de laatste omstandigheid den grootsten invloed uitoefent op het water in die putten, welker bodem zich onder de oppervlakte der zee bevindt, en van daar dan ook een belangrijk verschil in de zamenstelling van het water afkomstig uit de beide bovengemelde putten, gelijk uit onderstaande uitkomsten der analyse blijkt.
In 1000 deelen van het water van den in het midden gelegen put zijn bevat:
Vaste stof 2,219 verbrandbaar 0,246

onverbrandbaar 1,973
Het water van den put bij den vuurtoren bevat in 1000 deelen:
Vaste stof 0,655 verbrandbaar 0,063

onverbrandbaar 0,592
De zamenstelling der vuurvaste bestanddeelen is de volgende:
Put in het midden. Put bij den vuurtoren.
Chlorsodium 0,866 0,304
Zwavelzure kalk 0,356 0,085
Koolstofzure soda 0,197 0,128
Koolstofzure ,, potasch 0,109 0,006
Koolstofzure ,, kalk 0,337 0,019
Koolstofzure ,, magnesia 0,083 0,069
Kiezelzuur sporen. geringe sporen.
Van ijzer komt in geen der beide wateren een spoor voor, in weerwil van den grooten overvloed van dit metaal in den bodem, hetgeen ten bewijze strekt, dat het er alleen als ijzeroxydhydraat, en niet ook als koolstofzuur ijzeroxydul in aanwezig is.
Aan de verschillende quantitatieve zamenstelling van het water der beide putten beantwoordt ook de smaak. Dat van den put bij den vuurtoren is vrij goed drinkbaar, doch het bijna viermaal zoo veel vaste stoffen bevattende water uit den put in het midden heeft eenen onaangenamen ziltigen smaak. Hetzelfde geldt van dat der overige putten, en het water van één' dezer bleek, bij een qualitatief onderzoek, in zamenstelling zeer na, zoo niet geheel, met dat van den laatstgenoemden put overeen te komen. De eilanders bezigen dan ook dit water niet, dan bij gebrek van regenwater, als drinkwater, maar wel tot bereiding van spijzen en tot andere huisselijke doeleinden, als ook tot drenking van het vee.
Ofschoon de temperatuur van het water der putten uit den aard der zaak aan afwisseling onderhevig is, zoo teeken ik hier nog aan, dat op den 31sten Maart, toen de thermometer in de lucht op 10°,7 C stond, het water op den bodem van den put bij den vuurtoren eene temperatuur van 6°,5 C had. Een thermometer tot op den bodem van het niet ver van daar verwijderde boorgat c nedergelaten, en dus 3 ellen onder den beganen bodem of 0,6 el lager dan de diepte van den put, teekende ter zelfder tijd mede 6°,5. De temperatuur van de onderste waterlaag en van de zich onmiddelijk daaronder bevindende leemmergellaag was dus 4°,2 lager dan die van de lucht.
Reeds vroeger (bl. 3) hebben wij gezegd, dat het van ouds bekend is, dat het water in deze putten niet altijd even hoog staat, en dat het zelfs volgens een volksverhaal met dat van den Gelderschen IJssel bij Kampen rijzen en dalen zoude.
Mijn verblijf op het eiland is te kort geweest, om daaromtrent zelf naauwkeurige waarnemingen te doen, doch hetgeen mij daarvan bekend is geworden, is voldoende tot eene algemeene oplossing van het vraagstuk.
Op den 31sten Maart 1852 bevond ik, dat de oppervlakte van het water in den put bij den vuurtoren stond op 1,63 el onder den beganen grond, dat is 2,13 el onder het hoogste punt van het eiland, en 6,07 el boven A. P. Terzelfder tijd bevond zich de oppervlakte van het water in den anderen in het midden gelegen put op 5,2 el onder den beganen grond, dat is op 9,7 el onder het hoogste punt en op 0,7 el onder A. P.
Ofschoon het nu waar zij, dat, daar het water uit dezen put tot algemeen gebruik dient, deze bepalingen geenszins eene juiste uitdrukking leveren van de hoogte, waartoe het water zoude kunnen stijgen, indien het ongestoord aan zich zelf werd overgelaten, zoo is het verschil in waterstand tusschen beide putten toch zoo groot, dat men reeds hieruit tot een verschil in oorsprong zoude moeten besluiten. Dit verschil bedroeg namelijk op het tijdstip, waarop de meting geschied is, niet minder dan 6,77 el, zoodat de wateroppervlakte in den eersten put werkelijk 1,57 el boven den mond van den anderen put verheven was, en, indien de aardlagen elders volkomen gelijk waren aan die, welke bij den eersten put doorboord zijn, het water met kracht over den mond zoude uitvloeijen, even als bij eene artesische putboring.
Uit de zamenstelling van het water is gebleken, dat het zeewater slechts in zeer geringe mate aan de vorming van het water in den put nabij den vuurtoren deelneemt. Zelfs zoude men een goed deel van de daarin aanwezige zouten nog kunnen toeschrijven aan het bij stormweder overstuivende zeewater. In elk geval is het, uit den hoogen stand van het water in dien put, duidelijk, dat het niet dan eene zeer beperkte gemeenschap met de zee heeft. Volgens mededeeling van den vuurtorenwachter heeft dan ook de hoogere of lagere stand der zee geen den minsten invloed op den stand van het water in dezen put. Alleen bij zeer langdurige droogte vermindert deszelfs hoeveelheid.
Anders is het gelegen met den put in het midden, en, voor zoover mijne berigten reiken, ook met de overige putten. Bij zeer lagen waterstand der zee, wanneer b. v. bij langdurige Oosten winden het water, gelijk somtijds gebeurt, tot 1,3 of 1,4 el beneden dagelijks tij daalt, dan worden deze putten droog. Doch van een geregeld dalen en rijzen van het water der putten met het tij der zee is aan niemand op Urk iets bekend.
Ten einde daaromtrent tot eenige meerdere zekerheid te komen, is, op mijne uitnoodiging, door den vuurtorenwachter Schraal, gedurende twee dagen, de hoogte van de zee in verhouding tot A. P. en de hoogte der oppervlakte van het water in den gegraven kuil A opgeteekend.
De stand van het water der zee, gemeten op de peilschaal in de haven, was:
25 Junij, 's morgens ten 6 ure, hoog water, 0,01 el onder A. P.
25 ,, Junij, ,, 's ,, morgens ,, ten ,, 9½ ure, ,, tusschen tij, 0,86 el onder ,, A. ,, P. ,,
25 ,, Junij, ,, 's middags ten ,, 12 ure, ,, laag water, 0,19 el onder ,, A. ,, P. ,,
25 ,, Junij, ,, 's namiddags ten ,, 6 ure, ,, hoog water, 0,00 el onder ,, A. ,, P. ,,
26 Junij, 's morgens ten ,, 6½ ure, ,, hoog water, 0,21 el onder ,, A. ,, P. ,,
26 ,, Junij, ,, 's ,, morgens ,, ten ,, 10½ ure, ,, tusschen tij, 0,25 el onder ,, A. ,, P. ,,
26 ,, Junij, ,, 's namiddags ten ,, 12½ ure, ,, laag water, 0,31 el onder ,, A. ,, P. ,,
26 ,, Junij, ,, 's ,, namiddags ,, ten ,, 3½ ure, ,, tusschen tij, 0,24 el onder ,, A. ,, P. ,,
26 ,, Junij, ,, 's ,, namiddags ,, ten ,, 6½ ure, ,, hoog water, 0,07 el onder ,, A. ,, P. ,,
In weerwil dat derhalve op die beide dagen de stand van het zeewater van 0 tot 31 duimen onder A. P. heeft verschild, is er bij de telkens herhaalde gelijktijdige metingen geen het minste verschil waargenomen in den stand van het water in den gegraven kuil, hetgeen al dien tijd onveranderlijk tot op 4,245 el onder den beganen grond is gebleven, dat is slechts 0,055 el onder A. P. Daar nu deze kuil veel digter bij het strand was gelegen dan een der bestaande putten, zoo mag men veilig aannemen, dat de snelle rijzingen en dalingen der zee, welke het gevolg zijn van eb en vloed, op deze ook geenen noemenswaardigen invloed hebben, en dat er een tijdsbestek van verscheidene dagen wordt vereischt, gedurende hetwelk de zee buitengewoon laag is, om het water in de putten eenigzins aanmerkelijk te doen dalen.
Gelijk reeds gezegd is, is zulks vooral het geval bij langdurigen Oostenwind, en dan is niet alleen de zee laag, maar ook de daarin uitloopende IJssel. Dit geeft de eenvoudige verklaring van het oude sprookje betreffende het verband, dat er tusschen de Urksche putten en den Gelderschen IJssel zoude bestaan.
Zwavelzure kalk 0,471
Zwavelzure ,, magnesia 0,680
Chlormagnesium 0,999
Chlormagnesium ,, sodium 8,326
Chlormagnesium ,, potassium 0,109
Brommagnesium 0,018
Koolstofzure kalk 0,004
Kiezelzuur 0.001
Som 10,608