Note 21 — GEOGNOSTISCHE GESTELDHEID.
Reading edition
Het is bekend (zie onder anderen Vogt's Lehrbuch der Geologie, II. s. 38 en verv.), dat elke deltavorming steeds vergezeld gaat van het ontstaan van dergelijke lagunen. De door den Nijl en de Po gevormde delta's leveren er vooral de duidelijkste voorbeelden van. Wat dat gedeelte des bodems van ons vaderland in het bijzonder betreft, hetwelk eene deltavorming van den Rijn, de Maas en de Schelde is, zoo kan men, steunende op hetgeen de waarneming elders geleerd heeft, en op onze kennis aangaande den aard der gronden, welke dien bodem zamenstellen, zich van deszelfs ontstaan de volgende algemeene voorstelling vormen.
Toen de bodem der zee door het gestadig afgevoerde rotsgruis was opgehoogd tot op eene geringe diepte onder het watervlak, namen de verdere ophooging en drooglegging haren aanvang aan de randen der delta, derhalve aan de zeezijde. Waar zand den zeebodem bedekte, vormden zich duinen uit het zand, dat, tijdens de eb droog geworden, door den heerschenden Westen- en Noordwestenwind tot hoopen werd opgestuwd. Waar de zeebodem met klei bedekt was, werd deze in fijn verdeelden toestand, met het water, gedurende den vloed, aangevoerd, en tijdens de eb als slib achtergelaten, hetgeen bevorderd werd door de reeds in het ondiepe water groeijende strandplanten, en zoo ontstond een schoor wal op dergelijke wijze als zulks, vooral langs de kusten onzer noordelijke provinciën, nog heden ten dage plaats grijpt. De aldus langs de randen der delta opgehoogde bodem vormde aanvankelijk eene reeks of keten van eilanden, die de lagune begrensden, welke toen nog met brak water gevuld was. Allengs echter vereenigden zich deze eilanden, totdat er eindelijk nog slechts hier en daar opene ruimten overbleven, waardoor de zee het water uit de lagune ontving, waarin het zoete water der rivieren zich uitstortte. Door dezen meer beperkten toegang der zee, hield het water in de lagune eindelijk ook op brak te zijn, en toen ontstond op de ondiepste plaatsen der lagune eene vegetatie van zoetwaterplanten, welke jaarlijks afstervend, maar ook telken jare door eene nieuwe vegetatie opgevolgd, onder den vorm van veen, tot de ophooging des bodems krachtig bijdroegen. Deze veenvorming, langs den westelijken en noordwestelijken zoom aangevangen, strekte zich van lieverlede meer binnenwaarts uit, totdat eindelijk van de vroegere lagune slechts een meer overbleef, waarin een der Rijnarmen zijn water ontlastte, dat daaruit noordelijk zijnen verderen weg naar de zee vond.