INLEIDING.
Reading edition
Een der merkwaardigste plekjes van onzen vaderlandschen bodem is het kleine eilandje Urk. Gelegen midden in de Zuiderzee, heeft het sedert eeuwen te kampen gehad met de woede der golven en stormen, waaraan het meer dan eenig ander der in de Zuiderzee gelegen eilanden is blootgesteld, en, alhoewel het in dien strijd geenszins ongedeerd is gebleven, zoo ziet de reiziger, die van de Lemmer naar Amsterdam de zee oversteekt, het zich nog altijd als een groene heuvel hoog boven het watervlak verheffen, en de schipper vindt ligtelijk geloof, als deze hem verzekert, dat het eene rots is.
Toen ik in de lente van het vorige jaar eenigen tijd te Enkhuizen doorbragt, besloot ik derhalve een bezoek op dit eiland af te leggen, ten einde in de eerste plaats zijne geognostische gesteldheid nader te leeren kennen, doch tevens van die gelegenheid gebruik te maken, om zoowel door het verzamelen van voorwerpen, als door het inwinnen van berigten bij de inwoners, eenige bekendheid te erlangen aangaande de planten en dieren, welke dit kleine plekje gronds bewonen.
Den 29sten Maart begaf ik mij, voorzien van de noodige werktuigen tot meten en boren, daarheen, in gezelschap van drie jongelieden, door wier welwillende hulp het mij mogelijk was in een kort tijdsbestek veel af te doen, want reeds den 31sten daaraanvolgende keerden wij van daar terug.
Deze gravingen werden verrigt onder de leiding—en ten deele ook in de tegenwoordigheid—van mijnen vriend den heer P. Backer de Wit, Apotheker te Enkhuizen, en verders onder het toezigt van den op Urk woonachtigen vuurtorenwachter A. Schraal, die zich tevens belastte met het verzamelen van monsters der gronden, telkens met verschil van O,1 el in diepte, en bovendien van alle grootere en kleinere steenen en andere voorwerpen, die bij de gravingen gevonden mogten worden.
Ten einde den graad van juistheid der later mede te deelen uitkomsten te kunnen beoordeelen, volgt hier eene optelling van de plaatsen, waar geboord of gegraven is, met vermelding van de bereikte diepte onder den beganen grond. Deze plaatsen zijn door letters aangeduid op de bijgevoegde kaart.
Eerste boring (a) tot op 1,4 el diepte.
Tweede boring (b) tot op 1,5 el diepte.
Deze twee boringen op het hoogste punt (9,2 el boven A. P.) des eilands, achter de kerk der Hervormden, en op slechts 10 ellen onderlingen afstand, moesten beide gestaakt worden, omdat de boor op eenen granietsteen stuitte.
Derde boring (c) tot op 3 ellen diepte, aan de westelijke helling van het hooger liggend gedeelte, waar de bodem 3,5 el boven A. P. is gelegen.
Vierde boring (d) tot op 3,5 ellen, in het lager liggend gedeelte, nabij de grens van het hooger gelegene. De hoogte des bodems boven A. P. bedraagt aldaar 0,7 el.
De gravingen zijn alle, slechts met uitzondering van die op het punt D, voortgezet totdat het binnendringen van het welwater de verdere graving verhinderde, daar op Urk geene middelen voorhanden waren, om dit water te lozen.
Bij de eerste en diepste graving (A), aan de westelijke helling van het hooger gedeelte, 4,3 el boven A. P. gelegen, was dit het geval, toen men tot eene diepte van 5,8 el was doorgedrongen.
Bij de tweede (B), op het driehoekig aangespoeld stuk gronds, tusschen den vuurtoren en de haven, bereikte men eene diepte van 1,9 el.
De derde (C), vierde (D) en vijfde (E) graving, alle in het lagere gedeelte des eilands, drongen tot eene diepte van 1 el en 1,1 el, terwijl men eindelijk op het zesde of laatste punt (F), op den zoogenaamden Staart, waar de hoogte boven A. P. niet meer dan 0,2 el bedraagt, de graving reeds op 0,3 el staken moest.
Wat de flora van het eiland betreft, zoo waren natuurlijk op het tijdstip, waarop ik het eiland bezocht, nog slechts weinige planten voorhanden. In deze leemte is echter later door den heer P. Backer de Wit voorzien, die zich op mijn verzoek, met dit doel, driemalen naar Urk heeft begeven, namelijk op den 24sten Mei, den 14den Junij en den 26sten Julij, en mij de door hem verzamelde meerendeels bloeijende planten heeft overgezonden.
De berigten aangaande de dierlijke bevolking zijn door mij, voor het grootste deel, ontleend aan de mededeelingen der bewoners. Alleenlijk de optelling van de aan het strand gevonden schelpen van Mollusken berust op eigene bevinding.
De opgaven van het getal inwoners sedert de invoering der registers van den burgerlijken stand ben ik aan den Burgemeester den heer P. Nentjes verschuldigd, even als verscheidene andere mededeelingen, die voor de kennis van het eiland van gewigt zijn.