Note 6 — INLEIDING.
Reading edition
Het oudste berigt dienaangaande vond ik in de kopij van eenen brief van N. Witsen aan G. Cuper, gedagteekend 18 Augustus 1709 en voorkomende onder de nagelaten papieren van wijlen Mr. Jac. Scheltema, thans berustende bij zijnen neef den Hoogleeraar C. A. Bergsma. Witsen schreef daarin: „Men bespeurt mede, dat bij zeer laag water omtrent het eiland Wieringen zoet water uit den grond ontspringt, hetgeen gewisselijk uit de onderaardsche kanalen komt. Ik meen ook aan UEd. gezegd te hebben, dat wij een put op Urk hebben, die met den IJssel rijst en daalt.” Wagenaar (Beschrijving v. Amsterdam, Dl. III. bl. 84,) vermeldt hetzelfde, er echter bijvoegende, dat hem verzekerd is, dat het water dezer put regenwater is, hetwelk van de hoogte afspoelt, en toe- of afneemt naar dat er veel of weinig regen valt. Van der Aa (l. c. p. 725) maakt gewag zoowel van eene rijzing en daling van het water in de putten met het tij der zee, als van eene beantwoordende aan den waterstand in den IJssel. Alleen het laatste wordt vermeld door den ongenoemden schrijver in het Nederlandsch Magazijn. De gronden, waarop deze meeningen steunen, worden door geen hunner aangegeven.